Brief regering : Kabinetsreactie op initiatiefnota van het lid Van der Werf over een digitaal kinderwetje (Kamerstuk 36768) en initiatiefnota van de leden Ceder en Six Dijkstra over online kinderrechten (Kamerstuk 36719)
36 719 Initiatiefnota van de leden Ceder en Six Dijkstra over online kinderrechten
36 768
Initiatiefnota van het lid Van der Werf over een digitaal kinderwetje
Nr. 3
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2025
Op 1 april jl. dienden de leden Ceder en Six Dijkstra een initiatiefnota in over online
kinderrechten.1 Op 25 juni jl. heeft het lid Van der Werf een initiatiefnota over een digitaal kinderwetje2 ingediend. Ik wil uw Kamer hiervoor hartelijk danken. Het veiliger en gezonder maken
van de digitale wereld voor kinderen is een belangrijke opgave waar ik graag samen
met uw Kamer aan werk. Kinderen verdienen online dezelfde rechten als offline, maar
in de praktijk blijken ze extra kwetsbaar. Kinderen zijn veel online en komen in aanraking
met zaken als cyberpesten, schadelijke content en pornografische content. Deze kunnen
van invloed zijn op hun gezondheid en welzijn. Tijdens het Wetgevingsoverleg digitalisering
d.d. 30 juni jl. (Kamerstuk 36 740 VII, nr. 37) heb ik uw Kamer toegezegd een gebundelde reactie te sturen op beide initiatiefnota’s
inzake online kinderrechten.3 In deze reactie ga ik, mede namens Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, de
Staatssecretaris Participatie en Integratie, de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap en de Staatssecretaris Justitie en Veiligheid in op de voorgestelde
maatregelen om de rechten van kinderen (online) beter te beschermen.
Initiatiefnota van de leden Ceder en Six Dijkstra over online kinderrechten
Een stap naar voren voor leeftijdsverificatie
Op 19 februari jl. (Kamerstuk 26 643, nr. 1284) zond ik uw Kamer een brief over leeftijdsverificatie met het standpunt van het kabinet
en welke stappen we zien voor leeftijdsverificatie. Het is belangrijk om altijd te
bekijken of de inzet van leeftijdsverificatie in digitale omgevingen impact heeft
op fundamentele rechten, zoals het recht op gegevensbescherming, privacy en vrijheid
van meningsuiting. Deze impact op fundamentele rechten kan vanuit het oogpunt van
de bescherming van kinderen gerechtvaardigd zijn in gevallen dat een dienst of product
aangetoond schadelijk is voor kinderen, zoals alcohol en gokken. In deze gevallen
is vaak al sprake van een wettelijke leeftijdsgrens, die de basis kan vormen voor
leeftijdsverificatie.
In gevallen waarin er nog geen wettelijke leeftijdsgrens is vastgesteld – zoals bij
sociale media – is het van belang om de schadelijkheid van de dienst goed in kaart
te brengen om op basis daarvan te bepalen of een wettelijke leeftijdsgrens noodzakelijk
is. Wat betreft sociale media heb ik hier nog geen eenduidig antwoord op. De Digitale
Services Act (DSA) kent ook geen wettelijke leeftijdsgrens voor deze diensten. Wel
heeft de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport een richtlijn uitgebracht voor
gezond schermgebruik waarin leeftijdsadviezen voor sociale media zijn opgenomen. De
DSA schrijft in artikel 28 voor dat diensten effectieve maatregelen moeten nemen om
een hoog niveau van veiligheid en privacy voor kinderen te garanderen. Leeftijdsverificatie
zou daar mogelijk een rol in kunnen vervullen. Tegelijkertijd verduidelijkt de Europese
Commissie (EC) in de richtsnoeren bij de DSA dat, voordat wordt overgegaan tot leeftijdsverificatie
bij toegang tot een dienst, altijd dient te worden beoordeeld of een dergelijke maatregel
passend is om een hoog niveau van gegevensbescherming, privacy, veiligheid en beveiliging
voor minderjarigen op deze dienst te waarborgen. Ook dient het gebruik van leeftijdsverificatie
evenredig te zijn, en te worden beoordeeld of het beoogde hoog niveau van bescherming
al kan worden bereikt door een beroep te doen op andere, minder ingrijpende maatregelen.4 Sociale mediabedrijven kunnen daarnaast ook andere maatregelen treffen om de diensten
zelf veiliger te maken, bijvoorbeeld door schadelijke content adequaat te verwijderen
of door geen gebruik te maken van verslavend of polariserend ontwerp. Hiermee worden
sociale media voor iedereen veiliger.
Intussen heeft de Europese Commissie, als tussenoplossing, op 14 juli jl. de eerste
versie van een EU-blauwdruk voor leeftijdsverificatie-app gepubliceerd. Ik heb in
dit kader TNO gevraagd om op basis van de technische specificaties van deze app te
verkennen wat de mogelijkheden zijn voor de implementatie van deze app in Nederland.
TNO heeft in dit verband in november van dit jaar, ter afronding van de verkenning,
een expertsessie gehouden en verwerkt de uitkomst daarvan in het onderzoeksrapport.
Daarnaast zal ik ook de vervolgstappen ten aanzien van leeftijdsverificatie in beeld
brengen. Een van de relevante vragen daarbij is of (aanvullende) wetgeving nodig is,
zodat daar alvast aan kan worden gewerkt. Ik realiseer mij dat andere Europese landen
al verder zijn in het proces. Het definitieve rapport van TNO stuur ik u in het eerste
kwartaal van 2026.
Introductie van een «rode knop» voor gegevenswissing
Over de uitoefening van het recht op gegevenswissing is door de leden Ceder en Six
Dijkstra5 tevens een motie ingediend waarin wordt verzocht om in EU-verband te verkennen hoe
gegevensverwijdering toegankelijker gemaakt kan worden, bijvoorbeeld door een vergelijking
met andere EU-lidstaten, nationaal hierover het gesprek te voeren met de AP en over
de uitkomsten aan de Kamer te rapporteren. Hieronder ga ik namens de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid ook in op de oproep in deze motie.
Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG, artikel 17) bestaat
in principe het recht op gegevenswissing of anders genoemd het recht op vergetelheid.
Dit geldt in het bijzonder voor jongeren die als minderjarige online persoonsgegevens
hebben gedeeld en die verder zijn verwerkt. Door dit recht krijgen jongeren de kans
om op latere leeftijd alsnog te reflecteren op wat zij als minderjarige online hebben
gedeeld en hiertegen actie te ondernemen. In de Kamerbrief van 4 februari 2025 in
antwoord op de motie van het lid Ceder is uitgebreid ingegaan op de systematiek van
het stelsel.6,
7,
8
Het is belangrijk om te benadrukken dat het recht op wissing van persoonsgegevens
geen absoluut recht is. Daarentegen is het uiteraard van belang dat persoonsgegevens
rechtmatig worden verwerkt, bijvoorbeeld als dit noodzakelijk is voor de uitoefening
van andere belangen of op grond van wettelijke verplichtingen. Artikel 17 AVG geeft
invulling aan het recht op gegevenswissing.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid benadrukt het belang om de uitoefening
van dit recht laagdrempelig en toegankelijk te laten zijn. Een verwerkingsverantwoordelijke
dient hierin te voorzien om te zorgen dat betrokkene daadwerkelijk het recht op gegevenswissing
kan uitoefenen en dit recht wordt geëffectueerd.9 De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geeft hier tevens invulling aan en biedt hulp
op haar website bij de uitoefening van dit recht. Zij doet dat door onder andere op
begrijpelijke en toegankelijke wijze uitleg te geven over het recht op wissing van
persoonsgegevens en door het beschikbaar stellen van praktische hulpmiddelen. Ook
in Europees verband hebben de toezichthouders via het Europees Comité voor gegevensbescherming
(EDPB10) hier richtsnoeren over gepubliceerd en is de EDPB in maart van 2025 gestart met
een gecoördineerde handhaving van het recht op wissing.11,
12 Het is dan ook aan de toezichthouders om te bezien of deze richtsnoeren, al dan niet
in EDPB-verband, verder aanvulling of aanscherping behoeven. Ook de AP zal hierin
haar rol blijven vervullen en waar nodig de voorlichting die zij hierover al geeft,
actualiseren.
Uit het voorgaande blijkt dat de Europese toezichthouders gezamenlijk werk maken van
een betere handhaving van het recht op wissing en van het verder verbeteren van de
mogelijkheden om dit recht uit te oefenen. Daarmee bestaat er reeds een samenwerking
tussen de verantwoordelijke toezichthoudende autoriteiten van de EU-lidstaten in dit
kader. Bij nadere ontwikkelingen over het recht op gegevenswissing, zal uw Kamer daarover
worden geïnformeerd.
Geef kinderen een goede «derde plek»
Vooruitkomen in je leven begint met opgroeien, gehecht, veilig en in goede gezondheid.
Dan gaat het over lichamelijke, mentale en sociale gezondheid. De initiatiefnemers
benadrukken het belang van fysieke, laagdrempelige ontmoetingsplekken voor kinderen
en jongeren (hierna jongeren genoemd). Ik deel de opvatting dat er voor alle jongeren
meerdere plekken moeten zijn, naast hun thuis en school, waar zij zich veilig en gezien
voelen, zichzelf kunnen zijn en steun kunnen vinden als dat nodig is. Een dergelijke
plek kent echter verschillende invullingen. Er is niet één vorm die voor alle jongeren
past.
Gelukkig zijn er in Nederland al verschillende voorzieningen waar jongeren fysiek
samenkomen. Sport- en cultuurverenigingen zijn voorbeelden van fysieke ontmoetingsplekken.
Daarnaast zijn ook buurthuizen, jongerencentra en andere laagdrempelige inloopmogelijkheden
waar jongeren samenkomen, sociale vaardigheden kunnen ontwikkelen en diverse activiteiten
kunnen doen. Dit zijn ook de plekken waar zij terecht kunnen voor laagdrempelige ondersteuning
als het even wat minder gaat of als jongeren hier om andere redenen behoefte aan hebben.
Een laagdrempelige en fijne inloopplek in de buurt en wijk ondersteunt in het versterken
van de mentale gezondheid. Ten slotte geeft Maatschappelijke Diensttijd (MDT) jongeren
ook de kans om nieuwe mensen te ontmoeten, iets voor een ander te betekenen en zingeving
te vinden. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het sociale domein in hun gemeente.
Binnen het kader van de wet kan de gemeente hier zelf invulling aan geven.
Met het aanvullend zorg en welzijnsakkoord (AZWA)13 zijn afspraken gemaakt over basisvoorzieningen die beschikbaar moeten zijn in de
wijk en buurt op het gebied van gezondheid, ondersteuning, welzijn en zorg, alsmede
een basisinfrastructuur ter ondersteuning van deze basisfunctionaliteiten. Een herkenbaar
aanbod van inloopvoorzieningen voor jongeren en volwassenen dient onderdeel te zijn
van de basisinfrastructuur in de wijk en regio.
Aanvullend wordt vanuit het Ministerie van VWS ook gewerkt aan het actieprogramma
mentale gezondheid en GGZ. Eind 2026 wordt dit programma aangeboden aan uw Kamer.
Binnen dit actieprogramma wordt onder meer ingezet op het versterken van mentale veerkracht
van jongeren en laagdrempelige ondersteuning. Bijvoorbeeld door inzet op ontmoeting
via laagdrempelige inloopmogelijkheden, zingeving en Maatschappelijke Diensttijd-projecten.
Breng vraag en aanbod van dumbphones bij elkaar
Een smartphone is een multifunctioneel apparaat dat voor verschillende doeleinden
gebruikt kan worden, zoals bellen, bereikbaarheid, navigeren, schoolroosters bekijken
of sociale media gebruiken. Uit onderzoek blijkt dat de belangrijkste reden waarom
ouders hun kind nu op jonge leeftijd een eigen smartphone geven bereikbaarheid is.14 Bereikbaarheid kan echter ook op andere manieren gerealiseerd worden. Telefoons die
alleen de basisfunctionaliteiten zoals bellen, sms’en en eventueel GPS-navigatie ondersteunen,
kunnen ouders een goed alternatief bieden voor smartphones. Het is echter aan ouders
om deze keuze voor hun kind te maken en niet aan het kabinet. Wel nemen we dit voorstel
als een mogelijk handelingsperspectief voor ouders mee in de publiekscampagne. Op
de website jouwkindonline.nl zal het gebruik van een dumbphone als tip aan ouders
worden meegegeven.
Het benutten van kansen van AI om jongeren betrouwbaar nieuws te brengen
Vrije, onafhankelijke en toegankelijke media zijn onmisbaar in een democratische rechtsstaat.
Het Digital Nieuws Report 2025 vertelt ons dat bij 18- tot 24-jarigen sociale media
hun belangrijkste nieuwsbron zijn.15 Dat betekent dat mediaorganisaties voor de distributie van hun aanbod richting jongeren,
grotendeels zijn aangewezen op het beleid van de grote techplatforms. Op deze platforms
concurreren mediaorganisaties met alle andere vormen van informatie die samen de content
op het platform vormen.
Het kabinet onderschrijft het belang dat nieuws herkenbaar en vindbaar moet zijn voor
jongeren. Maar altijd in de wetenschap dat de democratie gebaat is bij media die onafhankelijk
zijn en zelf de afweging moeten maken op welke platformen zij actief zijn. Media zijn
zelf verantwoordelijk om de keuze te maken hoe zij hun democratische functies uitoefenen
en welke technologieën zij daarvoor gebruiken. Dat wordt ook door de WRR onderkend
in het advies uit 2024.16
Daarbij zijn we het ermee eens dat jongeren gebaat zijn bij een betrouwbare online
publieke ruimte. Een publieke ruimte is essentieel voor de democratie. Een ruimte
met vrije en gelijke toegang voor iedereen, waar uitwisseling van ideeën plaatsvindt,
sociale interactie en betrouwbare informatie is en een pluriforme meningsvorming wordt
ondersteund.
Daarom streeft het kabinet naar een online publieke ruimte waarin een gezond publiek
debat plaatsvindt, rechten geborgd zijn en burgers de kennis en competenties hebben
om gelijkwaardig te participeren. Hierbinnen is het belangrijk dat algoritmen geen
negatief effect hebben op de zichtbaarheid en toegankelijkheid van betrouwbare informatie.
We benaderen dit van verschillende kanten, waaronder een projectsubsidie om de kansen
van AI te verkennen. Ter versterking van het online publieke debat ontwikkelt BZK
daarnaast een dialoogplatform dat gebruik maakt van open source dialoogtool Polis.
Onder de noemer van Praatmeemetdeoverheid.nl leent dit platform zich voor grootschalige
maatschappelijke gesprekken over soms polariserende thema’s, waarbij Polis consensus
inzichtelijk maakt, perspectieven uitwisselt tussen deelnemers en ook handvatten biedt
aan beleidsmedewerkers voor beleidsvorming.
Betrek jongeren bij digitale besluitvorming en organiseer een online kinderrechtentop
We vinden het van groot belang om kinderen bij digitale besluitvorming te betrekken.
Dit is tevens in lijn met internationale verplichtingen, zoals het Internationaal
Verdrag voor de Rechten van het Kind en de Better Internet for Kids-strategie van de Europese Commissie. Daarom is de Jongerenraad Digitalisering opgericht. Deze raad komt vier keer per jaar bijeen en bestaat
uit jongeren van verschillende leeftijden en achtergronden. Hun ervaringen en ideeën
vormen waardevolle input die wordt meegenomen bij het opstellen en bijstellen van
de strategie kinderrechten online.
Daarbij wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de diversiteit aan leefwerelden van
kinderen en jongeren, waaronder verschillen in sociaaleconomische positie en woonomgeving.
Ook wordt onderkend dat niet alle jongeren zich vanzelfsprekend melden bij deze participatievormen.
Daarom wordt, waar passend, actief gezocht naar manieren om ook de ervaringen en perspectieven
van minder zichtbare groepen jongeren te betrekken. Ook wordt in de dialoog met jongeren
het belang van eigen verantwoordelijkheid in de digitale wereld betrokken, passend
bij hun leeftijd en ontwikkeling.
Naast de jongerenraad bestaan er andere initiatieven en organisaties die jongeren
een stem geven over hun (digitale) rechten, zoals de Nationale Jeugdraad. In dit bredere
kader zal ik interdepartementaal bespreken wat de meerwaarde kan zijn van een online
kinderrechtentop.
Initiatiefnota van het lid Van der Werf over een digitaal kinderwetje
Ondersteun ouders met duidelijke publieksinformatie en maatschappelijke normstelling
over schermtijd, passend bij de ontwikkelingsfase van kinderen
De richtlijn gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik voorziet in deze
ondersteuning. Om te bevorderen dat ouders de adviezen ook daadwerkelijk gaan toepassen
is het belangrijk dat de richtlijn goed geïmplementeerd wordt. In het bijzonder ook
bij partijen en branches die veel in contact staan met kinderen en opvoeders. Dit
doen we door middel van een aantal acties:
– Begin september is de meerjarige publiekscampagne «Blijf in Beeld» gelanceerd die
opvoeders stimuleert om hun kinderen online te beschermen en hen hierbij ondersteunt
met praktische tips. Bijvoorbeeld over het maken van afspraken over scherm- en smartphonegebruik
en het instellen van apps. De richtlijn wordt meegenomen in deze publiekscampagne.
– Op de centrale informatiewebsite www.jouwkindonline.nl van Netwerk Mediawijsheid staat informatie over mediaopvoeding voor ouders. De richtlijn
krijgt een plek op deze website.
– We zetten in op verschillende communicatiekanalen en gaan in gesprek met diverse partijen
waaronder de GGD’en, Netwerk Mediawijsheid en verschillende brancheverenigingen, zoals
bijvoorbeeld het onderwijs en de kinderopvang.
– Ook zal er aandacht zijn voor alternatieve communicatie-instrumenten zoals visuals,
cultuursensitieve afstemming en vertalingen om het bereik onder ouders te vergroten.
– De effecten en toepassing van de richtlijn worden gemonitord en zo nodig aangepast
op basis van nieuwe (wetenschappelijke) inzichten.
Samen met partners in het onderwijs, jeugdgezondheidszorg en andere sectoren zorgen
we ervoor dat de richtlijn concreet toepasbaar is en veel ouders en professionals
daadwerkelijk bereikt.
Draag zorg voor een bijsluiter bij aanschaf van digitale apparaten die ingaat op de
risico’s van schermtijd en het belang van bewuste omgang met technologie
Ik onderken het belang van bewustwording bij ouders en kinderen over de risico’s van
schermtijd en de waarde van een bewuste omgang met technologie. Daarom is er ook een
richtlijn gezond schermgebruik ontwikkeld en is er een publiekscampagne over mediaopvoeding,
gericht op ouders. Een bijsluiter bij aanschaf van digitale apparaten kan hieraan
ook bijdragen, mits dit op een effectieve en proportionele manier gebeurt. Op dit
moment worden gesprekken gevoerd met de telefonie- en technologiesector om te komen
tot een samenwerking die invulling kan geven aan dit initiatief. Daarbij wordt nadrukkelijk
gekeken naar bestaande communicatiekanalen en effectieve communicatievormen, zodat
de informatie daadwerkelijk de doelgroepen van ouders en kinderen bereikt. Het is
hierbij van belang dat dergelijke informatievoorziening niet leidt tot onnodige lasten,
bijvoorbeeld door het ongericht meeprinten van bijsluiters. Daarnaast moet er rekening
mee worden gehouden dat «de eerste smartphone» van een jongere vaak geen nieuw apparaat
is, maar bijvoorbeeld een oud toestel van een ouder. In dat kader wordt verkend hoe
samenwerking met providers kan bijdragen aan het gericht verstrekken van informatie
aan ouders, via kanalen die zij daadwerkelijk gebruiken.
Verplicht appstores om per app transparante informatie aan te bieden over de inhoud,
potentiële verslavende werking en geschiktheid voor verschillende leeftijdsgroepen,
met een systeem vergelijkbaar met de Kijkwijzer
Dit jaar heeft het Trimbos-instituut een rapport opgeleverd over het inrichten van
een gamecheck. Dit is een instrument dat is bedoeld om een gebruiker van games te
informeren over verleidingstechnieken in games. Dit zal worden gedaan door middel
van icoontjes. NICAM heeft inmiddels een gamewijzer gereed met een soortgelijk doel.
Ik bekijk de mogelijkheden van een pilot op grond van een integratie van beide instrumenten.
Breid de bestaande richtlijn over het weren van mobiele telefoon in de klas uit met
duidelijke landelijke afspraken en scholen hierbij te ondersteunen met communicatie,
goede voorbeelden en praktische hulpmiddelen
De huidige «nee, tenzij» afspraak om mobiele telefoons te weren uit de klas is sinds
1 januari 2024 van kracht. De positieve resultaten van de éénmeting17 geven alle partijen vertrouwen dat de huidige afspraak effectief is. Tevens is naar
aanleiding van de motie-Van der Werf18 contact opgenomen met de betrokken partijen.19
Deze betrokken partijen zien onvoldoende grond om de afspraak op dit moment aan te
scherpen, mede door de positieve resultaten en de effectiviteit van de huidige afspraak.
Via handreikingen, expertisepunten en kenniscentra kunnen scholen zich informeren
over de afspraak. De VO-raad en Kennisnet hebben bijvoorbeeld beiden handreikingen
geschreven voor het inrichten van effectief smartphone beleid op school. Verder bericht
de organisatie Ouders en Onderwijs regelmatig over de afspraak rondom mobieltjes.
Wij blijven de effecten van de afspraak zorgvuldig volgen, zodat indien nodig tijdig
bijgestuurd kan worden met oog op duurzaam positief effect. Ik beschouw hiermee de
motie-Van der Werf als afgedaan.
Pleit op Europees niveau voor privacyvriendelijke leeftijdsverificatie, die onafhankelijk
controleert of een gebruiker oud genoeg is, zonder onnodige gegevensopslag
Er wordt op Europees niveau gewerkt aan concrete oplossingen voor leeftijdsverificatie
om de naleving van de verplichtingen ter bescherming van minderjarigen uit de DSA
en de richtlijn audiovisuele mediadiensten (AVMSD) te ondersteunen. Zo heeft de Europese
Commissie op 14 juli jl. de eerste versie van een EU-blauwdruk voor leeftijdsverificatie-app
gepubliceerd, als basis voor een gebruiksvriendelijke en privacybeschermende leeftijdsverificatiemethode
in alle lidstaten. Ik heb in dit kader TNO gevraagd om op basis van de technische
specificaties van deze app te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor de implementatie
van deze app in Nederland. De uitkomsten van dit onderzoek deel ik in het eerste kwartaal
van 2026 met uw Kamer.
Kom met heldere Europese regels over welke digitale functies, zoals oneindige feeds,
autoplay en gedragstracking als verslavend ontwerp worden beschouwd en reguleer deze
functies zodat ze standaard uit staan
De Europese Commissie heeft via een fitness check onderzocht of de EU-consumentenwetgeving
nog voldoende bescherming biedt in de digitale omgeving.
Op basis daarvan werkt de Commissie aan een Digital Fairness Act, gericht op het tegengaan
van onder andere dark patterns, misleidende influencers, verslavend ontwerp in digitale
diensten en online profilering. Het wetsvoorstel wordt in 2026 verwacht. Ter voorbereiding
heeft de Europese Commissie een internetconsultatie gehouden en is de Nederlandse
inzet op deze thema’s gedeeld. In deze reactie is ook de motie Kathmann20 meegenomen. Momenteel zijn wij in afwachting van de resultaten van deze internetconsultatie.
Kom in Europees verband tot een bindende interoperabiliteitsverplichting voor sociale
mediaplatforms, zodat communicatie tussen platforms mogelijk wordt en lock-in wordt
tegengegaan
Ik deel de zorgen over de gesloten ecosystemen van sociale mediadiensten. Door sterke
netwerkeffecten kunnen gebruikers beperkte keuzevrijheid en een lock-in op de platforms
van aanbieders van die diensten ervaren. Het is echter de vraag of een bindende interoperabiliteitsverplichting
uitkomst zou bieden.
Interoperabiliteit zou het in theorie makkelijker kunnen maken voor gebruikers van
bepaalde sociale mediadiensten om over te stappen naar alternatieve platforms en hen
in staat stellen om op die andere platforms content in te zien, te delen of te modereren.
Maar zoals de ervaring met bestaande interoperabiliteitsvereisten uitwijst, is daar
vanuit de (zakelijke) gebruiker (zoals een concurrerend platform) ook niet altijd
behoefte aan. Bovendien is het ook de vraag hoe interoperabiliteit er in praktijk
uit zou moeten zien. Sociale mediadiensten zijn niet homogeen en kennen juist een
grote diversiteit, waardoor gebruikers op verschillende manieren met content kunnen
interacteren. Zoals bijvoorbeeld TikTok voor video’s, Instagram voor foto’s én video’s
en LinkedIn voor zakelijke contacten. Het kabinet is er daarom nog niet van overtuigd
dat een bindende interoperabiliteitsverplichting voor aanbieders van sociale mediadiensten
wenselijk is.
Realiseer wetgeving die platforms verplicht om publiekelijk te rapporteren over de
impact van hun ontwerp op de mentale gezondheid van gebruikers, in het bijzonder op
kinderen en jongeren
De Digital Services Act schrijft voor dat aanbieders van aangewezen zeer grote online
platformen (waaronder Instagram, Facebook, en TikTok) jaarlijks moeten beoordelen
of hun diensten, inclusief het ontwerp, bepaalde systeemrisico’s kennen. Tot deze
risico’s behoren ook voorzienbare of werkelijke negatieve effecten op het geestelijke
welzijn van personen, met specifieke aandacht voor minderjarigen (artikel 34). Ze
moeten eenzelfde soort onderzoek bovendien laten verrichten door onafhankelijke auditors
(artikel 37). Op grond van artikel 42, vierde lid, zijn ze verplicht om de resultaten
van die risicobeoordeling en het auditrapport te publiceren. De gevraagde rapportageverplichting
bestaat dus al.
Werk aan Europese regels voor het gebruik van persoonsgegevens voor het trainen van
AI, waarbij gebruikers expliciet herroepbaar en begrijpelijk toestemming geven
Het Europese Comité voor gegevensbescherming (EDPB), waarin de Europese toezichthouders
samenwerken, heeft op 18 december 2024 een advies aangenomen21 over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van
AI-modellen. Uit dat advies volgt dat de AVG ruimte biedt om ook zonder toestemming
van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel
6, eerste lid onder f AVG) persoonsgegevens voor dit doel te verwerken. Of van deze
grondslag gebruik kan worden gemaakt, wordt bepaald door de omstandigheden van het
geval. Zo moet worden vastgesteld dat de beoogde verwerking noodzakelijk is ter behartiging
van het gerechtvaardigde belang én dat de belangen of fundamentele rechten en vrijheden
van betrokkenen die door de verwerking van persoonsgegevens worden geraakt, niet zwaarder
wegen dan het gerechtvaardigde belang dat met de verwerking wordt gediend. De EDPB
noemt in haar advies dat bij de beoordeling van de ernst van de risico’s voor de betrokkenen,
ook moet worden gekeken naar de status van de betrokkenen. De EDPB noemt hier als
voorbeeld kinderen of andere kwetsbare groepen. De EDPB hanteert dus een strengere
toets wanneer het kinderen betreft.
Verder dient elke verwerkingsverantwoordelijke aantoonbaar maatregelen te nemen om
de impact van de verwerking op de belangen van betrokkenen te mitigeren. Daarbij speelt
de toegang tot rechten van betrokkenen onder de AVG een rol, zoals het recht op inzage
en het recht op bezwaar. De toezichthouder beoordeelt uiteindelijk of een dergelijke
vorm van verwerking rechtmatig is.
Ontwikkel wetgeving die elke gebruiker het recht geeft op een «rode knop», naar het
voorbeeld van het voorstel van de leden Ceder (CU) en Six Dijkstra (NSC), waarmee
persoonsgegevens en publieke content bij elk platform in één keer gewist kunnen worden
Zie het antwoord bij Introductie van een «rode knop» voor gegevenswissing (p.2).
Werk aan het wettelijk vastleggen van een recht op dataportabiliteit, inclusief het
overdragen van netwerken, instellingen en algoritmische voorkeuren, zodat overstappen
tussen platforms daadwerkelijk mogelijk wordt
Een dergelijk recht bestaat al sinds de inwerkingtreding van de AVG. Op grond van
artikel 20, lid 1, AVG bestaat voor bepaalde gevallen het recht op overdraagbaarheid
van gegevens, ook wel aangeduid als dataportabiliteit. Het recht op dataportabiliteit
in de AVG heeft slechts betrekking op gegevens die door de betrokkene zelf zijn verstrekt.
Ook dient de verwerking te zijn gebaseerd op de toestemming van de betrokkene (artikel
6, lid 1, onderdeel a, en artikel 9, lid 2, onder a AVG) of een overeenkomst tussen
de betrokkene en verwerkingsverantwoordelijke (artikel 6 lid, 1 onderdeel b, AVG).
De betrokkene kan bijvoorbeeld verlangen dat zijn persoonsgegevens, als dat technisch
mogelijk is, rechtstreeks van de ene naar de andere verwerkingsverantwoordelijke worden
doorgegeven (artikel 20, lid 3). Uit overweging 68 van de AVG volgt dat het formaat
waarin de gegevens worden verstrekt de interoperabiliteit van de gegevens mogelijk
moet maken, dat wil zeggen dat deze gegevens kunnen worden uitgewisseld in verschillende
ICT-systemen. Het doel van het recht op dataportabiliteit is om de betrokkene in staat
te stellen om keuzes te maken en controle te verkrijgen over eigen data en zo de eigen
positie te versterken. Tegelijk wordt verwacht dat het recht ook kansen biedt op het
vlak van innovatie en voor het veilig en beveiligd delen van persoonsgegevens tussen
de verwerkingsverantwoordelijken. De samenwerkende Europese toezichthouders22 hebben geadviseerd om het begrip dataportabiliteit ruim te interpreteren. De AP geeft
op haar website23 voorlichting over de manier waarop dit recht in de praktijk kan worden toegepast.
Daarnaast stelt zij voorbeeldbrieven beschikbaar.
Verplicht techbedrijven om bij meldingen van slachtoffers binnen 24 uur over te gaan
tot verwijdering van naaktbeelden, deepfakes of wraakporno, en daarbij te voorzien
in een laagdrempelige meldvoorziening
De DSA verplicht tussenhandeldiensten, waaronder online platforms, om te voorzien
in zogenaamde kennisgevings- en actiemechanismen, waarmee meldingen van illegale content
kunnen worden gedaan. Online platforms moeten dergelijke meldingen verwerken en, waar
nodig, actie ondernemen (zoals verwijdering of het blokkeren van toegang tot illegale
content). De DSA kent maximumharmonisatie, zodat lidstaten geen strengere of aanvullende
voorschriften mogen hanteren ten aanzien van deze verplichtingen.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid voorziet sinds 2024 in een laagdrempelige
meldvoorziening voor slachtoffers van strafbare en onrechtmatige online inhoud. Dit
geldt ook voor wraakporno of strafbare naaktbeelden en deepfakes. Deze meldvoorziening
is belegd bij Helpwanted, onderdeel van de stichting Offlimits. Helpwanted neemt meldingen
van slachtoffers in behandeling en kan helpen de illegale inhoud bij platformen te
melden of de slachtoffers door te verwijzen naar hulpinstanties. Offlimits kreeg als
eerste organisatie in Nederland de betrouwbare flagger status onder de DSA van de
Autoriteit Consument en Markt (ACM) waardoor meldingen vanuit Helpwanted met voorrang
moeten worden behandeld door online platformen.
Indien het gaat om naaktbeelden van kinderen is er sprake van kinderpornografisch
materiaal. De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM)
heeft de bevoegdheid om online te handhaven op kinderpornografisch materiaal. Indien
zij dit materiaal aantreffen bij een aanbieder van een hostingdienst of communicatiedienst
dienen deze gegevens binnen een door de ATKM gestelde termijn, van maximaal 12 uur
ontoegankelijk te worden gemaakt.
Veranker de aanpak van online seksueel en grensoverschrijdend gedrag wettelijk met
een heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen ministeries
De bestrijding van online seksueel en grensoverschrijdend gedrag is recent sterker
wettelijk verankerd in de Wet seksuele misdrijven (WSM), die op 1 juli 2024 in werking
is getreden en de bescherming van slachtoffers en de vervolging van daders in de digitale
dimensie versterkt. Wat offline strafbaar is, is hiermee online ook strafbaar. Opsporing
en vervolging is dan ook een belangrijk instrument hierbij.
Het kabinet zet daarnaast breed in op preventie, slachtofferondersteuning en informatievoorziening
rondom online seksueel misbruik, onder andere via subsidie aan de organisatie Offlimits,
die met hulplijnen zoals Helpwanted preventie, hulp en ondersteuning biedt.
Het Nationaal Actieprogramma (NAP) Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag en Seksueel
Geweld, waarin de ministeries van Justitie en Veiligheid (JenV), Onderwijs Cultuur
en Wetenschap (OCW), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(SZW) nauw samenwerken, streeft naar een cultuurverandering waarin dergelijk gedrag,
ook online, niet wordt getolereerd. Het NAP zet in op preventie, aanscherping van
wet- en regelgeving, hulpverlening en onderzoek. Online thema’s worden geïntegreerd
in publiekscampagnes en projecten zoals «Seksuele Opvoeding door Ouders», de alliantie
Act4Respect en het onderzoeksproject T@CKLE. Mediawijsheid wordt versterkt binnen
het curriculum en er wordt verkend hoe omstanders online beter kunnen worden geactiveerd.
Deze NAP-activiteiten sluiten aan op rijksbrede initiatieven zoals het project online
contentmoderatie (JenV), het Netwerk Mediawijsheid (OCW), de richtlijn gezond schermgebruik
voor opvoeders en (jeugd)professionals (VWS) en het plan van aanpak Online discriminatie,
racisme en hate speech. Waar mogelijk worden deze activiteiten met elkaar verbonden
om de effectiviteit te vergroten.
Ga de inzet van kinderen als verdienmodel op sociale media actief tegen door strengere
regels voor kindfluencing op te stellen, waaronder het recht op verwijdering van beelden
en toezicht door de Arbeidsinspectie
De Staatssecretaris Participatie en Integratie wil voorkomen dat kinderen als verdienmodel
door gezinsvloggers of mom- en dadfluencers of bedrijven worden ingezet en wil dit
aanpakken. Om kinderen beter te beschermen tegen schadelijke effecten van vloggen
met en door kinderen wordt daarom ingezet op24:
1. Wet- en regelgeving: een ontheffingsregeling voor ouders als vloggen met en door kinderen
commercieel wordt;
2. Effectieve en passende boetes;
3. Voorlichting aan ouders over de risico’s van het vloggen met en door kinderen.
De aanpak is onderdeel van de bredere strategie online kinderrechten, waarbij de inzet
op wet- en regelgeving en boetes bijdraagt aan een verbetering van het toezicht door
de Arbeidsinspectie.25 Voor voorlichting aan ouders zal aansluiting worden gezocht bij de meerjarige publiekscampagne
met de website jouwkindonline.nl, die informeert over mediaopvoeding van kinderen.
Als het gaat om het verwijderen van gegevens is het wetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming
van de Minister voor Rechtsbescherming, dat nu in de Eerste Kamer ligt, relevant.
Hierin wordt onder meer geregeld dat 12–16-jarigen, naast de wettelijke vertegenwoordiger,
zelfstandig gegevens (waaronder ook beelden) kunnen inzien, rectificeren en of laten
verwijderen. Het toezicht hiervan ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Onderzoek hoe anonimiteit op sociale media ingeperkt kan worden, zodanig dat kwaadwillende
gebruikers moeilijker anoniem accounts kunnen aanmaken, met behoud van bescherming
voor klokkenluiders en kwetsbare groepen die anonimiteit nodig hebben
Gebruikers van online diensten zijn online nooit volledig anoniem. De identiteit van
personen kan achterhaald worden aan de hand van bijvoorbeeld IP-adressen of aangeleverde
e-mailadressen. Ook bestaan er reeds verschillende middelen om tegen strafbare feiten
of ongewenste inhoud op te treden. Bij strafbare en onrechtmatige feiten zoals sextortion
en wraakporno kan de identiteit van daders via de strafrechtketen achterhaald worden
met behulp van IP-adressen en aangeleverde e-mailadressen. Dit kan niet in elke casus
achterhaald worden omdat het niet in alle gevallen proportioneel is om dergelijke
vergaande opsporingsbevoegdheden in te zetten. Hiervoor is het afschaffen van anonimiteit
niet nodig en is verder onderzoek niet wenselijk. Ook geldt al de verplichting om
materiaal dat onmiskenbaar onrechtmatig is, te verwijderen. Voor het bestrijden van
ongewenste inhoud online zijn er andere mogelijkheden. Zo hebben (zeer grote) onlineplatforms
gebruikersvoorwaarden opgesteld waarin zij zich verbinden tot het verwijderen van
bepaalde ongewenste content. De DSA verplicht deze zeer grote onlineplatformen om
hun gebruiksvoorwaarden op een zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze toe te
passen en te handhaven.
Het invoeren van een identificatieplicht, waardoor het niet langer mogelijk is om
schijnbaar anonieme accounts aan te maken zou bovendien mensenrechtelijke vragen met
zich meebrengen. Een identiteitsverplichting vereist namelijk identiteitscontrole,
bijvoorbeeld via een identiteitsbewijs, wat privacyrisico’s oplevert. Ook werpt het
vereiste van identificatie bij het aanmaken van accounts een drempel op voor de vrijheid
van meningsuiting, in het bijzonder waar het gaat om het bespreekbaar maken van gevoelige
onderwerpen en het beschermen van kwetsbare groepen. Tenslotte zou het wettelijk afschaffen
van anonieme accounts, gezien het grensoverschrijdend karakter van digitale diensten,
een verplichting vereisen die op EU niveau moet worden vastgelegd en gehandhaafd.
En zoals gezegd, er bestaan al minder ingrijpende middelen om contactgegevens en identiteiten
te achterhalen, illegale inhoud te verwijderen en personen hiervoor te vervolgen.
Daarom is het niet wenselijk om anonimiteit online verdergaand in te perken voor ongewenst
gedrag online en zal hiernaar geen onderzoek worden gedaan.
Veranker in overleg met scholen en het onderwijsveld digitale weerbaarheid in het
curriculum voor burgerschapsonderwijs en digitale geletterdheid
Het curriculum wordt op dit moment vernieuwd en er worden nieuwe kerndoelen opgeleverd,
waaronder voor digitale geletterdheid en burgerschap. Bij digitale geletterdheid leren
leerlingen over veiligheid en privacy, data en over de wisselwerking tussen digitale
technologie, digitale media, de mens en de samenleving. Burgerschap gaat over de sociale
en maatschappelijke competenties die leerlingen nodig hebben om deel uit te maken
van de samenleving. Daaronder valt ook de digitale samenleving. Zo worden kritische
denkvaardigheden gestimuleerd en wordt er aandacht besteed aan gelijkwaardige behandeling,
het herkennen en benoemen van stereotypering en het uitstellen van het eigen oordeel.
In beide leergebieden komt het thema digitale weerbaarheid terug, en daarmee wordt
het structureel verankerd in het curriculum van het primair onderwijs en de onderbouw
van het voortgezet onderwijs.
Met deze reactie op de ingediende initiatiefnota’s onderstreept het kabinet het gezamenlijke
belang om de rechten van kinderen ook in de digitale wereld te waarborgen. Kinderen
moeten veilig, weerbaar en met gelijke kansen kunnen deelnemen aan de online samenleving.
Daarbij zetten we dus in op een evenwichtige aanpak die bescherming, bewustwording
en innovatie combineert. Samen met jongeren, ouders, onderwijs, maatschappelijke partners
werken we in Nederland en in Europees verband aan een digitale omgeving waarin kinderrechten
vanzelfsprekend zijn. Zo bouwen we stap voor stap aan een toekomst waarin ieder kind
zich online vrij, veilig en gehoord voelt.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van Marum
Ondertekenaars
E. van Marum, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties