Brief regering : Update sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen
29 240 Veiligheid op school
31 288
Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid
Nr. 179
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2025
Een veilige leer- en werkomgeving vormt de basis voor studenten en medewerkers van
universiteiten en hogescholen om te kunnen groeien, leren en excelleren. In een sociaal
en fysiek veilige omgeving is er ruimte voor open dialoog en vrij debat. Ook als het
scherp of kritisch is, of als het schuurt. Het borgen van deze veilige omgeving, waar
men zich houdt aan huisregels en gedragscodes, vraagt continue aandacht en inzet.
In deze brief ga ik in op de uitvoering van diverse trajecten, moties en toezeggingen
op het gebied van sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen (waaronder
samenwerking en uniformiteit, veiligheidsbeleid, meldingsdrempel seksueel grensoverschrijdend
gedrag, verkenning naar geheimhoudingsbedingen). Ook deel ik met uw Kamer mijn beleidsreactie
op bijgevoegde rapporten «Onderzoek meld- en klachtvoorzieningen sociale veiligheid
in het hoger onderwijs en de wetenschap (hierna: «onderzoek naar meld- en klachtvoorzieningen»)
en «Beknopte verkenning ervaringen van Joodse studenten en medewerkers met meld- en
klachtvoorzieningen voor sociale onveiligheid in het hoger onderwijs» (hierna: «verkenning»).
Wat betreft kennisveiligheid heeft mijn ambtsvoorganger gemeld uw Kamer te blijven
informeren over de voortgang. Dit blijf ik ook doen. De internetconsultatie van het
wetsvoorstel screening kennisveiligheid is afgerond en er zijn diverse uitvoeringstoetsen
en adviezen opgeleverd. Begin 2026 verwacht ik uw Kamer te kunnen informeren over
de opbrengst daarvan. Deze brief schetst dus geen volledig beeld van de voortgang
van alle veiligheidsaspecten op universiteiten en hogescholen, maar gaat in op enkele
mijlpalen en updates.
Samenwerking en uniformiteit aanpak veiligheid
In het debat over Academische vrijheid op 10 september jl. (Kamerstuk 31 288, nr. 1213) heb ik uw Kamer toegezegd een update te geven over wat de instellingen sinds de
brief van mijn ambtsvoorganger over veiligheid op universiteiten en hogescholen (juli 2025)
hebben gedaan om de samenwerking en uniformiteit in de aanpak van sociale en fysieke
veiligheid op instellingen te verbeteren.1
Samenwerking en kennisdeling
Een belangrijk element is kennisdeling tussen instellingen. De managers Integrale
Veiligheid van de universiteiten komen wekelijks bij elkaar om een gezamenlijk dreigingsbeeld
te maken door onder andere de actuele situatie te bespreken en ervaringen, kennis
en good practices uit te wisselen. Dit draagt bij aan een gedeelde kennispositie en harmonisering van
advisering aan de besturen. De hogescholen delen kennis en ervaringen met name tussen
instellingen die in hetzelfde geografische gebied liggen, tussen instellingen van
vergelijkbaar karakter, tussen (vertrouwens)functionarissen en breder in het landelijke
Platform Integrale Veiligheid en op bestuurlijk niveau. Zo wordt eenduidig en efficiënt
omgegaan met de ontwikkelde kennis en ervaring.
De voorbereiding van de opening van het academisch jaar is één van de onderwerpen
waar de managers Integrale Veiligheid van de universiteiten met elkaar over gesproken
hebben. Dit heeft ertoe bijgedragen dat bij de openingen, die op een aantal instellingen
weliswaar zijn verstoord, escalatie is voorkomen. Op de hogescholen hebben de gezamenlijke
voorbereidingen en de extra aandacht voor sociale veiligheid en respectvolle omgang
met elkaar, als onderdeel van bijvoorbeeld de introductieactiviteiten, ertoe bijgedragen
dat nieuwe escalaties tot op heden niet zijn opgetreden.
Normstelling
Ook doen instellingen aan gezamenlijke normstelling bij incidenten. Zo hebben universiteiten
zich in een gezamenlijke publieksreactie duidelijk uitgesproken tegen het geweld bij
een bezetting bij de Radboud Universiteit.2 De instellingen blijven zich individueel en gezamenlijk uitspreken tegen grensoverschrijdende
acties en vóór een veilige leer- en werkomgeving.
Identificeren daders en verhalen schade
De instellingen doen altijd aangifte van strafbare feiten wanneer die plaatsvinden
tijdens protesten op hun terreinen, zoals bedreiging, vernieling of openlijke geweldpleging.
De afgelopen periode is het gesprek gevoerd tussen de sector, de ministeries van Justitie
& Veiligheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de politie en het Openbaar Ministerie
(hierna: OM) over de knelpunten die instellingen ervaren bij het verhalen van de schade
en het identificeren van daders, en de opvolging van aangiftes. Uit deze gesprekken
en een inventarisatieronde onder de universiteiten is naar voren gekomen dat de knelpunten
voor het grootste deel zijn terug te voeren op het probleem dat het niet altijd mogelijk
is om de identiteit van de daders vast te stellen. Dit komt door het onoverzichtelijke
en chaotische karakter van dergelijke situaties tijdens rellen op de campussen waardoor
het niet altijd mogelijk is om vast te stellen wie verantwoordelijk is voor welk strafbaar
feit. Hierbij wil ik opmerken dat de politie en het OM zich ten volle inzetten om
de identiteit waar mogelijk te achterhalen. Tevens hecht ik eraan te benoemen dat
ik als Minister niet kan treden in opvolging door het OM noch bemoeienis kan hebben
met de rechtsgang. Verder kan ik uw Kamer melden dat de universiteiten en politie
momenteel procesafspraken maken over hun onderlinge samenwerking. Deze afspraken zijn
onderdeel van de inspanningen die instellingen en politie verrichten om de demonstraties
op campussen in goede banen te leiden en om ongeregeldheden te voorkomen. Hiermee heb ik uitvoering gegeven aan de moties van uw Kamer over het verhalen van
schade en mijn toezegging over de opvolging van aangiftes.3
Opzet evaluatie subsidieprogramma veiligheid
Een belangrijke actie in het kader van uniformering en samenwerking op veiligheid
door de instellingen is de onafhankelijke evaluatie van het subsidieprogramma «Integrale
Veiligheid» 2016–2023 zoals aangekondigd in de brief van mijn ambtsvoorganger van
3 juli (Kamerstuk 29 240, nr. 166) over veiligheid op universiteiten en hogescholen.4 Het onderzoek zal inventariseren welke ervaringen, lessen en opbrengsten dit programma
in de instellingen heeft opgeleverd die in de toekomst benut kunnen worden voor veiligheid
en onderlinge samenwerking op dit onderwerp. Bijvoorbeeld als het gaat om de omgang
met protesten en veiligheidsincidenten.
Op korte termijn ga ik in gesprek met de instellingen over de opzet en aanpak van
dit onderzoek. Het onderzoek start in 2026 en besteedt enerzijds aandacht aan de wijze
waarop instellingen hun veiligheidsbeleid hebben ingericht. Anderzijds richt dit onderzoek
zich nadrukkelijk op de coördinatie van het veiligheidsbeleid in de sector en de rol
van uniformering en samenwerking bij het versterken van de veiligheid op de instellingen.
Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomsten
en uw Kamer mijn reactie daarop geven.
Nauw verwant hieraan is de veiligheidsopgave waar de samenleving voor staat om de
weerbaarheid tegen hybride en militaire dreigingen te verhogen. Deze dreigingen nemen
door de veranderende geopolitieke situatie toe. Uw Kamer is hier eerder over geïnformeerd
door mijn ambtsgenoten van Justitie en Veiligheid, en van Defensie.5 Op dit moment wordt door de koepelorgansaties UNL, VH, MBO-raad en UMCNL en KNAW
en NWO voor het vervolgonderwijs en wetenschap gewerkt aan sectoragenda’s met als
doel instellingen te faciliteren om weerbaarder te worden. Elk van bovenstaande organisaties
maakt een eigen agenda, waarmee recht gedaan wordt aan sectorspecifieke verschillen.
Tegelijkertijd wordt een gemeenschappelijke benadering gehanteerd om van elkaar te
leren, samen te werken en om eventueel ook sectoroverstijgende afspraken te kunnen
maken met de ketenpartners zoals veiligheidsregio’s en hulpdiensten.
Onderzoek naar meld- en klachtvoorzieningen
Een cruciaal kenmerk van een veilige leer- en werkomgeving is een goed werkend systeem
van meld- en klachtvoorzieningen. Het is van groot belang dat studenten en medewerkers
weten waar ze terecht kunnen om een melding te maken als zij grensoverschrijdend gedrag
meemaken. In de praktijk blijkt echter dat het bieden van adequate meld- en klachtvoorzieningen
veel uitdagingen kent.6 Daarom heeft mijn ambtsvoorganger Dijkgraaf, zoals toegezegd in de integrale aanpak
sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap (hierna: integrale aanpak),7, 8 een aanvullend onderzoek laten uitvoeren naar de kwaliteit van de klachtenprocedures
om ze te verbeteren. Met dit onderzoek geef ik ook uitvoering aan de motie Westerveld
over het vergroten van de bekendheid van klachtenprocedures in het hoger onderwijs.9
Belangrijkste resultaten en handelingsperspectieven
Uit het onderzoek blijkt dat op alle hogeronderwijsinstellingen een divers palet aan
voorzieningen beschikbaar is en dat de meeste studenten en medewerkers bekend zijn
met de aanwezigheid van deze voorzieningen.10 Het eerste contact van melders wordt in veel gevallen als laagdrempelig en ondersteunend
ervaren. Echter, 34% van de ondervraagde studenten en 22% van de ondervraagde medewerkers
geeft aan dat meldingen niet worden opgevolgd of afgerond.11 Dit wordt volgens de onderzoekers deels veroorzaakt doordat studenten en medewerkers
andere verwachtingen en behoeften hebben dan de voorziening biedt of kan bieden. Uit
het onderzoek blijkt verder dat de meldingsbereidheid van studenten en medewerkers
negatief wordt beïnvloed door onduidelijkheid die bestaat rond het meldproces en de
opvolging van meldingen. Zo’n 70% van de studenten en 63% van de medewerkers geven
in de enquête aan dat ze niet goed weten wat er gebeurt wanneer ze een melding of
klacht indienen over ongewenst gedrag. Ook een hiërarchische structuur binnen de organisatie12, zorgen over negatieve gevolgen van het doen van een klacht of melding en zorgen
over de onafhankelijkheid van de voorzieningen, verminderen volgens het onderzoek
de meldingsbereidheid en het vertrouwen in de voorzieningen.
Ik ben tevreden dat uit het onderzoek naar voren komt dat op alle onderwijsinstellingen
een divers palet aan voorzieningen beschikbaar is en studenten en medewerkers meestal
hun weg hiernaartoe weten te vinden. Uit het onderzoek blijkt echter ook dat er verschillende
factoren zijn die studenten en medewerkers kunnen belemmeren om zich te melden als
er iets speelt, en dat die de werking van de voorzieningen beïnvloeden. Deze signalen
baren mij zorgen.
Om de geschetste problematiek tegen te gaan, worden in het onderzoek zeven handelingsperspectieven
gegeven met daaraan gekoppeld verschillende concrete acties (hieronder komen alle
handelingsperspectieven aan bod).13 Zo raden de onderzoekers aan om het vertrouwen in de voorzieningen en de meldingsbereidheid
te verbeteren (handelingsperspectief 1), onder andere door vanuit het bestuur een
open en veilige cultuur uit te dragen en normerend op te treden. Dit kunnen zij bijvoorbeeld
doen door te communiceren over de gedragscodes en welke gevolgen het niet naleven
daarvan kan hebben. Ook het verbeteren van de informatievoorziening vanuit de instellingen
over de verschillende functies en werkwijze van beschikbare meld- of klachtvoorzieningen
kan hieraan bijdragen (handelingsperspectief 4). Verder wordt geadviseerd om te investeren
in begeleiding en nazorg voor alle partijen in een procedure (handelingsperspectief
5). Deze ondersteuning kan bijdragen aan een gevoel van rechtvaardigheid en kan voorkomen
dat mensen zich alleen gelaten voelen.
Uit het onderzoek komt daarnaast naar voren dat functionarissen uit de meld- en klachtvoorzieningen
belemmerd worden in het uitvoeren van hun taken door beperkte beschikbare tijd, rolonduidelijkheid
of gebrek aan inhoudelijke ondersteuning. De onderzoekers raden aan om te werken aan
de professionalisering van de voorzieningen, onder andere door te zorgen dat functionarissen
de uren en ontwikkelmogelijkheden krijgen die zij nodig hebben om hun functie optimaal
uit te voeren (handelingsperspectief 2).
Het onderzoek laat verder zien dat meldingen en conflicten vaak worden afgehandeld
buiten de formele voorzieningen om. Zo blijkt uit de enquêteresultaten dat studenten
vaak een beroep doen op een docent (45%) of mentor (34%) en medewerkers op een leidinggevende
(68%). Hoewel deze informele routes de toegankelijkheid vergroten, blijken de betrokkenen
niet altijd toegerust om meldingen te begeleiden of op te volgen. De onderzoekers
raden dan ook aan om te investeren in deze informele voorzieningen, bijvoorbeeld door
leidinggevenden en medewerkers te trainen in de vaardigheden die zij nodig hebben
als eerste aanspreekpunt en in hun signaalfunctie (handelingsperspectief 3).
Extern meldpunt en anoniem melden
In het onderzoek is conform een toezegging aan uw Kamer14 ook gekeken naar de potentie van een extern meldpunt en de mogelijkheid om anoniem
te melden, met als doel de meldingsbereidheid te vergroten. Beide oplossingsrichtingen
kennen zowel voor- als nadelen, zo blijkt uit dit onderzoek. Een extern meldpunt kan
de drempel verlagen voor studenten en medewerkers die het gevoel hebben dat zij binnen
hun eigen instelling niet terecht kunnen.15, 16 Nadeel is dat een extern meldpunt vaak onbekend is met de cultuur en context van
de instelling. Anoniem melden kan een uitkomst bieden voor studenten en medewerkers
die hun ervaring willen delen maar niet betrokken willen zijn bij de opvolging ervan.17 Daartegenover staat dat anonieme meldingen in de praktijk zelden tot sanctionering
kunnen leiden aangezien een gesprek, hoor en wederhoor en nazorg niet mogelijk zijn.
Met het ontbreken hiervan kan mogelijk geen compleet beeld van de situatie ontstaan
en is het lastiger voor de beklaagde om zich voldoende te verweren.
Zoals toegezegd in de integrale aanpak, is in het onderzoek naar meld- en klachtprocedures
ook gekeken naar de rol van de Vertrouwensinspectie. De onderzoekers concluderen dat
de Vertrouwensinspectie binnen het huidige stelsel een rol kan spelen bij de meld-
en klachtvoorzieningen van het hoger onderwijs. Om te zorgen dat instellingen optimaal
gebruik maken van deze expertise raden de onderzoekers aan om de bekendheid en het
bereik van de instantie te vergroten (handelingsperspectief 7).
In het onderzoek wordt tenslotte aanbevolen om meer duidelijkheid te creëren over
de reikwijdte van klacht- en meldvoorzieningen voor studenten (handelingsperspectief
6), specifiek als het gaat om situaties die zich voordoen op het snijvlak van verenigings-
en instellingscontext. Bij de uitwerking van mijn wetsvoorstel rond de zorgplicht
veiligheid in het vervolgonderwijs neem ik dit mee. Van belang is om hierbij te melden
dat studie- en studentenverenigingen zelfstandige organisaties zijn en juridisch gezien
niet onder de reikwijdte van de instelling vallen. Onderwijsinstellingen kunnen een
eventuele subsidierelatie tijdelijk stopzetten of beëindigen, maar de studie- of studentenvereniging
is en blijft zelf verantwoordelijk voor sociale veiligheid en eventuele sanctionering
en incidentenafhandeling daaromtrent.
Opvolging van het onderzoek
De handelingsperspectieven bieden de instellingen, in aanvulling op de lopende acties18, goede handvatten om de sociale veiligheid onder hun studenten en medewerkers te
verbeteren. De handelingsperspectieven zijn volgens het onderzoek relevant voor alle
hogeronderwijsinstellingen. Tegelijkertijd constateren de onderzoekers duidelijke
verschillen in hoe instellingen hun meld- en klachtvoorzieningen hebben ingericht.
Sommige instellingen hebben bepaalde onderdelen adequaat ingericht en andere zijn
nog volop in ontwikkeling. Er is volgens de onderzoekers dan ook niet één uniforme
aanpak die voor iedere instelling werkt. Het is daarom aan de instellingen, meld-
en klachtfunctionarissen en beleidsmedewerkers sociale veiligheid om te bepalen welke
acties relevant en passend zijn voor de desbetreffende instelling. Deze afweging geldt
ook voor het instellen van een extern meldpunt en het mogelijk maken van anoniem melden.
De koepels hebben toegezegd de rapportages en handelingsperspectieven te zullen bespreken
met de instellingen, en hiermee aan de slag te gaan. Ik heb er vertrouwen in en reken
erop dat de instellingen met de geboden handelingsperspectieven aan de slag gaan,
passend bij de instelling.Om de handelingsperspectieven verder te brengen kunnen de
instellingen desgewenst een aanvraag indienen bij het landelijke subsidieprogramma
sociale veiligheid in het hoger onderwijs en de wetenschap, dat wordt uitgevoerd door
de regiegroep Sociale Veiligheid, bijvoorbeeld voor initiatieven voor de ontwikkeling
van trainingen en handreikingen.19 Ook de middelen voor uitvoering van de afspraken ten aanzien van sociale veiligheid
in het Bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap kunnen door onderwijsinstellingen
hieraan worden besteed.20
Vertrouwensinspectie
Naar aanleiding van het onderzoek ga ik in gesprek met de Vertrouwensinspectie om
samen te bekijken hoe de bekendheid van de Vertrouwensinspectie kan worden vergroot.
Daarbij is het goed te benoemen dat de Vertrouwensinspectie een grotere rol zal spelen
en daarmee meer bekendheid zal generen op de instellingen als het wetsvoorstel Vrij
en Veilig Onderwijs in werking treedt. Hierin wordt onder andere de meld- en overlegplicht,
die nu geldt voor signalen van seksueel misbruik bij minderjarigen, uitgebreid naar
seksuele intimidatie en naar meerderjarigen.
Meldingsdrempel seksueel grensoverschrijdend gedrag
In het kader van de opvolging van dit onderzoek ga ik ook graag nader in op de wijze
waarop ik invulling geef aan de motie van het lid Beckerman (SP), die de regering
verzoekt om «samen met de hogeronderwijsinstellingen een plan te maken om de meldingsdrempel
bij seksueel grensoverschrijdend gedrag te verlagen, daarbij studentes actief te betrekken
en dit jaarlijks te evalueren».21 Hierbij heb ik aangegeven dat ik deze motie beschouw als onderdeel van het onderzoek
naar meld- en klachtvoorzieningen dat ik met betrokkenheid van de sector heb uitgevoerd,
en de opvolging daarvan. In het onderzoek worden mogelijkheden geschetst om de lage
meldingsbereidheid aan te pakken, bijvoorbeeld door helder te communiceren waarvoor
en wanneer studenten en medewerkers kunnen aankloppen bij meld- en klachtvoorzieningen
en hoe het proces eruitziet. Daarnaast wijs ik uw Kamer op het voorgenomen wetsvoorstel
rond de zorgplicht veiligheid voor het gehele vervolgonderwijs (mbo, hbo en wo) waar
ik momenteel aan werk. Dit wetsvoorstel draagt bij aan wat het lid Beckerman vraagt,
aangezien het wetsvoorstel voor instellingen de verplichting tot veiligheidsbeleid
expliciteert, daarbij de betrokkenheid van de medezeggenschap (waaronder studenten)
regelt en evaluatie van het beleid verplicht.22
Wettelijke zorgplicht veiligheid
Instellingen hebben de plicht te zorgen voor een veilige omgeving voor iedereen die
studeert, onderzoekt of werkt op een Nederlandse onderwijsinstelling in het vervolgonderwijs.
Op dit moment werk ik aan een wetsvoorstel dat deze zorgplicht wettelijk verankert
en expliciteert. Dit beoog ik te bewerkstelligen door de rollen en verantwoordelijkheden
van verschillende actoren, zoals het instellingsbestuur, de raad van toezicht en de
medezeggenschap, te verduidelijken, kaders te stellen voor adequaat veiligheidsbeleid
en door het voorschrijven van een lerende cyclus voor dit beleid inclusief regelmatige
evaluatie. Daarbij wordt, net als in het funderend onderwijs, een registratieplicht
voor incidenten geïntroduceerd evenals een meldplicht voor ernstige veiligheidsincidenten.
Ook wordt een eventuele wettelijke plicht voor het aanstellen van vertrouwenspersonen
of een vergelijkbare functie verkend.
Ik vind het belangrijk te benadrukken dat de implementatie van de zorgplicht bij zal
dragen aan de uniformiteit van het veiligheidsbeleid van instellingen. Immers, met
de wet schets ik heldere kaders die voor elke instelling zullen gelden. Ook ontstaat
hierdoor meer uniformiteit in de aanpak met betrekking tot sociale veiligheid in de
hele keten van primair onderwijs tot en met universitair onderwijs.
Dit wetsvoorstel bevindt zich in een voorbereidende fase. Mede door de uitbreiding
van de reikwijdte van dit wetsvoorstel naar het gehele vervolgonderwijs, en met het
oog op de ontwikkelingen rond het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs in het funderend
onderwijs en de demissionaire status van het kabinet, is meer tijd nodig voor de voorbereiding
van dit wetsvoorstel en de afstemming met het veld en met de inspectie. Het wetsvoorstel
is dan ook niet, zoals door mijn ambtsvoorganger toegezegd, al dit najaar in internetconsultatie
gegaan. Afhankelijk van de verdere ontwikkelingen, en de formatie van een nieuw kabinet,
zal een conceptversie van dit wetsvoorstel in de eerste helft van 2026 in internetconsultatie
gaan.
Wet bescherming klokkenluiders
Mijn ambtsvoorganger heeft aan uw Kamer toegezegd om in het kader van het onderzoek
naar meld- en klachtvoorzieningen te kijken of de protocollen sociale veiligheid in
lijn zijn met de Wet bescherming klokkenluiders.23, 24, 25 Hierover kan ik u melden dat universiteiten de Wet bescherming klokkenluiders hebben
vertaald naar een eigen sectorale regeling die afgelopen januari is ingegaan. Daarnaast
is in de cao van hogescholen opgenomen dat de instellingen verplicht zijn om een klokkenluidersregeling
te hebben. Deze regelingen op universiteiten en hogescholen zijn in lijn met de Wet
bescherming klokkenluiders.
Veiligheid Joodse studenten en medewerkers
Het is verschrikkelijk en onacceptabel dat Joodse studenten en medewerkers op hogescholen
en universiteiten onveiligheid en antisemitisme ervaren. Hiervoor is geen plek in
het onderwijs en ik zet mij dan ook, samen met instellingen, (Joodse) studenten en
medewerkers, in om de veiligheid te verbeteren en antisemitisme aan te pakken. Joodse
studenten en medewerkers moeten zich – net als alle studenten en medewerkers op onderwijsinstellingen
– veilig en welkom voelen. Uw Kamer heeft mij ook via verschillende moties gevraagd
om hier actie op te ondernemen.
Verkenning
Zoals toegezegd aan uw Kamer en als onderdeel van de kabinetsbrede Strategie Bestrijding
Antisemitisme26, 27 heb ik een verkenning laten uitvoeren naar de ervaringen van Joodse studenten en
medewerkers met de meld- en klachtvoorzieningen.28
29 Een aantal knelpunten uit de verkenning sluit aan bij bevindingen uit het onderzoek
naar meld- en klachtvoorzieningen. Zo ervaren (Joodse) studenten en medewerkers een
gebrek aan opvolging van klachten en meldingen, zorgt een ongelijke machtsverhouding
ervoor dat ze afhoudend zijn bij het doen van een melding over een docent of collega
en kiezen ze vaak voor informele routes. Het opvolgen van de handelingsperspectieven
uit het hiervoor gepresenteerde onderzoek draagt daardoor ook bij aan verbetering
van de meldingsbereidheid en opvolging van meldingen en klachten van Joodse studenten
en medewerkers. Daarnaast bevat de verkenning enkele conclusies, die specifiek gelden
voor Joodse studenten en medewerkers.
De onderzoekers concluderen dat er soms beperkte kennis lijkt te zijn bij functionarissen
van meld- en klachtvoorzieningen en andere medewerkers die met Joodse studenten werken
over welke uitingen, specifiek voor Joden, als kwetsend of antisemitisch kunnen worden
ervaren.30 Joodse studenten en medewerkers uit de verkenning ervaren dat ze bij het doen van
een melding regelmatig moeten uitleggen wat antisemitisme inhoudt en waarom bepaalde
uitingen als kwetsend worden ervaren. Hierdoor voelen zij zich minder gehoord of niet
goed begrepen en wordt de stap om het gesprek voort te zetten of in de toekomst weer
een melding te doen groter. In de verkenning wordt dan ook het handelingsperspectief
geboden om de kennis en sensitiviteit rondom antisemitisme te verbeteren. In dit kader
werk ik momenteel, samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB),
aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en
leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme.31 De NCAB zal naar aanleiding van deze verkenning bekijken of hij meer kan doen op
dit vlak. Zo is hij voornemens om in opvolging van de geboden handelingsperspectieven
trainingen op dit terrein te ontwikkelen.
Verder komt uit de verkenning naar voren dat de actuele onrust op instellingen rond
de oorlog in Gaza invloed heeft op de ervaringen en verwachtingen van Joodse studenten
en medewerkers bij de meld- en klachtvoorzieningen. Zowel het innemen als het uitblijven
van een publieke positie over deze kwestie door instellingen beïnvloedt het vertrouwen
van Joodse studenten en medewerkers in de meld- en klachtvoorzieningen en de ervaren
sociale veiligheid. Dit sentiment strekt zich in veel gevallen uit tot de functionarissen
binnen de meld- en klachtvoorzieningen: zij worden soms gezien als onderdeel van hetzelfde
institutionele geluid. Daarbij ervaren Joodse studenten en medewerkers dat meld- en
klachtvoorzieningen minder goed aansluiten op de problemen die zij ervaren op hun
instelling. Meld- en klachtvoorzieningen zijn in de kern ingericht op situaties waarin
sprake is van ongewenst gedrag door een of meerdere personen. De problemen waar Joodse
studenten en medewerkers uit de verkenning tegenaan lopen zijn niet altijd gericht
op individuen, maar meer op bredere institutionele onrust en een daaruit voortvloeiend
gevoel van sociale onveiligheid. Dit zijn geen kwesties die via meldvoorzieningen
kunnen worden opgelost, maar raken aan de rol en verantwoordelijkheid van bestuur,
studenten en medewerkers in het waarborgen van een veilige leer- en werkomgeving.
Gelukkig zie ik dat instellingen hiervoor verbeteringen realiseren. Zo zijn instellingen
aan het verkennen hoe de infrastructuur in den brede beter kan worden ingericht op
kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, waaronder Joodse studenten en medewerkers.
Andere initiatieven zijn het benoemen van een specifiek contactpersoon voor een Joodse
studentenvereniging, het bieden van extra ondersteuning zodat activiteiten van deze
verenigingen veilig en zonder verstoringen doorgang kunnen vinden en het faciliteren
van gesprekken tussen Joodse studenten en medewerkers, vertegenwoordigers van de instellingen
en een (studenten)rabbijn. Instellingen hebben mij toegezegd dat antisemitische symbolen
na constatering altijd zo spoedig mogelijk worden weggehaald. Mochten er, naar aanleiding
van het advies van de Taskforce Antisemitismebestrijding dat in februari 2026 wordt
gepubliceerd, extra maatregelen nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten en
medewerkers te borgen, ben ik uiteraard bereid die te nemen. Hogescholen en universiteiten
zien de uitkomsten van deze Taskforce met belangstelling tegemoet.32
Naast de interne voorzieningen zijn er ook externe meldpunten waar Joodse studenten en medewerkers van hogescholen en universiteiten
gebruik van kunnen maken. Zo kunnen zij voor het melden van antisemitische incidenten,
ondersteuning en advies terecht bij het meldpunt van het CIDI en discriminatie.nl.
Geheimhoudingsbedingen
In 2022 heeft uw Kamer een wetsvoorstel aangenomen waarmee geheimhoudingsbedingen
in de (jeugd)zorg zijn verboden.33 Geheimhoudingsbedingen zijn bepalingen in (vaststellings)overeenkomsten tussen partijen
waarin wordt overeengekomen om bepaalde informatie niet openbaar te maken of aan derden
te verstrekken. Naar aanleiding van dit wetsvoorstel heeft het lid Kwint per motie
gevraagd om na te gaan of deze geheimhoudingsbedingen ook in het onderwijs verboden
moeten worden.34 Naar aanleiding van deze motie heeft mijn ministerie een verkenning uitgevoerd naar
de mogelijkheid van een verbod op geheimhoudingsbedingen in het onderwijs.35 Aangezien het wetsvoorstel betrekking had op een verbod op geheimhoudingsbedingen
in de relatie tussen patiënt/cliënt en zorgverlener is door mijn ministerie verkend
of een verbod op geheimhoudingsbedingen tussen leerling/student en onderwijsinstelling
(in het po, vo, mbo, hbo en wo) mogelijk en gewenst is.
Laat ik vooropstellen dat ik het doel van de motie onderschrijf. Incidenten in het
onderwijs moeten bespreekbaar zijn. Uit de verkenning blijkt echter dat nut en noodzaak
ontbreken om een wettelijk verbod op geheimhoudingsbedingen te regelen in het onderwijs.
Hier zijn verschillende redenen voor.
Ten eerste blijkt uit een uitvraag onder de vertegenwoordigende partijen36 dat geheimhoudingsbedingen tussen leerling/student en onderwijsinstelling nauwelijks
voor lijken te komen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het vanwege de geheimhouding
niet mogelijk is om met zekerheid vast te stellen hoe vaak dergelijke geheimhoudingsbedingen
worden afgesproken. Daarom is gekeken of er signalen van geheimhoudingsbedingen bekend zijn. De uitvraag leverde weinig van dergelijke signalen
op. Ten tweede zijn er al (wettelijke) instrumenten waarmee de reikwijdte en geldigheid
van geheimhoudingsbedingen in het onderwijs worden beperkt. Ze zijn bijvoorbeeld nietig
wanneer ze in strijd zijn met een wet of met de goede zeden of openbare orde.37 Ten derde dienen geheimhoudingsbedingen (ook) ter bescherming van de privacy van
beide partijen.
Daarnaast kwamen er uit de verkenning signalen van mogelijke arbeidsrechtelijke geheimhoudingsafspraken
tussen werkgever en werknemer in de onderwijssector naar voren. Daarbij werd aangegeven
dat deze ook betrekking konden hebben tot (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Als
zodanig zijn geheimhoudingsbedingen in arbeidsrechtelijke vaststellingsovereenkomsten
zeer gebruikelijk en vaak ook nuttig. Maar, zoals hiervoor aangegeven, is een geheimhoudingsbeding
nietig wanneer ze in strijd is met een wet of met de goede zeden of openbare orde.
Ook kunnen cao-afspraken worden gemaakt over de inzet van geheimhoudingsbedingen.
Zo is in de cao universiteiten afgesproken dat de werkgever of werknemer bij grensoverschrijdend
gedrag altijd de mogelijkheid heeft om melding of aangifte te doen. Geheimhoudingsafspraken
tussen werkgever en werknemer vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze Minister heeft uw Kamer onlangs, in antwoord
op vragen over goedkeuring van het Verdrag over het uitbannen van geweld en intimidatie
op de werkvloer, geïnformeerd over de inzet van geheimhoudingsbedingen in het arbeidsrecht.38
Tot slot
De veiligheid van studenten en medewerkers op de onderwijsinstellingen heeft blijvende
aandacht van zowel mijzelf als de instellingen. Ik wil graag benadrukken hoe waardevol
ik het vind dat instellingen zich elke dag opnieuw inzetten voor deze sociale en fysieke
veiligheid. Het is een voortdurende inspanning die het verschil maakt in het leven
van studenten en medewerkers. Door deze toewijding creëren instellingen niet alleen
een plek om te leren en werken, maar ook een thuisbasis waar iedereen zich kan ontwikkelen
tot de beste versie van zichzelf.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
G. Moes
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap