Brief regering : WODC-onderzoek demonstratierecht
34 324 Evaluatie Wet openbare manifestaties
Nr. 39
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN VAN JUSTITIE
EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2025
Het demonstratierecht is essentieel in onze democratische samenleving. Het grondrecht
stelt mensen in staat om zich vreedzaam uit te spreken en mee te doen aan het publieke
debat. Het afgelopen jaar is gewerkt aan het WODC-onderzoek, getiteld Het recht om te demonstreren in de democratische rechtsstaat, dat wij met deze brief aan uw Kamer aanbieden. Daarbij dient te worden opgemerkt
dat (grootschalige) gewelddadigheden en rellen buiten de reikwijdte van de demonstratievrijheid
vallen en dus niet door het recht worden beschermd. Bij dit vrijheidsrecht gaat het
namelijk om het fundamentele recht om vreedzaam te demonsteren. Dat vrijheidsrecht
staat centraal in het onderzoek.
Hoewel het overgrote deel van de demonstraties ordelijk en zonder problemen verloopt,
is er een toename zichtbaar van protestacties waarbij mensen zich opzettelijk niet
aan de wet houden, waar de uitoefening van het demonstratierecht in botsing komt met
rechten van anderen en die in enkele gevallen zelfs ontaarden in (grootschalige) wanordelijkheden.
Daarom nemen wij een aantal maatregelen, in aanvulling op maatregelen die de afgelopen
periode al zijn genomen, om het demonstratierecht te beschermen en tegelijkertijd
misstanden en geweldplegingen rondom demonstraties effectief aan te pakken. Ook onderzoeken
wij aanvullend hierop nog extra te nemen maatregelen.
De uitkomsten van het WODC-onderzoek en een eerste duiding
Het onderzoek Het recht om te demonstreren in de democratische rechtsstaat is uitgevoerd door een samenwerkingsverband van onafhankelijke onderzoekers, werkzaam
bij de Rijksuniversiteit Groningen, Pro Facto, de Universiteit van Amsterdam en Tilburg
University. Wij danken de onderzoekers voor het onderzoeksrapport en nemen met belangstelling
kennis van hun verschillende bevindingen, aanbevelingen en aandachtspunten.
Gezien de omvang van het rapport, voert het nu te ver om alle conclusies en aanbevelingen
van een reactie te voorzien. Deze verdienen een uitgebreide reflectie, die de komende
periode in afstemming met verschillende partners, zoals burgemeesters, de politie,
het Openbaar Ministerie (OM), andere ministeries en maatschappelijke organisaties
op een zorgvuldige wijze tot stand zal worden gebracht. Gegeven de in de samenleving,
in uw Kamer en door ons gevoelde urgentie willen wij wel de uitkomsten van het onderzoek
op onderdelen van duiding voorzien.
De hoofdconclusie van het onderzoeksrapport is dat de Wet openbare manifestaties (Wom),
in combinatie met andere wet- en regelgeving, in beginsel voldoende ruimte biedt voor
zowel de uitoefening van het demonstratierecht als het beperken van de demonstraties
waar dat noodzakelijk is gelet op andere rechten, vrijheden en belangen. De eerste
aanbeveling uit het rapport is dan ook om in Nederland geen ingrijpende aanpassingen
van de wet- en regelgeving inzake het demonstratierecht door te voeren.
Gezien deze hoofdconclusie zijn wij niet voornemens om het wettelijke stelsel inzake
het demonstratierecht aan een ingrijpende hervorming te onderwerpen. Dit laat onverlet
dat wij wel mogelijkheden zien om met specifieke aanpassingen in wet- en regelgeving
bestaande knelpunten in de demonstratierechtelijke praktijk te verhelpen. De onderzoekers
doen hiertoe waardevolle suggesties. Zo verkennen we de komende periode in de eerste
plaats hoeverre de toepassingsvoorwaarden van de regeling over bestuurlijke ophouding
in de Gemeentewet kunnen worden versoepeld (op basis hiervan kunnen demonstranten
tijdelijk verplaatst, ondergebracht en vastgehouden worden). Op de uitkomsten van
deze verkenning komen wij terug in de uitgebreide reactie op het rapport.
Daarnaast concluderen de onderzoekers dat bij demonstraties waar bewust de grenzen
worden overschreden, de internationale mensenrechtenverdragen in bepaalde gevallen
meer ruimte voor (strafrechtelijk) optreden binnen de huidige wettelijke kaders bieden
dan het OM en de Nederlandse rechter lijken te zien. Zonder af te doen aan het uitgangspunt
dat individuele gevallen individueel beoordeeld dienen te worden, wordt onder andere
meer ruimte gezien om op te treden wanneer actievoerders lokaalvredebreuk plegen door
te weigeren om zich te verwijderen uit gebouwen op vordering van de rechthebbenden.
Ook zien ze meer ruimte voor het bestraffen van het toebrengen van schade aan cultureel
erfgoed, alsook om op te treden ten aanzien van deelnemers aan wegblokkades die ernstige
verkeershinder veroorzaken, ook zonder voorzienbaar gevaar.
Het Ministerie van JenV brengt deze constatering onder de aandacht van de Raad voor
de Rechtspraak en de Minister van JenV gaat hierover met het College van procureurs-generaal
in gesprek en zal beide organisaties vragen het WODC-rapport onder de aandacht te
brengen van respectievelijk rechters en officieren van justitie.
Verder zijn de onderzoekers ingegaan op de ervaringen met de wetgeving in de onderzochte
ons omringende landen. Zij concluderen dat de algemene tendens ten aanzien van het
demonstratierecht, in het bijzonder in Engeland en Frankrijk, niet onmiddellijk tot
aanbeveling strekt. Wij willen de komende maanden wel overwegen of elementen uit buitenlandse
wetgeving in Nederland eraan kunnen bijdragen dat situaties waarbij bewust de wet
wordt overtreden, beter kunnen worden bestraft dan nu het geval is. In dit kader zal
bijvoorbeeld gekeken worden naar een aparte strafbaarstelling voor het blokkeren van
vitale infrastructuur en het beschadigen en vernielen van cultureel erfgoed. Wij informeren
uw Kamer hier uitgebreider over in de nadere beleidsreactie in het voorjaar van 2026.
Tot slot ziet een aantal andere aanbevelingen niet zozeer op het wettelijke stelsel
maar meer op de wijze waarop de gemeenten en politie demonstraties benaderen. Zoals
aangegeven in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie over het politieoptreden
bij demonstraties, zal de Minister van JenV, in afstemming met de Minister van BZK,
met de korpschef en de vertegenwoordigers van het lokaal bestuur en de voorzitter
van het College van procureurs-generaal op nationaal niveau een set van algemene basisafspraken
en uitgangspunten vastleggen over de functie van de politie bij demonstraties. In
februari 2026 worden de afspraken besproken in het Landelijk Overleg Veiligheid en
Politie. Het gaat onder meer over de informatievergaring, kennisgevingsplicht en de
onderlinge communicatie tussen partijen. Hierna worden de afspraken met uw Kamer gedeeld.
Aanvullende maatregelen
De onderzoekers doen waardevolle aanbevelingen om het demonstratierecht te borgen.
Tegelijkertijd is er sprake van een toename van wanordelijkheden en gewelddadigheden
bij protestacties. Daarom nemen wij aanvullende maatregelen bovenop de acties die
uit het rapport voortkomen. Zo willen we maatregelen treffen om uitwassen tegen te
gaan en draagvlak voor demonstraties te behouden.
Strafbaarstelling blokkeren vitale infrastructuur en beschadigen en vernielen van
cultureel erfgoed
Zoals hierboven geschetst, onderzoeken wij een aparte strafbaarstelling voor het blokkeren
van vitale infrastructuur en het beschadigen en vernielen van cultureel erfgoed. Hierbij
kijken we onder andere naar elementen uit de Public Order Act zoals het Verenigd Koninkrijk
die kent. Wij informeren uw Kamer in de nadere beleidsreactie in het voorjaar van
2026.
Wetsvoorstel verbod gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties
Het wetsvoorstel om het dragen van gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties te
verbieden zal nog dit jaar in consultatie worden gebracht.
Wetsvoorstel openbare gegevensvergaring
Het wetsvoorstel waarin de bevoegdheid voor de politie tot stelselmatige informatievergaring
in publiek wordt geschapen (toegang tot online bronnen ten behoeve van de openbare-ordehandhaving)
wordt zo spoedig mogelijk aan de Afdeling advisering van Raad van State voorgelegd.
Parallel daaraan werken wij aan het creëren van de mogelijkheid om de politie in het
kader van de openbare-ordehandhaving ook toegang tot besloten app- en chatgroepen
te geven, indachtig de motie-Yesilgöz-Zegerius c.s.1
Onderzoek naleven kennisgevingsplicht
Het verbeteren van het naleven van de kennisgevingsplicht wordt met gedragsdeskundigen
en gemeenten verkend, alsook welke gevolgen verbonden kunnen worden aan het (niet)
tijdig kennisgeven. Ook vindt diepgaande kennisuitwisseling plaats tussen burgemeesters
en ambtenaren van lokale driehoeken onder andere op het terrein van het waardig en
veilig laten verlopen van nationale herdenkingen. Daartoe zal het Ministerie van BZK
in januari 2026 een bijeenkomst organiseren. Op beide punten wordt uw Kamer teruggekoppeld
in de nadere reactie op het rapport.
Verhalen van schade op daders
Wij onderzoeken op welke wijze het lokaal bestuur en (andere) partijen die schade
lijden meer kunnen worden ondersteund bij het verhalen van schade, in aanvulling op
de meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2025–2028. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan
de moties van het lid Eerdmans c.s. over de schade van de UvA-rellen alsnog verhalen
op veertien demonstranten2 (in samenspraak met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) en van het
lid Stoffer over bewerkstelligen dat relschoppers die het demonstratierecht misbruiken
opdraaien voor de kosten voor de samenleving meegenomen.3 Over de uitkomsten van dit onderzoek wordt u geïnformeerd in de nadere reactie op
het rapport.
Taskforce antisemitismebestrijding
De Taskforce antisemitismebestrijding komt begin 2026 met voorstellen en aanbevelingen
over onder andere de veiligheidsconsequenties van sit-ins op stations.
Bewapening en bescherming ME
Naar aanleiding van de rellen rondom het Malieveld en in het centrum van Den Haag
op 20 september jl. heeft de Minister van Justitie en Veiligheid een gesprek gevoerd
met de ME over hun ervaringen. Dit was een zeer waardevol gesprek.
In de brief van 7 november jl. heeft de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer
geïnformeerd over pilots met aanvullende ME-bewapening. Daarin is het voornemen geuit
om toestemming te verlenen aan het verzoek van de korpschef om de Mobiele Eenheid
enkele geweldmiddelen operationeel te laten beproeven. De politie heeft laten weten
dat het operationeel gezien haalbaar zou moeten zijn om de Mobiele Eenheid nog in
december te laten starten met pilots met een grotere dispenserunit pepperspray, en
het toevoegen van een traanverwekkende stof aan de waterwerper.
De politie zal verkenningen laten uitvoeren naar de inzetmogelijkheden, beperkingen
en risico’s met betrekking tot het gebruik van luchtdrukwapens en naar het gebruik
van markeerstoffen in de waterwerper. Ook zal de politie verkennen of het gebruik
van camera’s, waaronder op ME-schilden, een nuttige aanvulling op de uitrusting kan
zijn.
Camera’s voor identificatie
Wij vinden het belangrijk dat degenen die welbewust vernielingen aanrichten, geweld
plegen of anderszins de wet overtreden ook gestraft worden. Daarom is het van belang
dat identificatie van deze personen goed kan gebeuren. In dit kader verkennen wij
samen met de burgemeesters of de inzet van camera’s bij demonstraties verbeterd kan
worden.
Conclusie en vervolg
Het demonstratierecht en de toepassing daarvan hebben burgemeesters, politie en OM
de afgelopen jaren voor stevige uitdagingen gesteld. Aan de hand van dit onderzoek
en de aanvullend aangekondigde maatregelen kunnen wij de komende tijd naar wegen zoeken
om deze uitdagingen aan te gaan. Gedeeltelijk zijn we hiermee al gestart. De verschillende
lopende trajecten getuigen hiervan. Wij zijn ervan overtuigd dat we op deze manier
de praktijk rond de demonstratievrijheid bij de eisen van de tijd kunnen brengen,
zonder de kern van dit grondrecht aan te tasten. Wij zenden uw Kamer voor het meireces
van 2026 de meer diepgaande beleidsreactie.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Mede ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid