Brief regering : Tussenstand verkenning toekomstbestendige profielenstructuur beroepsgericht vmbo
30 079 VMBO
Nr. 125
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2025
Een toekomstbestendig vmbo dat beter meebeweegt met de continu veranderende arbeidsmarkt
is van cruciaal belang voor uitdagingen die op onze huidige samenleving en opgroeiende
generaties afkomen. Leerlingen op het vmbo moeten daarom een goede basis van hoge
kwaliteit meekrijgen, voldoende uitdaging om zich te ontwikkelen en ruimte om zichzelf
en de wereld om hen heen beter te begrijpen. Zo zijn ze goed voorbereid op hun volgende
stappen – in onderwijs en werk, maar ook op het leven als geheel. En worden hun talenten
en vaardigheden optimaal ingezet. Een toekomstbestendig vmbo is dus ook een investering
in de toekomst van Nederland.
Momenteel wordt al op meerdere manieren gewerkt aan het versterken van het vmbo.1 Toch is dit nog niet voldoende om het vmbo toekomstbestendig te maken. Dit blijkt
uit een tussenstand van de verkenning van de beroepsgerichte profielen in het vmbo,
die in 2024 gestart is, die ik hierbij conform mijn toezegging aan uw Kamer aan wil
bieden. Ook zend ik uw Kamer hierbij de verkenning naar nut en noodzaak van een vijfjarig
vmbo. Ik deel eerst mijn belangrijkste conclusies naar aanleiding van beide verkenningen,
die ik als bijlagen bij deze brief met u deel.
1. Eerste uitkomsten van de verkenning beroepsgerichte profielen
Leerlingen komen met maar weinig beroepsgerichte profielen in aanmerking op het vmbo,
zo laten ook de eerste uitkomsten van de verkenning zien. Twee derde van de scholen
biedt namelijk slechts maximaal drie (van in totaal tien) profielen aan. Er is bovendien
geen sprake van een regionaal dekkend aanbod: soms wordt een profiel in een hele provincie
niet aangeboden.2
Het beroepsgerichte vmbo kent tien profielen in de bovenbouw (leerjaar 3 en 4) van
de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg:
• Economie & ondernemen
• Bouwen, wonen & interieur
• Produceren, installeren & energie
• Horeca, bakkerij & recreatie
• Mobiliteit & transport
• Zorg en welzijn
• Media, vormgeving & ICT
• Groen
• Maritiem & techniek
• Dienstverlening & producten
Het is bekend dat leerlingen een vmbo-school over het algemeen kiezen op basis van
nabijheid of het aantal klasgenoten dat ook naar deze school gaat.3 Eenmaal op die school aangekomen, is de leerling aangewezen op het beperkte profielenaanbod
dat daar is. Dit bepaalt voor een groot deel de oriëntatiemogelijkheden voor de leerling,
want de vier modules die het profielvak vormen, staan vast.4 De beroepsgerichte keuzevakken bieden in theorie meer opties voor verbreding, maar
het verschilt sterk per school hoeveel en welke keuzevakken worden aangeboden. Nu
we goed zicht hebben op het feit dat op liefst twee derde van de scholen maximaal
drie profielen worden aangeboden, is het duidelijk dat hiermee de brede ontwikkeling
van de leerling onder druk komt te staan en veel leerlingen onbedoeld niet in aanraking
komen met profielen die wel essentieel kunnen zijn voor hun eigen ontwikkeling of
voor de arbeidsmarkt en samenleving.
Deze situatie is het gevolg van verschillende factoren. Betaalbaarheid en organiseerbaarheid
zijn, naast de visie van de school, steeds meer leidend geworden voor het profielenaanbod
op scholen. Voor veel scholen is het simpelweg te duur om een breed aanbod van profielen
aan te bieden. Profielen die duurder zijn om aan te bieden of minder leerlingen trekken,
zijn voor scholen moeilijk in stand te houden. Dit wordt versterkt door de al langer
lopende trend van leerlingendaling in het voortgezet onderwijs: de aantallen zullen
de komende vijftien jaar verder teruglopen. Het beroepsgerichte onderwijsaanbod verschraalt.
Het wordt voor vmbo-scholen steeds lastiger om aan te sluiten op het mbo en de continu veranderende arbeidsmarkt.
Steeds vaker moeten vmbo-scholen leerlingen uit verschillende leerwegen en/of leerjaren
samenvoegen, om nog tot een fatsoenlijke groep te komen.
Omdat structurele aanpassing van de profielenstructuur veel tijd kost maar de bestaande
structuur ondertussen steeds meer knelt, wordt momenteel al aan een beperkt aantal
vmbo-scholen en binnen aangegeven kaders ruimte geboden voor een meer flexibele opbouw
van het beroepsgerichte programma.5 Een dergelijke modulaire opzet biedt scholen meer organisatorische en inhoudelijke
ruimte, kan leerlingen nadrukkelijker motiveren om keuzes te maken, en biedt de mogelijkheid
het onderwijsaanbod meer te laten aansluiten bij de regionale arbeidsmarkt. De eerste
tussentijdse bevindingen laten zien dat scholen tevreden zijn over de grote flexibiliteit
en ruimte om het onderwijsprogramma naar eigen inzicht in te vullen en dat leerlingen
gemotiveerder zijn. Naast deze ontwikkeling worden mogelijkheden onderzocht voor flexibiliteit
in afnamemoment en inhoud van het centraal praktisch en schriftelijk examen (cspe).
Structurele aanpassingen zijn nodig, maar brengen dilemma’s mee
De tussenstand van de verkenning bevestigt de urgentie en noodzaak tot vernieuwing
van het vmbo. De doelstelling daarbij is dat de schoolkeuze voor een leerling in groep
8 niet bepalend mag zijn voor diens oriëntatiemogelijkheden op het vmbo. Als het vmbo
een brede basis moet bieden, dan kan de schoolkeuze geen voorgesorteerde keuze zijn
voor een bepaald profiel. Leerlingen moeten de ruimte krijgen om breed te oriënteren
en naar keuze te verdiepen. Na het vmbo kunnen zij immers ook nog alle kanten op:
binnen het mbo mogen zij elke opleiding kiezen, ongeacht het profiel dat zij hebben
gevolgd. Voor een weloverwogen keuze voor een vervolgopleiding moeten leerlingen wel
de mogelijkheid hebben gehad om met de sector van hun keuze in aanraking te komen.
In essentie lijken op basis van deze tussenstand de volgende richtingen noodzakelijk
om verder uit te werken:
1. Er is een nieuwe inhoudelijke basis met bijpassende (profielen)structuur nodig voor
het beroepsgerichte curriculum. Het doel daarbij is dat de leerling de kans krijgt
om met een breed scala aan beroepsbeelden in aanraking te komen, ongeacht de schoolkeuze.
Leerlingen krijgen de kans om breed te oriënteren én indien gewenst te specialiseren.
Leerlingen worden goed voorbereid op hun volgende stap, veelal op het mbo. Om de aansluiting
met mbo en arbeidsmarkt goed te houden, moet het curriculum bovendien cyclisch worden
geanalyseerd en geactualiseerd.
2. Daarnaast zal meer regionale samenwerking nodig zijn om een goede oriëntatie voor
elke leerling te bieden én de aansluiting met mbo en arbeidsmarkt te verbeteren. We
zien dat het niet van individuele scholen gevraagd kan worden om alles zelf aan te
bieden. Dat is onhaalbaar, maar ook niet de taak van het vmbo. Wél kan worden gekeken
naar vormen van samenwerking tussen scholen én met mbo en arbeidsmarkt, om deze ruimte
te vullen.
De verkenning maakt duidelijk dat de komende jaren moet worden gewerkt aan vernieuwing
van het beroepsgerichte programma, qua inhoud en structuur. Ik vind het van groot
belang om uw Kamer hierin mee te nemen. Tegelijkertijd brengt dit dilemma’s met zich
mee. De grootste uitdaging voor de vernieuwing is om het beroepsgerichte onderwijs
thuisnabij, organiseerbaar, betaalbaar en arbeidsmarktrelevant te houden.
Toewerken naar aanpassingen vanaf 2030
Om ervoor te zorgen dat in 2030 de benodigde aanpassingen gedaan kunnen worden, moeten
we nu stappen gaan zetten. In de eerstvolgende fase (2026–2030) wordt daarom met ketenpartners,
veldorganisaties en scholen gewerkt aan bovengenoemde vraagstukken over inhoudelijke
aanpassingen in het curriculum en meer regionale samenwerking, zodat na 2030 kan worden
gestart met het beproeven van nieuwe programma’s en cyclisch onderhoud daarvan.
Buiten de verkenning, die zich richt op de beroepsgerichte profielen, wordt ook gewerkt
aan andere randvoorwaarden voor een toekomstbestendig vmbo, zoals een passend bevoegdhedensysteem
dat meebeweegt met het curriculum en een verdere versteviging en verbreding van de
resultaten die Sterk Techniekonderwijs hebben opgeleverd voor regionale samenwerking.
2. Vijfjarig vmbo
Op verzoek van de Tweede Kamer heeft ook nadere uitwerking plaatsgevonden van een
vijfjarig vmbo, in diverse varianten. De conclusie (zie bijlage 2) is dat er onvoldoende
wetenschappelijk bewijs is voor de invoering van een extra jaar als generieke maatregel.
Bovendien brengt een vijfjarig vmbo als generieke maatregel zeer hoge kosten met zich
mee (850 tot 900 miljoen euro) waarvoor geen dekking op de OCW-begroting is, en grote
uitdagingen qua uitvoerbaarheid.
Er is bovendien nu al heel veel maatwerk mogelijk voor leerlingen die dit nodig hebben.
Wél zijn er zorgen over de signalen die scholen afgeven over een groeiende groep leerlingen
in met name de basisberoepsgerichte leerweg in vooral stedelijke regio’s die door
sociaaleconomische en maatschappelijke problemen niet in staat zijn om aan leren toe
te komen. Verder onderzoek is nodig om te kunnen bepalen of voor deze leerlingen aanvullende
maatregelen zoals een verlengd vmbo mogelijk gemaakt moeten worden.
Tot slot
In de komende jaren maken we, samen met uw Kamer, keuzes voor een toekomstbestendig
vmbo. Vernieuwing van de beroepsgerichte profielen is essentieel om leerlingen goed
voorbereid naar vervolgonderwijs en de continu veranderende arbeidsmarkt te leiden.
Een toekomstbestendig vmbo dat beter meebeweegt met de continu veranderende arbeidsmarkt
is goed voor leerlingen én een investering in de toekomst van Nederland. Daarom wordt
ook blijvend inzet gepleegd op verbetering van basisvaardigheden, het belang van techniekonderwijs
en waardering van praktijkgericht onderwijs. Over de vernieuwing van de beroepsgerichte
profielen wordt de Kamer uiterlijk eind 2028 geïnformeerd met nieuwe bevindingen en
de vervolgstappen die na 2030 worden gezet.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
K.M. Becking
BIJLAGE 1 TUSSENSTAND VERKENNING BEROEPSGERICHT VMBO
Het beroepsgerichte vmbo6 is een onderwijssoort waarin praktijkgericht onderwijs van oudsher een grote rol
speelt. Juist door die sterke praktijkgerichte context moet het vmbo continu inspelen
op veranderingen.
De laatste grote verandering in het beroepsgericht vmbo vond plaats met de introductie
van de profielen in 2016. Deze vernieuwing heeft een goede basis gelegd voor flexibiliteit,
profilering en samenwerking in de beroepskolom, maar verdere doorontwikkeling is nodig
voor een toekomstbestendig vmbo. Het doel van de vernieuwing was om scholen meer flexibiliteit
te geven, om leerlingen daarmee de mogelijkheid tot zowel verdiepen als verbreden
te bieden; om tot een regionale afstemming te komen van het profielenaanbod; en om
het vmbo op deze manier organiseerbaar te maken. Nu blijkt echter dat dit nog steeds
uitdagingen zijn.7
Daarom is in 2024 een ambtelijke verkenning gestart naar de toekomst van de beroepsgerichte
profielen. In deze verkenning wordt ingegaan op de volgende vijf zaken:
○ Uitdagingen in het beroepsgerichte vmbo die aanpassing nodig maken
○ Inhoudelijke aanpassingen in het beroepsgerichte programma
○ Het belang van meer samenwerking tussen scholen voor brede oriëntatie
○ Ruimte voor scholen binnen de huidige kaders
○ Het vervolgproces
1. Uitdagingen beroepsgericht vmbo: aanbod, leerlingendaling en doorstroom
De doelstelling van het voortgezet onderwijs is om ieder kind te laten ontdekken waar
diens talenten liggen, door dit te ervaren en zich erin te verdiepen. Op het vmbo
gebeurt dit, naast de avo-vakken, met beroeps- en praktijkgerichte contexten. Voor
leerlingen is het belangrijk dat zij zo breed mogelijk de kans hebben te proeven aan
deze contexten. Hiervoor wordt de term brede oriëntatie gebruikt. Met een brede oriëntatie
is een leerling goed voorbereid om een keuze te maken voor het vervolg, op het mbo
of op de havo.
Grote verschillen in aanbod en oriëntatie op vmbo-scholen
Een van de verwachtingen rond de vernieuwing van 2016 was dat het onderwijs beter
organiseerbaar zou worden. Scholen hoefden namelijk minder programma’s aan te bieden
die heel smal waren en ze zouden hun aanbod regionaal gaan afstemmen. Door dalende
leerlingenaantallen en het gegeven dat scholen in feite, onder een andere noemer,
bleven aanbieden wat ze voorheen al deden, is de organiseerbaarheid van het onderwijs
echter niet verbeterd.8 Een tekort aan (bevoegde) docenten voor de beroepsgerichte vakken verergert deze
problemen bovendien: na natuur- en scheikunde 1 (nask1) en informatica (11–12%) en
Nederlands (10%) zijn de beroepsgerichte vakken de vakken met het grootste lerarentekort
(7,8%).9
Doordat elke school een eigen afweging maakt en er geen centrale sturing is op het
profielenaanbod, zijn er grote verschillen ontstaan in de oriëntatiemogelijkheden
voor leerlingen. Ter illustratie:
○ 39 procent van de vmbo-vestigingen biedt slechts één profiel aan; twee derde van de vestigingen biedt maximaal drie profielen aan. Slechts vier vestigingen
in Nederland bieden acht profielen aan. Geen enkele vestiging biedt negen of tien
profielen aan.10
○ Er zijn grote regionale verschillen in het profielenaanbod (zie bijlage landelijke kaarten dekking profielen). Zo is de landelijke «dekking»
van het profiel Zorg & Welzijn behoorlijk goed (79% van de gemeenten met vmbo-aanbod
biedt dit profiel aan), maar gaat dit bij het profiel Economie en Ondernemen al naar
62%. Gespecialiseerde profielen als Horeca, Bakkerij & Recreatie en Mobiliteit & Transport
worden soms in een volledige provincie niet of nauwelijks aangeboden.
○ De beroepsgerichte profielen hebben niet dezelfde breedte – in tegenstelling tot de profielen in vmbo-tl, havo en vwo.11 Het beroepsgerichte profiel (in vmbo-bb, -kb en -gl) wordt opgebouwd rond het profielvak,
terwijl de andere profielen die een combinatie van algemeen vormende vakken vormen.
Het profielvak Zorg & Welzijn beslaat een veel breder palet en geeft de leerling daarmee
dus ook een veel bredere blik dan een gespecialiseerd profiel als Mobiliteit en Transport.
○ Het aantal en type beroepsgerichte keuzevakken dat per school wordt aangeboden, varieert
sterk. Gemiddeld bieden scholen nu 21 van de in totaal 203 keuzevakken aan, één op de vijf
scholen heeft er meer dan 30.12 Met uitzondering van leerlingen in het profiel Dienstverlening & Producten zijn er
relatief weinig leerlingen die keuzevakken buiten het eigen profiel volgen en afronden.
○ Samenwerking met een andere vmbo-school om het aanbod van profielen af te stemmen
komt weinig voor. Samenwerking binnen de beroepskolom is op scholen in het technische domein, mede
door Sterk Techniekonderwijs (STO) – vaak verder gevorderd dan op andere scholen.
Gerichte (financiële) impulsen, zoals de subsidieregeling STO13 en de subsidieregeling «Versterking aansluiting beroepsonderwijskolom»14, blijken vaak nodig om samenwerking van de grond te laten komen.15
De diversiteit in het vmbo is enerzijds een succesfactor, omdat een leerling dan wat
te kiezen heeft. Leerlingen laten hun schoolkeuze echter vooral afhangen van de afstand
van huis naar school en de ervaringen van anderen, niet van het profielenaanbod.16 Eenmaal op hun school moeten ze het dan doen met de mogelijkheden die op die school
aangeboden worden. Leerlingen komen daardoor slechts beperkt in aanraking met de verschillende
richtingen die het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt bieden. De profielenstructuur
en de keuzes die scholen vaak uit organisatorisch oogpunt moeten maken, hebben daarom
gevolgen voor de kwaliteit van het vmbo-onderwijs.
Leerlingendaling zet aanbod extra onder druk
Het aanbod staat extra onder druk omdat er sinds de jaren 2010 sprake is van leerlingendaling,
in het hele voortgezet onderwijs en in het bijzonder in het vmbo. Het aantal leerlingen
in het beroepsgerichte vmbo is tussen 2017 en 2024 met ruim tien procent gedaald.
De grootste percentuele daling is in die periode te zien in de basisberoepsgerichte
leerweg, dat gaat om bijna 16 procent.17 De prognoses laten zien dat deze vmbo-aantallen verder zullen dalen, met uitschieters
naar 16 procent daling tot 2040 in Drenthe, Friesland en Overijssel.18 Mede als gevolg van deze leerlingendaling zijn er steeds meer beroepsgerichte profielen
met maximaal tien leerlingen per leerweg per vestiging en gemiddeld steeds minder
leerlingen per profiel.19
De huidige profielenstructuur noodzaakt scholen regelmatig tot een uitruil tussen
keuzemogelijkheden en maatwerk voor leerlingen en de organiseerbaarheid en betaalbaarheid
van het onderwijs. Groepen worden kleiner dan betaalbaar is, waardoor leerlingen uit
verschillende leerwegen en/of leerjaren worden samengevoegd. Maar scholen zien zichzelf
ook gedwongen om profielen af te stoten, wat bijdraagt aan verschraling van het (regionale)
profielenaanbod. Leerlingendaling is een demografisch gegeven waar onderwijsbeleid
weinig invloed op heeft, maar dient wel te worden meegenomen bij de doorontwikkeling
van het stelsel.
Oriëntatie en doorstroom
Een laatste knelpunt in de profielenstructuur komt tot uiting als wordt gekeken naar
de overgang vmbo-mbo. Hoewel leerlingen met de keuze voor een bepaald beroepsgericht
profiel een vrij specifieke keuze lijken te maken, kunnen leerlingen vanuit verschillende
profielen en leerwegen (met variatie in aantal praktijkuren) dezelfde studie op het
mbo kiezen. De huidige doorstroomcijfers laten zien dat leerlingen niet alleen verwant,
maar naar allerlei sectoren uitstromen en dat daarna, ongeacht of zij een opleiding
kiezen die verwant is aan hun profiel op het vmbo, maar weinig verschil zit in diplomasucces.20 Anders gezegd: het gekozen vmbo-profiel lijkt nauwelijks invloed te hebben op hoe
goed een student het later doet op het mbo.
Op het mbo worden, uitzonderingen daargelaten, geen eisen gesteld aan de vooropleiding
van vmbo-leerlingen. Op het mbo richt het onderwijs zich logischerwijs op de leerlingen
met beperkte voorkennis, wat betekent dat leerlingen met meer voorkennis veel herhaling
krijgen. Dit roept opnieuw vragen op over de vele routes en profielen die bestaan
in het vmbo. Het lijkt niet alleen organisatorisch lastig werkbaar, maar strookt ook
niet met de onderwijssituatie waar leerlingen op het mbo in terecht komen.
Tussentijdse conclusie
Bovenstaande uitdagingen bevestigen de problemen met de huidige profielenstructuur:
doordat er geen centrale sturing op het aanbod is, zijn er regionaal grote verschillen
ontstaan in de keuzemogelijkheden voor leerlingen. De profielenstructuur biedt scholen
onvoldoende flexibiliteit, waardoor de organiseerbaarheid blijvend onder druk staat.
Leerlingen komen slechts beperkt in aanraking met de verschillende richtingen die
het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt bieden. Hoewel leerlingen in de overgang naar
het mbo nog in de volle breedte een opleiding kunnen kiezen, is het de vraag of zij
met deze profielenstructuur daadwerkelijk breed kunnen oriënteren.
Op basis van deze analyse wordt in de verkenning gewerkt aan drie pijlers voor vernieuwing
van het beroepsgericht vmbo: een vernieuwd curriculum, een passende (profielen)structuur
en regionale samenwerking. In de volgende paragrafen staat uitgewerkt wat de verkenning
tot nu toe heeft opgeleverd én wat in de volgende fase van de verkenning (2026–2030)
aan de orde komt. Naast het ontwikkelen van scenario’s voor de toekomst (na 2030)
wordt daarbij ook enige ruimte gegeven binnen de huidige structuur, door flexibiliteit
in de profielen toe te staan aan een kleine groep scholen.
2. Een nieuwe inhoudelijke basis voor het beroepsgerichte curriculum
De cijfers van de beroepsgerichte profielen laten zien dat het niet realistisch is
om van een vmbo-school te vragen elk van de tien beroepsgerichte profielen aan te
bieden. De cijfers laten bovendien zien dat er ook geen regionaal dekkend aanbod aan
profielen bestaat. Dat heeft nadelige gevolgen voor de beoogde brede oriëntatie van
leerlingen. De inhoud en structuur van de profielen verdienen daarom heroverweging,
zoals ook aangekondigd in de eerder aan uw Kamer aangeboden brief over de toekomst
van het vmbo.21
Eerste stappen zijn gezet
In de afgelopen jaren (2022–2025) is klein onderhoud verricht aan de bestaande examenprogramma’s.
Daarnaast heeft de SLO recentelijk een analyse uitgevoerd op het huidige aanbod van
beroepsgerichte profielmodules en keuzevakken,22 waarbij de verwevenheid tussen modules in kaart gebracht en is gekeken naar de verwevenheid
met de mbo kwalificatiedossiers en keuzedelen. Ook is gekeken naar eventuele missende
thema’s in het vmbo-aanbod. De resultaten, samengevat in bijgevoegde factsheet, laten
zien dat deze overlap veelal in beroepsgerichte handelingen zit die in meerdere segmenten
terugkomen met hetzelfde einddoel, maar in een verschillende context. Als voorbeelden
hiervan worden genoemd: CAD-tekenen, calculaties maken, werktekeningen maken, recepten
lezen, baliewerkzaamheden, etc. Dit wordt zowel in het vmbo als in het mbo geconstateerd.
Ook is te zien dat voor het overgrote deel van de mbo-opleidingen het vmbo aanbod
als geheel een aansluiting biedt; er ontbreken op dit moment geen grote sectoren in
het totale beroepsgerichte curriculum. Het blijft in de toekomst belangrijk om deze
analyse regelmatig te blijven doen (zie «onderhoud en actualisatie van vakken»).
Deze analyse biedt een goede basis voor de volgende fase van de verkenning, waarin
scenario’s voor een nieuw beroepsgericht programma worden ontwikkeld en een strategie
voor cyclisch curriculumonderhoud wordt ontwikkeld.
Fase 2 verkenning (2026–2030)
a. Scenario-ontwikkeling
In de volgende fase van de verkenning kan worden gewerkt aan scenario’s voor een hernieuwde
vorm en inhoud van het beroepsgerichte programma. Deze scenario’s zullen in een iteratief
proces op scholen worden getoetst op o.a. betaalbaarheid, organiseerbaarheid, meetbaarheid
en belasting voor docenten en schoolleiders.
SLO zal een opdracht krijgen een advies uit te brengen vanuit haar expertise op leerplankundig
gebied. Daarnaast zullen partners in het veld, docenten, schoolleiders, leerlingen
en ouders een belangrijke rol spelen bij de uitwerking van een toekomstbestendig beroepsgericht
programma.
In verschillende fases worden scenario’s op scholen getoetst op praktische uitvoerbaarheid
en kwaliteit. Hierbij spelen twee belangrijke vragen een rol:
− wat is de gewenste inhoud (en examinering) van een beroepsgericht programma;
− wat is haalbaar voor elke school om zelf aan te bieden?
De doorontwikkeling van het beroepsgericht curriculum staat niet op zichzelf, maar
dient ook te worden bekeken in relatie tot het praktijkgerichte vak, dat nu als keuzevak
mag worden aangeboden in de gemengde en theoretische leerweg en in de komende jaren
verder wordt doorontwikkeld.
b. Onderhoud en actualisatie van vakken
Bij een vernieuwd programma hoort ook een strategie over het onderhoud daarvan. Juist
omdat het vmbo continu in beweging is en zo dicht op de praktijk staat, heeft het
programma ook sneller onderhoud nodig. De examenprogramma’s van de huidige praktijkgerichte
vakken zijn vastgesteld in 2024 en van de beroepsgerichte programma’s in 2025. Om
de aansluiting met de arbeidsmarkt te kunnen garanderen moet het curriculum begin
jaren 2030 opnieuw geactualiseerd worden. In de komende jaren wordt een flexibeler
systeem voor beroepsgericht en praktijkgericht onderhoud ontwikkeld, zodat ook dit
deel van het curriculum cyclisch geanalyseerd en onderhouden wordt. Betrokkenheid
bij veranderingen in mbo en arbeidsmarkt is daarbij van groot belang. Bij de uitvoering
zullen daarom de SLO, de huidige vmbo-platforms en vertegenwoordiging van het bedrijfsleven
een rol spelen.
c. Curriculum en bevoegdheden
De ontwikkelingen in het curriculum behoort in samenhang met de bevoegdheden van docenten
te worden bekeken. Het huidige bevoegdhedensysteem sluit niet meer aan op de beroepsgerichte
vakken. De inhoud, vorm en benaming van de beroepsgerichte vakken zijn door de voortdurende
veranderingen in de beroepspraktijk vaker aan verandering onderhevig dan de algemeen
vormende vakken. Daarom loopt er nu een traject om tot een wijziging in de bevoegdheden
te komen voor de beroepsgerichte profielvakken en keuzevakken. Hierbij wordt een bevoegdheid
ingericht dat aan een cluster van vakken of onderdelen van het beroepsgericht programma
in de bovenbouw van de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo is verbonden. Hierdoor
kunnen deze bevoegdheden beter meebewegen met de ontwikkelingen in het beroepsgericht
curriculum. Het streven is om in het derde kwartaal van 2026 het wetsvoorstel in internetconsultatie
te laten gaan. In dit wetsvoorstel worden eveneens twee moties uitgewerkt die betrekking
hebben op de zijinstroom van professionals uit het bedrijfsleven (Kamerstuk 36 360 VIII-12 en Kamerstuk 36 600 VIII-82).
3. Stimulering van regionale samenwerking op aanbod en uitvoering
Naast vernieuwing van de structuur en inhoud van de beroepsgerichte profielen vormt
regionale samenwerking de komende jaren een speerpunt voor een toekomstbestendig vmbo.
Gezien de (soms beperkte) mogelijkheden die een individuele school heeft om leerlingen
in aanraking te laten komen met sectoren die de school zelf niet «in huis heeft»,
is regionale samenwerking een vereiste om de oriëntatiemogelijkheden van leerlingen
en de doorstroom binnen de beroepskolom te verbeteren. Dat is een belangrijke verandering,
want hoewel er zeker al samenwerking in de regio bestaat, worden scholen vanuit de
beroepsgerichte programma’s nog niet expliciet aangezet tot regionale samenwerking
met andere scholen of mbo, of met bedrijfsleven/instellingen. Het programma bevat
daarnaast weliswaar de verplichting om aan loopbaanoriëntatie- en begeleiding (LOB)
te doen, maar dit wordt niet geïntegreerd in de praktijkopdrachten, waardoor het risico
bestaat dat LOB als losstaand onderdeel wordt opgepakt.
Successen uitbouwen van regionale samenwerking
Met Sterk Techniekonderwijs is regionale samenwerking vanuit de techniekprofielen
al succesvol neergezet. Deze regionale samenwerking wordt momenteel verstevigd en
verbreed naar het hele vmbo met een nieuwe subsidieregeling. Voor de borging van dit
structurele programma zal OCW een verkenning starten naar een passende vorm van financiering
na 2029, waarbij geoormerkt geld voor de techniek en samenwerking in de regio twee randvoorwaarden
zijn. De komende jaren zullen, naar voorbeeld van Sterk Techniekonderwijs, de mogelijkheden
worden onderzocht voor afstemming van aanbod in de regio, waarbij zowel samenwerking
tussen vmbo-scholen als tussen vmbo, mbo en arbeidsmarkt een rol kan spelen. De komende
jaren kan al worden ingezet op het delen van best practices in de uitwisseling van
beroepsgerichte keuzevakken tussen vmbo-scholen en in de samenwerking tussen (lokale)
overheid, onderwijs en ondernemers. Vanzelfsprekende samenwerking tussen scholen,
mbo-instellingen en opdrachtgevers kan op deze manier een doel worden en bijdragen
aan de uitwerking van een flexibele structuur voor het vmbo.
De vernieuwing van 2016 heeft te weinig resultaat opgeleverd op het gebied van regionale
samenwerking, terwijl Sterk Techniekonderwijs heeft laten zien dat samenwerking tot
kwaliteitsverbetering en een hoogwaardig aanbod kan leiden. Scholen worden in de huidige profielenstructuur te weinig aangemoedigd
om samen te werken. Daarom lijkt er meer landelijke sturing nodig op dit gebied. De
komende jaren wordt uitgezocht wat een geschikt instrument is om meer regionale samenwerking
te bereiken.
4. Organiseerbaar beroepsgericht vmbo: ruimte binnen de huidige kaders
Zoals ook beschreven in de brief aan uw Kamer in juni 202423, is in de tussentijd al op kleine schaal toestemming gegeven te starten met werken
aan grotere flexibiliteit in de beroepsgerichte examenprogramma’s. Dit voorkomt dat
scholen vast komen te zitten door de huidige profielenstructuur en zich vervolgens
genoodzaakt zien om profielen af te stoten, wat gevolgen heeft voor het aanbod waaruit
leerlingen kunnen kiezen. Naast deze voorzichtige stap in flexibiliteit in de profielenstructuur,
is onderzoek in gang gezet naar flexibiliteit bij de examinering: het centraal schriftelijk
en praktisch examen (cspe).
a. Flexibiliteit in de profielen
Mede aangewakkerd door de opgebouwde samenwerking tussen de technische profielen binnen
Sterk Techniekonderwijs, is in 2023 aan een beperkte groep scholen de mogelijkheid
geboden af te wijken van de profielenstructuur. Dit geldt voor de technische profielencombinaties
PIE/BWI en PIE/BWI/M&T. Leerlingen mogen afwijken van de voorgeschreven combinatie
van een beroepsgericht profiel (bestaande uit vier profielmodules) en vier beroepsgerichte
keuzevakken. De leerlingen kiezen in het experiment twee profielmodules en zes keuzevakken.
Een tussenrapportage van de monitor die is uitgezet om het experiment PIE/BWI te volgen
is in november aan uw Kamer aangeboden.24
Ook voor profiel Mobiliteit en Transport is een kleine groep scholen de gelegenheid
gegeven om binnen een flexibele structuur met inhoudelijke vernieuwing aan de slag
te gaan. Daarnaast heeft het platform voor het profiel Media, ICT en Vormgeving heeft
aangegeven graag een praktijkgericht programma voor de basis- en kaderberoepsgerichte
leerweg te willen ontwikkelen.
b. Uitbreiding combinatiemogelijkheden
Sinds de mogelijkheid voor het combineren van de profielen PIE en BWI is toegestaan,
hebben veel scholen een verzoek ingediend om deze flexibiliteit ook bij andere profielen
toe te staan. De profielenstructuur wordt door veel scholen als een last ervaren,
terwijl zij juist veel kansen zien voor het ontwikkelen van hun onderwijs beter aansluitend
bij de regionale arbeidsmarkt. Daarom wordt de ruimte voor het combineren van profielen
vanaf januari 2026 (t/m schooljaar 2029–2030) uitgebreid. Scholen krijgen ook de mogelijkheid
de profielen Zorg & Welzijn/Economie & Ondernemen of Zorg & Welzijn/Horeca, Bakkerij
& Recreatie te combineren. Deze profielen zijn ruim vertegenwoordigd in het veld.
Daarnaast bevatten de examenprogramma’s overlap in vaardigheden op het gebied van
dienstverlening, zoals klant/cliëntgerichtheid en communicatieve vaardigheden. Aan
deelname wordt de voorwaarde gesteld dat scholen de samenwerking met mbo en arbeidsmarkt
opzoeken. Ook zullen zij actief deelnemen aan een leergemeenschap. Zolang het nog
niet mogelijk is het cspe flexibel af te nemen (zie ook flexibel cspe), mogen leerlingen deze modules afsluiten met een schoolexamen. De scholen worden
intensief begeleid en gevolgd, zodat de resultaten meteen kunnen worden meegenomen
in de zoektocht naar een nieuwe structuur voor het beroepsgerichte curriculum die
de huidige profielen kan vervangen.
c. Flexibel cspe
Ook op het gebied van toetsing en afsluiting is behoefte aan meer flexibiliteit in
het vmbo. Onderzoek heeft uitgewezen dat veel scholen behoefte hebben aan een flexibeler
centraal schriftelijk praktisch examen (cspe), dat nu nog veel tijd en organisatiewerk
in beslag neemt en niet altijd de kans biedt de praktijkopdrachten in de regionale
context van de school te plaatsen. Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) heeft
onderzoek laten doen naar het flexibiliseren van het cspe. De mogelijkheid om het
cspe te spreiden over leerjaar 3 en 4 en in delen te kunnen afsluiten lijkt tegemoet
te komen aan de wens van scholen om de organisatielast te verminderen. De volgende
stap is het nader onderzoeken van de mogelijkheden om een flexibel cspe in te passen
in het huidige examenstelsel dat diploma’s met civiele waarde oplevert. Daarnaast
zal het Cito bij het inhoudelijk vormgeven van het cspe binnen de huidige kaders meer
ruimte in te bouwen zodat de exameninhoud beter aansluit op de lokale context/mogelijkheden,
met behoud van gelijkwaardigheid en een landelijke normering.
5. Vervolgproces
De verkenning naar een toekomstbestendige profielenstructuur kent meerdere fases.
Tot nu toe is gewerkt aan analyse van de huidige situatie en zijn eerste noodzakelijke
stappen gezet voor actualisatie van het curriculum en voor voorzichtige flexibilisering
van de profielen. De volgende fase (2026–2030) staat in het teken van scenario-ontwikkeling,
terwijl intussen nauwlettend wordt gekeken hoe scholen omgaan met een meer flexibele
vorm van het beroepsgerichte programma. Ook wordt gekeken welke stimulans helpt bij
het bereiken van meer regionale samenwerking. De Kamer wordt uiterlijk eind 2028 geïnformeerd
met nieuwe bevindingen en de vervolgstappen die na 2030 worden gezet.
BIJLAGE 2 VIJFJARIG VMBO
Tijdens het commissiedebat vmbo op 27 juni 2024 heeft de Tweede Kamer gevraagd om
verschillende beleidsvarianten van een vijfjarig vmbo nader uit te werken, aangevuld
met een vierjarige variant waarbij een oriëntatiejaar een mogelijkheid is.25 Het eventueel verlengen van het vmbo tot een vijfjarige opleiding is echter geen
losstaande maatregel, maar moet bezien worden tegen de achtergrond van de in deze
Kamerbrief beschreven ontwikkelingen in het vmbo. Het verlengd vmbo verdient daarom
een plaats in deze brief, in relatie tot de verkenning naar een toekomstbestendig
vmbo.
Ingrijpende generieke maatregel
In de brief van juni 2024 zijn verschillende scenario’s geschetst van een verlengd
vmbo; twee scenario’s voor de verlenging van de onderbouw en twee voor de verlenging
van de bovenbouw.26 Het invoeren van een generieke vijfjarige vmbo-opleiding is een kostbare en ingrijpende
maatregel. Afhankelijk van de gekozen variant kost de maatregel 850 tot 900 miljoen
per jaar.27 Daarnaast moet aan drie randvoorwaarden voldoen worden om op landelijke schaal te
kunnen worden gerealiseerd: voldoende leraren en voldoende lokalen om een vijfde jaar
onderwijs aan te kunnen bieden en voldoende dekking voor de extra structurele kosten
die met een extra jaar gepaard gaan.28 Aangezien het voldoen aan deze randvoorwaarden nieuwe uitdagingen voor vmbo-scholen
teweeg zal brengen, naast de reeds in deze brief geschetste uitdagingen, staat de
meerwaarde van een vijfjarig vmbo als generieke maatregel dan ook niet zonder meer
vast.
Nader onderzoek
Sinds het verschijnen van de Kamerbrief heeft de Stichting Platforms vmbo (SPV) onderzoek
laten doen naar een wetenschappelijke onderbouwing van argumenten voor een verlengd
vmbo.29 Uit deze inventarisatie blijkt dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is dat
een verlenging van het vmbo-onderwijs van vier naar vijf jaar leidt tot de beoogde
effecten van hogere leeropbrengsten, het inlopen van achterstand in basisvaardigheden,
het tegengaan van kansenongelijkheid of minder uitval in het mbo. De meeste vmbo-leerlingen
kunnen uit de voeten met een vierjarige opleiding. De onderzoekers constateerden dat
enkel meer tijd bieden niet voldoende is. Er zijn aanvullende interventies nodig om
deze doelen te bereiken. Volgens SPV ligt de oplossing voor bijvoorbeeld het stimuleren
van de basisvaardigheden eerder in het verbeteren van leskwaliteit en een goede afstemming
met het toeleverend basisonderwijs dan in een extra jaar «meer van hetzelfde».
De SPV bepleit dat scholen het beste zelf kunnen beoordelen of, en zo ja, welke maatregelen
hun leerlingen nodig hebben om het vmbo succesvol te kunnen doorlopen. Ik herken het
beeld dat de SPV schetst. Het ministerie zal dan ook geen verdere voorbereidingen
treffen naar een generiek vijfjarig vmbo.
Mogelijkheden voor individueel maatwerk
De SPV constateert wel dat bepaalde individuele leerlingen baat kunnen hebben bij
een verlengd vmbo. Er zijn momenteel verschillende mogelijkheden voor maatwerk die
scholen kunnen toepassen om hun leerlingen op een meer individuele basis een passend
leerpad aan te bieden. Met name in de basisberoepsgerichte leerweg zijn hier mogelijkheden
voor ontwikkeld. Denk daarbij aan leerwerktrajecten, de entree-opleiding of het aanbieden
van leerwegondersteunend onderwijs. Scholen kunnen er ook voor kiezen om leerlingen
flexibiliteit te bieden in tijd en afsluiting door gespreid examen te laten doen of
een toets in een andere vorm of ander tijdstip af te nemen. Ook is het mogelijk om
maatwerk te bieden door het onderwijsprogramma flexibel te verdelen over het rooster.
In de afgelopen maanden heeft het ministerie een groot aantal vmbo-scholen in stedelijke gebieden bezocht, zoals Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Rijswijk,
Delft, Zoetermeer, Haarlem, Eindhoven en Heerlen. Deze scholen kampen in toenemende
mate met een groep vmbo-leerlingen die door sociaaleconomische en maatschappelijke problemen niet in staat
zijn om aan leren toe te komen, zo vertellen deze scholen. Deze leerlingen lijken
zich met name in de basisberoepsgerichte leerweg in de stedelijke regio’s te concentreren.
De bezochte scholen geven mij aan dat de hierboven genoemde onderwijskundige maatwerkmogelijkheden
niet voldoende of niet de oplossing zijn om deze leerlingen de ondersteuning te bieden
die zij nodig hebben. In het verleden kende het vmbo de mogelijkheid om leerlingen
op individuele basis langer over de opleiding te laten doen door toestemming aan de
Inspectie te vragen voor een extra leerjaar. Een volgend kabinet moet bepalen of voor
bepaalde groepen jongeren een verlengd vmbo mogelijk gemaakt wordt.
Ondertekenaars
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap