Brief regering : Uitvoering moties van het lid Heite over pluriformiteit in de wetenschap en nevenwerkzaamheden van hoogleraren
31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid
Nr. 1228
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2025
Met deze brief informeer ik uw Kamer over de uitvoering van twee door uw Kamer aangenomen
moties conform mijn toezegging aan uw Kamer. Een afschrift van deze brief wordt conform
mijn voorgenoemde toezegging naar de Eerste Kamer gestuurd.
Uw Kamer heeft mij in de motie van het lid Heite verzocht om in overleg met NWO en
UNL te gaan om de zorgen over het gebrek aan pluriformiteit en ruimte voor open debat
in de wetenschap te inventariseren en te staven, en daarbij ook onafhankelijke onderzoekers
en maatschappelijke organisaties te betrekken.1 Ik ben hierover met UNL en NWO in gesprek geweest. Beiden horen ook signalen over
een gebrek aan pluriformiteit, maar zijn van mening dat er voldoende waarborgen in
het systeem zijn om de pluriformiteit te bewaken.
Zo heeft NWO financieringsinstrumenten voor ongebonden onderzoek die nadrukkelijk
vrij zijn van thematische randvoorwaarden, en waarin de wetenschappelijke kwaliteit,
en niet het onderwerp, doorslaggevend is. Daarnaast verwijst UNL naar verschillende,
belangrijke instrumenten die de normen en standaarden van de Nederlandse wetenschap
versterken2. Voorbeelden hiervan zijn onder andere de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke
Integriteit en het Strategy Evaluation Protocol (SEP). In het SEP is onder andere
aandacht voor de academische cultuur, in termen van openheid, veiligheid, en inclusiviteit
en in termen van wetenschappelijke integriteit.
Ik zie de waarborgen in het systeem om de pluriformiteit in de wetenschap te waarborgen.
Tegelijkertijd neem ik, samen met UNL en NWO, de zorgen hierover serieus. Daarom zal
ik de in de motie verzochte inventarisatie en het staven daarvan uitbesteden aan een
onafhankelijke partij. Conform de motie worden hier maatschappelijke organisaties
en onafhankelijke onderzoekers bij betrokken. Vanwege de taakstelling op het ambtenarenapparaat
binnen mijn ministerie kan ik hier pas in het najaar van 2026 mee aan de slag gaan.
Mochten de uitkomsten van het komende onderzoek daartoe aanleiding geven, dan wordt
bezien of dit onderzoek een terugkerend karakter krijgt om de vinger aan de pols te
houden. In dat geval verdient het aanbeveling om dit onderzoek aan te laten sluiten
bij het onderzoek over academische vrijheid dat in 2028 plaatsvindt en een vervolgstudie
is naar aanleiding van een eerder onderzoek over zelfcensuur3 in 2023. Integratie ligt in dit verband voor de hand, omdat de thema’s (pluriformiteit
en academische vrijheid) zijn gerelateerd.
Daarnaast heeft uw Kamer in de voorgenoemde motie verzocht om, indien de zorgen op
basis van de inventarisatie worden bevestigd, binnen bestaande financieringsinstrumenten
structurele ruimte te creëren voor onderzoek dat de consensus bevraagt. Logischerwijs
kan ik daar nader op ingaan nadat de zorgen zijn onderzocht.
Uw Kamer heeft mij in een andere motie van het lid Heite verzocht om met de universiteiten
afspraken te maken die waarborgen dat voor alle hoogleraren volledige, kloppende en
vindbare informatie over commerciële nevenwerkzaamheden beschikbaar is in de registratie
nevenfuncties en deze registratie voortaan actueel te houden.4 Uiteraard moet het register nevenwerkzaamheden volledig, kloppend, vindbaar en actueel
zijn. Universiteiten van Nederland (UNL) sluit zich hier ook bij aan en daarom neemt
UNL nu concreet de volgende stappen.
Ten eerste zal UNL de noodzaak van een actuele registratie van nevenfuncties agenderen
en bespreken bij haar eerstvolgende, jaarlijkse evaluatiemoment met de universitaire
dossierhouders die de opdracht hebben om dit bestand en de publieke gegevens actueel
te houden. Dit evaluatiemoment wordt verwacht aan het begin van 2026. Ten tweede zal
UNL deze noodzaak ook bespreken met de HR-directeuren van de universiteiten. Het is
daarbij belangrijk om te benoemen dat het de verantwoordelijkheid van hoogleraren
is om transparant te communiceren over hun nevenfuncties. De Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024 geeft aan dat hoogleraren (1) transparant moeten zijn over hun nevenfuncties en (2)
hun betaalde nevenfuncties en daarnaast ook onbetaalde nevenfuncties waarbij mogelijk
sprake is van belangenverstrengeling moeten melden bij hun universiteit. Bij (vermeende)
schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties,
is het aan de instellingen (werkgever) om de wetenschapper (werknemer) hierop aan
te spreken op basis van artikel 1.14 van de cao Nederlandse Universiteiten en indien
nodig passende maatregelen te nemen.
Tot slot verwacht ik in de eerste helft van 2026 de vernieuwde Nederlandse Gedragscode
Wetenschappelijke Integriteit (NGWI). Mijn voorganger heeft de schrijfcommissie verzocht
bij de herziening in het bijzonder aandacht te besteden aan de principes transparantie
en onafhankelijkheid en het register nevenfuncties in de vernieuwde NGWI te vermelden.
Op basis van de internetconsultatie heb ik geconstateerd dat de schrijfcommissie het
voornemen heeft om in de vernieuwde NGWI aandacht te besteden aan deze principes en
de registratie van nevenfuncties van hoogleraren
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
G. Moes
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap