Brief regering : Ontwikkelingen vogelgriep en dierziekten
28 807 Vogelpest (Aviaire influenza)
Nr. 322
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR EN VAN
VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 januari 2026
Op 14 januari a.s. heeft uw Kamer een Commissiedebat over Zoönosen en dierziekten
gepland. In aanloop naar het debat is er een aantal actuele ontwikkelingen rond vogelgriep
waar wij u van op de hoogte willen brengen. Daarnaast heeft uw Kamer op 18 december
een aantal moties aangenomen die tijdens het debat door ons zijn ontraden. In deze
brief wordt u geïnformeerd over de uitvoering van deze moties. Daarnaast informeren
wij uw Kamer over enkele andere onderwerpen rond vogelgriep en diergezondheid.
Huidige vogelgriepsituatie
Eind december zijn er vijf uitbraken geweest met hoogpathogene vogelgriep (HPAI) in
de omgeving van Ysselsteyn (gemeente Venray, provincie Limburg). Het betrof bedrijven
met verschillende bedrijfstypen: kalkoenen, leghennen en vleeskuikens. De NVWA maakt
bij het bezoek aan ieder besmet bedrijf een inventarisatie van mogelijke risicovolle
contacten met andere bedrijven en materialen. Uit deze inventarisatie blijkt tot nu
toe dat hier bij deze bedrijven geen sprake van is geweest. Daarnaast wordt aanvullend
onderzoek uitgevoerd met behulp van de sequentieanalyse van het virus. Hiermee wordt
onderzocht in hoeverre de virussen van de verschillende besmette bedrijven genetisch
gezien op elkaar lijken. Dit geeft aanvullende informatie of eventueel toch risicovolle
contacten hebben plaatsgevonden. Er is momenteel sprake van een hoge infectiedruk
onder wilde vogels. Verspreiding via wilde vogels en de aanwezigheid van het virus
in het milieu als gevolg daarvan, is een mogelijke verklaring waarom meerdere bedrijven
in hetzelfde gebied in korte tijd besmet zijn geraakt. Naast de gebruikelijke maatregelen
heeft de Minister van LVVN besloten om in dit gebied aanvullende monitoring toe te
passen. Bedrijven in de 1- en 3-kilometerzone rondom de uitbraken zijn gedurende 10
dagen gemonitord via kadaverbemonstering en gedurende 14 dagen intensief gevolgd via
telefonische monitoring. Hiervoor is gekozen omdat deze bedrijven aan de rand van
het pluimveedichte gebied De Peel liggen.
In de wilde vogelpopulatie in Nederland wordt verspreid over het land nog steeds verhoogde
sterfte waargenomen. Recent is bij een zeehond uit het Zeehondencentrum Pieterburen
in Lauwersoog HPAI aangetoond. Het dier vertoonde zenuwverschijnselen. Dit is een
verschijnsel passend bij vogelgriep. Ook is begin januari HPAI vastgesteld bij een
kat. De kat had verkoudheidsklachten en ontstoken ogen en is enkele dagen daarna overleden.
De andere kat van de eigenaar had dezelfde verschijnselen maar testte negatief op
vogelgriep en is inmiddels hersteld. De GGD heeft contact gehad met de eigenaar. Eerder
is vogelgriep vastgesteld bij kittens waarover de Minister van LVVN uw Kamer op 1 december
jl. heeft geïnformeerd (Kamerstuk 28 807, nr. 311). In die brief heeft de Minister van LVVN katteneigenaren opgeroepen alert te zijn
en naar een dierenarts te gaan als hun dier ziekteverschijnselen vertoont die passen
bij vogelgriep en als deze verschijnselen zijn opgetreden nadat het dier mogelijk
in contact is geweest met een besmette vogel. Zoals aangegeven in de brief van afgelopen
16 december (Kamerstuk 28 807, nr. 312) wordt onderzoek naar vogelgriep bij katten en honden vergoed door LVVN, mits wordt
voldaan aan een aantal voorwaarden.1 Het aantonen van vogelgriep bij een kat past binnen het bestaande beeld dat het virus
bij zoogdieren kan voorkomen, zeker door de hoge mate van aanwezigheid van het vogelgriepvirus
onder wilde vogels, maar de kans hierop klein is.
De Minister van LVVN houdt de Kamer regelmatig op de hoogte van de HPAI-situatie.
Doorzettingsmacht Ministerie van VWS
De Kamer heeft naar aanleiding van het debat over vogelgriep van 18 december 2025
een motie van lid Kostić c.s. (Kamerstuk 28 807, nr. 313) aangenomen, die de regering verzoekt het Ministerie van VWS alsnog doorzettingsmacht
te geven bij de preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten die een bedreiging
vormen voor de volksgezondheid. De Ministers van VWS en LVVN onderschrijven het standpunt
van de Kamer dat, als het aankomt op het afwegen van belangen, de volksgezondheid
altijd voorop dient te staan. Dat is ook staande praktijk. Hierover zijn afspraken
gemaakt in de zoönosenstructuur die goed werken, wat ook blijkt uit evaluaties (Kamerstuk
25 295, nr. 1711). Hiermee handelen we reeds in de geest van de motie. Het daadwerkelijk toekennen
van doorzettingsmacht is niet mogelijk, omdat dit een aanpassing van ons grondwettelijk
stelsel zou vergen met vergaande complicaties voor de manier waarop ons land wordt
bestuurd. Dit is eerder ook in reacties op het rapport van de Algemene Rekenkamer
aangegeven.2 Als er een dreiging voor de volksgezondheid uitgaat van dierhouderijen wordt gewerkt
conform de zoönosenstructuur. Het Ministerie van VWS is leidend in de beleids- en
besluitvorming. Dat gaat in samenwerking met het Ministerie van LVVN, het RIVM, de
NVWA, lokale bestuurders en GGD’en. De beide Ministers besluiten in goed onderling
overleg en behouden daarbij hun eigen beleidsverantwoordelijkheid, waarbij in alle
gevallen de volksgezondheid voorop staat.
VWS heeft dus het voortouw bij de besluitvorming in de zoönosenstructuur, maar de
betreffende motie kan de regering desondanks niet uitvoeren. Dit zou een aanpassing
van het Nederlandse grondwettelijk stelsel vergen, met vergaande complicaties voor
de manier waarop ons land wordt bestuurd. In Nederland is sprake van een grondwettelijk
stelsel waarin zelfs de Minister-President primus inter pares is en derhalve geen
formele doorzettingsmacht bezit tegenover de collega-ministers. Er wordt in het algemeen
gewerkt met afspraken om op afzonderlijke terreinen de verhouding tussen Ministers
te bepalen. De taakverdeling tussen VWS en LVVN is ook een voorbeeld van een dergelijke
afspraak. De Wet Dieren geeft de Minister van LVVN de bevoegdheid om voor de preventie
en bestrijding van besmettelijke dierziekten ter bescherming van de dier- en volksgezondheid
maatregelen te treffen. Indien het gaat om veterinaire maatregelen die invloed hebben
op de volksgezondheid, doet de Minister van LVVN dat in overeenstemming met de Minister
van VWS. De Wet publieke gezondheid voorziet in bevoegdheden om maatregelen te treffen
ten aanzien van mensen, gebouwen, goederen en vervoermiddelen, en niet ten aanzien
van dieren. Dat is ook niet nodig, omdat de Wet dieren daarin al voorziet. Alle besluiten
die het kabinet neemt zijn dus de verantwoordelijkheid van het gehele kabinet. Bij
de Minister van VWS en de Minister van LVVN staat de volksgezondheid uiteindelijk
altijd voorop.
Landelijke voorlichtingscampagne vogelgriep
Ook heeft de Kamer de regering bij motie van lid Beckerman (TK 28 807, nr. 320) verzocht om een landelijke voorlichtingscampagne over vogelgriep te starten, zodat
breed bekend wordt hoe om te gaan met wilde besmette dieren. Het informeren van het
publiek over de risico’s van zieke wilde vogels bij een uitbraak van vogelgriep is
een relevante maatregel. Om die reden is laagdrempelig op verschillende websites informatie
te vinden over hoe om te gaan met de door burgers gevonden zieke wilde vogels. Denk
daarbij aan Rijksoverheid.nl of www.dwhc.nl en op de diverse websites van de dierenopvang. Daarnaast kan men bellen met het Landelijke
Telefoonnummer Vogelgriep 088–0425020. De regering acht de bestaande publiekscommunicatie
momenteel toereikend.
In het kader van het Intensiveringsplan preventie vogelgriep zijn door experts diverse
scenario’s van een vogelgriepuitbraak uitgewerkt en welke maatregelen per scenario
noodzakelijk zijn. Hierbij is ook nagedacht over passende publieks- en/of risicogroepencommunicatie.
Gelet op het feit dat het risico voor de algemene bevolking door de Risk Assessment-groep
vogelgriep van het RIVM nog steeds als zeer laag wordt ingeschat, voldoet de huidige
publiekscommunicatie en is een aanvullende publiekscampagne wat de Minister van VWS
en de Minister van LVVN betreft nu nog niet aan de orde. Indien de risico’s voor de
volksgezondheid significant wijzigen, kan daar alsnog toe worden overgegaan.
Vogelgriep onderzoek vossen in Friesland
Recent heeft de Minister van LVVN de resultaten ontvangen van het onderzoek naar hoogpathogene
vogelgriep (HPAI) bij vossen in Friesland. Wageningen Bioveterinary Research (WBVR)
en het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC) hebben in opdracht van LVVN 50 vossen uit
Friesland onderzocht op HPAI. Deze vossen waren in het kader van beheer- en schadebestrijding
geschoten. Er is voor gekozen om deze vossen te testen omdat Friesland een gebied
is waarin de afgelopen jaren veel sterfte was onder wilde vogels door vogelgriep en
de verwachting was dat dit ook tot besmettingen bij vossen zou kunnen leiden. In 22
van de 47 onderzochte vossen zijn afweerstoffen tegen vogelgriep gevonden, waarvan
het bij vijf van de 22 vossen om de H5-variant ging en vermoedelijk de hoogpathogene
variant. Bij twee van de 50 vossen is vogelgriepvirus aangetoond. Het aantonen van
afweerstoffen wijst erop dat de vossen ooit in hun leven met het vogelgriepvirus in
aanraking zijn geweest. Het virus werd aangetoond in de neus- en keelswabs. Uit het
onderzoek blijkt dat waarschijnlijk één van de twee vossen een actieve infectie doormaakte.
Van de tweede vos is dit onduidelijk en kan het ook zijn dat er contaminatie heeft
plaatsgevonden. Dit kan bijvoorbeeld door het eten van besmette kadavers. In geen
van de 50 onderzochte swabs van de hersenen werd virus aangetoond. Volgens de onderzoekers
suggereert dit dat infecties met het vogelgriepvirus bij vossen niet altijd gepaard
gaan met beschadigingen aan de hersenen en waarschijnlijk geen zenuwverschijnselen
laten zien. Het volledige verslag is als bijlage meegestuurd met deze brief.
Het is bekend dat vossen, net als andere zoogdieren, vogelgriep kunnen krijgen. Waarschijnlijk
zijn de vossen besmet geraakt door het eten van met vogelgriep besmette dode wilde
vogels. De kans dat zoogdieren vogelgriep krijgen is klein. De resultaten van het
onderzoek geven geen aanleiding om de huidige surveillance van vogelgriep bij wilde
zoogdieren uit te breiden. Het DWHC blijft dode vossen, net als andere dood gevonden
wilde zoogdieren en wilde vogels, testen op HPAI. Daarnaast krijgt de NVWA meldingen
van dode wilde zoogdieren met neurologische verschijnselen binnen via het Landelijk
meldpunt dierziekten. Ook deze dieren worden, naast testen op Rabiës, ook getest op
vogelgriep. Ten slotte geldt er ook een meldplicht voor positieve laboratoriumuitslagen
van HPAI bij zoogdieren, waaronder vossen. Hierdoor hebben de Ministeries van VWS
en LVVN een goed beeld van de aanwezigheid van vogelgriep bij zoogdieren en waar in
Nederland deze besmettingen plaatsvinden.
Evaluatie basismonitoring
Middels deze brief biedt de Minister van LVVN de Kamer het evaluatierapport aan inzake
de basismonitoring diergezondheid (hierna: de basismonitoring) over de periode 2021–2025.
Het betreft een ex durante evaluatie, aangezien de basismonitoring doorloopt gedurende en na de evaluatieperiode.
Dit evaluatieonderzoek is uitgevoerd door het onderzoeksbureau Technopolis, in opdracht
van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), conform
de planning op de strategische evaluatieagenda (SEA). De evaluatie is tweeledig van
aard: enerzijds wordt de doeltreffendheid en doelmatigheid van de basismonitoring
beoordeeld, anderzijds wordt de uitvoering van de basismonitoring door Royal GD als
aangewezen rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT) geëvalueerd.
De basismonitoring is actief sinds 2002 en ingesteld naar aanleiding van de motie
Waalkens-Ter Veer uit 2000. De basismonitoring is een permanent systeem om de gezondheid
van landbouwhuisdieren in Nederland te volgen en vroegtijdig afwijking te signaleren.
Veehouders en dierenartsen kunnen contact opnemen met de zogenaamde Veekijker3 als zij opvallende of onbekende verschijnselen waarnemen. Ook kunnen zij gestorven
dieren insturen voor pathologisch onderzoek. Daarnaast wordt gestructureerd data-analyse
gedaan om signalen van mogelijke gezondheidsproblemen in een vroeg stadium op te pikken.
Een team van gespecialiseerde dierenartsen van Royal GD beoordeelt en analyseert de
signalen. De resultaten hiervan worden gedeeld met veehouders, dierenartsen en betrokken
partijen zoals de overheid, veehouderijsector, humane gezondheidszorg en omringende
landen zodat zij indien nodig actie kunnen ondernemen. Het instrument wordt gefinancierd
uit het diergezondheidsfonds (DGF) voor 50% uit bijdrage van LVVN en 50% uit heffingen
bij houders van runderen, geiten, schapen, varkens en pluimvee. De feitelijke uitvoering
van deze werkzaamheden ligt al sinds de start in 2002 bij Royal GD. In 2021 is Royal
GD aangewezen als RWT voor de uitvoering van de basismonitoring als wettelijke taak
ter uitvoering van artikel 26 van de EU-diergezondheidsverordening (Vo(EU)2016/429).
De conclusie van het evaluatieonderzoek is dat de basismonitoring doeltreffend en
overwegend doelmatig is. Het instrument voorziet in een laagdrempelige mogelijkheid
om signalen van diergezondheidsproblemen te delen, waarna deze worden geanalyseerd
en besproken met LVVN, de NVWA, de sector en waar relevant in het signaleringsoverleg
zoönosen. De conclusie ten aanzien van de uitvoering van de wettelijke taak is positief.
Royal GD wordt als inhoudelijk sterk en voldoende onafhankelijk beoordeeld. Werkwijzen
en processen zijn stevig geborgd en worden aangepast waar nodig. Het rapport doet
ook aanbevelingen voor behoud en verdere versterking van de basismonitoring richting
de toekomst en benoemt daarbij een aantal ontwikkelingen op gebied van omvang veehouderij,
beschikbaarheid en gebruik van databronnen en communicatie bij niet-meldingsplichtige
dierziekten.
De Minister van LVVN onderschrijft de bevindingen en aanbevelingen van het rapport.
De evaluatie laat zien dat de basismonitoring doet wat overheid en sectoren ervan
verwachten. Dit is belangrijk voor het behoud van de hoge diergezondheidsstatus in
Nederland en het vertrouwen van onze handelspartners. De Minister van LVVN gaat samen
met alle betrokkenen met de aanbevelingen aan de slag om de basismonitoring verder
te versterken en daarmee toekomstbestendig te maken.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.A. Bruijn
Indieners
-
Indiener
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Medeindiener
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport