Brief regering : Antwoorden op vragen commissie aar aanleiding van het verslag van bevindingen van de rapporteurs ontwerpbegroting Financiën/Nationale schuld 2026 (Kamerstuk 36800-IX)
36 800 IX Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2026
Nr. 41 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2025
Naar aanleiding van de vragen van rapporteurs Faddegon en van Dijk over de Begroting
van het Ministerie van Financiën en de Nationale Schuld (IX) 2026, die ons 19 november
zijn toegezonden, beantwoorden wij middels deze brief de gestelde vragen per onderwerp.
Omdat de onderwerpen in deze brief raken aan de portefeuilles van alle drie de bewindspersonen,
stuur ik deze brief mede namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst
en Douane en de Staatssecretaris van Financiën – Herstel en Toeslagen.
Concretisering beleidsprioriteiten, brede welvaart, verantwoordingsonderzoek
De commissie vraagt of de Minister:
• De beleidsthema’s voor 2026 verder kan concretiseren met streefwaarden en meetbare
indicatoren;
Het ministerie zet stappen om de ontwerpbegrotingen verder te versterken met concreter,
resultaatgericht beleid. Ter invulling van de motie Van der Lee c.s. is aan vakministers
gevraagd centraal en herkenbaar te rapporteren over de belangrijkste doelen van hun
beleidsterrein in het jaarverslag en de begroting. Dit wordt nader uitgewerkt en opgenomen
in de Rijksbegrotingsvoorschriften in voorbereiding op Prinsjesdag volgend jaar.1
In de ontwerpbegroting 2026 van Financiën zijn de bestaande beleidsdoelen – onder
meer op het gebied financiële markten, deelnemingen, prestaties van de Belastingdienst,
dienst Toeslagen en Douane – al gevuld met:
• Indicatoren, waar mogelijk kwantitatief;
• Streefwaarden voor 2026
• Toelichtingen op de mate waarin indicatoren aansluiten op de Rijksbegrotingsvoorschriften
en op aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer.
• in kan gaan op hoe de ontwerpbegroting in 2026 rekening houdt met brede welvaart;
Er is toenemende aandacht voor niet-financiële informatie in begrotingsstukken. Het
demissionaire kabinet heeft in de Miljoenennota 2026 een economische structuuranalyse
gedaan. De analyse gaat in op de kenmerken van de economie die tot nu toe hebben bijgedragen
aan onze welvaart en kijkt ook vooruit naar de uitdagingen op de lange termijn. Veel
gaat goed: veel Nederlanders zijn tevreden met het leven, de koopkracht neemt toe,
we zijn productief en onze economie is veerkrachtig tijdens schokken. De toekomstige
economische groei staat echter onder druk door vergrijzing en zal door de beperktere
groei van het arbeidsaanbod voornamelijk moeten komen vanuit de productiviteitsgroei.
Hier besteedt het kabinet uitgebreid aandacht aan in de structuuranalyse.
Daarnaast besteedt het Financieel Jaarverslag van het Rijk aandacht aan de brede ontwikkelingen
in de samenleving, met daarbij veel aandacht voor de Monitor Brede Welvaart van het
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Daarnaast publiceert het CBS op Verantwoordingsdag
de Factsheets Brede Welvaart, waar de indicatoren per departement zijn verdeeld. De
bedoeling is dat we leren van het verleden en deze lessen toepassen in de toekomst.
• en concreet en gestructureerd kan expliciteren of en hoe de ontwerpbegroting voor
2026 gebruikmaakt van de bevindingen van het verantwoordingsonderzoek over de ontwerpbegroting
van 2024?
In het jaarlijkse Verantwoordingsonderzoek (VO) beoordeelt de Algemene Rekenkamer
(AR) of de verantwoording die de Ministers afleggen via de jaarverslagen en het beheer
dat zij voeren, voldoet aan de wettelijke eisen. Het gaat om eisen aan de verantwoording
over de financiële informatie, de bedrijfsvoering en de beleidsresultaten. Het Ministerie
van Financiën neemt de bevindingen uit het VO-rapport Financiën 2024 serieus, zet
de AR-aanbevelingen actief om in acties en werkt aan verdere verbeteringen, zoals
beschreven in de bestuurlijke reactie op het rapport.2 In het VO 2025 beoordeelt de AR in hoeverre de aanbevelingen uit het VO 2024 zijn
opgepakt, waarna hierover wordt gerapporteerd aan de Staten-Generaal.
De ontwerpbegroting richt zich primair op het prioriteren van beleidsdoelen van het
ministerie en het vastleggen van uitgaven en ontvangsten voor het komend begrotingsjaar.
Daarom wordt in de begroting 2026 primair ingegaan op de AR-bevindingen op het gebied
van beleid, zoals de wijzigingen ten aanzien van de Strategische Evaluatie Agenda,
Box-3 en de hersteloperatie Toeslagen,
Strategische evaluatie agenda
De commissie vraagt de Minister voor de afzonderlijke jaren het budgettaire belang
aan te geven van het evaluatieonderzoek dat in die jaren wordt afgerond.
Alle beleidsartikelen op de begroting van het Ministerie van Financiën staan op de
Strategische Evaluatie Agenda (SEA) middels een koppeling aan beleidsthema’s. Beleidsthema’s
worden op hun beurt gedekt door ten minste één periodieke rapportage elke 7 jaar,
zodat tussen 2025 en 2031 alle artikelen worden gedekt door evaluatieonderzoek. Conform
de Regeling periodiek evaluatieonderzoek 2022 zijn alle belangrijke thema’s in termen
van maatschappelijke en budgettaire relevantie vertegenwoordigd. De SEA-thema’s, periodieke
rapportages en begrotingsartikelen zijn als volgt verbonden:
SEA-thema
Periodieke Rapportage (Afrondingsjaar)
Begrotingsartikel
Begrote uitgaven artikel in 2026 (bedragen x € 1 mln.)
Solide overheidsfinanciën
– Periodieke rapportage BTW-compensatiefonds (2028)
6
4.481,6
– Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke kosten onder acceptabel risico (2025)
11
37.621,6
– Periodieke rapportage Kasbeheer (2031)
12
4.825,9
– Evaluatie begrotingsbeleid (2029)
n.v.t.
n.v.t.
Economie en vestigingsklimaat
– Periodieke rapportage deelnemingen (2027)
3
11.690,0
– Periodieke rapportage Internationale Financiële Betrekkingen (2031)
4
323,5
– Periodieke rapportage exportkredietverzekeringen (2030)
5
173,5
Financiële sector
– Periodieke rapportage financiële markten (2025)
2
33,4
Fiscaal beleid
– Periodieke rapportage fiscale regelingen (2029)
1
3.884,51
Belastingdienst
– Periodieke rapportage Belastingdienst (2029)
1
3.884,5
Toeslagen
– Periodieke rapportage dienstverlening Toeslagen (2028)
13
1.955,9
– Periodieke rapportage hersteloperatie (2028)
Douane
– Periodieke rapportage Douane (2026)
9
889,6
X Noot
1
Voor het evaluatieonderzoek naar fiscale regelingen ligt het budgettaire belang vooral
in de gederfde inkomsten naar aanleiding van deze regelingen. In 2026 bedraagt het
totale budgettaire belang van (gemonitorde) fiscale regelingen naar verwachting circa
188 miljard euro.
Het plan van aanpak van Periodieke rapportages, dat altijd met de Kamer wordt gedeeld,
bevat de budgettaire grondslag van deze syntheseonderzoeken. Onderliggend aan de Periodieke
rapportages vinden evaluaties plaats die een kleinere omvang hebben. De budgettaire
grondslag van deze evaluaties is soms moeilijk te meten, zoals bij wetsevaluaties
of artikeloverschrijdende onderwerpen, waardoor het ingewikkeld is op dit niveau een
optelsom van het budgettaire belang van evaluatieonderzoek per jaar aan te geven.
Naast het maatschappelijke en budgettaire belang van onderwerpen, speelt ook de inzichtbehoefte
van de organisatie een belangrijke rol bij het opzetten van deze evaluaties. Het (kern)doel
van de SEA is om betere en meer bruikbare inzichten te krijgen in de (voorwaarden
voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid om daarmee bij te dragen aan een
hogere maatschappelijke toegevoegde waarde van beleid. Voor het verkrijgen van dergelijke
inzichten is het noodzakelijk om focus aan te brengen in de scope van het evaluatieonderzoek.
Sinds de SEA 2026 worden de achterliggende overwegingen daarom uitgebreid onder de
SEA-tabellen toegelicht.
Toelichting op financiële en beleidsrisico’s
De commissie vraagt de Minister in te gaan op de arbeidsmarktkrapte en wat dat kan
betekenen voor het vermogen van het Ministerie van Financiën (inclusief de Belastingdienst)
om zijn beleid uit te voeren.
Het Ministerie van Financiën heeft zich de afgelopen jaren ingespannen om op formatie
te komen, zoals ik schreef in mijn eerdere brief aan uw Kamer.3 De wervingsopgave zal de komende jaren aanhouden door met name natuurlijke uitstroom.
Nieuwe taken en nieuw beleid kunnen ook, al dan niet tijdelijk, invloed hebben, zoals
bijvoorbeeld rond box 3.4 Daarnaast heeft de taakstelling met name voor het kerndepartement een dalend effect
op het aantal vacatures.
Door werving én behoud zorgt Financiën voor voldoende en gekwalificeerde medewerkers
om de maatschappelijke taak uit te voeren en burgers en bedrijven van dienst te zijn.
Denk daarbij aan het proactief benaderen van kandidaten, het bevorderen van interne
doorstroom, talentprogramma’s, gerichte arbeidsmarktcommunicatie, en de ontwikkeling
van eigen medewerkers. Ook zet ik in op arbeidsextensief5 werken met als doel ons werk met minder personeel uit te voeren. Daarvoor is het
ook van belang huidige wet- en regelgeving te vereenvoudigen en bij nieuw beleid,
dit zodanig vorm te geven dat de uitvoeringslast zo beperkt mogelijk is.
Ontwikkeling rentelasten versus staatsschuld
De commissie vraagt de Minister of hij figuur 8 uit de ontwerpbegroting kan uitbreiden
met de jaren 2027–2030 om te laten zien hoe de rentelasten zich in die jaren ontwikkelen
afgezet tegen de ontwikkeling van de staatsschuld.
In de onderstaande grafiek is figuur 8 uit de ontwerpbegroting uitgebreid met de jaren
2027–2030.
Inhuur externen
De commissie vraagt de Minister wat de achtergrond is van de daling van de inhuur
van externen tussen 2025 en 2030.
Financiën zet in op de afbouw van externe inhuur. Hierbij houd ik wel rekening met
de modernisering van de ICT bij de Belastingdienst, de blijvende behoefte aan uitzendkrachten
voor de Belastingtelefoon en de herstelopgave bij Toeslagen. Deze opgaven vergen tijdelijke
inzet en specialistische kennis. Met de afbouw van externe inhuur, waarvan een deel
door verambtelijking6, borg ik kennis, zorg ik voor de stabiliteit van de organisatie7 en druk ik de kosten. Hierdoor kan Financiën ook op de lange termijn aan de maatschappelijke
opgaven werken. Tenslotte voldoe ik graag aan de Roemernorm8 en de opdracht aan de departementen uit het hoofdlijnenakkoord van het huidige demissionaire kabinet.
Burgertevredenheid Toeslagenontvangers
De commissie vraagt de Minister hoe de streefwaarden voor (on)tevredenheid van toeslagontvangers
voor 2025 en 2026 zich verhouden tot de waarden van de indicator Burgertevredenheid
in 2023 en 2024.
Tot en met 2024 werd de indicator burgertevredenheid berekend als 100% minus het aandeel
burgers dat (zeer) ontevreden was. Dat betekende dat ook neutrale antwoorden en de
categorie «weet ik niet» werden meegeteld als tevreden.
Vanaf het jaarplan 2025 is de definitie aangepast. Tevredenheid wordt voortaan beperkt
tot het aandeel burgers dat expliciet aangeeft (zeer) tevreden te zijn. Daarnaast
wordt een tweede indicator toegevoegd voor het aandeel burgers dat expliciet (zeer)
ontevreden is. Het neutrale en «weet ik niet»-deel wordt dus niet langer automatisch
als tevredenheid meegeteld, maar kan uit de combinatie van beide indicatoren worden
afgeleid. Het verschil tussen beide definities komt dus voort uit het al dan niet
meetellen van de middencategorie.
De definitie is aangepast om verschillen en misverstanden te voorkomen. Er wordt voortaan
één uniforme definitie gehanteerd voor het meten en rapporteren van burgertevredenheid.
Deze definitie geldt zowel binnen de begrotings- en P&C cyclus als in de externe communicatie
via onder meer de website en sociale media. De cijfers sluiten hierdoor ook beter
aan op de daadwerkelijke ervaring van burgers met de dienstverlening. De gedachte
hierachter is dat iemand die «weet ik niet» invult, onvoldoende ervaring heeft om
een oordeel te geven. Daarnaast is een neutrale beoordeling niet expliciet positief
of negatief. Door deze antwoorden buiten de tevredenheidsscore te houden, wordt het
cijfer zuiverder en scherper.
De Minister van Financiën, E. Heinen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën