Brief regering : Voortgang Nationaal Actieplan Dakloosheid en Beschermd Thuis
29 325 Maatschappelijke Opvang
Nr. 193
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 december 2025
Met deze brief informeer ik u, mede namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening en de Staatssecretaris Participatie en Integratie, over 1. de voortgang van
het Nationaal Actieplan Dakloosheid en 2. de beweging van beschermd wonen naar een
beschermd thuis. In deze brief informeer ik u tevens over de uitvoering van een aantal
moties die kunnen worden afgedaan. In bijlage 1 is de overige stand van zaken van
de openstaande moties en toezeggingen opgenomen.
Aanleiding
De meest recente cijfers laten een schokkend beeld zien van dakloosheid in Nederland.1 In negen regio’s, bestaande uit 57 gemeenten, zijn op één dag 28.721 dakloze mensen
geteld, waaronder 4062 kinderen.2 Voor het eerst zijn er zelfs kinderen (19 in totaal) in beeld gebracht die daadwerkelijk
verbleven in de openbare ruimte. De resultaten over de samenstelling van de groep
zijn grotendeels in lijn met de resultaten van eerdere tellingen, namelijk dat een
derde van de dakloze mensen jonger is dan 28 jaar, bijna een derde vrouw is en dat
ongeveer een derde van de volwassenen verblijft bij familie of vrienden. Wel is het
absolute aantal getelde dakloze mensen nu veel hoger, omdat er voor het eerst in twee
G4-steden is geteld (Amsterdam en Den Haag). De resultaten laten zien hoe divers de
groep dakloze mensen is, waarbij economisch dakloze mensen en EU-burgers in het oog
springen als groepen die door de wooncrisis kwetsbaarder zijn geworden voor dakloosheid.3
Met het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2022–2030) (hierna: NAD)
wordt ingezet op een omslag van opvang naar passende huisvesting met begeleiding en
het versterken van de financiële bestaanszekerheid om dakloosheid te voorkomen en
duurzaam op te lossen. Zowel lokaal als landelijk is een groot aantal partijen uit
de domeinen wonen, zorg, welzijn, werk en inkomen aan de slag om deze omslag vorm
te geven.
Drie jaar na de lancering van het NAD is de uitvoering van de eerste 2,5 jaar geëvalueerd
door onderzoeksbureau Significant. Hoewel de doelstellingen uit het NAD een fundamenteel
andere manier van werken vereisen en deze verandering tijd kost, trekken de onderzoekers
een aantal alarmerende conclusies. De voornaamste is dat als we doorgaan in dit tempo,
we het doel van nul dakloze mensen in 2030 niet gaan halen. Ook wordt geconcludeerd
dat betrokken partijen hard werken aan de paradigmashift, maar dat deze moet plaatsvinden
in een ingewikkelde en veranderende context van onder andere een groot woningtekort
en een toename in het aantal arbeidsmigranten. De paradigmashift is hard nodig, maar
pas net op gang gekomen. Wel is er in de breedte consensus over dat de beweging naar
zowel preventie als Wonen Eerst de juiste is. Tegelijk wordt het «doen» door partijen
als ingewikkeld ervaren. Volgens de onderzoekers ontbreken de randvoorwaarden voor
een succesvolle uitvoering en is er een andere ondersteuning nodig om de transitie
van opvang naar preventie en Wonen Eerst goed te faciliteren en aan te jagen.
Ik herken mij in de conclusies en als coördinerend bewindspersoon wil ik zo snel mogelijk
aan de slag met de aanbevelingen uit het rapport. Daarbij heb ik oog voor de complexe
realiteit van dit vraagstuk. Ook geldt dat de inspanningen ten aanzien van preventie
tijd kosten en resultaten niet van vandaag op morgen zichtbaar zijn. Op het terrein
van huisvesting heeft het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
(VRO), samen met gemeenten, projectontwikkelaars en woningcorporaties, grote ambities
op het gebied van woningbouw, het uitbreiden van de bestaande woningvoorraad en het
reduceren van regeldruk ten behoeve van de woningbouw. Tegelijk is grootschalige woningschaarste
op de korte termijn een feit dat, samen met alle andere groepen die urgent huisvesting
nodig hebben, een verdelingsvraagstuk met zich meebrengt. Dit alles maakt dat de beweging
naar preventie en Wonen Eerst de juiste is, maar wel uitdagingen met zich meebrengt.
1. Nationaal Actieplan Dakloosheid
1.1 Tussentijdse evaluatie voortgang NAD
In 2025 is een tussentijdse evaluatie uitgevoerd naar de voortgang van het NAD. Deze
evaluatie treft u aan als bijlage 2 bij deze voortgangsrapportage. Hiermee heeft het
kabinet invulling gegeven aan de motie Westerveld, die de regering verzoekt om de
voortgang op de aanpak dakloosheid en de daaraan gekoppelde doelstelling uit de Lissabondeclaratie
onafhankelijk te laten onderzoeken.4 Het onderzoek brengt de huidige stand van zaken, de beoogde effecten op korte termijn
en de verwachte resultaten per 2030 in beeld en het bevat aanbevelingen en conclusies
met betrekking tot de succesfactoren en knelpunten.
De onderzoekers hebben 37 regionaal vastgestelde plannen geanalyseerd, aangevuld met
een enquête die is ingevuld door 38 regio’s en ongeveer 30 diepte-interviews met verschillende
partijen op landelijk en regionaal niveau. Een klankbordgroep, bestaande uit 17 partijen,
heeft de voortgang van het onderzoek actief gevolgd en inhoudelijke input geleverd.
Het rapport bevat een aantal concrete aanbevelingen. Hoewel besluitvorming over een
aantal fundamentele zaken is voorbestemd aan het volgende kabinet, leest u hieronder
de reactie van het huidige kabinet op deze aanbevelingen. Dit is nadrukkelijk een
eerste reactie. Verdere uitwerking van maatregelen vindt plaats in nauwe samenwerking
met gemeenten, zorgaanbieders, woningcorporaties en belangenbehartigers.
Aanbevelingen die (primair) aan het Rijk gericht zijn:
1. Geef de aanpak van dakloosheid absolute prioriteit.
2. Zorg voor regie vanuit het Rijk vanuit een integrale benadering met «wonen» in de
lead.
3. Leg op Rijksniveau de lead in de aanpak van het NAD bij VRO.
4. Formuleer een resultaatgerichte bestuurlijke opdracht aan de regio’s.
5. Zorg voor een integrale doelfinanciering voor het NAD.
6. Zorg voor een andere invulling van de ondersteuning.
Aanbeveling 1, 2 en 3: De onderzoekers concluderen dat de gewenste systeemverandering van opvang naar preventie
en Wonen Eerst alleen kan plaatsvinden als de aanpak van dakloosheid prioriteit krijgt
op alle niveaus (Rijk, regio en gemeenten) en binnen alle domeinen (waaronder wonen,
werk en inkomen en zorg en welzijn). Dit vraagt van alle betrokken partijen dat het
tegengaan van dakloosheid prioriteit krijgt boven het oplossen van andere maatschappelijke
vraagstukken en het creëren van huisvesting voor andere doelgroepen. Het kabinet constateert
dat er altijd sprake moet zijn van een zorgvuldige afweging van -soms met elkaar conflicterende-
belangen. Het is aan een nieuw kabinet om eventueel maatregelen te nemen aanvullend
op de maatregelen die reeds in het NAD zijn afgesproken. Ik moedig een volgend kabinet
aan om het voorkomen van dakloosheid hoog op de politieke agenda te plaatsen en integraal
beleid te voeren om dakloosheid te voorkomen en terug te dringen. Andere landen hebben
laten zien dat het daadwerkelijk mogelijk is om dakloosheid flink te laten afnemen
wanneer Wonen Eerst als systeemaanpak prioriteit krijgt en ik ben ervan overtuigd
dat dat in Nederland ook kan.
De betrokken departementen inventariseren welke mogelijkheden er zijn om binnen de
bestaande beleidskaders meer aandacht te hebben voor de positie van (dreigend) dakloze
mensen. Zo draagt het beleid ten aanzien van armoede en schulden bij aan beter rondkomen,
socialer incasseren, vroegsignalering van schulden en laagdrempelige hulp bij geldzorgen,
wat kan helpen voorkomen dat mensen vanwege geldzorgen hun woning verliezen. Voor
het creëren van woonplekken wordt naast het stimuleren van nieuwbouw, ook ingezet
op het beter benutten van bestaande woonruimte, het stimuleren van hospitaverhuur
en het realiseren van flexwoningen. Op het gebied van zorg wordt ingezet op het organiseren
van passende zorg- en woonplekken voor dakloze mensen met een Wlz-ggz indicatie en
het terugdringen van de wachtlijsten in de ggz.
Het gaat bij het prioriteren van dakloosheid ook om het creëren van meer gelijkgerichtheid
van beleid. Binnen het NAD wordt op dit moment intensief samengewerkt tussen de departementen.
Het vraagt aandacht om integraal beleid te voeren gericht op het voorkomen van dakloosheid
en het inzetten op woonoplossingen. Dat komt onder andere door de huidige situatie
op de woningmarkt, die ondanks de inzet van het kabinet, gemeenten, woningcorporaties
en projectontwikkelaars de komende tijd nog oververhit blijft. De ministeries gaan
zich beraden hoe in de praktijk het best uitvoering gegeven kan worden aan integraal
beleid op dakloosheid Daarbij is de inhoudelijke aanpak leidend en is van belang dat
het coördinerende ministerie ook de financiële middelen en het mandaat heeft om de
uitvoering van het NAD aan te sturen. Intensieve samenwerking tussen ministeries is
essentieel voor de voortgang van de aanpak. Daarnaast ziet het kabinet dat een deel
van de dakloze mensen geen verblijfsrecht heeft en dus geen perspectief heeft op herstel
in Nederland omdat zij geen aanspraak kunnen maken op sociale voorzieningen. Verkend
wordt wat de mogelijkheden zijn van een meer intensieve samenwerking met het Ministerie
van Asiel en Migratie.
Aanbeveling 4: De onderzoekers constateren dat het ontbreken van tussendoelen de voortgang van de
beweging naar preventie en Wonen Eerst bemoeilijkt. Het formuleren van deze tussendoelen
als onderdeel van een resultaatgerichte bestuurlijke opdracht aan de regio’s kan hierbij
helpen. Het kabinet is bereid om uit te werken wat de mogelijkheden zijn van het formuleren
van een bestuurlijke opdracht gericht op concrete, meetbare resultaten. Zoveel mogelijk
wordt hierbij aangesloten bij de volkshuisvestingsprogramma’s die worden gemaakt in
het kader van de Wet versterking regie volkshuisvesting, waarbij op lokaal, regionaal
en landelijk niveau afspraken worden gemaakt over de woonplekken voor aandachtsgroepen,
waaronder dakloze mensen.
Aanbeveling 5: Het kabinet erkent dat doelfinanciering een prikkel kan zijn om daadwerkelijk meer
te investeren in preventie en huisvesting. Voor de aanpak van dakloosheid ontvangen
gemeenten financiële middelen via de Decentralisatie Uitkering Maatschappelijke Opvang
en Decentralisatie Uitkering Nationaal Actieplan Dakloosheid. Deze middelen kunnen
zij naar eigen inzicht inzetten voor de aanpak van dakloosheid. Omdat gemeenten over
deze besteding verantwoording afleggen aan de gemeenteraad en niet aan het Rijk, is
niet altijd inzichtelijk hoe de middelen worden besteed. Voorbeelden van doelfinanciering
uit bijvoorbeeld Denemarken, waar een grotere prikkel is ingebouwd om woonplekken
met begeleiding te realiseren, zijn veelbelovend, maar moeten ook toepasbaar worden
gemaakt binnen de Nederlandse (politieke) context. Ook kijkt het kabinet welke mogelijkheden
de toekomstige Bijzondere Fonds Uitkering (BFU) biedt. Eventuele wijzigingen in de
financieringssystematiek dienen te worden gemaakt in goed overleg met de VNG.
Aanbeveling 6: In de bestuurlijke afspraken bij het NAD is afgesproken dat gemeenten, aanbieders
en woningcorporaties ondersteund worden om de beweging van opvang naar preventie en
Wonen Eerst te maken. Het Ministerie van VWS heeft deze ondersteuning aan de regio’s
de afgelopen jaren gefaciliteerd via diverse subsidies en opdrachten. Uit het onderzoek
blijkt dat het ondersteuningsaanbod regio’s inspiratie en kennis heeft opgeleverd
en de bewustwording over de omvang van dakloosheid bij centrumgemeenten én regiogemeenten
heeft vergroot. Dat is een belangrijke stap. Maar om de beweging van opvang naar preventie
en Wonen Eerst daadwerkelijk te maken, is meer nodig.
Het kabinet is het dan ook eens met de conclusie van Significant dat het ondersteuningsaanbod
in de volgende fase meer gericht moet zijn op praktische ondersteuning en meehelpen.
Het kabinet heeft deze veranderde focus reeds in gang gezet. De VNG, Valente en Aedes
hebben de afgelopen maanden vanuit een samenwerkingsagenda gewerkt aan het gezamenlijk
ondersteunen van hun leden in de 44 centrumregio’s, samen met de regioadviseurs van
het Platform Sociaal Domein. De komende periode zullen deze partners inzetten op een
versnelling van Wonen Eerst en een aantal regio’s hier concrete, praktische ondersteuning
bij bieden. Denk bijvoorbeeld aan het ondersteunen bij het uitwerken van samenwerkingsafspraken
voor de aanpak van Wonen Eerst en het uitwerken van een passende organisatievorm,
alsmede het implementeren hiervan. Parallel hieraan, werkt het kabinet toe naar een
integraal ondersteuningsaanbod voor alle regio’s, gericht op het zetten van de stap
van praten naar doen, in lijn met de aanbeveling uit het onderzoek van Significant.
Dit ondersteuningsaanbod is naar verwachting begin 2027 gereed.
Aanbevelingen die (primair) gericht zijn aan (partijen in) de regio:
7. Ga in de regio aan de slag met het vervolg van de aanpak van dakloosheid.
8. Focus in de regio op kernelementen van het NAD die de beweging in gang zetten en versnellen.
9. Focus als partijen in de regio op de kernelementen van het NAD:
a) Ga Wonen Eerst toepassen in lijn met de bedoeling: het preventief toewijzen van woningen
om dakloosheid te voorkomen of het verblijf in de maatschappelijke opvang zo kort
mogelijk te laten duren.
b) Grijp de kans om naar aanleiding van de Wet versterking regie volkshuisvesting dreigend
dakloze mensen urgentie te geven.
c) Werk aan passende woonoplossingen voor meerdere doelgroepen.
d) Maak echt werk van preventie door het realiseren van een breed preventief loket (meer
dan de centrale toegang voor de maatschappelijke opvang), waar alle dreigend dakloze
mensen terecht kunnen met vragen op alle leefgebieden.
10. Betrek ervaringskennis in het vormgeven en uitvoeren van de aanpak van dakloosheid.
Aanbeveling 7 tot en met 10 richt zich primair op de partijen in de regio. Het kabinet herkent deze aanbevelingen
en roept partijen in de regio op om hier werk van te maken. Het kabinet is van mening
dat gemeenten op dit moment al de mogelijkheid hebben om de genoemde kernelementen
van het NAD in de praktijk te brengen. Steeds meer regio’s kiezen ervoor om Wonen
Eerst pilots om te zetten in structureel beleid en om meer woningen preventief toe
te wijzen. Ik juich ook toe dat woningcorporaties in grotere mate prioriteit maken
van het huisvesten van dakloze mensen. Daarbij wil het kabinet waar mogelijk ondersteunen,
door zowel in de huidige als ook de nieuwe ondersteuningsstructuur (zoals beschreven
in aanbeveling 6) de kernelementen een prominente plek te geven.
Als dakloze mensen contact hebben met de overheid, is dat vaak bij een gemeente. Op
dit moment wisselt het per gemeente hoe dakloze mensen worden geholpen. Wanneer mensen
zonder zorg- of ondersteuningsbehoefte hun woonplek (dreigen te) verliezen, bijvoorbeeld
na beëindiging van een relatie of een andere levensgebeurtenis, worden zij niet altijd
geholpen omdat zij zelfredzaam worden geacht in het kader van de Wmo 2015. Een preventief
loket waarbij alle (dreigend) dakloze mensen worden geholpen om de basis op orde te
krijgen (denk aan een uitkering, zorgverzekering, schuldhulpverlening, inschrijving
in het BRP, bijvoorbeeld door het verstrekken van een briefadres, of hulp met inschrijving
voor een woning) kan eraan bijdragen dat dakloze mensen beter worden geholpen en dat
hun situatie niet verergert. Dit hoeft geen nieuw loket te zijn specifiek voor dakloze
mensen, maar kan worden ingebed in de huidige dienstverlening die gemeenten aanbieden.
In het bijzonder onderschrijft het kabinet het belang van het inzetten van ervaringskennis.
Het Rijk zet ervaringskennis in bij het vormgeven van beleid (o.a. door ervaringskennis
in te zetten bij de uitgevoerde evaluatie) en door het samenwerkingsverband Dakloosheid
Voorbij! te faciliteren. Dakloosheid Voorbij! geeft gevraagd en ongevraagd advies
aan de departementen. Vanuit Dakloosheid Voorbij! kunnen ervaringspanels gemeenten
adviseren over hoe zij ervaringskennis kunnen meenemen bij het vormgeven en uitvoeren
van beleid. Vanuit het NAD worden gemeenten al gestimuleerd om met lokale ervaringspanels
te werken die nauw betrokken zijn bij beleid en de uitvoering.
1.2 Huisvesting
1.2.1. Dakloze gezinnen en kinderen
Het afgelopen jaar heeft de Tweede Kamer met verschillende moties aandacht gevraagd
voor dakloze gezinnen en kinderen. Dakloosheid onder kinderen is de meest schrijnende
vorm van dakloosheid. Het gebrek aan een stabiele woonplek beperkt hen in hun ontwikkeling
en moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Hieronder wordt uitgelicht hoe de moties
over dakloze gezinnen worden opgepakt of afgedaan. In een separate brief die ik op
12 december 2025 naar de Tweede Kamer heb gestuurd, reageer ik op het verzoek van
de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport om een reactie te geven op het
onderzoek van Trouw, Investico en Groene Amsterdammer over gemeenten die moeders dreigen
hun kind af te pakken als zij aankloppen bij de daklozenopvang.5
Maatregelen gericht op kinderen voorrang geven
De motie Ceder en Krul verzoekt de regering om de maatregelen uit het Nationaal Actieplan
Dakloosheid die specifiek gericht zijn op minderjarigen voorrang te geven, en de Kamer
over de voortgang regelmatig te informeren.6
In het NAD zijn geen specifieke maatregelen opgenomen die gericht zijn op minderjarigen.
Wel is bij de behandeling van het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting
(Wvrv) in de Tweede Kamer het amendement Grinwis c.s. aangenomen.7 Dit amendement voegt gezinnen met minderjarige kinderen zonder vaste verblijfplaats
toe aan de verplichte urgentiecategorieën die worden geïntroduceerd met het wetsvoorstel
versterking regie volkshuisvesting. In een Uitvoeringstoets Decentrale Overheden (UDO)
die op 15 september jl. naar de Eerste Kamer is verzonden, is onder meer de potentiële
omvang van de groep en de uitvoeringsgevolgen voor gemeenten inzichtelijk gemaakt.8 Momenteel wordt gewerkt aan een afbakening van de doelgroep via een ministeriele
regeling, die naar verwachting spoedig in internetconsultatie zal gaan. De Minister
van VRO zal uw Kamer informeren over de voortgang van de Wvrv, en betrekt daar de
opvolging van deze motie bij.
Huisuitzettingen en het verdrag inzake de rechten van het kind
In het debat over de initiatiefnota heb ik toegezegd dat in deze brief wordt ingegaan
op de vraag of het niet verbieden van huisuitzettingen in strijd is met het VN-verdrag
inzake de rechten van het kind.9 Daarnaast verzoekt de motie Grinwis c.s. de regering wettelijk te verbieden dat kinderen
door een huisuitzetting dakloos worden.10
Nederland heeft het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) geratificeerd.
In artikel 27, derde lid van het IVRK wordt het bieden van ondersteuning op het gebied
van huisvesting expliciet genoemd als onderdeel van het recht op een toereikende levenstandaard.
Ieder kind heeft recht op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke,
geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
Het hebben van een veilige plek om te wonen is, naast het beschikken over voldoende
voedsel en kleding, een fundamenteel element van de menselijke waardigheid en de fysieke
en geestelijke gezondheid. Daarom dient Nederland volgens het IVRK, indien de behoefte
daaraan bestaat, te voorzien in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning,
met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting. Hoewel ouders primair verantwoordelijk
zijn om te zorgen voor huisvesting van zichzelf en hun kinderen, moet de overheid
hen daarbij helpen als zij daar zelf niet in slagen. Nederland spant zich dan ook
in om ervoor te zorgen dat ieder kind passende huisvesting heeft. Deze verplichting
geldt voor de rijksoverheid en ook voor gemeenten. Zij hebben immers een (zorg)plicht
op zich rusten om bij huisuitzettingen de belangen van kinderen te wegen en hier zo
nodig bijstand en ondersteuning op te bieden. Dit recht speelt zowel bij de toewijzing
van een woning, als bij huisuitzettingen.
Een algeheel verbod op huisuitzettingen acht het kabinet niet wenselijk. De mogelijkheid
om iemand in het uiterste geval uit huis te zetten is een belangrijke stok achter
de deur voor huurders om overlast te beëindigen, hun huur te betalen, of om ondersteuning
bij het oplossen van problemen te accepteren. Het kabinet vindt het van belang dat
huurders een laatste kans krijgen wanneer een schuld de hoofdoorzaak is van een dreigende
huisuitzetting. In de praktijk zetten veel verhuurders daar ook op in. Een wettelijk
verbod biedt geen oplossing voor maatwerk, omdat de omstandigheden van geval tot geval
moeten worden beoordeeld. Hiervoor is de rechter het aangewezen orgaan die per geval
een afweging tussen het belang van de huurder en dat van de verhuurder kan maken.
Gezinnen die uit huis gezet dreigen te worden, zijn niet altijd bekend met hun rechten.
Via de Wet op de rechtsbijstand hebben mensen toegang tot juridische ondersteuning.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid werkt daarbij aan versterking van sociaaljuridische
hulp. Zo wordt de samenwerking tussen het Juridisch Loket en het sociaal domein versterkt
om te voorkomen dat mensen van het kastje naar de muur worden gestuurd of in onnodige
procedures terechtkomen. Vanuit de Wmo 2015 zijn gemeenten daarnaast verplicht om
cliëntondersteuning beschikbaar te hebben voor hun inwoners; zij kunnen mensen bijstaan
met informatie, advies en algemene ondersteuning op het gebied van maatschappelijke
ondersteuning, zorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. In het debat over
de initiatiefnota dakloosheid van 22 september jl. heb ik toegezegd te kijken naar
het verbreden van de inzet van onafhankelijke clientondersteuning. Uw Kamer wordt
hier in het tweede kwartaal van 2026 over geïnformeerd.
1.2.2. Dakloze jongeren
Uw Kamer vraagt regelmatig aandacht voor jongeren die dakloos worden nadat zij jeugdzorg
verlaten. In de actie-agenda Voorkomen jongerendakloosheid is hiertoe een aantal acties
opgenomen.11 Een deel van deze acties is inmiddels afgerond.
– De Preventie Alliantie ontwikkelde de «preventiescanner beleid jongerendakloosheid».
Deze scanner ondersteunt gemeenten en hun samenwerkingspartners om hun regionale preventiebeleid
te verstevigen.12 Ook heeft de Preventie Alliantie een handreiking «geleerde lessen en randvoorwaarden
jongerenregisseur» opgesteld.13
– Valente heeft een e-learning ontwikkeld voor professionals van zorgorganisaties die
jongeren tussen de 16 en 27 begeleiden. Deze e-learning biedt professionals kennis
en handvatten om deze doelgroep hulp te bieden op het gebied van financiën en oplopende
schulden.14
– De VNG heeft voor gemeenten een routekaart financiële zorgen opgesteld, met daarin
tips en inspiratie voor de aanpak van geldzorgen bij jongeren.15 Op de website van Geldfit is een jongerenroute en het Ministerie van SZW doet mediacampagnes
om jongeren te attenderen op hulp bij geldzorgen.16 Ook hebben scholen subsidie kunnen aanvragen om financiële educatie beter te verankeren
in het onderwijs.17
– Dit najaar is de Participatiewet in balans aangenomen, waarin meer ruimte is voor
maatwerk. Zo krijgen gemeenten onder andere de mogelijkheid om in knellende situaties,
zoals bij (dreigende) dakloosheid, de «vier weken zoektermijn» voor jongeren tot 27
jaar buiten toepassing te laten. Ook wordt de hoogte van de aanvullende bijstand aan
jongeren (18–21 jaar) van wie ouders niet in beeld zijn of geen ondersteuning kunnen
bieden, geharmoniseerd.
– Er is een handreiking gemaakt over de manier waarop gemeenten binnen de kaders van
de Participatiewet maatwerk kunnen bieden bij de ondersteuning van jongeren in een
kwetsbare positie.18 Verder wordt onderzocht wat de consequenties zijn als de kostendelersnorm wordt aangepast
of afgeschaft en welk effect dit heeft op woningdelen. In het voorjaar van 2026 wordt
de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten.
– Het Jongerenpanel de Derde Kamer heeft een advies geschreven over hoe jongeren duurzaam
gehuisvest kunnen worden.19 Het advies is geschreven vanuit het perspectief van jongeren zelf en biedt gemeenten
praktische informatie en handvatten die zij kunnen gebruiken bij het maken van hun
volkshuisvestingsprogramma. Een gecomprimeerde versie van het advies zal worden opgenomen
een brede handreiking over de Wet versterking regie op de volkshuisvesting.
– De Minister van VRO spreekt jaarlijks de Landelijke Jongerencoalitie Wonen, een samenwerkingsverband
dat bestaat uit verschillende jongerenorganisaties die de belangen van jonge woningzoekenden
en huurders behartigt. De Minister heeft toegezegd dat ze in gesprek wil blijven met
de jongeren om op te halen wat er speelt onder jongeren (18 tot 35 jaar), zodat het
perspectief van jongeren beter meegenomen kan worden in woonbeleid.
Toezegging Bruyning over knelpunten overgang van jeugdzorg naar dakloosheid
In het debat over dakloosheid van 19 december 2024 is toegezegd om te inventariseren
welke knelpunten bekend zijn in de overgang van jeugdzorg naar dakloosheid zodat een
betere afweging gemaakt kan worden of extra onderzoek naar deze knelpunten nodig is.20 De motie van het lid Bruyning verzoekt de regering te onderzoeken of en op welke
wijze het wettelijk kan worden verankerd dat iedere jongere die uit de jeugdzorg stroomt
vóór zijn of haar 18e verjaardag zicht op een duurzaam woonperspectief heeft.21
Onderzoek van de Preventie Alliantie laat zien dat veel jongeren die langere tijd
in een jeugdzorginstelling verblijven, een stabiele thuissituatie missen waarnaar
zij kunnen terugkeren.22 Mede hierdoor lopen zij een groter risico op dakloosheid. Het onderzoek Wat werkt bij de aanpak van dak- en thuisloosheid onder jongeren van Movisie, laat zien dat de overgang van 18- naar 18+ vaak lastig is omdat over
het algemeen de jeugdzorg stopt als een jongere 18 jaar wordt. Met het 18 jaar worden,
krijgen jongeren nieuwe rechten en plichten en zijn zij vaak onvoldoende voorbereid
op een zelfstandig leven. Zij krijgen vaak niet de juiste ondersteuning bij deze rechten
en plichten. Daarnaast kunnen bepaalde regels, wachtlijsten of voorwaarden ervoor
zorgen dat jongeren dakloos raken. Daarbij hebben zij vaak te maken met verschillende
hulpverleners. Ook geldt voor sommige jongeren dat zij na jarenlange hulp van instanties
hier geen behoefte meer aan hebben.23
Gemeenten en jeugdhulpaanbieders hebben zich via de Hervormingsagenda Jeugd gecommitteerd
om samen met jongeren tijdig een toekomstplan te formuleren, voordat zij de jeugdzorg
verlaten. Dit toekomstplan gaat in op de Big Five: support, wonen, school en werk,
inkomen en schulden, en welzijn en gezondheid. Het Ondersteuningsteam Zorg voor de
Jeugd heeft, met de Landelijke Aanpak 16–27 een aantal gemeenten en regio’s ondersteund
om jongeren met passend woon- en zorgaanbod uit te laten stromen. Momenteel wordt
gewerkt aan een handreiking van deze aanpak, in het eerste kwartaal van 2026 landelijk
beschikbaar wordt gesteld. Over de ervaringen van de Landelijke Aanpak 16–27 is in
mei van dit jaar het rapport «wie niet past loopt vast» gepubliceerd.24
Duurzaam woonperspectief is een belangrijk onderdeel van het organiseren van de Big
Five. Wat dit betekent voor gemeenten is verder uitgewerkt in het richtinggevend kader
voor de toegang en lokale teams van de VNG. Dit kader is een standaard waaraan gemeenten
zich hebben gecommitteerd. Een verdere verdieping op deze afspraken wordt momenteel
gemaakt in het convenant stevige lokale teams. De verwachting is dat dit convenant
begin 2026 door de betrokken partijen wordt getekend. Jongeren die uitstromen uit
intramurale voorzieningen zijn één van de doelgroepen die gemeenten bij inwerkingtreding
van de Wet versterking regie op de volkshuisvesting met urgentie moeten gaan huisvesten.
Het staat gemeenten reeds vrij om hier in aanloop naar inwerkingtreding van de wet
al mee aan de slag te gaan. Daar roep ik de gemeenten dan ook toe op.
Motie Gemeenten stimuleren om hun aandeel in de bouw van sociale huurwoningen te leveren.
Het lid Bruyning verzoekt in haar motie om instrumenten te ontwikkelen waarmee gemeenten
die achterblijven effectief kunnen worden aangesproken en gestimuleerd om hun aandeel
in de bouw van sociale huurwoningen en het huisvesten van dakloze gezinnen te leveren.25 Aan de motie wordt invulling gegeven doordat in de AMvB behorende bij het wetsvoorstel
Versterking regie op de volkshuisvesting wordt geregeld dat twee derde van alle toevoegingen
betaalbare woningen moeten zijn.
1.3 Preventie en aanpak van geldzorgen
Mede om te voorkomen dat mensen dakloos worden of worden afgesloten vanwege betalingsachterstanden,
zijn gemeenten verplicht om met vaste lasten partners (verhuurders, energiebedrijven,
waterbedrijven en zorgverzekeraars) contact op te nemen met inwoners die dreigende
problematische schulden hebben. Dit systeem van vroegsignalering van schulden is afgelopen
jaar positief geëvalueerd en er zijn diverse verbetermaatregelen aangekondigd om vroegsignalering
nog doeltreffender te maken.26
In juni 2025 is ook het Nationaal Programma Armoede & Schulden aan de Kamer gezonden,
waarin diverse maatregelen staan om geldzorgen te voorkomen en aan te pakken. Ook
worden vindplaatsen van geldzorgen beter ingericht (zoals huisartsen, geboortezorg,
scholen, werkgevers), zodat professionals en vrijwilligers beter kunnen signaleren,
het gesprek aangaan en mensen kunnen doorverwijzen in geval van geldzorgen en/of (problematische)
schulden. Voor jongeren met schulden steunt het Ministerie van SZW het Jongeren Perspectief
Fonds, dat inmiddels in bijna 50 gemeenten jongeren helpt om Schuldenvrij te worden.
De NVVK werkt aan een werkwijzer voor schuldhulpverleners en andere financieel hulpverleners,
zodat zij (dreigend) dakloze mensen met schulden beter kunnen ondersteunen. Meer maatregelen
voor de aanpak van armoede en schulden staan in de Kamerbrief over het Nationaal Programma
Armoede en Schulden, de Kamer zal hierover begin 2026 een voortgangsbrief ontvangen.27
1.4 Briefadressen en onverzekerdheid
Het Jongerenpanel de Derde Kamer (18–27 jaar) en panel Recht op een Thuis (27+ jaar)
hebben in 2025 een praktijkonderzoek uitgevoerd naar het beleid en de informatievoorziening
rond briefadressen bij een aantal gemeenten.28 De komende periode zal het kabinet kijken naar vervolgacties om de knelpunten die
uit het praktijkonderzoek naar voren komen aan te pakken, als ook de knelpunten uit
het rapport «Evaluatie ambtshalve toekenning van een briefadres aan personen zonder vaste woon-
of verblijfplaats» dat de secretaris van BZK uw Kamer in de verzamelbrief Digitalisering aan het einde
van dit jaar zal sturen. De ervaringspanels worden hierbij betrokken.
Het afgelopen jaar heeft het Ministerie van VWS een subsidie verstrekt aan de Nederlandse
Straatdokters Groep om de zorg aan dakloze mensen te verbeteren naar aanleiding van
het amendement van de leden Westerveld en Beckerman.29 Hierbij is gewerkt aan het toegankelijk maken van goede zorg voor dak- en thuisloze
mensen ter bevordering van de gezondheid en het welzijn van deze doelgroep. Zo hebben
zij onder meer een wegwijzer «Zorg aan onverzekerden» gepubliceerd die zorgverleners helpt bij het vergoed krijgen en declareren van zorg
aan onverzekerde patiënten.30
1.5 Aandacht voor bijzondere doelgroepen
EU-burgers
Met de voorjaarsbesluitvorming is gehoor gegeven aan het verzoek van de Tweede Kamer
om de pilot aanpak dakloze EU-burgers naar andere gemeenten uit te breiden. De middelen
voor de opvang van niet-rechthebbende dakloze EU-burgers zijn uitgebreid van 7 naar
13 miljoen voor de jaren 2026 tot en met 2028.31 Daarnaast wordt er breder ingezet op de preventie van dakloosheid van EU-burgers.
Het geheel aan acties, voor deze doelgroep wordt bijgehouden door het Interdepartementale
Projectteam Arbeidsmigratie.32
LHBTIQA+ dakloze mensen
Een aantal groepen dakloze mensen heeft vanwege de aard van hun kenmerken of problematiek
specifieke aandacht nodig, waaronder (dreigend) dakloze lhbtiqa+ personen. In opdracht
van het Ministerie van VWS heeft Movisie in 2025 een onderzoek uitgevoerd, genaamd
«Van uitsluiting tot opvang: een verkenning naar de situatie van lhbtiqa+ dak- en
thuisloze personen». Op basis van een literatuurstudie en interviews, is inzicht verkregen in de situatie
van de doelgroep en de behoeften en ervaringen van de betrokken hulpverleners. Hierbij
is gekeken naar preventie, opvang en doorstroom/uitstroom uit de maatschappelijke
opvang. Op basis van dit onderzoek worden concrete aanbevelingen gedaan aan het Rijk,
gemeenten en de maatschappelijke opvang om de situatie van deze doelgroep te verbeteren.
Zo wordt onder meer de aanbeveling gedaan om een landelijke dekking van lhbtiqa+ gespecialiseerde
opvang te faciliteren. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 3. Daarmee heb ik gehoor
gegeven aan de toezegging om de Tweede Kamer op de hoogte te houden van de voortgang
van dit onderzoek. Daarnaast heeft Valente, in samenwerking met het basisnetwerk maatschappelijke
opvang en diverse partnerorganisaties, een handboek ontwikkeld om de maatschappelijke
opvang beter toegankelijk te maken voor de lhbtiqa+ doelgroep.33 Met dit handboek kunnen maatschappelijke opvanglocaties aan de slag gaan, onder andere
door het invullen van een organisatiescan, voor een veiligere en inclusievere omgeving
voor deze doelgroep. Het handboek is aangeboden bij alle maatschappelijke opvang-organisaties
in Nederland. Vanaf 2026 wordt het handboek jaarlijks geactualiseerd.
1.6 Monitoring en kennis
1.6.1 Dakloze mensen beter in kaart met de ETHOS-tellingen
Steeds meer gemeenten brengen het aantal dakloze mensen in kaart door middel van een
ETHOS telling. Op 8 oktober 2025 publiceerden de Hogeschool Utrecht en Kansfonds de
resultaten van de derde telronde, waar 57 gemeenten aan hebben meegenomen. De belangrijkste
resultaten zijn toegelicht in de inleiding van deze brief.
Met de ETHOS-tellingen wordt per regio het aantal dakloze mensen inzichtelijk gemaakt,
op basis van een brede definitie. De aankomende twee jaar maak ik het mede mogelijk
om in de regio’s waar nog niet geteld is, er nog tellingen worden uitgevoerd door
Kansfonds en de Hogeschool Utrecht. Daarbij werk ik ook naar het structureel maken
van de tellingen, zodat we trends kunnen analyseren en regio’s nog beter in staat
zijn om effectief beleid te maken om de dakloosheid in de regio het hoofd te bieden.
Ik hoop eind 2026 een opdracht te kunnen verstrekken aan een partij die vanaf 2027
de herhaaltelingen in gemeenten structureel gaat uitvoeren. Uw Kamer wordt via de
jaarlijkse voortgangsrapportage geïnformeerd over de uitkomsten van de toekomstige
tellingen.
1.6.2. Kennisontwikkeling: publicatie Wonen Eerst Kader
Sinds begin dit jaar werkt een consortium onder leiding van de Hogeschool Utrecht
aan het onderzoeksprogramma «Passende Huisvesting». Het doel van dit programma is
om de beweging naar Wonen Eerst wetenschappelijk te onderbouwen en te onderzoeken
hoe passende huisvesting voor (ex)dakloze mensen en dreigend dakloze mensen met een
psychische kwetsbaarheid. In oktober is het Wonen Eerst Kader gepubliceerd.34 Dit kader is het wetenschappelijke fundament onder de landelijke beweging naar Wonen
Eerst en kan goed worden gebruikt bij het maken en uitvoeren van beleid gericht op
de aanpak van dakloosheid. Ik roep partijen in de regio dan ook op om dit kader te
gebruiken. De komende tijd wordt het kader verder uitgewerkt voor verschillende beleidsniveaus
en voor verschillende groepen.
2. Beschermd thuis en GGZ
Belangrijk voor de beweging van opvang naar Wonen Eerst is dat ondersteuning beschikbaar
is voor wie dat nodig heeft. Ook daarmee wordt ingezet op herstel vanuit een eigen,
stabiele basis. Hierbij geldt dat mensen met een psychosociale kwetsbaarheid als gelijkwaardige
burger zoveel mogelijk moeten kunnen deelnemen in de samenleving vanuit een eigen
woning in de wijk.
2.1 Actieonderzoek bemoeizorg
Met de voortgangsrapportage Nationaal Actieplan Dakloosheid en Beschermd wonen van
december 2024 is de Kamer geïnformeerd over een actieonderzoek naar bemoeizorg dat
is uitgevoerd door Movisie. Bemoeizorg is een vorm van ondersteuning aan mensen met
complexe problemen die hier niet uit zichzelf om (kunnen) vragen. Zoals toegezegd,
wordt de Kamer in deze voortgangsrapportage geïnformeerd over de bevindingen en opbrengsten
van het actieonderzoek. De eerste fase van het onderzoek bestond uit het inventariseren
van de huidige kennis en uitvoeringspraktijk. In de tweede fase stond het leren van
en met de praktijk centraal. Movisie heeft in zes regio’s het bemoeizorgteam gevolgd
en vanuit daar kansen en knelpunten opgehaald.35 Ook zijn twee bijeenkomsten met experts en professionals georganiseerd en zijn aanvullende
gesprekken gevoerd met andere betrokken. In november heeft Movisie een rapport met
de belangrijkste bevindingen, inzichten en aanbevelingen gepubliceerd en 17 november
vond er een slotbijeenkomst plaats waarin de bevinden zijn gedeeld. Het rapport vindt
u als bijlage 4 bij deze brief.36 De belangrijkste bevindingen en voorwaarden voor succes die uit het rapport naar
voren komen, zijn als volgt:
– waardeer bemoeizorg als apart vak waar specifieke scholing voor nodig is;
– organiseer bemoeizorg als multidisciplinair teamwerk;
– creëer ruimte voor bemoeizorgteams om langdurig contact te onderhouden met cliënten
die moeilijk toe te leiden zijn naar «reguliere zorg» of telkens weer uit zorg vallen;
– zorg voor een goede samenwerking tussen bemoeizorg, zorg en veiligheid die duidelijk
geregeld is op gemeentelijk niveau;
– zorg voor professionals die oog hebben voor het cliënt- én het algemeen belang (naasten
en omwonenden);
– ondersteun met passende kaders: een speelveld zonder verschillende financieringskaders,
met eenvoudige toegangsregels en duidelijkheid rond het delen van informatie;
– erken dat bemoeizorg óók een ggz-taak is;
– organiseer procesregie met mandaat als waarborg voor gezamenlijke inzet en verantwoordelijkheid.
In het rapport is een richtinggevend kader opgenomen waarin beschreven staat wat de
basisfuncties van bemoeizorgteams dienen te zijn. Tevens wordt een aantal aanbevelingen
geadresseerd aan gemeenten, ggz en landelijke overheid, waarin de bovenstaande bevindingen
en voorwaarden voor succes zijn meegenomen. Drie algemene aanbevelingen zijn:
1. organiseer bemoeizorg als reguliere (OGGZ-)functie vanuit een gemeentelijk kader;
2. organiseer aanvullend bemoeizorg voor mensen met langdurige en ernstige psychische
problemen als reguliere taak vanuit een outreachend ggz-team;
3. zorg voor een vloeiende verbinding tussen een bemoeizorgteam en outreachend ggz-team.
Het Ministerie van VWS onderzoekt samen met betrokken partijen mogelijke beleidsopties
om bemoeizorg te versterken. In de volgende voortgangsbrief wordt u geïnformeerd over
de voortgang.
Tot slot
Ik zie dat gemeenten, woningcorporaties, zorg- en welzijnspartijen en belangenbehartigers
hard aan de slag zijn om de doelen uit het Nationaal Actieplan Dakloosheid te behalen.
Tegelijkertijd laat de evaluatie zien dat we er nog niet zijn en extra inzet nodig
is om dakloosheid daadwerkelijk te laten afnemen. Hoewel fundamentele keuzes zijn
voorbehouden aan een nieuw kabinet, wil ik samen met de andere departementen en partijen
uit het veld aan de slag met de aanbevelingen. Tijdens de verkiezingscampagne is er
veel aandacht geweest voor het belang van goede en betaalbare huisvesting. Ik verwacht
dat een volgend kabinet prioriteit aan geeft om dakloosheid fors terug te dringen.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
N.J.F. Pouw-Verweij
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport