Brief regering : Overwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de liquidatieverliesregeling
36 812 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Nr. 117
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 januari 2026
De leden Van Eijk (VVD) en Stultiens (GL-PvdA) hebben tijdens de behandeling van het
pakket Belastingplan 2026 vragen gesteld over de door het kabinet overwogen opties
om de derving het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 over de liquidatieverliesregeling
(hierna: het Arrest) te dekken.1 Zij vroegen meer specifiek of het kabinet heeft overwogen de structurele derving
van het Arrest in de liquidatieverliesregeling zelf te dekken en zo ja welke opties
dat waren. In reactie heb ik toegezegd uw Kamer hierover per brief te informeren.2
Met deze brief kom ik aan mijn toezegging tegemoet. Ik ga eerst in op de liquidatieverliesregeling
en vat het Arrest samen. Daarna licht ik de derving als gevolg van het Arrest toe.
Vervolgens ga ik in op de opties die het kabinet heeft overwogen om de derving van
het Arrest binnen de liquidatieverliesregeling te dekken. Het kabinet heeft in de
periode kort na het Arrest een eerste inschatting gemaakt van verschillende opties.
Daarbij sta ik op verzoek van het lid Stultiens extra stil bij de zogenoemde «voor-zover-benadering»
en de zogenoemde «alles-of-niets-benadering». Ik rond de brief af met een conclusie.
1. De liquidatieverliesregeling en de kern van het Arrest
1.1 De liquidatieverliesregeling op hoofdlijnen
De liquidatieverliesregeling is een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling. De
deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat economisch dubbele belastingheffing binnen
een concern wordt voorkomen. De door de dochtermaatschappij (deelneming) uitgedeelde
winsten worden door de werking van de deelnemingsvrijstelling niet nogmaals bij de
moedermaatschappij belast. De toepassing van de deelnemingsvrijstelling op buitenlandse
dochtermaatschappijen heeft tot gevolg dat de belastingdruk op de winst van de dochtermaatschappij
in principe alleen wordt bepaald door de belastingdruk in het land waar de dochtermaatschappij
is gevestigd. Daarmee worden Nederlandse bedrijven die in het buitenland actief zijn
zoveel mogelijk in staat gesteld onder gelijke fiscale voorwaarden te concurreren
met lokale bedrijven die aldaar gevestigd zijn. Onder de deelnemingsvrijstelling zijn
winsten ontvangen van een binnenlandse of buitenlandse dochtervennootschap onder voorwaarden
vrijgesteld, maar zijn ook verliezen niet aftrekbaar. Dit is een internationaal gebruikelijke
methode en de Europese moederdochterrichtlijn is ook op een dergelijk uitgangspunt
gebaseerd.3
Door de liquidatieverliesregeling is een (liquidatie)verlies op een deelneming onder
voorwaarden wel aftrekbaar. De reden is dat het verlies niet meer bij die deelneming
in mindering kan worden gebracht (en voorgoed verloren zou gaan). Het liquidatieverlies
is het verschil tussen het voor de deelneming opgeofferde bedrag en de liquidatie-uitkering.
De liquidatieverliesregeling is vanwege grote praktische bezwaren bewust zodanig opgezet
dat voor de omvang van het te nemen liquidatieverlies geen koppeling bestaat met de
omvang van bij de ontbonden dochter onverrekend gebleven verliezen.4 Anders gezegd, het uitgangspunt is het opgeofferde bedrag (de investering in de deelneming)
door de (groep van) belastingplichtige waarbij het gehele recht op een liquidatieverlies
bij de aandeelhouder vervalt indien rechtens sprake is van enig recht op een tegemoetkoming
voor die verliezen. Het liquidatieverlies wordt eerst op het tijdstip waarop de vereffening
van de deelneming is voltooid in aanmerking genomen. De liquidatieverliesregeling
is de afgelopen jaren verschillende malen herzien en ingeperkt om oneigenlijk gebruik
tegen te gaan.5
1.2 De kern van het Arrest
De belangrijkste feiten van het Arrest zijn als volgt. De belanghebbende, een Nederlandse
naamloze vennootschap, hield indirect alle aandelen in twee Ierse deelnemingen, een
Plc en een Ltd. In 2013 zijn de Plc en de Ltd geliquideerd. Bij de Plc resteerde een
verlies, bij de Ltd een overschot. De Plc heeft tijdens haar bestaan gebruik gemaakt
van de Ierse zogenoemde group-reliefregeling, op grond waarvan een groepsvennootschap
een in een jaar geleden verlies kan overdragen aan een andere groepsvennootschap die
in hetzelfde jaar winstgevend was. Daardoor wordt de winstbelasting bij Ltd lager
en neemt haar waarde toe, hetgeen onbelast blijft bij de aandeelhouder. Plc heeft
ruim € 115 miljoen van haar verlies overgedragen aan Ierse vennootschappen. Ten tijde
van de voltooiing van de vereffening beschikte de Plc nog over afgerond € 110 miljoen
aan niet-verrekende, en volgens de Ierse belastingdienst verder onverrekenbare, verliezen.
De belanghebbende heeft voor de toepassing van de liquidatieverliesregeling uiteindelijk
een liquidatieverlies van ruim € 202 miljoen in aanmerking genomen en dit bedrag als
liquidatieverlies ten laste van de winst gebracht.
In geschil is of de vraag of toepassing van de Ierse group-reliefregeling aan toepassing
van de liquidatieverliesregeling in de weg staat. De rechtbank en het gerechtshof
beantwoorden deze vraag ontkennend en stellen de belastingplichtige in het gelijk.
Ook de Hoge Raad oordeelt in het voordeel van de belastingplichtige dat de beoordeling
of «geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming» moet worden uitgevoerd naar het
tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid. De Hoge Raad
oordeelt dat het daarbij om die reden niet zo kan zijn dat onder «enigerlei tegemoetkoming»
mede de tegemoetkomingen vallen die zijn verkregen of hadden kunnen worden verkregen
door toepassing van de Ierse group-reliefregeling voorafgaand aan het moment van liquidatie
van de dochtervennootschap.6 De crux zit in het moment waarop wordt getoetst of van enigerlei tegemoetkoming sprake
is.7
2. De derving als gevolg van het Arrest
De incidentele derving van het Arrest wordt ingeschat op € 840 miljoen. De structurele
derving wordt ingeschat op € 65 miljoen per jaar. Bij de raming van dit bedrag gaat
het om het volledige bedrag aan liquidatieverliezen dat in aanmerking genomen kan
worden. In dit bedrag is ook het deel van de verliezen meegenomen waar al via een
buitenlandse group relief op een eerder moment tegemoetkoming is gegeven. Op basis
van het Arrest kunnen deze verliezen ook via de liquidatieverliesregeling meegenomen
worden.
3. Overwogen dekkingsopties in de liquidatieverliesregeling
3.1 Achtergrond
In de begrotingsregels is vastgelegd dat de budgettaire gevolgen van gerechtelijke
uitspraken meetellen voor het inkomstenkader. Het Arrest levert daarom een substantiële
dekkingsopgave op. Het kabinet is om die reden op zoek gegaan naar dekking binnen
de liquidatieverliesregeling zelf. Daartoe zijn de volgende opties op hoofdlijnen
overwogen:
• Optie 1: Afschaffen van de liquidatieverliesregeling.
• Optie 2: De liquidatieverliesregeling beperken tot deelnemingen waarin de belastingplichtige
een belang van ten minste 95% heeft.
• Optie 3: De aftrek van het liquidatieverlies verlenen tot de omvang van de niet verrekende
verliezen van de deelneming.
• Optie 4: De aftrek van het liquidatieverlies verlenen voor het opgeofferde bedrag,
voor zover geen sprake is of had kunnen zijn van verliesoverdracht binnen de groep
(voor-zover-benadering).
• Optie 5: Codificatie van het Besluit deelnemingsvrijstelling.
• Optie 6: Het verlagen van de drempel van € 5 miljoen.
3.2 Optie 1 | Liquidatieverliesregeling afschaffen
De eerste optie die is onderzocht is of de liquidatieverliesregeling kan worden afgeschaft.
Door afschaffing van de liquidatieverliesregeling kan een belastingplichtige niet
langer een liquidatieverlies in aftrek brengen. Deze optie brengt wetstechnische vragen
met zich mee, bijvoorbeeld over het al dan niet bieden van overgangsrecht en hoe om
te gaan met de stakingsverliesregeling.
Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:
• EU-rechtelijke aspecten: Het afschaffen van de liquidatieverliesregeling brengt een EU-rechtelijk risico met
zich ten aanzien van verliezen die elders niet meer benut kunnen worden.
• Budgettair: Het budgettaire belang van de liquidatieverliesregeling (inclusief de additionele
derving als gevolg van het Arrest) wordt (zonder gedragseffecten) geschat op € 506
+ € 65 = € 571 miljoen voor 2025.
• Uitvoering: De liquidatieverliesregeling is een erg complexe regeling en afschaffing hiervan
komt de uitvoering ten goede. Wel is het belangrijk te kijken naar overgangsrecht
en de uitvoeringsgevolgen daarvan.
• Vestigingsklimaat: Het afschaffen van de liquidatieverliesregeling heeft een negatieve impact op het
binnenlandse ondernemingsklimaat voor zuiver binnenlandse situaties. Daarnaast wordt
Nederland voor bedrijven die investeren in het buitenland minder aantrekkelijk dus
een negatieve impact op het vestigingsklimaat.
3.3 Optie 2 | Liquidatieverliesregeling beperken tot belang van minstens 95%
De tweede optie die is onderzocht is of de liquidatieverliesregeling kan worden beperkt
tot situaties waarin de belastingplichtige een belang heeft van ten minste 95% in
de geliquideerde deelneming. Voor de huidige liquidatieverliesreling dient er sprake
te zijn van een deelneming (dat wil zeggen in de regel een belang van ten minste 5%).
Deze optie lost het probleem van dubbele verliesneming in grensoverschrijdende situaties
niet op, maar beperkt wel het aantal aftrekbare liquidatieverliezen. Deze optie brengt
wetstechnische vragen met zich mee, zoals het bieden van overgangsrecht en hoe de
stakingsverliesregeling op een gelijke wijze kan worden vormgegeven.
Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:
• EU-rechtelijke aspecten: neutraal ten opzichte van de huidige situatie.
• Budgettair: De structurele opbrengst moet nog bepaald worden, maar deze wordt ingeschat in ordegrootte
van € 30–50 miljoen per jaar. De resterende structurele derving wordt dan ingeschat
op € 15–35 miljoen per jaar.
• Uitvoering: Deze optie zou de uitvoering enigszins ten goede komen, omdat het aantal belastingplichtigen
dat voor toepassing van de liquidatieverliesregeling in aanmerking komt daalt. Wel
is het belangrijk te kijken naar overgangsrecht en de uitvoeringsgevolgen daarvan.
• Vestigingsklimaat: Het beperken van de liquidatieverliesregeling heeft als gevolg dat belastingplichtigen
in minder gevallen zijn toegestaan een liquidatieverlies in aanmerking te nemen. Dit
heeft enerzijds een impact op het in aanmerking nemen van liquidatieverliezen in zuiver
binnenlandse situaties en daarmee het binnenlandse ondernemingsklimaat. Anderzijds
wordt Nederland voor bedrijven die investeren in het buitenland minder aantrekkelijk.
3.4 Optie 3 | Aansluiten bij de niet verrekende verliezen van de deelneming
De derde optie die is onderzocht is of voor de berekening van het liquidatieverlies
kan worden aangesloten bij de niet verrekende verliezen van de deelneming. Deze optie
betekent een fundamentele wijziging van de liquidatieverliesregeling, omdat de aansluiting
met het «opgeofferde bedrag» wordt losgelaten. Om die reden brengt deze optie wetstechnische
vragen met zich mee. Gedacht kan worden aan hoe om te gaan met een juridische mogelijkheid
van verliesverrekening (of een consolidatieregime) versus het feitelijk hebben verrekend
van verliezen en de invulling van de bewijspositie van belastingplichtigen.
Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:
• EU-rechtelijke aspecten: deze optie is Europeesrechtelijk mogelijk.
• Budgettair: Deze optie geeft naar voorlopige schatting een opbrengst van maximaal € 20–30 miljoen
per jaar. Het aansluiten bij de niet verrekende verliezen van de deelneming ook kan
leiden tot een groter in aanmerking te nemen liquidatieverlies. De resterende structurele
derving wordt dan ingeschat op minimaal € 35–45 miljoen per jaar.
• Uitvoering: Bij de vormgeving van de huidige liquidatieverliesregeling is om grote praktische
(uitvoeringstechnische) bezwaren niet aangesloten bij de niet verrekende verliezen
van de deelneming.8 Ook nu zullen deze praktische bezwaren gelden als wordt aangesloten bij de niet verrekende
verliezen van de deelneming. Die bezwaren zijn sterker als de verliezen naar Nederlandse
maatstaven moeten worden omgerekend.
• Vestigingsklimaat: Aansluiten bij het niet verrekende verlies van de deelneming heeft als gevolg dat
een belastingplichtige in Nederland nog steeds een liquidatieverlies in aftrek kan
nemen. Dat is positief voor het vestigingsklimaat. Tegelijkertijd kan deze nieuwe
systematiek leiden tot rechtsonzekerheid en discussies met de Belastingdienst, zeker
als het verlies naar Nederlandse maatstaven moet worden bepaald.
3.5 Optie 4 | Introductie van een «voor-zover-benadering»
De vierde optie die is onderzocht is of voor de berekening van het liquidatieverlies
een zogenoemde «voor-zover-benadering» kan worden geïntroduceerd. Dit betekent in
beginsel dat de huidige wijze om het liquidatieverlies te berekenen (het opgeofferde
bedrag minus de liquidatie-uitkering) blijft staan. In deze door het kabinet onderzochte
optie wordt verrekening van het liquidatieverlies slechts toegestaan voor zover er
geen sprake is geweest of had kunnen zijn van enigerlei tegemoetkoming (lees: verliesoverdracht)
voorafgaand aan het tijdstip van de vereffening van de dochtermaatschappij. Deze optie
brengt wetstechnische vragen met zich mee. Gedacht kan worden aan hoe om te gaan met
een juridische mogelijkheid van verliesverrekening (of een consolidatieregime) versus
het feitelijk hebben verrekend van verliezen.
Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:
• EU-rechtelijke aspecten: In beginsel is deze voor-zover-benadering Europeesrechtelijk houdbaar, want het is
hoogstwaarschijnlijk een proportionele wijze om dubbele verliesverrekening te voorkomen.
• Budgettair: Deze optie geeft naar voorlopige schatting een opbrengst van € 20–30 miljoen. De
voor-zover-benadering houdt in dat er nog steeds een liquidatieverlies in aftrek kan
worden genomen. De resterende structurele derving wordt dan ingeschat op € 35–45 miljoen
per jaar.
• Uitvoering: Met deze optie zal de complexiteit van de al complexe liquidatieverliesregeling verder
toenemen. Het omrekenen van verliezen naar Nederlandse maatstaven heeft grote impact
op de uitvoeringsgevolgen.
• Vestigingsklimaat: Deze optie heeft naar verwachting een beperkte negatieve impact op het vestigingsklimaat.
Hoewel het nog steeds mogelijk is om een liquidatieverlies in aftrek te nemen, is
de hoogte van dat verlies in voorkomende gevallen lager.
De «voor-zover-benadering» die het kabinet eerder heeft overwogen wijkt af van het
amendement9 dat het lid Stultiens tijdens de behandeling van het pakket Belastingplan 2026 heeft
ingediend. Aan de door het kabinet overwogen optie lag ten grondslag dat de buitenlandse
verliezen worden omgerekend naar Nederlandse maatstaven. In het hiervoor genoemde
amendement is niet voorzien in een omrekening van het buitenlandse verlies naar Nederlandse
maatstaven en is in die zin wat minder complex dan de door het kabinet eerder onderzochte
optie. Aangezien in verschillende bepalingen in de Wet Vpb wordt aangesloten bij omrekening
naar Nederlandse maatstaven, is bij het onderzoeken van optie 4 vooral van dit uitgangspunt
uitgegaan. Dit is echter geen noodzakelijk uitgangspunt. Ik heb het amendement van
het lid Stultiens desalniettemin ontraden. Het kabinet onderzoekt momenteel een alternatieve
dekkingsoplossing die ter internetconsultatie wordt aangeboden (ik verwijs ook naar
onderdeel 4 van deze brief). Als bij de uitwerking blijkt dat een beter alternatief
voorhanden is, kan dat eventueel worden heroverwogen. De in het amendement van het
lid Stultiens voorgestelde «voor-zover-benadering» zou een optie tot heroverweging
kunnen zijn. In het licht van de aangekondigde internetconsultatie vind ik het op
dit moment te vroeg om daartoe over te gaan.10
3.6 Optie 5 | Codificatie van het Besluit deelnemingsvrijstelling
De vijfde optie die is onderzocht is of het huidige onderdeel 8.14.2 van het Besluit
deelnemingsvrijstelling kan worden gecodificeerd. Dit betekent dat van enigerlei tegemoetkoming
sprake is als de (buitenlandse) verliezen van de te liquideren deelneming zijn of
hadden kunnen worden overgedragen aan een ander (concern)lichaam, dus gedurende het
gehele bestaan van de deelneming tot en met het moment van het voltooien van de vereffening.
Dat betekent dat het van toepassing (kunnen) zijn van bijvoorbeeld een group-reliefregeling
zoals in het Arrest tot gevolg heeft dat aftrek van het liquidatieverlies niet mogelijk
is. Ook bij deze optie spelen wetstechnische vragen, zoals de vraag met welke buitenlandse
systemen rekening dient te worden gehouden en hoeveel jaar moet worden teruggekeken.
Daarnaast is deze optie op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:
• EU-rechtelijke aspecten: Deze benadering lijkt op dit moment een Europeesrechtelijke risico met zich te brengen.
• Budgettair: Deze optie geeft naar voorlopige schatting een opbrengst van € 50 miljoen. De aanpassing
van het beoordelingstijdstip houdt in dat er nog steeds een liquidatieverlies in aftrek
kan worden gebracht. De resterende structurele derving wordt ingeschat op € 15 miljoen
per jaar.
• Uitvoering: De gevolgen voor de uitvoering zijn relatief beperkt omdat deze optie blijft aansluiten
bij de huidige ruwe en forfaitaire berekening van het liquidatieverlies. Wel is het
ook hier mogelijk dat er vragen/rubrieken worden toegevoegd aan de aangifte waarvoor
capaciteit en budget nodig zullen zijn (hoewel minder dan bij opties 3 en 4).
• Vestigingsklimaat: Deze optie heeft een negatieve impact op het vestigingsklimaat, omdat in minder gevallen
een liquidatieverlies kan worden geclaimd dan in de huidige situatie (na het Arrest).
Het effect op het vestigingsklimaat is om die reden waarschijnlijk minder negatief
dan de afschaffing van de liquidatieverliesregeling (optie 1), maar groter dan de
voor-zover-benadering (optie 3), omdat hier sprake is van een «alles-of-niets-benadering».
Tijdens de plenaire behandeling van het pakket Belastingplan 2026 heeft het lid Stultiens
verzocht om in deze brief nader stil te staan bij de mogelijkheid om een alles-of-niets-benadering
in de wet op te nemen. Op grond van de huidige wettekst komt, samengevat, een liquidatieverlies
slechts in aftrek mits bij de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam
geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van
verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven. In feite kent de
huidige wettekst van de liquidatieverliesregeling daarmee reeds een alles-of-niets-benadering.
De crux zit derhalve in het moment waarop wordt getoetst of van enigerlei tegemoetkoming
sprake is (zie onderdeel 1.2).11 Ter dekking van de structurele derving van het Arrest kan in dat kader de vraag op
komen of het moment waarop enigerlei tegemoetkoming bestaat, naar voren kan worden
gehaald. Hierbij kan worden gedacht aan een beperking van het in aftrek nemen van
een liquidatieverlies indien in bijvoorbeeld in de vijf jaar voorafgaand aan de vereffening
van de deelneming enigerlei tegemoetkoming voor niet-verrekende verliezen is genoten.
Hoewel een voorzichtige eerste en grove inschatting is dat de structurele opbrengst
van deze beperking in de ordergrootte van € 300 miljoen tot € 400 miljoen per jaar
bedraagt, is het kabinet hier geen voorstander van vanwege de impact op het vestigingsklimaat
en EU-rechtelijke vraagstukken.
3.8 Optie 6 | Het verlagen van de € 5 miljoen drempel
De zesde optie die is onderzocht is of de € 5 miljoen drempel kan worden verlaagd
ter dekking van de budgettaire derving. Om de structurele derving van het Arrest te
dekken, moet de franchise voor zowel de liquidatieverliesregeling als de stakingsverliesregeling
worden verlaagd van € 5 miljoen naar € 700.000.
Er is uiteindelijk om verschillende redenen niet voor deze optie gekozen. Een verlaging
van de drempel een (grote) verslechtering van het Nederlandse ondernemingsklimaat
en het investeringsklimaat met zich brengt, omdat een groot aantal bedrijven, waarbij
voor een groot deel ook het mkb, zal worden geraakt. Hierdoor treedt een herverdelingseffect
op in het nadeel van het mkb. Bij eerdere aanpassing van de liquidatieverliesregeling
12 is in dit kader de drempel van € 1 miljoen juist verhoogd naar € 5 miljoen om het
midden- en kleinbedrijf (mkb) te ontzien.13 Daarnaast wordt een toename van de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst en een
toename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven verwacht.
Ook is onderzocht in hoeverre deze drempel zou moeten worden verlaagd om samen met
het eerder genoemde amendement van het lid Stultiens de structurele derving van het
Arrest te dekken. De in het amendement van het lid Stultiens opgenomen voor-zover-benadering
leidt op basis van een eerste inschatting tot een budgettaire opbrengst van € 25 miljoen.
Om de resterende structurele derving van het Arrest van € 40 miljoen te dekken, zou
de drempel van € 5 miljoen moeten worden verlaagd naar € 2 miljoen. Ook dit betreft
een voorzichtige eerste inschatting. Het kabinet is dan ook geen voorstander van deze
optie, onder meer vanwege de verwachtte negatieve impact op het bedrijfsleven, in
het bijzonder het mkb.
4. Conclusie
Uit de in deze brief geschetste optie 2 tot en met 5 voor aanpassing van de liquidatieverliesregeling
volgt dat deze niet leiden tot de benodigde budgettaire opbrengst om de gevolgen van
het Arrest te dekken en ook niet tot een betere situatie in termen van EU-aspecten,
uitvoerbaarheid en vestigingsklimaat dan wanneer de wet niet wordt gewijzigd (optie
6). Om die reden is nader onderzocht of de liquidatieverliesregeling in het geheel
kan worden afgeschaft. Dit onder de veronderstelling dat daarbij ook een maatregel
zou worden betrokken die een positieve impact heeft op het vestigingsklimaat, met
als doel de negatieve impact van het afschaffen van de liquidatieverliesregeling te
mitigeren. Uiteindelijk is niet besloten tot afschaffing van de liquidatieverliesregeling,
omdat dit EU-rechtelijk een risico met zich brengt ten aanzien van verliezen die elders
niet meer benut kunnen worden. Ook is niet gekozen voor het verlagen van de € 5 miljoen
drempel naar € 700.000 (noch naar € 2 miljoen in combinatie met het door het lid Stultiens
ingediende amendement), vanwege de grote verslechtering van het Nederlands ondernemingsklimaat
en het investeringsklimaat die dit met zich brengt en de daarmee gepaard gaande herverdeling
naar het mkb.
Omdat aanpassing binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk was gegeven
deze randvoorwaarden stelt het kabinet voor om de structurele derving van het Arrest
te dekken door met ingang van 1 januari 2027 de fiscale behandeling van valutaresultaten
op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden
gebracht aan te passen.14 Het kabinet werkt momenteel een concept wettekst en toelichting uit en verwacht deze
teksten aan het begin van dit jaar ter internetconsultatie aan te bieden. Belangstellenden
zijn van harte uitgenodigd om te reageren. Het kabinet herhaalt daarbij de opmerking
dat ook dit voorstel zal worden getoetst op uitvoerbaarheid en vestigingsklimaat.
Als in de uitwerking blijkt dat een beter alternatief voorhanden is, kan deze maatregel
worden heroverwogen.
De Staatssecretaris van Financiën,
E.H.J. Heijnen
Indieners
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën