Brief regering : Stand van zaken besluitvorming nationale handelingskostenvergoeding e-commerce
31 934 Douane
Nr. 105
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 januari 2026
Sinds de opkomst van onlineplatformen is het aantal e-commercezendingen naar de Europese Unie (EU) explosief toegenomen. De massale stroom aan e-commercezendingen
brengt grote uitdagingen met zich mee op het gebied van douaneafhandeling, naleving
van productveiligheidseisen en fiscale handhaving. België, Nederland en Frankrijk
zijn de lidstaten in de EU die de meeste e-commerce afhandelen. Samen is dit goed
voor ruim 80% van de zendingen die de EU binnenkomen.
Zoals toegelicht in mijn brief van 15 december jongstleden is Nederland voorstander
van de invoering van een Europese handelingskostenvergoeding (de zogenoemde EU-handling fee) ter dekking van de additionele kosten voor toezicht op de stroom e-commerce goederen.
Tegelijkertijd ben ik vorig jaar ook voorbereidingen gestart voor de mogelijke invoering
van een nationale handelingskostenvergoeding (de zogenoemde handling fee) mochten Frankrijk, België en Luxemburg – vooruitlopend op de Europese variant –
een nationale handelingskostenvergoeding invoeren. In de genoemde brief heb ik aangegeven
dat de invoering van de nationale handling fee in deze landen op zijn vroegst op 1 februari
2026 zou plaatsvinden en dat ik medio januari het concept AMvB ter besluitvorming
aan de ministerraad zou voorleggen.1 Recente Europese en nationale ontwikkelingen leiden ertoe dat het kabinet op dit
moment geen besluit kan nemen over de mogelijke invoering van een nationale handelingskostenvergoeding.
Deze ontwikkelingen licht ik hierna toe.
Ontwikkelingen omringende landen
Tijdens het CD Eurogroep/Ecofinraad heb ik uw Kamer gemeld dat Nederland volgend is
voor wat betreft de invoering van de nationale handelingskostenvergoeding. Ter voorkoming
van een waterbedeffect en een explosieve groei aan e-commercezendingen via Nederland
dient Nederland voorbereid te zijn om een handelingskostenvergoeding in werking te
laten treden mochten de hierboven genoemde landen hiertoe overgaan. Het is op dit
moment nog niet duidelijk of België en Luxemburg een nationale handelingskostenvergoeding
zullen invoeren en zo ja, per wanneer. Ik onderhoud goed en frequent contact met mijn
collega’s en volg de ontwikkelingen in deze landen op de voet. Dat er op het Europese
vlak nog veel in beweging is, blijkt wel uit het feit dat Italië als eerste lidstaat
per 1 januari 2026 een nationale handelingskostenvergoeding heeft geïntroduceerd.2
Advies Raad van State (RvS)
Op 18 december jongstleden heb ik het advies over de wijziging van het Algemeen douanebesluit
in verband met de invoering van een handelingskostenvergoeding voor e-commercezendingen
van de RvS ontvangen. De RvS erkent de urgentie om in te grijpen op de stroom aan
e-commerce, maar de RvS plaatst enkele kanttekeningen bij onderdelen van het concept
AMvB. Ik heb meer tijd nodig om het advies grondig en zorgvuldig te bestuderen en
te bezien of en zo ja, op welke wijze het advies noopt tot aanpassingen in het concept
AMvB.
Afschaffing de-minimisregeling
Zoals toegelicht in het verslag Ecofin3, heeft de Ecofinraad heeft in december een politiek akkoord bereikt over de versnelde
afschaffing van de Europese vrijstelling van invoerrechten voor goederen tot en met
€ 150 (de zogenoemde de-minimisregeling) en de tijdelijke en pragmatische invoering van een vast tarief van € 3 per productgroep
per 1 juli 2026.4 De afschaffing van de de-minimisregeling heeft naar verwachting een vergelijkbaar
materieel effect als de invoering van een handelingskostenvergoeding; namelijk het
minder aantrekkelijk maken van het verzenden van individuele pakketjes ten opzichte
van bulkzendingen en daarmee een meer gelijk speelveld tussen Europese bedrijven en
online platforms van buiten de EU. Wanneer andere lidstaten alsnog bovenop de de-minimisregeling
een nationale handeling fee invoeren (vooruitlopend op de Europese variant), leidt
dit alsnog tot een waterbedeffect als Nederland in dat geval niet volgt.
Tot slot
De besluitvorming om al dan niet een nationale handelingskostenvergoeding in te voeren,
wordt – gelet op het voorgaande – tot nader order uitgesteld. De situatie rondom stroom
e-commerce en het mogelijk ontstaan van een waterbedeffect bij invoering van handelingskostenvergoedingen
in omringen landen blijf ik uiteraard nauw monitoren. Ik informeer uw Kamer wanneer
er meer duidelijkheid is over de beleidsvoornemens ten aanzien van de handelingskostenvergoeding
in de omringende landen.
De Staatssecretaris van Financiën,
E.H.J. Heijnen
Indieners
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën