Brief regering : Gedeeltelijke verlenging zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid
31 311 Zelfstandig ondernemerschap
Nr. 302
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2025
Op 18 december jl. zijn in het tweeminutendebat ZZP verschillende moties aangenomen
gericht op de verlenging van de zachte landing voor de handhaving op arbeidsrelaties.
Uw Kamer deelt in deze moties de zorgen over mogelijke gevolgen op de arbeidsmarkt
en voor individuele zzp’ers. Deze zorgen neemt het kabinet serieus. Uw oproep om de
beweging in de markt gaande te houden, maar te voorkomen dat onnodig onrust gezaaid
wordt, is gehoord Wij willen graag zo goed mogelijk gehoor geven aan de wens van uw
Kamer, maar tegelijkertijd is niet alles mogelijk. Daarom informeer ik uw Kamer met
deze brief over hoe het kabinet uitvoering zal geven aan de motie Ergin (DENK)1, de motie Ergin c.s.2 en de motie Martens-America (VVD)/Vermeer (BBB)3.
Mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deel ik uw Kamer mee
dat het kabinet deze moties zo veel als mogelijk zal uitvoeren. Het kabinet heeft
de verschillende belangen – aandacht voor bedrijven en zzp’ers, een eerlijk speelveld,
de relatie tot het Herstel- en Veerkrachtplan, de uitvoerbaarheid van de Belastingdienst
en uw politieke oproep – gewogen. Het kabinet acht het, zoals ik gisteren in het debat
ook heb aangegeven, na deze weging onwenselijk om de zachte landing in 2026 volledig
te verlengen. Maar, gehoord het debat gisteren, kiest het kabinet ervoor om de zachte
landing in 2026 wel deels te verlengen door ook in 2026 geen verzuimboetes op te leggen
en in beginsel te starten met een bedrijfsbezoek. Pas vanaf 1 januari 2027 zullen
ook deze elementen van de zachte landing komen te vervallen. Dit betekent dat, ten
opzichte van 2025, vanaf 2026 wel vergrijpboetes kunnen worden opgelegd. Het kabinet
vindt dit belangrijk, omdat deze boetes worden opgelegd in het geval van opzet of
grove schuld. Opzet of grove schuld onbestraft laten is zeer onwenselijk voor de belastingmoraal.
Waarom het kabinet de zachte landing niet volledig verlengt
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 6 oktober jl.4 zou het volledig verlengen van de zachte landing betekenen dat de beoogde en afgesproken
verbetering op de handhaving van schijnzelfstandigheid niet wordt gerealiseerd. Als
kabinet willen we dat burgers en bedrijven regels naleven. Daarom hebben we per 1 januari
2025 het handhavingsmoratorium opgeheven. In samenspraak met uw Kamer is de opheffing
van het handhavingsmoratorium gedaan met een zachte landing.
Het kabinet vindt een volledige verlenging van de zachte landing, ook voor slechts
een deel van 2026, geen goed signaal richting partijen die zich wel aan wet- en regelgeving
houden. Na bijna 10 jaar stilstand op het dossier is het belangrijk het «momentum»
in de markt vast te houden en samen de maatschappelijke beweging in gang te houden.
Partijen die het goed doen, moeten we ondersteunen. Veel organisaties hebben hun bedrijfsvoering
de afgelopen periode gewijzigd om te voldoen aan wet- en regelgeving. Door een volledige
verlenging van de zachte landing zullen de goede inspanningen van veel organisaties
stagneren; zij krijgen te maken met een onaangekondigde koerswijziging die «goed gedrag»
ontmoedigt. Andersom bevoordeelt het verlengen van de zachte landing juist partijen
die geen werk hebben gemaakt van de aanpak van schijnzelfstandigheid. Het kabinet
ziet zich hierin ook gesteund door de sociale partners die hebben opgeroepen de uitvoering
van het handhavingsplan arbeidsrelaties voort te zetten.
Daarnaast is het van belang dat de mijlpaal uit het Herstel- en Veerkrachtplan die
ziet op het afschaffen van het handhavingsmoratorium behaald blijft en er dus sprake
moet zijn van effectieve handhaving, met als belangrijk element de mogelijkheid tot
het opleggen van naheffingen voor de periode vanaf 1 januari 2025. Het kabinet blijft
in contact met de Europese Commissie over de gedeeltelijke verlenging van de zachte
landing over 2026.
Gevolgen voor de handhaving
Concreet betekent dit dat de Belastingdienst in 2026 de mogelijkheid van naheffingen
voor de periode tot 1 januari 2025 blijft houden, maar geen verzuimboetes oplegt.
Daarmee zorgen we voor minder administratieve pijn. Daarnaast blijft de Belastingdienst
ook in 2026 in beginsel starten met een bedrijfsbezoek. Daarmee blijven we inzetten
op het goede gesprek en op vertrouwen. En bieden we organisaties de mogelijkheid om
hun bedrijfsvoering te verbeteren. Tegelijkertijd houden we wel de mogelijkheid om
op te treden bij (evidente) schijnzelfstandigheid. Daarom kunnen er in 2026 wel weer
vergrijpboetes opgelegd worden. Dit geldt voor zowel werkgevenden als werkenden.
Dit betekent dat in 2026 de volgende zaken wijzigen tegenover 2025:
• Er kunnen weer vergrijpboetes worden opgelegd.
• Als we een boekenonderzoek doen, dan kunnen we kiezen voor een onderzoek over een
kalenderjaar of een recent aangiftetijdvak.
Het kabinet kiest er met deze maatregelen voor om uw Kamer zoveel mogelijk tegemoet
te komen. Daarmee geeft het kabinet volledig uitvoering aan motie Ergin (DENK)5 en de motie Martens-America (VVD) en Vermeer (BBB)6. De motie Ergin c.s. (DENK)7 voert het kabinet hiermee gedeeltelijk uit.
Handhavingsplan 2026
Op 11 december jl. is het handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 gepubliceerd. Met het
uitvoeren van de voorgenoemde moties zal het handhavingsplan worden aangepast. De
Belastingdienst zal het aangepaste handhavingsplan arbeidsrelaties publiceren op de
website van de Belastingdienst.
Ik realiseer me dat het voldoen aan wet- en regelgeving inspanning vergt voor betrokken
partijen, zowel werkgevenden en werkenden. Ondanks de uitdagingen zie ik veel organisaties
die het afgelopen jaar (grote) stappen hebben gezet, en sectoren die zelf goede initiatieven
hebben genomen. Ook in 2026 blijven we partijen die het goed doen ondersteunen en
blijven we – in samenwerking met het Ministerie van SZW – ons inzetten om door middel
van communicatie meer bewustwording te creëren over het aangaan van de juiste arbeidsrelatie.
De Staatssecretaris van Financiën,
E.H.J. Heijnen
Ondertekenaars
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën