Brief regering : Werkagenda mbo en Stagepact mbo - voortgang halverwege de looptijd
31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie
Nr. 690
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2025
Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) vormt de ruggengraat van onze economie en samenleving.
In het mbo leren jongeren en volwassenen de vaardigheden die Nederland draaiende houden.
Tegelijkertijd verandert de arbeidsmarkt in hoog tempo: nieuwe technologieën, vergrijzing
en maatschappelijke transities (zoals de energietransitie en de woningbouw) vragen
om sterke basisvaardigheden en wendbaar vakmanschap. Het mbo staat er op veel punten
goed voor, maar er is ook nog werk aan de winkel. Om in te spelen op de uitdagingen
van nu en in de toekomst, sloten verschillende partijen in 2023 daarom de Werkagenda
mbo (hierna: Werkagenda) en het Stagepact mbo (hierna: Stagepact). Beide akkoorden
bestaan uit doelstellingen en afspraken om het mbo een kwaliteitsimpuls te geven met
hulp van structurele investeringen in het mbo.
Met de Werkagenda en het Stagepact wil ik samen met de partners de kwaliteit van het
mbo verbeteren. Niet eerder hadden we daarbij zoveel zicht op de uitvoering van maatregelen,
de middelen die daarvoor worden ingezet en of dat bijdraagt aan de gestelde doelen.
Daardoor kunnen we, hoe verder we komen, steeds meer inzetten op wat werkt. We evalueren
als partners jaarlijks de landelijke voortgang en elke mbo-instelling evalueert ook
haar eigen voortgang. Doordat we allemaal willen leren om te verbeteren, kunnen we
de komende jaren geleerde lessen breder toepassen en kunnen we bijsturen als dat nodig
blijkt.
Deze brief
Hieronder licht ik u beknopt toe welke ambities we in de Werkagenda en het Stagepact
hebben geformuleerd en voor welke aanpak is gekozen.1 Daarna ga ik in op de voortgang die tot nu toe is geboekt. In de Werkagenda staan
drie prioriteiten centraal. Voor elke prioriteit is een voortgangsrapport opgesteld.
Ook stuur ik bij deze brief een overkoepelende rapportage over de voortgang van de
Werkagenda en het Stagepact en een overzicht van de voortgang van de landelijk gemaakte
afspraken. In de bijlage ga ik ook in op een aantal moties en een toezegging.
Werkagenda mbo: Samen Werken aan Talent
In 2023 maakte het Ministerie van OCW samen met mbo-instellingen, studenten, werkgevers,
gemeenten en docenten afspraken om het mbo verder te verbeteren en ontwikkelen. Deze
afspraken gaan over drie prioriteiten:
• Het bevorderen van kansengelijkheid – alle studenten doen volwaardig mee in onderwijs en maatschappij;
• Het verbeteren van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt – alle studenten hebben een duurzaam arbeidsperspectief;
• Onderwijs voor de toekomst: kwaliteit, onderzoek en innovatie – elke student krijgt een stevige basis in het mbo, er zijn voldoende en goede docenten
om onze ambities waar te kunnen maken en het mbo is toekomstbestendig en van topkwaliteit.
Per prioriteit zijn doelstellingen geformuleerd en afspraken gemaakt over de inspanningen
die worden verricht. We volgen deze inspanningen via een actie-overzicht, dat bij
deze brief is gevoegd.
Stagepact mbo
Als onderdeel van prioriteit 2, het verbeteren van de aansluiting van het onderwijs
op de arbeidsmarkt, is het Stagepact mbo gesloten. Hierin zijn met verschillende partners2 specifieke afspraken gemaakt over het verbeteren van de stages in het mbo. De ondertekenaars
van het Stagepact zetten zich in voor uitstekende stagebegeleiding, een passende stagevergoeding,
voldoende stageplaatsen voor alle mbo-studenten en het uitbannen van stagediscriminatie.
Uitvoering door mbo-instellingen
Voor het behalen van de afgesproken doelstellingen en de uitvoering van de landelijke
afspraken uit de Werkagenda en het Stagepact, is de inzet van de bekostigde mbo-instellingen
cruciaal. Om de uitvoering mogelijk te maken, heeft elke bekostigde mbo-instelling
samen met interne- en externe partners (onder meer de studentenraden, de ondernemingsraden,
de gemeenten en het lokale bedrijfsleven) een zogeheten «kwaliteitsagenda» opgesteld
en ingediend bij het Ministerie van OCW. In dit plan hebben zij de eigen ambities
geformuleerd waarmee zij bijdragen aan de doelstellingen uit de Werkagenda en het
Stagepact. De agenda’s werden in 2024 goedgekeurd door het Ministerie van OCW. De
mbo-instellingen ontvangen van 2024 tot en met 2027 middelen voor de uitvoering van
hun plan.
Budget voor de uitvoering van de kwaliteitsagenda’s
2024
2025
2026
2027
€ 704 mln.
€ 539 mln.
€ 539 mln.
€ 540 mln.
Volgen, onderzoeken en bijsturen
In de Werkagenda is afgesproken dat we de uitvoering en het effect van de maatregelen
volgen: maken we onze doelen waar? Deze afspraken staan in het monitoringsplan «Zicht
op wat werkt».3 Elk jaar ontvangen we een landelijke voortgangsrapportage met een overzicht van de
voortgang per doelstelling. Alle instellingen krijgen daarnaast inzicht in de eigen
voortgang. Als de voortgang op de doelen uitblijft, zoeken we naar de oorzaken. Ook
willen we de aanpakken die werken, breder verspreiden. Als er bijsturing nodig is,
maken we extra afspraken of passen we onze werkwijze aan. Met deze lerende aanpak
willen we samen de verbeteringen voor elkaar krijgen die we met de Werkagenda en het
Stagepact tot doel stellen.
Halverwege de looptijd
Wat gaat goed?
We zijn inmiddels halverwege de looptijd van de Werkagenda en het Stagepact en kunnen
een eerste balans opmaken. Hoe staat het met de voortgang? In de onderzoeksresultaten
zie ik dat de ingezette aanpak op sommige doelstellingen al leidt tot resultaat. Er
zijn positieve ontwikkelingen zichtbaar. Sinds de start in 2023 voelen meer studenten
zich mentaal goed en voelen zij zich ook vaker veilig op de opleiding. En, wat heel
belangrijk is: studenten vallen minder vaak uit. Ook voor docenten zie ik verbeteringen.
Zij ervaren minder werkdruk en zien meer ontwikkelmogelijkheden. Dit straalt ook af
op de mbo-instellingen als werkgever: dit zijn namelijk twee essentiële ingrediënten
voor goed werkgeverschap. We zien ook dat de inzet op kwaliteitsverbetering van het
basisvaardighedenonderwijs in het mbo inmiddels voorzichtig eerste vruchten afwerpt:
meer studenten zijn positief over de lessen burgerschap en rekenen. We richten ons
erop dat deze verbetering zich de komende jaren uitbetaalt in meer studenten die met
voldoende basisvaardigheden het mbo verlaten.4
Wat moet beter?
Er zijn ook aandachtspunten te zien. Zo lukt het de sector nog onvoldoende om genoeg
studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Ondanks de inzet van
de werkagenda zien we dat het mbo minder studenten opleidt voor de beroepen waarvoor
we in Nederland juist méér goede vakmensen nodig hebben. Terwijl juist een opleiding
tot deze beroepen studenten de kans geeft op een goede baan met veel mogelijkheden.
Als we niets doen loopt Nederland vast en bieden we teveel studenten niet de kansrijke
toekomst die we ze wel kunnen geven. Dat vraagt om een aanvullende aanpak met scherpe
keuzes over het opleidingsaanbod en de instroom van studenten bij opleidingen voor
de maatschappelijke opgaven van Nederland (woningbouw, zorg, onderwijs, klimaat &
energie, veiligheid, kinderopvang en digitalisering).5 Zodat er een goed bereikbaar opleidingsaanbod beschikbaar is in de regio, dat meer
dan nu gericht is op de beroepen die noodzakelijk zijn om de samenleving draaiend
te houden. Waar studenten weloverwogen uit kunnen kiezen. Daarbij is van belang dat
ook de kwaliteit van de stages verder omhoog gaat. We zien op teveel plekken dat de
stagebegeleiding, vanuit school en leerbedrijf, beter kan en moet en dat nog lang
niet alle studenten een passende stagevergoeding ontvangen.6 En hoewel instellingen en leerbedrijven inzetten op het tegengaan van stagediscriminatie,
zien we nog teveel studenten die hier mee te maken krijgen. Dat is niet van vandaag
op morgen opgelost, maar vraagt blijvende en waar mogelijk scherpere inzet van alle
partijen. Ook de MBO Raad en JOBmbo vinden dat er meer actie nodig is om de ambities
van het stagepact te bereiken. Het is mooi om te zien dat ik hen op dit thema aan
mijn zijde tref. Gezamenlijk moeten we de stap zetten van leren, naar normeren en
renderen. Ik houd de vinger aan de pols of we de komende jaren ook daadwerkelijk het
afgesproken resultaat bereiken.
Sturen op prioriteiten
Het is positief dat de aanpak van de Werkagenda en het Stagepact nu al eerste resultaten
laat zien. Die goede beweging moeten we vasthouden. Tegelijkertijd moet er op sommige
doelstellingen nog een tandje bij. Daarom is het zaak te blijven doorpakken om de
gestelde ambities waar te maken. In het vervolg van deze brief ga ik verder in op
de tussentijdse uitkomsten. Per prioriteit laat ik de belangrijkste inzet, resultaten
en eventuele bijsturingen zien.
Prioriteit 1: Het bevorderen van kansengelijkheid
Ambitie: Alle studenten doen volwaardig mee in onderwijs en maatschappij
Doelen:
• Een gelijkwaardige behandeling van alle studenten in Nederland;
• Het verbeteren van het studentenwelzijn, de veiligheid en de toegankelijkheid van
het mbo;
• Het versterken van de begeleiding van studenten in het onderwijs en bij de stap van
school naar werk. Toewerken naar maximaal 18.000 nieuwe vsv’ers;
• Het stimuleren van de in- en doorstroom in de beroepskolom (vo-mbo-hbo);
• Het verminderen van laaggeletterdheid.
Om een opleiding goed te kunnen doorlopen is het van groot belang dat studenten goed
in hun vel zitten. En als het door persoonlijke omstandigheden even tegenzit, heeft
een student een instelling nodig die daar oog voor heeft. Een instelling die zich
inspant om de student te ondersteunen en te voorkomen dat hij of zij thuis komt te
zitten. Daarom ben ik positief gestemd over twee belangrijke bewegingen. Allereerst
voelen steeds meer studenten zich mentaal gezond: het aandeel studenten dat zich mentaal
(zeer) slecht voelt, daalde in 2025 naar 11%, ten opzichte van 21% in 2022. Daarnaast
is het aantal voortijdig schoolverlaters in het mbo met ruim 3.000 gedaald.7 Ook zie ik een positieve ontwikkeling op de gelijkwaardige behandeling van mbo-studenten.
Steeds meer mbo-studenten nemen deel aan het studentenleven en instellingen introduceren
collegekaarten. Het is mooi dat instellingen en studenten deze bewegingen in gang
hebben gezet. Ook als overheid kunnen we hierin nog stappen maken, bijvoorbeeld als
het gaat om studiefinanciering en de schoolkosten voor mbo-studenten. Dit heeft directe
impact op de financiële positie en de toegankelijkheid van het mbo. Ik heb uw Kamer
recent een overzicht gestuurd van deze verschillen.8 Deze verschillen wegnemen vraagt echter om aanvullende middelen en het is aan een
volgend kabinet om daar een keuze in te maken.
Tegelijkertijd bevestigt de voortgangsrapportage van de Werkagenda de conclusie die
de Algemene Rekenkamer eerder trok.9 Niet alle (groepen) studenten profiteren van de gepleegde inzet: zowel tussen als
binnen instellingen zijn grote verschillen zichtbaar. Sommige verschillen vind ik
niet goed uitlegbaar, daar wil ik verandering in brengen. De volgende verschillen
licht ik graag uit:
• Studenten ervaren grote verschillen in de kwaliteit van hun studie- en stagebegeleiding.
Deze verschillen hebben directe invloed op de mate waarin een student de succesvol
kan doorlopen.
• Mbo-instellingen geven op uiteenlopende manieren uitvoering aan het Studentenfonds10. In de praktijk leidt dat soms tot ongewenste verschillen tussen studenten.
• De informatievoorziening richting studenten is veelal niet op orde. Het is voor studenten
vaak onduidelijk op welke ondersteuning ze mogen rekenen, of met welke schoolkosten
ze te maken krijgen.
In het eerste kwartaal van 2026 maak ik concrete afspraken met de MBO Raad en JOBmbo
over deze thema’s. We maken scherper wat een student mag verwachten van de mbo-instelling.
Het doel is om de verschillen in ondersteuningsniveau voor studenten te verkleinen.
Deze concrete afspraken zijn, op de korte termijn, een eerste stap. De voortgang van
de Werkagenda en het rapport van de Algemene Rekenkamer maken duidelijk dat een aanscherping
van de inzet op gelijke kansen in het mbo nodig is. Samen met de partners werk ik
hieraan. Zo wil ik een duidelijkere definitie van kansengelijkheid, de doelen en resultaten.
Dan is het voor instellingen helder wat er van hen wordt verwacht en kunnen we de
verschillen tussen instellingen verkleinen. Hierover wordt uw Kamer voor de zomer
van 2026 over geïnformeerd. Wel zal ik begin 2026 reageren op de motie van lid Haage
over sectoroverstijgende kernindicatoren voor kansengelijkheid.11
Prioriteit 2: Het verbeteren van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt
Ambitie: alle studenten hebben een duurzaam arbeidsperspectief
Doelen:
• Meer studenten maken een weloverwogen keuze voor een opleiding richting een kansrijk
beroep, passend bij hun interesses, talenten en capaciteiten;
• Studenten in het mbo krijgen een kwalitatief goede stageplek of leerbaan die aansluit
bij de opleiding en ontwikkelingsbehoefte van de student;
• De mbo-sector draagt bij aan het (op maat, modulair en via bbl) bij- en omscholen
van werkenden en werkzoekenden.
Het mbo is onmisbaar bij het opleiden van talent voor de arbeidsmarkt van nu en de
toekomst. Dat vraagt om een studieaanbod passend bij de uitdagingen van de huidige
en toekomstige maatschappij en goede studievoorlichting. Mbo-instellingen investeren
daarom flink in een weloverwogen studiekeuze voor elke student. Dat blijkt bijvoorbeeld
uit een toename van het aantal instellingen dat een domeinoverstijgend oriëntatieprogramma
aanbiedt (een groei van 16 naar 26).12 Dit oriëntatieprogramma geeft jongeren de kans om zich eerst breed te oriënteren
en daarna een specifieke richting te kiezen. Hiernaast verschilt het per student welk
type opleiding of traject passend is. Zo past de combinatie van werken en leren, een
bbl-opleiding, beter bij sommige studenten. Met het bbl-offensief brengen we vanuit
de Werkagenda de keuze voor een bbl-opleiding meer onder de aandacht.13 We zien dat steeds meer studenten de weg naar de bbl inmiddels weten te vinden: het
aantal bbl-studenten neemt toe. Voor werkenden en werkzoekenden kan een praktijkverklaring
of certificaat juist de manier zijn om zich om- of bij te scholen. Bijvoorbeeld als
een startkwalificatie niet haalbaar is of iemand extra vaardigheden wil ontwikkelen.
We zien ook dat de deelname aan dit type trajecten groeit. Hiermee zet het mbo positieve
stappen om steeds beter aan te sluiten bij de behoeften van verschillende studenten
en de (toekomstige) arbeidsmarkt.
Toch blijft de aansluiting van mbo-opleidingen op de arbeidsmarkt van nu en de toekomst
een punt waar ik me zorgen over maak. De krapte op de arbeidsmarkt is groot en in
veel sectoren voorlopig blijvend. De grote maatschappelijke opgaven waar Nederland
voor staat, zoals bijvoorbeeld in de bouw, de zorg en defensie, vragen veel extra
vakmensen. Daarbij zien we dat de instroom van studenten in het mbo de komende jaren
daalt. Ook kiest een deel van de studenten voor een studie waarmee zij simpelweg minder
goed toekomstperspectief hebben.14 De inzet vanuit de werkagenda moet hier verandering in brengen, maar die verandering
zien we onvoldoende. Zo is de landelijke aanpak Kansrijk opleiden van het onderwijs
en het bedrijfsleven, een belangrijk onderdeel van de Werkagenda, eerder vastgelopen.
Het is onderwijs en bedrijfsleven onderling niet gelukt om tot scherpe afspraken te
komen over een toekomstbestendig opleidingsaanbod en het opleiden van meer studenten
voor de maatschappelijke opgaven van Nederland. En ondanks de afspraken in de werkagenda
zien we dat de instroom in opleidingen voor de maatschappelijke opgaven van Nederland
afneemt in plaats van toeneemt.15 We zien dat Mbo-instellingen investeren in loopbaanoriëntatie en -begeleiding (lob),
maar dit leidt nog niet tot meer tevredenheid bij studenten.
Als we dit tij niet weten te keren loopt Nederland vast. En minstens zo belangrijk:
we bereiden een deel van de studenten niet voor op een kansrijke toekomst. Daarom
is het belangrijk dat er scherpe keuzes worden gemaakt.16 Keuzes over een goed en breed toegankelijk opleidingsaanbod in de regio, dat meer
dan nu gericht is op de arbeidsmarkt van de toekomst. Een opleidingsaanbod dat tot
stand komt uit samenwerking tussen mbo-instellingen in plaats van concurrentie en
dat in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven wordt vormgegeven. Een opleidingsaanbod
waaruit een student zelf kiest wat hij of zij wil studeren. Het is van belang dat
die keuze goed onderbouwd is, op basis van betrouwbare informatie en goede begeleiding.
Het mbo kan de genoemde uitdagingen niet als sector alleen het hoofd bieden. Wel kan
zij een belangrijke bijdrage leveren aan de oplossing.
Uitvoering van het Stagepact
De voortgang op de uitvoering van het Stagepact baart mij, maar ook de andere partners,
zorgen. Het lukt nog onvoldoende om op de geformuleerde doelstellingen vooruitgang
te boeken. Daarom moeten we de komende periode (extra) stappen gaan maken. Het moet
snel duidelijk worden hoe scholen en leerbedrijven deze negatieve trend doorbreken
en de situatie voor studenten verbeteren. Om deze reden heb ik met de partners van
het Stagepact een aantal aanvullende acties opgesteld, die op korte termijn tot de
eerste resultaten moeten leiden. Hieronder ga ik kort in op de vier doelstellingen
van het Stagepact en de bijbehorende acties.
Voldoende stageplekken
Om voldoende studenten op te kunnen leiden, is het ook belangrijk dat er voldoende
stageplekken beschikbaar zijn. Het stagetekort blijft laag, maar onze inspanningen
blijven nodig om dat zo te houden. Voor entree-studenten nemen de tekorten toe. Dat
is zorgelijk, omdat het juist voor hen belangrijk is dat ze zonder grote hobbels hun
opleiding kunnen doorlopen. SBB bekijkt samen met de Stagepactpartners hoe we de stagetekorten
laag kunnen houden.
Betere begeleiding
De kwaliteit van de stagebegeleiding is nog onvoldoende op orde. De tevredenheid van
studenten over de begeleiding is nog steeds laag en neemt nauwelijks toe. Veel instellingen
passen de afgesproken drie contactmomenten per stage nog niet (volledig) toe. Dat
roept vragen op over de kwaliteit van de begeleiding. Ik verwacht dan ook dat alle
instellingen op alle opleidingen de afgesproken drie contactmomenten implementeren
tijdens de stage. Daarnaast brengen de MBO Raad en JOBmbo in beeld wat studenten belangrijk
vinden bij stagebegeleiding en wat de werkende principes zijn om de begeleiding te
verbeteren. In het eerste kwartaal van 2026 maak ik met de partners van het Stagepact
afspraken over de brede implementatie van deze principes. Het Kennispunt Beroepspraktijkvorming
(bpv) speelt een belangrijke rol bij deze implementatie.
Stagediscriminatie
Geen enkele student mag te maken krijgen met discriminatie, zeker niet bij zijn of
haar eerste kennismaking met de arbeidsmarkt. Ondanks goede eerste stappen, komt stagediscriminatie
nog steeds te vaak voor. Omdat het uitbannen van stagediscriminatie ook een cultuuromslag
vraagt, heb ik twee verdiepende onderzoeken laten uitvoeren, die ik meestuur met deze
brief.
Bijna elke instelling is gestart met de pilot stagematching.17 Bij die aanpak is nog ruimte voor verbetering: de pilot kost volgens de instellingen
veel tijd en leerwerkbedrijven zetten vaak alsnog in op een klikgesprek. Het is wel
positief om te zien dat stagebegeleiders in het mbo steeds meer bewust worden van
stagediscriminatie en dat zij ook worden getraind in het herkennen ervan. Begeleiders
weten ook steeds beter welke stappen ze moeten nemen bij vermoedens van discriminatie
of als een student zich meldt. Inmiddels hebben bijna alle mbo-instellingen een meldpunt
voor stagediscriminatie en worden deze meldingen ook doorgegeven aan SBB. Dat is mooi,
maar de procedures bij instellingen moeten nog wel duidelijker. Docenten en begeleiders
weten niet altijd waar ze terechtkunnen en studenten kunnen de weg naar de meldpunten
(mede daardoor) nog niet altijd vinden. Daarom is een routekaart ontwikkeld om studenten
hierbij te helpen. Daarnaast maken de MBO Raad en JOBmbo afspraken om de meldpunten
voor stagediscriminatie bij studenten onder de aandacht te brengen. Ik verwacht dat
de uitvoering van deze afspraken in het eerste kwartaal van 2026 in gang wordt gezet.
De komende jaren blijft het belangrijk om nog meer in te zetten op het voorkomen van
discriminatie. Instellingen gaan ook verder met de uitvoering van de pilot stagematching.
Betrokken partijen denken mee over de praktische uitvoerbaarheid van het instrument.
Ook voor de leerbedrijven is er de komende periode nog werk aan de winkel. Het lukt
begeleiders bij de leerbedrijven nog maar beperkt om discriminatie te herkennen, met
name door een gebrek aan kennis. Hier moet het bedrijfsleven de komende periode mee
aan de slag. Daarom start VNO-NCW onder meer een campagne over stagediscriminatie,
om bewustwording en kennis te vergroten.
Stagevergoedingen
Tot slot ontvangen teveel studenten nog geen stagevergoeding. Er is een lichte stijging
te zien in het aantal afspraken dat hierover wordt gemaakt in cao’s, maar dit vertaalt
zich nog maar beperkt naar meer stagevergoedingen voor studenten. Ik ben daarom gestart
met een verkenning naar de mogelijkheid om een stagevergoeding wettelijk te verplichten.
Zoals toegezegd, ontvangt u rond de jaarwisseling de verkenning van de wettelijke
mogelijkheden en voor de zomer van 2026 de contouren van een wetsvoorstel. Ondertussen
roep ik alle partijen op om niet achterover te leunen, maar het voor alle sectoren
gewoon te regelen. Het is voor studenten en stagebedrijven belangrijk dat duidelijk
is in welke cao de stagevergoeding is geregeld. Daarom gaan de MBO Raad, JOBmbo en
VNO-NCW zowel studenten, stagebedrijven als stagebegeleiders actief informeren over
de cao’s waarin stagevergoedingen zijn vastgelegd.
Prioriteit 3: Onderwijs voor de toekomst: kwaliteit, onderzoek en innovatie
Ambitie: Elke student krijgt een stevige basis in het mbo, er zijn voldoende en goede docenten
om onze ambities waar te kunnen maken en het mbo is toekomstbestendig en van topkwaliteit.
Doelen:
• De beheersing van Nederlands en rekenen onder mbo-studenten verbeteren;
• De kwaliteit van het burgerschapsonderwijs verbeteren;
• Werken in het mbo is en blijft aantrekkelijk;
• Het mbo wordt op het gebied van onderzoek en innovatie een volwaardige en gelijkwaardige
partner in onderzoeks- en kennisnetwerken.
Stevige inzet op basisvaardigheden
Goede beheersing van de Nederlandse taal en goed kunnen rekenen zijn belangrijke voorwaarden
om succesvol te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Om studenten deze goede basis
te geven, is de afgelopen periode flink geïnvesteerd in de basisvaardigheden van studenten.
Studenten krijgen vaker gerichte ondersteuning bij taal en rekenen en basisvaardigheden
worden steeds vaker binnen de context van het beroep aangeboden. Dat resulteert in
een voorzichtig positieve ontwikkeling van de tevredenheid van studenten over de lessen
basisvaardigheden. In het bijzonder de tevredenheid over de burgerschapslessen is
toegenomen: de aandacht en inzet op dit onderwerp lijken studenten dus te merken.
De komende periode zet ik de ontwikkeling van het burgerschapsonderwijs verder door.
Onder meer met het wetsvoorstel Uitwerking burgerschapsopdracht WEB.18 Dit wetsvoorstel zal, naar verwachting, per 1 augustus 2027 in werking treden.
De ontwikkelingen stemmen hoopvol, maar we zijn er nog niet. Er blijven uitdagingen.
Nog steeds stromen leerlingen met achterstanden in basisvaardigheden van het voortgezet
onderwijs naar het mbo. Om de uitdagingen het hoofd te bieden, heeft dit kabinet voor
de studiejaren 2025–2026 en 2026–2027 financiële ruimte aan instellingen gegeven.
Dit doen we door € 47,2 miljoen te investeren om studenten beter te ondersteunen en
achterstanden in te lopen. Met de aanpak basisvaardigheden mbo werk ik aan het krijgen
van meer zicht en grip op de kwaliteit van de lessen basisvaardigheden en het niveau
van mbo-studenten.19 De komende jaren hopen we deze investeringen en inspanningen terug te gaan zien in
de examenresultaten.
Carrièreperspectief mbo-docenten: nog veel stappen te zetten
De goede basis voor studenten kan alleen geboden worden als het mbo voldoende kwalitatief
onderwijspersoneel heeft: goede docenten zijn cruciaal voor de kwaliteit van het mbo.
Het mbo zal daarom een aantrekkelijke werkgever moeten zijn en blijven. Met de vermindering
van de werkdruk en een betere inschaling van docenten, zetten mbo-instellingen eerste
belangrijke stappen.20 Maar de ambities zijn groot. De komende jaren moet het tempo waarmee deze ambities
worden waargemaakt, omhoog. De MBO Raad, als werkgeversorganisatie, neemt hiervoor
het initiatief door met de HR-directeuren van alle instellingen samen te werken aan
de koers. Het docentperspectief nemen zij komend jaar nog nadrukkelijker mee bij deze
samenwerking. Dit gebeurt bijvoorbeeld door de Beroepsvereniging opleiders MBO (BVMBO)
uit te nodigen bij bijeenkomsten over dit thema.21
Praktijkgericht onderzoek en de kennisbasis van het mbo
Het mbo ontwikkelt zich steeds verder in het zelf ontwikkelen en aanbieden van kennis.
Vrijwel iedere mbo-instelling beschikt inmiddels over ten minste één practoraat. Dit
is een belangrijke stap in de richting van het versterken van praktijkgericht onderzoek
en innovatie. De Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie zal adviseren
over de toekomst van praktijkgericht onderzoek in het mbo en de rol van practoraten
daarin. Dat advies verwacht ik in de tweede helft van 2026 en wordt richtinggevend
bij de verdere ontwikkeling van de kennisfunctie van het mbo.
Blik op de komende jaren
De voortgang van de Werkagenda en het Stagepact tot nu toe, biedt perspectief voor
de komende periode. Ik zie positieve bewegingen plaatsvinden en veel inspanning op
alle doelstellingen. Waar de inspanning of voortgang onvoldoende zijn, zetten we een
stap extra of wijzigen we de aanpak. Dit moeten we de komende jaren vasthouden.
Tegelijkertijd is het belangrijk om voorbereid te zijn op de periode na de Werkagenda.
We willen natuurlijk dat de inspanningen niet alleen tot tijdelijk resultaat leiden,
maar tot blijvende verandering. Op onderdelen van de Werkagenda, bijvoorbeeld de aansluiting
van het onderwijs op de arbeidsmarkt, is ook na 2027 nog extra inspanning nodig. We
moeten kritisch blijven kijken naar de juiste manieren om resultaat te boeken. Op
basis van de voortgang van de Werkagenda en het Stagepact, zijn er twee punten waar
ik in een vervolgaanpak rekening mee wil houden.
Ten eerste valt op dat op de thema’s waarin landelijk focus is aangebracht, mbo-instellingen
meer ambitie tonen en er meer voortgang wordt geboekt. Ik zie dit in de eerste plaats
bij doelstellingen met een landelijke kwantitatieve doelstelling.Voorbeelden hiervan
zijn het streefdoel van maximaal 18.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters en het doel
dat iedere instelling minimaal één practoraat heeft. In de tweede plaats zie ik dit
bij doelstellingen waar instellingen verplicht een vastgesteld deel van het budget
moesten inzetten. Dit geldt bijvoorbeeld voor het verbeteren van het carrièreperspectief
van docenten en voor het oprichten van practoraten.22 Gericht sturen met geld of een landelijk streefcijfer, lijkt dus zijn vruchten af
te werpen. Dit komt omdat mbo-instellingen een referentiepunt hebben waar zij zich
aan kunnen optrekken; men weet wat hen te doen staat. Uiteraard moeten we blijven
volgen of dit, gedurende de looptijd van de Werkagenda, zo blijft.
Daarnaast stel ik vast dat het budget voor de kwaliteitsafspraken op dit moment 10%
van de bekostiging in het mbo is. Dit budget is cruciaal voor de financiële continuïteit
van mbo-instellingen. Dat maakt het haast onmogelijk om de middelen niet uit te keren
wanneer een kwaliteitsagenda onverhoopt niet aan de eisen voldoet. Met de herkansingsmogelijkheid
voor kwaliteitsagenda’s is een oplossing voor dit probleem gevonden in de kwaliteitsafspraken
voor 2024–2027. Tegelijkertijd is de gerichte geldstroom (nu: de kwaliteitsafspraken)
een belangrijk instrument om als Minister te kunnen sturen op de kwaliteit van het
mbo. De omvang en inrichting van de gerichte geldstroom (nu de kwaliteitsafspraken)
zijn daarom nadrukkelijk onderdeel van het traject van de herziening van de bekostiging
van het mbo.23
Tot slot
Ik zie dat de Werkagenda en het Stagepact de mbo-sector in beweging hebben gebracht.
Veel instellingen zetten belangrijke eerste stappen en ik zie ook dat de ondertekenaars
allen op hun eigen manier bijdragen aan verdere ontwikkeling. Dat blijkt ook uit de
gesprekken die mijn ministerie met de bestuurders van alle mbo-instellingen voert.
De investeringen die nu al gedaan zijn, moeten zich de komende jaren uitbetalen. Alle
ondertekenaars zijn zich ervan bewust dat er ook de komende jaren nog flinke stappen
nodig zijn. Een lerende houding, waar nodig blijven bijsturen op de plannen en de
beschikbare kennis toepassen zijn hiervoor cruciaal. De komende periode blijf ik mij
volop inzetten om dit te stimuleren en voor een goede uitvoering van de huidige afspraken.
Daarnaast wil ik stappen blijven zetten op de uitdagingen van het mbo voor de toekomst:
een toegankelijk en hoogwaardig beroepsonderwijs in heel Nederland door toekomstbestendige
bekostiging van mbo-scholen en het zorgdragen voor een mbo-opleidingsaanbod dat goed
aansluit bij de huidige en toekomstige arbeidsmarkt.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
G. Moes
BIJLAGE: MOTIES EN TOEZEGGINGEN M.B.T. DE UITVOERING VAN DE WERKAGENDA EN HET STAGEPACT
Motie Dassen over Benelux-Baltisch verdrag
De motie van het lid Dassen (VOLT) c.s. verzoekt de regering om te onderzoeken hoe
het Benelux-Baltische verdrag ook voor mbo-opleidingen en kwalificaties kan gelden
en de mogelijkheden hiervan aan de Kamer terug te koppelen.24 Zowel in de Benelux-landen als in de Baltische staten is er sprake van automatische
wederzijdse erkenning van hbo- en wo-diploma’s. Deze afspraken gelden niet voor mbo-diploma’s,
waardoor het Benelux-Baltische verdrag niet geldt voor opleidingen en kwalificaties
in het mbo. Het kabinet staat terughoudend tegenover de automatische wederzijdse diploma-erkenning
in het mbo, vanwege de vele verschillende systemen voor beroepsonderwijs binnen Europa.
Diploma’s zijn niet één op één vergelijkbaar, ook niet met onze buurlanden. Wel wordt
in de praktijk al op verschillende manieren samengewerkt tussen mbo-instellingen om
mobiliteit van studenten te bevorderen. Dat gebeurt bijvoorbeeld met de pilots in
de Eems Dollard grensregio met het MOVE-certificate, dat internationale waarde aan
nationale diploma’s toekent door aanvullingen van vaktechnische onderdelen die aan
de andere kant van de grens nodig zijn.
In Europees verband ziet het kabinet voor het mbo vooral meerwaarde in het valideren
en erkennen van specifieke vaardigheden. Om zo werkervaring inzichtelijker te maken
voor werkgevers en onderwijsinstellingen over de grens. Daarom is de skillstaal «CompetentNL»
ontwikkeld, die is gekoppeld aan Europese initiatieven.
Hiermee beschouw ik de motie Dassen als uitgevoerd.
Toezegging over een bestuursjaar voor mbo-studenten
Tijdens het commissiedebat mbo op 1 oktober 2025 heb ik uw Kamer toegezegd te onderzoeken
op welke wijze regelgeving mbo-studenten belemmert bij de keuze voor een bestuursjaar.
Hierop zou ik terugkomen in mijn brief over de voortgang van de Werkagenda. Hierbij
voldoe ik aan die toezegging.
Conform de motie van het lid Westerveld (GL/PvdA)25 heeft de toenmalige Minister van OCW uw Kamer in zijn brief van 17 juli 2024 geïnformeerd
hoe het, ook voor minderjarige mbo-studenten zonder startkwalificatie, mogelijk kan
worden om een vrijstelling te krijgen voor extracurriculaire activiteiten.26 Op dit moment kunnen minderjarige mbo-studenten zonder startkwalificatie geen vrijstelling
krijgen voor een voltijds bestuursjaar. Deze studenten hebben een kwalificatieplicht
en moeten daarom onderwijs volgen. Om vrijstelling van de kwalificatieplicht mogelijk
te maken, is een wijziging nodig van de Leerplichtwet, de Wet educatie en beroepsonderwijs
(WEB) en lagere regelgeving. Daarnaast zijn er wijzigingen in wet- en regelgeving
nodig ten aanzien van studiefinanciering, lesgeld en financiële compensatie voor het
oplopen van studievertraging. Ik ben van plan om in 2026 te starten met de voorbereiding
van deze wijzigingen van wet- en regelgeving.
Intrekken erkenningen bij stagediscriminatie
Zoals toegezegd in het debat van 2 april jl. over stages in het mbo, hbo, wo en de
aansluiting op de arbeidsmarkt informeer ik uw Kamer hierbij over de cijfers m.b.t
de intrekking van erkenningen van leerbedrijven door de SBB bij de constatering van
stage-discriminatie.
SBB geeft aan dat er in 2024 in totaal 369 klachten in behandeling zijn genomen. Bij
81 gevallen is de erkenning ingetrokken, in 29 gevallen is de erkenning aangepast
en in 104 gevallen zijn verbeterafspraken gemaakt. Van de ingetrokken erkenningen
zijn drie erkenningen ingetrokken door een klacht over stagediscriminatie en zijn
in drie gevallen verbeterafspraken naar aanleiding van de stagediscriminatie gemaakt.
Een verbeterafspraak is een schriftelijk vastgelegde afspraak met het leerbedrijf,
met als doel herhaling van discriminatie te voorkomen en verbetering te realiseren
als leerbedrijf.
Het aantal ingetrokken erkenningen op basis van discriminatie publiceert SBB in de
landelijke rapportage Meldingen stagediscriminatie die SBB in het kader van het Stagepact
oplevert. SBB rapporteert daarnaast in haar jaarverslag over nieuwe en ingetrokken
erkenningen. Vanaf komend jaar zal SBB bij het aantal ingetrokken erkenningen vermelden
hoeveel hiervan betrekking hadden op de sociale veiligheid. Hiermee voldoet SBB aan
de wens van de Tweede Kamer om deze cijfers te publiceren en wordt de motie van de
leden Ergin (Denk) en Tseggai (GL/PvdA) uitgevoerd.27
Ondertekenaars
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap