Brief regering : Voortgang Leven Lang Ontwikkelen
30 012 Leven Lang Leren
Nr. 161
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID, VAN ECONOMISCHE ZAKEN
EN VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS,
CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2026
Leven Lang Ontwikkelen (LLO) draagt bij aan maatschappelijke vraagstukken. Het versterkt
bestaanszekerheid, vergemakkelijkt het aanpakken van arbeidstekorten en bevordert
duurzame economische groei.1 Daarmee is LLO een noodzaak voor ons verdienvermogen. Iedereen in onze samenleving
moet de mogelijkheid krijgen om zich te blijven ontwikkelen. Zodat ieder naar vermogen
kan bijdragen en voldoen aan de veranderende eisen van de arbeidsmarkt en de samenleving.
Deze brief bevat een overzicht van het kabinetsbeleid voor een leven lang ontwikkelen
en gaat kort in op vervolgstappen.2 In de brief en bijlage met een toelichting op de beleidsinstrumenten is een aantal
toezeggingen en moties afgedaan.3 Met deze brief wordt ook de externe verkenning4 naar uitbreiding van de wettelijke taak van de publieke onderwijsinstellingen met
LLO gepubliceerd, inclusief een deelverkenning (met internationale vergelijking) naar
een publieke taak basisvaardigheden voor het mbo. Het kabinet geeft in het voorjaar
van 2026 een reactie op beide verkenningen.
1. LLO is belangrijk voor individu, bedrijf en samenleving
Nederland is een van de meest welvarende landen van de wereld door onze uitstekende
kenniseconomie. Tegelijkertijd staat onze kenniseconomie en ons verdienvermogen onder
druk door een te laag concurrentievermogen, te veel regelgeving en een niet goed werkende
interne markt. Daarnaast ook door wereldwijde ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het
gebied van klimaat en verschuivende internationale verhoudingen. Ook veranderen taken
in vrijwel alle banen door snelle technologische veranderingen zoals artificiële intelligentie
en digitalisering.5
Daarbij hebben we te maken met een krimpende beroepsbevolking door een dubbele vergrijzing
en een laag geboortecijfer.6 Dat leidt tot een krappe arbeidsmarkt, waardoor bedrijven niet optimaal kunnen produceren.
LLO biedt oplossingen om mensen, bedrijven en de samenleving te versterken.
LLO vergroot wendbaarheid en weerbaarheid
Mensen die zich blijven ontwikkelen blijken wendbaarder en weerbaarder bij veranderingen
die zij ervaren. Ze zijn beter in staat zich aan te passen aan de veranderende vraag
op de arbeidsmarkt. Door nieuwe kennis en andere vaardigheden te leren, kunnen ze
vaker hun baan behouden, daarin doorgroeien of ander werk vinden. Dat heeft een positieve
invloed op hun eigenwaarde, op hun waarde voor de arbeidsmarkt en op de samenleving
als geheel.
LLO versterkt innovatievermogen en productiviteit van het bedrijfsleven
Bedrijven profiteren van een bedrijfscultuur waarin leren van en met elkaar normaal
is. Mensen die nieuwe vaardigheden ontwikkelen werken beter en efficiënter. Daarmee
helpen ze bedrijven innoveren, slimmer produceren en nieuwe producten of diensten
ontwikkelen. LLO stimuleert het aanpassingsvermogen van bedrijven aan nieuwe technologieën
en marktveranderingen. Dit leidt tot een hogere productiviteit.
2. LLO in Nederland op dit moment
Het gemiddelde opleidingsniveau van de beroepsbevolking is hoog. Het aantal mensen
dat deelneemt aan scholing is een van de hoogste van Europa. Het aantal mensen dat
leert op en van het werk nam de afgelopen jaren toe.7 Daarbij investeren werkgevers en werkenden voor een belangrijk deel zelf in leren
en ontwikkelen, is het huidige arbeidsaanbod van hoge kwaliteit en is de werkloosheid
relatief laag.8 Maar we zien ook dat niet iedereen aan scholing deelneemt en dat de leermogelijkheden
weinig toenemen. Daarbij hebben ongeveer 3 miljoen volwassenen tussen de 16 en 75
jaar moeite met basisvaardigheden, zoals taal- en rekenvaardigheid en probleemoplossend
vermogen. Daarbij geeft een relatief grote groep werkenden in Nederland aan dat ze
niet over de (digitale) vaardigheden beschikken die nodig zijn voor hun baan.9
De deelname aan LLO is scheef verdeeld
De deelname aan LLO verschilt sterk tussen groepen mensen. De deelname is het hoogst
onder jonge mensen met een hbo- of wo-diploma die bij een grote organisatie werken.
Het opleidingsniveau is daarbij de sterkste voorspeller. Mensen die op jonge leeftijd
geen diploma hebben behaald, of een lage (formele) opleiding hebben afgerond nemen
samen met 55-plussers het minst deel aan LLO.10
Er is ook een groot verschil tussen werkenden en niet-werkenden. Ruim de helft van
de werkenden volgde cursussen in de periode 2004–2024. Onder niet-werkenden is dit
ongeveer twee op de tien. Mensen die het meeste baat hebben bij scholing, participeren
het minst. Tegelijkertijd is het bevorderen van deelname door alle mensen noodzakelijk
voor de uitdagingen op de arbeidsmarkt en de grote transities waar Nederland voor
staat.
Deelname aan leermogelijkheden neemt weinig toe
De scholingsdeelname in Nederland is vooral kortdurend en gericht op de uitoefening
van de huidige functie Scholing gericht op een overstap naar ander soort werk of een
andere sector komt veel minder voor. De deelname van volwassenen aan formeel onderwijs
(gericht op behalen diploma of door de overheid erkend certificaat) blijft achter.
Ook zien we de afgelopen jaren geen stijging in informeel leren. Terwijl informeel
leren een groot deel uit maakt van het leren van volwassenen.11
De komende jaren zal een hogere deelname aan LLO noodzakelijk zijn om de economie
en samenleving sterk en veerkrachtig te houden. Het is daarom van belang dat we de
leercultuur versterken en de vraag naar LLO stimuleren onder alle werkenden, werkzoekenden
en werkgevers.
3. Oorzaken achterblijven LLO
Werkgever investeert vooral binnen de arbeidsrelatie
Werkgevers hebben een wettelijke scholingsplicht om ervoor te zorgen dat werknemers
de noodzakelijke scholing volgen voor het uitoefenen van hun functie. Dat verklaart
de hoge deelname aan kortdurende functiegerichte scholing en het feit dat vier op
de vijf cursussen volledig door werkgevers is gefinancierd.12
Door te investeren in de ontwikkeling van werknemers kunnen werkgevers werknemers
langer aan zich binden en de productiviteit van hun werknemers verhogen. Werkgevers
zijn daarbij vooral gericht op (behoud van) de bestaande arbeidsrelatie. Dat betekent
dat scholing minder bereikbaar is voor mensen zonder vast contract en dat omscholing
naar een andere sector niet gemakkelijk van de grond komt.
Veel collectieve afspraken, geen collectief bereik
Verreweg de meeste van de ongeveer 6 miljoen werkenden kunnen via hun cao investeren
in hun eigen ontwikkeling via LLO-diensten. Op veel terreinen worden collectieve afspraken
gemaakt over scholing en ontwikkeling. Sectorfondsen faciliteren dit. Gemiddeld besteden
sectorfondsen jaarlijks € 200 tot € 300 miljoen aan LLO-activiteiten.13 Daarbij zijn er grote verschillen tussen sectorfondsen. Afspraken over scholing en
ontwikkeling komen niet in alle sectoren en niet voor alle beroepsgroepen even goed
van de grond. De sectorfondsen die scholing financieren doen dit voornamelijk voor
korte trainingen en cursussen.
Omscholing wordt beperkt gefaciliteerd
De meeste activiteiten van sectorfondsen zijn gericht op het aantrekken van nieuwe
medewerkers en/of het verder ontwikkelen van medewerkers die al actief zijn in de
sector. Scholing gericht op omscholing naar andere sectoren is slechts beperkt beschikbaar.
Dit leidt tot ongelijke toegang tot ontwikkelmogelijkheden en belemmert de wendbaarheid
en weerbaarheid van de beroepsbevolking.
Minder LLO in het mkb
Leren en ontwikkelen is in het mkb minder vanzelfsprekend dan bij grotere bedrijven,
terwijl juist het mkb als de ruggengraat van de economie hier baat bij heeft. Vaak
hebben werkgevers in het mkb gebrek aan tijd, capaciteit, kennis of geld, om zich
te richten op de toekomstbestendigheid van de onderneming en het op peil houden van
de kennis en vaardigheden van hun werknemers. Dit wordt versterkt door de huidige
krapte op de arbeidsmarkt.
Individuele belemmeringen voor LLO
We zien dat mensen op individueel niveau drempels of belemmeringen ervaren bij LLO:14
• Financiële drempels. De kosten van cursussen, trainingen en opleidingen zijn voor
het individu vaak hoog. Bovendien kunnen mensen door scholing soms tijdelijk minder
werken, verdienen ze daardoor minder en haken dan af.
• Tijdgebrek. Een drukke baan of zorgtaken naast het werk maken dat er onvoldoende tijd
over is om te leren buiten het werk.
• Gebrek aan overzicht. Mensen weten niet altijd waar ze moeten beginnen of welke keuzes
er zijn. Daardoor starten ze veelal niet met leren.
• Gebrek aan motivatie door combinatie van factoren, zoals gebrek aan ondersteuning
vanuit de directe omgeving, negatieve ervaringen met leren, of weinig zelfvertrouwen.
Passend opleidingsaanbod ontbreekt
Het opleidingsaanbod voor volwassenen sluit op dit moment onvoldoende aan op de vraag
van de veranderende (regionale) arbeidsmarkt. Dit geldt zeker voor omscholing. Met
name langere scholingstrajecten zijn vaak onvoldoende flexibel, sluiten onvoldoende
aan op iemands werk- en leerervaring en op de behoefte van het bedrijfsleven. Dit
is vooral problematisch voor mensen die extra ondersteuning nodig hebben vanwege een
taalachterstand of die geen formele diploma’s en certificaten hebben. Scholing is
vaak niet toegankelijk buiten reguliere werktijden en heeft te weinig startmomenten,
waardoor kansen op ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid onbenut blijven.
Regelingen zijn tijdelijk, versnipperd en onvoldoende samenhangend
De afgelopen jaren is op verschillende manieren beleid gevoerd om LLO te stimuleren.
Dit was vanuit de rijksoverheid vooral met tijdelijke subsidies vanuit verschillende
departementen. Deze kortlopende subsidies hebben niet tot blijvende veranderingen
geleid.
Ook andere overheden op Europees, landelijk, provinciaal, sectoraal of regionaal niveau
werkten veelal met tijdelijke regelingen, vaak voor specifieke doelgroepen. Bezien
vanuit het perspectief van mensen en organisaties die gebruik willen maken van de
regelingen kan het lastig zijn de weg te vinden in dit versnipperde en steeds veranderende
aanbod. Werkgevers, werkenden, niet-werkenden en opleiders hebben behoefte aan voorspelbaarheid
en duidelijkheid in beleid, zodat wet- en regelgeving risico’s voor alle partijen
afnemen en investeringen toenemen.
4. Doelen en instrumenten LLO-beleid
De inzet van het kabinet op LLO is aanvullend op de inzet en verantwoordelijkheid
van sociale partners, sectoren, publieke partijen, opleiders en mensen zelf. Het beleid
is gericht op het ondersteunen en toegankelijker maken van LLO voor alle belanghebbenden.
Daarnaast investeren de meeste vakdepartementen in de scholing van hun «eigen» beroepsgroepen.
Om de productiviteit in Nederland te versterken nemen we tot slot maatregelen die
aantoonbaar bijdragen aan het verhogen van de arbeidsproductiviteit, waaronder acties
gericht op LLO.15
Het beleid voor LLO is een gedeelde verantwoordelijkheid van de Ministeries van SZW,
OCW en EZ. We werken samen aan een toekomstbestendige arbeidsmarkt waarin leren en
ontwikkelen vanzelfsprekend is voor onze beroepsbevolking. Onze LLO-aanpak heeft drie
doelen:
1) Meer mensen volgen scholing.
2) Meer bedrijven en organisaties investeren in informeel leren en een sterke leercultuur.
3) Leren en ontwikkelen sluit beter aan op de behoeften van het bedrijfsleven en de regio.
Hierna volgt per doel een beknopt overzicht van de instrumenten die we daarvoor inzetten.
In bijlage 1 is een nadere toelichting opgenomen bij de inzet via deze instrumenten.
Meer mensen volgen scholing
We willen de deelname aan scholing onder volwassenen omhoog brengen. Vooral de deelname
aan praktijkgerichte scholing die nodig is voor maatschappelijke opgaven als de energietransitie
en die krapte in maatschappelijk cruciale sectoren tegengaat. Ook willen we mensen
scholen die daar het meeste baat bij hebben en in wie nu minder wordt geïnvesteerd.
Zo helpen we mensen om hun talenten in te zetten en zich voor te bereiden op toekomstige
banen.
Wat we doen staat samengevat in onderstaand overzicht:
Doel: meer mensen volgen scholing1
Subdoelen
Instrumenten
Geld en tijdpad
a) Financieel mogelijk maken van scholing met een (gedeeltelijke) subsidie of met
een lening.
– SLIM scholingssubsidie binnen de SLIM mkb-regeling (SZW), gekoppeld aan de Ontwikkelpaden
van maatschappelijk cruciale sectoren»
€ 73,8 mln. over periode 2025/2027
– Ondersteuning (OCW en SZW) bij inrichten en implementeren van sectorale Ontwikkelpaden.
Nationale Aanpak Professionalisering Leraren
Incidentele subsidies o.b.v. kaderregeling.
± € 100.000 per Ontwikkelpad in 2024–2026
Incidentele subsidies o.b.v. subsidieregeling co-creatielabs en subsidieregeling voor
een tegemoetkoming in de kosten voor de deelname van leraren aan professionaliseringstrajecten
b) Inrichten van sectorale Ontwikkelpaden om instroom, doorstroom en overstappen te
vergemakkelijken en mensen te helpen een (nieuwe) baan te vinden
– Ondersteuning (OCW en SZW) bij inrichten en implementeren van sectorale Ontwikkelpaden.
– Nationale Aanpak Professionalisering Leraren
Incidentele subsidies o.b.v. kaderregeling.
± € 100.000 per Ontwikkelpad in 2024–2026
Incidentele subsidies o.b.v. subsidieregeling co-creatielabs en subsidieregeling voor
een tegemoetkoming in de kosten voor de deelname van leraren aan professionaliseringstrajecten
c) Aanbod aan scholing en financieringsmogelijkheden transparant maken voor mensen
– Onderwijsagenda LLO: Leeroverzicht, met specifieke aandacht voor praktijkgerichte
scholing uit Ontwikkelpaden.
– Regionale scholingsfondsen verbinden aan de arbeidsmarktinfrastructuur zodat financiële
instrumenten beter worden gevonden en besteed.
€ 44,7 mln. over 2022/2025
d) Meer mogelijkheden bieden voor het volgen van opleidingen in mbo, hbo en wo of
delen daarvan
– Onderwijsagenda LLO: Verkenning wettelijke opdracht LLO voor mbo, hbo en wo
€ 0,5 mln. voor verkenning in 2025
– Onderwijsagenda LLO: Wet NLQF en Wet leeruitkomsten.
– NGF-project LLO-katalysator: bouwsteen 3: stimuleren LLO aanbod bij kennisinstellingen
€ 64 mln2. 2023/2026
e) Arbeidsmarktinfrastructuur hervormen met onderwijspartijen als nieuwe partner +
betere verankering verkennen in wet- en regelgeving van de inzet op scholing door
gemeenten en UWV
– Wet- en regelgeving aanpassen
– Werkcentra openen in alle arbeidsmarktregio’s voor laagdrempelig advies over werk
en scholing
– Verkenning harmonisering wet- en regelgeving scholing door gemeenten en UWV
2026: Werkcentra in alle arbeidsmarktregio’s
2027: wetgeving in werking
f) Verkennen publiek-private infrastructuur voor persoonlijke leer- en ontwikkelbudgetten.
Gericht op duurzaam en toegankelijk financieel systeem voor leven lang ontwikkelen.
– Verkennen mogelijkheden in invullingen voor een leerrekening.
– Bijzondere aandacht voor flankerend beleid gericht op ondersteuning voor mensen
die zich niet snel laten scholen.
€ 0,1 mln. voor onderzoek in 2026. Oplevering uiterlijk december ’26.
X Noot
1
De instrumenten en bijbehorende bedragen in dit overzicht zijn terug te vinden in
de respectievelijke begrotingen van de drie departementen
X Noot
2
Deze middelen zijn onderdeel van het totaal aan € 392 mln. voor het gehele programma
waarvan tot dusver € 167 mln. is toegekend voor tranche 1 en € 225 mln. is voorwaardelijk
toegekend voor de periode 2026–2030.
Meer bedrijven investeren in informeel leren en leercultuur
We willen stimuleren dat leren en ontwikkelen voor iedereen binnen bereik komt en
er een sterke leercultuur ontstaat in bedrijven en organisaties. Wat we doen:
Doel: informeel leren en leercultuur stimuleren
Subdoelen:
Instrumenten
Geld en tijdpad
a) MKB en werkenden in het mkb laten zien dat leren en ontwikkelen loont
– Programma Leercultuur (SZW)
2024/2027
– Onderwijsagenda LLO:
– Nationaal Groeifonds LLO-Katalysator (bouwsteen 4 leercultuur)
€ 64 mln.1 over periode 2023/2030.
b) MKB stimuleren om meer te doen voor leren en ontwikkelen in hun organisaties
– SLIM mkb-regeling (SZW)
€ 40 mln. per jaar over 2025/2029
c) Verbeteren aansluiting informeel leren op (maatwerk in) scholing
Onderwijsagenda LLO (OCW) onderdelen:
– Vereenvoudiging deelname onderdelen formeel onderwijs mbo, hbo en wo
– Bevorderen maatwerk in scholingstrajecten voor mensen met relevante werkervaring
Continu
d) Kennis vergroten over de werkzaamheid van acties om mensen te stimuleren tot leren
en ontwikkelen
– Meerjarig Investeringsprogramma Duurzame Inzetbaarheid en LLO (MIP) (SZW)
– Waaronder Expeditie-regeling (SZW) € 9 mln. per jaar
€ 11 mln.
X Noot
1
Deze middelen zijn onderdeel van het totaal aan € 392 mln. voor het gehele programma
waarvan tot dusver € 167 mln. is toegekend voor tranche 1 en € 225 mln. is voorwaardelijk
toegekend.
Beter aansluiten op behoeften aan opleidingsaanbod bij bedrijfsleven en regio
We zetten erop in dat het opleidingsaanbod van publieke en private opleiders beter
gaat inspelen op de behoeften aan opleidingsaanbod bij mensen en bedrijfsleven. Hoe
we dit doen staat in het volgende overzicht.
Doel: met opleidingsaanbod aansluiten op behoeften bedrijfsleven en regio
Subdoelen:
Instrumenten
Geld en tijdpad
a) Publieke onderwijs regionaal beter laten aansluiten op de behoeften aan bij- en
omscholing van het bedrijfsleven, de werkenden en werkzoekenden
Onderwijsagenda LLO:
– Hybride docenten,
€ 4 mln. voor pilot hybride docenten
– Goede aansluiting onderwijs op hervorming arbeidsmarktinfrastructuur
N.v.t.
– Onderwijsagenda LLO:
– NGF-project LLO-katalysator: versterking regionale hubs en bedrijfsvakscholen.1
€ 10 mln. 2025/2026
NGF-project LLO-katalysator: bouwsteen 2 publiek-private samenwerking op LLO aanbod
voor de energie en grondstoffentransitie
€ 39 mln. 2023/2026
b) Skillstaal maken en skillsgerichte arbeidsmarkt stimuleren
– NGF-project: Vaardig met vaardigheden/CompetentNL
€ 25 mln. over 2022/2025
c) Publiek-private samenwerking in de regio in techniek en ICT versterken en daarmee
vraag en aanbod beter op elkaar aan laten sluiten
– NGF-project: Opschaling publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs
€ 210 mln.2 over periode 2023/2030.
X Noot
1
Deze middelen zijn onderdeel van het totaal aan € 392 mln. voor het gehele programma
waarvan tot dusver € 167 mln. is toegekend voor tranche 1 en € 225 mln. is voorwaardelijk
toegekend voor de periode 2026–2030.
X Noot
2
Hiervan is € 152,6 mln. toegekend en € 57,4 mln. voorwaardelijk toegekend.
5. Afsluiting en vervolgstappen
Het kabinet zet met het LLO-beleid in op het stimuleren van de deelname aan LLO. Met
daarbij in het bijzonder aandacht voor mensen die nu nog te weinig deelnemen. Tegelijkertijd
is LLO complex en veelomvattend. LLO vraagt om een gedragsverandering. Mede daardoor
is het lastig om snel vooruitgang te boeken.
Zo bereiken we nog niet iedereen. Voor mensen in een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt
is het extra belangrijk dat leren laagdrempelig, begrijpelijk en goed bereikbaar is.
Denk aan werkenden zonder startkwalificatie en mensen met weinig basisvaardigheden.
Private partijen ontplooien veel initiatieven, maar bereiken niet iedereen.
Ook gemeenten en UWV hebben hier een verantwoordelijkheid. Zo kunnen hardnekkige achterstanden
ontstaan bij de mensen die slecht toegang hebben tot leren en ontwikkelen.
Dit kabinet wil de deelname aan en de toegang tot leren en ontwikkelen verbeteren.
Vanuit haar overkoepelende positie probeert de overheid alle betrokkenen te bewegen
tot een meer structurele aanpak. Zodat leren en ontwikkelen voor iedereen vanzelfsprekend
wordt én dat iedereen toegang krijgt tot leer- en ontwikkelingsmogelijkheden. Kortom
een gezamenlijke, duurzame, inzet op LLO, die consistent en voorspelbaar is, en die
gebruik maakt van een robuuste infrastructuur voor LLO.16
Met middelen uit het Nationaal Groeifonds werken we aan de inrichting en het verbeteren
van een publieke infrastructuur voor LLO, waaronder: Leeroverzicht en CompetentNL.
Met Leeroverzicht wordt informatie over welke skills kunnen worden opgedaan en welk
potentieel daarvoor is in de arbeidsmarkt via modules inzichtelijk gemaakt. CompetentNL
is de Nederlandse standaard voor het beschrijven van skills, beschikbaar als open
data voor ontwikkelaars van toepassingen zoals een skillspaspoort. We werken ook aan
een betere publiek-private samenwerking tussen onderwijs en arbeidsmarktpartijen via
projecten als het Opschalen Publiek-Private-Samenwerking en de LLO Katalysator.
Ook dit doen we met tijdelijke NGF-middelen, met als doel om deze verbeteringen aan
de publieke infrastructuur voor LLO te bestendigen en in te bedden in het breder economisch-
en arbeidsmarktbeleid.
Het kabinet is gestart met een ambtelijke verkenning naar de mogelijkheden van een
persoonlijke leerrekening. De leerrekening sluit aan bij de gedeelde verantwoordelijkheid
van mensen zelf, werkgever en de overheid. De leerrekening maakt financiële mogelijkheden
inzichtelijk, en draagt bij aan het creëren van overzicht. Juist deze brede inzetbaarheid
en eigenaarschap maken een persoonlijke leerrekening tot een belangrijke bouwsteen
in het LLO-beleid. Hiervoor zijn geen (aanvullende) middelen beschikbaar. Daarbij
komen bij het vormgeven van een leerrekening veel (technische) keuzes kijken, wat
het complex maakt om op korte termijn te realiseren. Het is hierom belangrijk om snel
en grondig aan de slag te gaan met de resultaten van de verkenning.
Ook heeft het kabinet onderzoek laten doen naar uitbreiding van de wettelijke taak
op LLO voor publieke onderwijsinstellingen. Het onderzoek toont hoe de publieke infrastructuur
beter kan worden ingericht voor bij- en omscholing. Zodat het onderwijs beter aansluit
op de veranderende arbeidsmarkt, en de vraag van bedrijven, werkenden en werkzoekenden.
Parallel hieraan is een deelverkenning uitgevoerd naar de rol van publieke mbo-instellingen
in de bijscholing van groepen met minder basisvaardigheden. Het kabinet geeft in het
voorjaar van 2026 een reactie op beide verkenningen. De verkenningen zijn bijgevoegd
bij deze brief.
Het kabinet sluit met deze activiteiten aan op de hervorming van de regionale arbeidsmarktinfrastructuur.
Daarnaast stimuleren we een betere aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt
met behulp van de publiek-private regionale samenwerking, de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt,
de bundeling van publieke en private financieringsstromen, de inzet op sectorale Ontwikkelpaden
en skillsgerichte werving. Via de Regionale Werkcentra komt op regionaal niveau scholingsadvies
beschikbaar voor werkzoekenden, werkenden en werkgevers. Zo blijven we gezamenlijk
werken aan een leven lang ontwikkelen.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M.L.J. Paul
De Minister van Economische Zaken, V.P.G. Karremans
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken