Brief regering : Reactie op verzoek commissie over het rapport "Green and progressive tax proposals for the Netherlands" van Oxfam Novib en Milieudefensie
32 140 Herziening Belastingstelsel
32 813
Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Nr. 286
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2025
Zoals verzocht tijdens de procedurevergadering van de vaste commissie voor Klimaat
en Groene Groei van 1 juli jl., ontvangt u met deze brief een reactie van het kabinet
op de zes voorstellen die Oxfam Novib en Milieudefensie in het rapport «Green and
progressive tax proposals for the Netherlands» doen.
Voorstel 1 en 2: CO2 welvaartsbelasting en excessieve winstbelasting met differentiatie naar CO2-uitstoot
Oxfam Novib en Milieudefensie stellen ten eerste voor om een CO2 welvaartsbelasting te introduceren. De voorgestelde belastinggrondslag is de totale
scope 1 emissie van een bedrijf voor het deel dat via aandelen in bezit is van een
individu. Het gaat hierbij zowel om binnenlandse als buitenlandse bedrijven. Daarnaast
stellen Oxfam Novib en Milieudefensie voor om een excessieve winstbelasting in te
voeren met differentiatie naar CO2-uitstoot: hoe vervuilender de activiteiten van een bedrijf, hoe meer belasting over
de winst moet worden betaald. Het kabinet is voorstander van geleidelijk meer beprijzen
van CO2-uitstoot, maar geen voorstander van het opnemen van een CO2-component in belastingen op winst en vermogen. Ten eerste maakt dit het belastingstelsel
veel complexer en mogelijk onuitvoerbaar. Zo zou voor een CO2 welvaartsbelasting per individu moeten worden vastgesteld welke aandelen het individu
in bezit heeft en wat de CO2-uitstoot van de hieraan gekoppelde bedrijven is. Voor beide voorstellen is het bovendien
nodig om te beschikken over betrouwbare cijfers over de CO2-uitstoot van buitenlandse bedrijven, terwijl die niet altijd beschikbaar zijn. Ten
tweede geven deze voorstellen slechts een indirecte prijsprikkel aan bedrijven, met
een groot risico op ontwijking door de belastingplichtigen. Het is daarom effectiever
om de CO2-emissies direct bij de bron te beprijzen, zoals in de industrie bijvoorbeeld reeds
met het Europese emissiehandelssysteem gebeurt. Tot slot acht het kabinet – vanwege
potentiële gedrags- en uitwijkeffecten – een budgettaire opbrengst van circa 75 mld.
per jaar niet plausibel.
Voorstel 3: Fossiele subsidies gericht op de industrie uitfaseren
Oxfam Novib en Milieudefensie stellen voor om fossiele subsidies gericht op de industrie
uit te faseren. In het rapport worden specifiek twee voorstellen gedaan: 1) het afschaffen
van de degressieve tariefstructuur in de energiebelasting en 2) het belasten van restgassen
in de staalproductie. In de afgelopen jaren is er reeds een aantal stappen gezet om
een aantal fossiele subsidies af te bouwen. In het in oktober door het kabinet uitgebrachte
Uitfaseerplan Fossiele brandstofsubsidies en de jaarlijkse Miljoenennota zijn deze stappen weergegeven. Specifiek in relatie tot de in het rapport voorgestelde
maatregelen geldt dat de afgelopen jaren de energiebelasting op aardgas met name in
de middelste schijven (170.001 m3–10 mln m3) aanzienlijk verhoogd is, en wettelijk is vastgelegd dat de vrijstelling voor duaal
en non-energetisch gebruik van kolen per 2027 wordt afgeschaft. De maatregel in de
kolenbelasting raakt met name de staalproductie en hiermee worden indirect ook de
door Oxfam Novib en Milieudefensie genoemde restgassen belast. Het kabinet zet voor
een verdere afbouw van fossiele subsidies gericht op de energievoorziening in op afbouw
in Europees en internationaal verband1. Met name in de energie-intensieve industrie en elektriciteitsrisico bestaat namelijk
het risico dat productie en emissie verplaatst wordt naar het buitenland als gevolg
van nationale maatregelen. Als dit gebeurt is de kans groot dat er mondiaal netto
geen emissiereductie plaatsvindt of misschien zelfs een negatief netto effect is,
bijvoorbeeld als emissie verplaatst naar locaties met minder streng klimaatbeleid
en/of naar buiten het EU-emissiehandelssysteem.
Een nadere toelichting op de inzet van het kabinet is gegeven in de Kamerbrief van
4 december 20242. In het rapport Belastingen in maatschappelijk perspectief
3 is een overzicht gegeven van voor en nadelen van het afschaffen van verschillende
regelingen.
Voorstel 4: Brandstofbelasting voor zeevaart
Het vierde voorstel van Oxfam Novib en Milieudefensie is om het tanken van bunkerbrandstoffen
door zeeschepen in Nederlandse havens te belasten. Voor brandstof die wordt geleverd
voor gebruik in de commerciële vaart op communautaire wateren geldt op grond van de
Energy Taxation Directive (ETD) een verplichte vrijstelling van accijns.4 Deze EU-verplichting laat geen nationale beleidsruimte. Het is daarom juridisch niet
mogelijk om een heffing op bunkerbrandstoffen voor de zeescheepvaart in te voeren.
Het kabinet zet daarom in op het maken van afspraken in internationaal verband om
de uitstoot van zeeschepen zwaarder te beprijzen. Ten eerste zijn als onderdeel van
het Fit-for-55 pakket in EU- en EER-verband de emissies van de zeevaart per 1 januari
2024 onder ETS-1 gebracht. ETS-1 geldt voor zeeschepen met een bruto tonnage van meer
dan 5.000 ton, alle emissies van vaarbewegingen tussen EER-havens onderling en 50%
van de emissies van vaarbewegingen tussen EER en niet-EER-havens. Voor deze vaarroutes
geldt een gelijk speelveld: alle zeeschepen (van meer dan 5.000GT) worden beprijsd,
ongeacht de vlaggenstatus, en ongeacht waar de brandstof is gebunkerd. De verplichting
om over de emissies binnen dit bereik ETS-rechten in te leveren, is daarmee gekoppeld
aan vaarbewegingen van en naar havens in de Europese Economische Ruimte. Hierdoor
is het risico op weglek veel minder groot, dan wanneer de bunkerbrandstoffen op nationaal
niveau zouden worden belast. Ondanks de uitbreiding van ETS-1, zal een deel van de
mondiale zeevaartemissies vooralsnog onbeprijsd blijven. Om te zorgen dat alle schepen
wereldwijd bijdragen en er mondiaal gelijke concurrentievoorwaarden gelden zet het
kabinet in op beprijzen en normeren via de Internationaal Maritieme Organisatie (IMO).
Voorstel 5: progressieve vliegbelasting (veelvliegers zwaarder belasten)
Het vijfde voorstel van Oxfam Novib en Milieudefensie is om een progressief tarief
in de vliegbelasting in te bouwen, waarbij het tarief per vertrekkende passagier toeneemt,
naar mate die passagier op jaarbasis meer vliegt. Daarnaast wordt een toeslag van
€ 100 per vertrekkende passagier voorgesteld voor vluchten met een afstand boven de
4.000 kilometer. Het kabinet deelt het voorstel om lange afstanden zwaarder te belasten
en heeft een wetsvoorstel opgenomen in het pakket Belastingplan 2026. In dit voorstel
stelt het kabinet voor om per 1 januari 2027 de vliegbelasting voor (middel) lange
vluchten te verhogen. Voor vluchten naar eindbestemmingen met de hoofdstad gelegen
op een afstand van ca. 2.000 tot ca. 5.500 kilometer van Amsterdam, gaat een tarief
van € 47,24 per vertrekkende passagier gelden. Voor vluchten verder dan ca. 5.500 kilometer
van Amsterdam, gaat een tarief van € 70,86 gelden. Een differentiatie van de vliegbelasting
naar hoe vaak een passagier vliegt, raadt het kabinet af. Ten geldt in de huidige
én voorgestelde systematiek al dat hoe vaker de passagier vliegt, hoe vaker vliegbelasting
verschuldigd is. Veelvliegers dragen daarmee reeds meer bij in absolute zin. Ten tweede
is het invoeren van een aanvullende progressieve heffing op basis van het aantal vluchten
per persoon, complex voor de uitvoering en een aanzienlijke inbreuk op de privacy
van burgers. De Belastingdienst, exploitanten van luchthavens en luchthavenmaatschappijen
beschikken niet over informatie over het aantal vluchten dat een individuele passagier
gedurende een jaar maakt. In de huidige opzet zijn de luchthavens belastingplichtigen
voor de vliegbelasting. Zij hoeven niet bij te houden wie of hoe vaak een passagier
vliegt en die informatie onderling uit te wisselen tussen vliegvelden in Nederland.
Het wel volgen en delen van passagiers houdt een aanzienlijke inbreuk op de privacy
van burgers in. Dit is bovendien complex, omdat een geheel nieuwe centrale registratie
moet worden opgezet, waar alle luchthavens toegang toe hebben. Ten derde leidt een
veelvliegersbelasting mogelijk tot grenseffecten, omdat meer Nederlanders naar verwachting
ervoor zullen kiezen om te vliegen vanaf luchthavens over de grens.
Voorstel 6: Aanschafbelasting voor zware personenauto’s
Het laatste voorstel dat Oxfam Novib en Milieudefensie doen, is de introductie van
een extra heffing bij aanschaf van nieuwe zware personenauto’s, gedifferentieerd naar
brandstofsoort. De inzet om zware personenauto’s zwaarder te belasten dan lichte personenauto’s
gebeurt al in het bestaande fiscale stelsel, want de motorrijtuigenbelasting is reeds
gebaseerd op het gewicht van de personenauto: hoe zwaarder de auto, hoe hoger de belasting.
Daarnaast worden zwaardere auto’s bij aanschaf (nieuw) reeds indirect extra belast,
doordat de bpm-tarieven gebaseerd zijn op de CO2-uitstoot van het voertuig. Gemiddeld genomen (binnen dezelfde brandstofcategorie)
zijn zwaardere voertuigen minder zuinig en moeten ze ook meer bpm betalen. De huidige
bpm met CO2-uitstoot als grondslag is een effectief instrument om consumenten bij aanschaf van
een nieuwe auto te sturen richting een schoner en zuiniger alternatief. De effecten
van een verhoging van de bpm voor fossiele personenauto’s zijn recent onderzocht in
een ambtelijk rapport5 ter voorbereiding op het volgend kabinet en zijn ter weging voor het volgend kabinet.
Daarnaast heeft het kabinet in de contourenbrief hervorming autobelastingen6 aangekondigd nader onderzoek te willen doen naar de mogelijkheden om in de toekomst
het aanschafmoment van personenauto’s te blijven belasten. Er is namelijk sprake van
grondslagerosie bij de huidige CO2-grondslag, door de elektrificatie van het wagenpark. Een toekomstige belasting van
het aanschafmoment kan bijvoorbeeld in de vorm van een tenaamstellingsbelasting. Een
van de elementen die nader wordt bekeken is of en zo ja welke tariefdifferentiatie
bij elektrische auto’s logisch is. De suggestie om te kijken naar voertuiggewicht
(in combinatie met een progressief tarief) neemt het kabinet hierin mee.
Tot slot, ik hoop uw Kamer met deze appreciatie voldoende te hebben geïnformeerd.
Eventuele vervolgstappen in de vergroening van het fiscale stelsel zijn aan een volgend
kabinet.
De Staatssecretaris van Financiën,
E.H.J. Heijnen
Ondertekenaars
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën