Brief regering : Stand van zaken moties en toezeggingen Jeugd en aanbieding van rapporten
31 839 Jeugdzorg
Nr. 1145 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN JUSTITIE
EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 december 2025
Met deze brief ontvangt u de stand van zaken op een aantal moties en toezeggingen
op het terrein van Jeugd. Achtereenvolgens gaan wij in deze brief in op de moties
die raken aan de Hervormingsagenda Jeugd (bijlage 1), overige moties (bijlage 2) en
de aanbieding van enkele rapporten (eventueel inclusief beleidsreactie, bijlage 3).
De Hervormingsagenda Jeugd heeft als doel om te voorkomen dat jeugdzorg nodig is,
het verbeteren van de (kwaliteit van) jeugdzorg en het stelsel (financieel) houdbaar
maken voor de toekomst.
Daarbij gelden deze vijf hoofdelementen:
1. Ouderschap versterken met behulp van een sterke sociaal pedagogische basis lokaal.
2. Ondersteuning en (collectieve) hulp voor lichte opvoed-/jeugdhulpvragen door stevige
lokale (multidisciplinaire) teams.
3. Beter toegankelijk maken van aanvullende (specialistische) jeugdhulp voor jeugd en
hun gezin in meest kwetsbare situaties door duidelijker onderscheid licht en complex
én regionale inkoop.
4. Minder uithuisplaatsingen en minder gesloten jeugdhulp door o.a. synergie met Toekomstscenario
kind- en gezinsbescherming.
5. Algemene verbetering van kwaliteit van de jeugdzorg door o.a. vergroten van kennis,
kortere trajectduur en niet inzetten niet-effectieve zorg.
Afgelopen maanden zijn er wederom stappen gezet in de uitvoering van de Hervormingsagenda
Jeugd:
– Een belangrijke mijlpaal in het kader van het creëren van stevige lokale teams die
zelf hulp bieden, zijn de afspraken die gemeenten, het Ministerie van VWS, de Landelijke
Vereniging voor Huisartsen (LHV) en de jeugdartsen hebben gemaakt om de samenwerking
tussen gemeenten en huisartsen rondom jeugdhulp te verbeteren. De afspraken gaan o.a.
onderdeel uitmaken van de vernieuwde leidraad «samenwerking huisartsen en gemeenten
rond jeugd» en een deel van de afspraken loopt mee in het wetsvoorstel reikwijdte.
– Een andere belangrijke stap is dat de Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel
Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, die (op onderdelen) per 1 januari 2026 in werking
treedt. Deze wet heeft onder meer als doel om het opdrachtgeverschap van gemeenten
en het opdrachtnemerschap van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen
(GI’s) te verstevigen en daarmee bij te dragen aan een verbeterde beschikbaarheid
van de specialistische jeugdzorg (lijn 3). De nieuwe rol voor de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa) geeft bovendien meer inzicht in hoe de beschikbaarheid van jeugdzorg zich ontwikkelt,
en er kunnen risico’s met betrekking tot de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg
vroegtijdig in beeld worden gebracht. Gemeenten hebben nog tot 1 januari 2027 de tijd
om zich voor te bereiden op de verplichte regionale samenwerking, en een groot deel
van hen is nu al voortvarend aan de slag. Wij roepen alle gemeenten op om – vooruitlopend
op de inwerkingtreding van de verplichte regionale samenwerking – samen te werken
en al zo veel als mogelijk te werken conform de geest van de wet.
– In het kader van het verbeteren van de kwaliteit is het verschijnen van de Leeragenda
van het Netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) op 10 december jl. een belangrijke
mijlpaal. Deze leeragenda geeft aan alle partners in de jeugdhulp focus en richting
voor het gezamenlijk leren, verbeteren en vernieuwen.
In januari ontvangt u in aanloop naar het wetgevingsoverleg (WGO) Jeugd een brief
waarin wij uitgebreider zullen ingaan op lopende onderdelen van de Hervormingsagenda
Jeugd en andere actuele beleidsontwikkelingen rondom jeugdzorg.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Judith Zs.C.M. Tielen
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte
Bijlage 1 – Stand van zaken moties Hervormingsagenda Jeugd en opvolging rapport deskundigencommissie
Van Ark
Sinds 2023 wordt door partijen uitvoering gegeven aan de Hervormingsagenda Jeugd om te voorkomen dat jeugdzorg nodig is, om de (kwaliteit van) jeugdzorg
te verbeteren en om het stelsel financieel houdbaar te maken voor de toekomst. Onderstaand
gaan wij in op de moties die ingaan op de Hervormingsagenda. Het betreffen de volgende
moties die de Hervormingsagenda in algemene zin raken:
• Motie van het lid Westerveld (GL-PvdA) over aangeven hoe de adviezen uit hoofdstuk
4 van het rapport van de deskundigencommissie-Van Ark worden opgevolgd.
• Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over prioriteit geven aan een reactie
op het rapport Groeipijn.
• Motie Moonen (D66) c.s. over een concrete en langjarige financiële strategie voor
de jeugdzorg.
• Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over het opzetten van een platform
waar ervaringsdeskundigen op het gebied van jeugdbeleid kunnen bijdragen aan beleidsvorming
en beleidsevaluatie.
• Motie van de leden Westerveld (GL-PvdA) en Verkuijlen (VVD) over de informatie uit
de leefwereldtoets verplicht meenemen in het beleid.
• Motie van het lid Bruyning (NSC) over de visie uit de programma's Hervormingsagenda
Jeugd en Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming laten aansluiten bij de behoeften
en uitdagingen van de doelgroep.
• Motie Westerveld (GL-PvdA) over onderbouwing extra bezuinigingen op de jeugdzorg vanaf
2028 cijfermatig en naar het advies van Van Ark in kaart te brengen of deze reëel,
meetbaar en haalbaar zijn voor begrotingsbehandeling voor het jaar 2026.
Daarnaast zijn er moties aangenomen en een toezegging gedaan die gaan over of raken
aan de uitwerking van specifieke maatregelen onder de Hervormingsagenda:
• Motie Westerveld (GL-PvdA) over bij uitwerking van het wetsvoorstel over de reikwijdte
van jeugdhulp de inhoud als uitgangspunt nemen in plaats van de bezuinigingsdoelstellingen.
• Motie van de leden Dobbe (SP) en Synhaeve (D66) over samen met jeugdhulpmedewerkers,
jeugdhulpaanbieders en gemeenten uniforme toetsingskaders voor jeugdhulpaanbieders
opstellen.
• De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport zegt toe eind 2025 uw Kamer te informeren
over de resultaten van het onderzoek bij gemeenten naar de ondersteuning voor jeugdigen
met een levenslange en levensbrede ondersteunings- en zorgvraag.
Motie van het lid Westerveld (GL-PvdA) over aangeven hoe de adviezen uit hoofdstuk
4 van het rapport van de deskundigencommissie-Van Ark worden opgevolgd1
en
Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over prioriteit geven aan een reactie
op het rapport Groeipijn2
Met haar motie verzoekt het lid Westerveld de regering om voor de begrotingsbehandeling
voor het jaar 2026 de Kamer te informeren over hoe de adviezen uit hoofdstuk 4 van
het rapport van de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd zullen worden opgevolgd.
De motie van de leden Bruyning en Ceder roept de regering op prioriteit te geven aan
de kabinetsreactie en de coördinatie tussen de ministeries te versnellen. Uw Kamer
ontvangt voorafgaand aan het geplande WGO van ons een uitgebreidere voortgangsbrief
met daarin de wijze waarop wij omgaan met de adviezen.
Motie Moonen (D66) c.s. over een concrete en langjarige financiële strategie voor
de jeugdzorg3
Inzake de motie Moonen over een concrete en langjarige financiële strategie willen
wij graag aangeven dat deze strategie besloten ligt in de Hervormingsagenda Jeugd.
In de Hervormingsagenda zijn met de betrokken partijen afspraken gemaakt over de maatregelen
die we gezamenlijk gaan uitvoeren, die moeten leiden tot het voorkomen dat jeugdzorg
nodig is, het verbeteren van jeugdzorg en het komen tot een financieel houdbaar stelsel.
Aanvullend hebben Rijk en VNG specifieke financiële afspraken gemaakt in de Hervormingsagenda.
De Hervormingsagenda bevat daarmee de langjarige financiële strategie, alsmede de
financiële doelstelling.
Daarbij hebben we afgesproken om gedurende dit proces van hervormingen de ontwikkelingen
met elkaar te blijven monitoren en bij te sturen waar nodig. De adviezen van de Deskundigencommissie,
o.l.v. Tamara van Ark, ondersteunen dit proces. Op basis van dit advies zijn het afgelopen
jaar aanvullende afspraken gemaakt, zowel financieel als inhoudelijk. De middelen
die afgelopen voorjaar en afgelopen zomer aanvullend beschikbaar zijn gesteld aan
gemeenten (€ 3,7 miljard) dienen in het licht van deze bredere afspraken gezien te
worden. Met de aanvullende middelen zijn de financiële reeksen geactualiseerd. Daarnaast
is het ministerie in het kader van het versterken van de Hervormingsagenda ook bezig
de inhoudelijke afspraken te intensiveren in een zogenaamde routekaart.
Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over het opzetten van een platform
waar ervaringsdeskundigen op het gebied van jeugdbeleid kunnen bijdragen aan beleidsvorming
en beleidsevaluatie4
Het kabinet onderschrijft de meerwaarde van ervaringsdeskundigheid in het jeugdbeleid.
Ervaringsdeskundigen worden structureel betrokken bij de uitvoering van de Hervormingsagenda
Jeugd, onder meer via deelname aan overlegstructuren en de inzet van de Leefwereldtoets,
waarmee inbreng van jongeren en ouders wordt opgehaald en de effecten van beleid op
hun leefwereld worden gevolgd. Daarnaast hebben ervaringsdeskundigen een vaste plek
bij de transformatie van gesloten jeugdhulp en het onderwijs. Via subsidie aan stichting
ExpEx wordt hun betrokkenheid geborgd en kunnen signalen uit de praktijk en beleidsvoornemens
worden ingebracht en getoetst. Interdepartementaal wordt, samen met jongeren, gewerkt
aan de nationale jeugdstrategie waarbij we de randvoorwaarden voor betekenisvolle
jongerenparticipatie beschrijven, met aandacht voor diverse vertegenwoordiging. Voor
een structureel platform is geen financiële dekking. Met deze beantwoording wordt
de motie als afgedaan beschouwd.
Motie van de leden Westerveld (GL-PvdA) en Verkuijlen (VVD) over de informatie uit
de leefwereldtoets verplicht meenemen in het beleid5
De motie van de leden Westerveld (Gl/PvdA) en Verkuijlen (VVD) verzoekt de regering
om de informatie uit de leefwereldtoets verplicht mee te nemen in het beleid en terug
te koppelen aan de jongeren en de Kamer wat ermee is gedaan.
De Leefwereldtoets is bedoeld om bij beleidsvoornemens input op te halen van jeugdigen
en opvoeders of de ingevoerde veranderingen daadwerkelijk leiden tot zichtbare verbeteringen.
De afgelopen periode hebben er drie toetsen plaatsgevonden: één in het kader van reikwijdte
en twee in het kader van de gesloten jeugdhulp.
In het kader van het wetsvoorstel reikwijdte heeft het Ministerie van VWS het OZJ
gevraagd onderzoek te doen naar wat jongeren nodig hebben om zich goed te voelen en
hun dromen te bereiken. Het doel was om aanknopingspunten op te halen voor voorzieningen
die (lokaal) rondom jeugdigen aanwezig moeten zijn om zonder jeugdhulp te kunnen opgroeien.
De uitkomst van deze leefwereldtoets bevestigt het belang van een goede pedagogische
basis en het werken met stevige lokale teams, onderdelen die (naar verwachting) een
plek krijgen in het wetsvoorstel reikwijdte. Voor de overige suggesties geldt dat
deze mooi aansluiten bij een aantal lopende trajecten. Zo sluit JIM-pact mooi aan
bij de suggestie om meer te gaan werken met informele steunfiguren, dragen het stagepact
mbo 2023–2027 van het Ministerie van OCW en mediacampagnes zoals Geldfit en het Jongeren
perspectief Fonds eraan bij dat jongeren concrete, praktische ondersteuning krijgen
op het gebied van bestaanszekerheid en stimuleert PRAATPOWER partijen om met jongeren
in gesprek te gaan met jongeren over mentale gezondheid. Het vormt een bevestiging
van het reeds in gang gezette beleid. De input uit de leefwereldtoets wordt betrokken
bij de dialoogsessies rond de internetconsultatie van het wetsvoorstel reikwijdte.
De andere twee leefwereldtoetsen hadden betrekking op de gesloten jeugdhulp. De eerste
leefwereldtoets richtte zich op de nieuwe wet verbetering rechtspositie gesloten jeugdhulp
die sinds 2024 van kracht is, de tweede op het versterken van structurele inspraak
in de gesloten jeugdzorg. In dit kader is zowel met jongeren als met medewerkers gesproken.
Hoewel afzonderlijk onderzocht, bleken deze thema’s in de praktijk sterk met elkaar
verbonden en de uitkomsten zijn daarom in samenhang bezien en besproken in de stuurgroep
Hervormingsagenda. Afgesproken is dat KBL, samen met de NJR en een ervaringsdeskundige
professional met diverse jeugdhulporganisaties in gesprek gaan over vrijheidsbeperking
conform de werkwijze van de leefwereldtoets. Hierbij wordt met elkaar uitgediept hoe
de betreffende organisatie hiermee omgaat en welke (verbeter)acties nodig zijn. Hiervoor
wordt verbinding gezocht met het reeds lopende Fly on the Wall project binnen het
consortium Kleinschaligheid waarbij ervaringsdeskundigen als onderzoeker verbeteradviezen
agenderen richting zorgaanbieders. Aanpassing van Rijksbeleid is n.a.v. deze leefwereldtoetsen
niet nodig.
Bij volgende leefwereldtoetsen zal goed worden gekeken naar waar en voor wie de toets
toegevoegde waarde heeft en zullen zo concreet mogelijke vragen worden meegegeven.
Hiermee kan de impact van de toetsen verder worden vergroot.
Motie van het lid Bruyning (NSC) over de visie uit de programma's Hervormingsagenda
Jeugd en Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming laten aansluiten bij de behoeften
en uitdagingen van de doelgroep6
De motie van het lid Bruyning roept op om de samenwerking en samenhang tussen het
Toekomstscenario en de Hervormingsagenda te intensiveren, de activiteiten regelmatig
te evalueren en de visie van deze trajecten te laten aansluiten bij de actuele behoeften
en uitdagingen van de doelgroep. De afgelopen periode hebben diverse gesprekken hierover
plaatsgevonden. Vanuit de inhoudelijke verbinding ligt prioriteit (door het verkennen
van de mogelijkheden) bij de volgende thema’s: het versterken van de lokale teams,
het versterken van de regionale samenwerking en het verbeteren van de kwaliteit van
de hulpverlening:
• Versterken lokale teams – vanuit de Hervormingsagenda is de opdracht dat elke gemeente
een stevig lokaal team heeft. Dat betekent dat een lokaal team toegankelijk is en
stevig verankerd in de leefwereld van kinderen en volwassen, zelf jeugdhulp en ondersteuning
biedt, maar ook andere hulp op maat erbij haalt. Vanuit het Toekomstscenario wordt
ook gewerkt aan gezinsgerichte stevige lokale teams die vraagstukken op het gebied
van veiligheid kunnen oppakken. Deze twee opdrachten willen we meer met elkaar integreren,
zodat gemeenten een duidelijke opdracht ontvangen waar lokale teams aan moeten kunnen
voldoen. Zo heeft de VNG (vanuit de Hervormingsagenda Jeugd) de afgelopen periode met een veelheid aan betrokken partijen (waaronder
VWS, OCW, SZW, gemeenten, brancheorganisaties, beroepsverenigingen, clientorganisaties
en de associatie wijkteams) gewerkt aan het convenant stevige lokale teams. Dit convenant
bevat afspraken met de belangrijkste partijen over wat nodig is en wat ze van elkaar
mogen verwachten om lokale teams te doen slagen. Het convenant legt de verbinding
met het Toekomstscenario. Dit convenant wordt naar verwachting begin 2026 ondertekend
door alle betrokken partijen.
• Versterken regionale samenwerking – vanuit de Hervormingsagenda wordt uitgegaan van
41 regio’s en vanuit het Toekomstscenario 25 regio’s (veiligheidsregio’s). Het is
belangrijk om ervoor te zorgen dat deze regionale indelingen goed op elkaar zijn aangesloten
en partijen op de verschillende niveaus goed samenwerken, zodat de gezinnen de juiste
hulp ontvangen. Onderdeel van de regionale samenwerking in het kader van de Hervormingsagenda
is dat gemeenteraden regiovisies moeten opstellen, met als doel te bevorderen dat
er een toereikend aanbod is van specialistische jeugdzorg. In de regiovisie moet ook
aandacht zijn voor de aanpak van wachttijden, maximaal aanvaardbare wachttijden en
de inzet van schaarse jeugdhulpvormen. Dat bij het opstellen van de regiovisies ook
wordt gesproken met de GI’s en er specifiek aandacht is voor de groep kinderen die
in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel en/of onveiligheid jeugdhulp nodig
hebben is vanzelfsprekend.
• Verbeteren kwaliteit hulpverlening – De Hervormingsagenda heeft «Kwaliteit en Blijvend
leren». Het Toekomstscenario heeft Kennis en Leerinfrastructuur. We proberen deze
beide trajecten zo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten en te versterken.
Mogelijk komen er in de toekomst meer thema’s bij. Dit is ook afhankelijk van het
verdere verloop van het Toekomstscenario dat verder wordt ontwikkeld in 10 proeftuinen
(vanuit de praktijk) en de veranderstrategie. De veranderstrategie wordt met alle
partners ontwikkeld en is in februari op hoofdlijnen klaar. Daarbij is het van belang
om ook in het oog te houden dat het Toekomstscenario zich richt op veiligheidsproblematiek
van 0 tot 100, terwijl de Hervormingsagenda zich richt op jeugdigen. Dat maakt op
onderdelen volledig opgaan of samenvoegen ingewikkeld en soms ook niet mogelijk. Ondertussen
wordt ook – waar nodig – de verbinding gelegd met andere trajecten, zoals het Actieprogramma
Mentale gezondheid, het netwerk Zorg-Straf en IZA/AZWA.
N.a.v. de oproep om aan te sluiten bij de behoeften van de doelgroep vinden wij het
belangrijk te melden dat in het kader van de Hervormingsagenda (vertegenwoordigers van) jongeren, ervaringsdeskundigen en ouders (kunnen)
aansluiten bij relevante overleggen. Op deze manier kunnen zij direct hun inbreng
leveren en kan zoveel mogelijk worden aangesloten bij hun behoeften en de uitdagingen
waar zij tegenaan lopen. In het kader van het Toekomstscenario zijn ervaringsdeskundigen
betrokken bij zowel het landelijk programmateam als in proeftuinen en regio’s. Ook
is een meedenkgroep van professionals betrokken die in verschillende landelijke projecten
het praktijkperspectief inbrengen.
Motie Westerveld (GL-PvdA) over onderbouwing extra bezuinigingen op de jeugdzorg vanaf
2028 cijfermatig en naar het advies van Van Ark in kaart te brengen of deze reëel,
meetbaar en haalbaar zijn voor begrotingsbehandeling voor het jaar 20267
In 2025 heeft het kabinet aanvullende middelen beschikbaar gesteld voor jeugdzorg
en de terugval in het gemeentefonds: € 3 mld. bij de Voorjaarsnota en nog eens € 728
mln. bij de Miljoenennota. Daarnaast zijn in de Voorjaarsnota aanvullende maatregelen
afgesproken die vanaf 2028 zijn ingeboekt: trajectduur (€ 68 mln.), indexatie besparingsopgave
HA (€ 507 mln.) en eigen bijdrage (€ 260 mln.).
Trajectduur
Wat betreft trajectduur is in de Voorjaarsnota 2025 afgesproken dat Rijk en gemeenten
met de sector afspraken gaan maken over hoe er beter gestuurd kan worden op trajectduur
en zorgintensiteit door o.a. te monitoren en te benchmarken, met de sector afspraken
te maken over trajectduur aan de voorkant, supervisie gericht op afronding en meer
inzet informele steunfiguren. In 2023 heeft AEF een verkenning uitgevoerd naar het
verminderen van de behandelduur in de jeugdzorg en heeft verschillende maatregelen
gekwantificeerd. Deze maatregelen raken aan of overlappen met elkaar en/of de eerder
gemaakte afspraken. In de Voorjaarsnota is € 68 mln. als besparingsopgave opgenomen.
Indexeren besparingsopgave
De besparingsopgave van de Hervormingsagenda is in prijs- en volumepeil 2019 ingeboekt.
De uitgaven zijn sindsdien met een factor van bijna 1,5 gestegen: van € 5,4 mld. in
2019 naar een prognose van € 8,1 mld. in 2024. Deze factor is gebruikt om de besparingsopgave
van de Hervormingsagenda te herijken. Om te borgen dat deze besparingsopgave wordt
gehaald zijn met de VNG afspraken gemaakt over het versterken van de beheers- en inhoudelijke
maatregelen uit de Hervormingsagenda.
Eigen bijdrage
Het wetsvoorstel wordt op dit moment met de grootst mogelijke zorgvuldigheid uitgewerkt,
met oog voor kwetsbare gezinnen en kinderen. Naar verwachting zal het wetsvoorstel
in januari 2027 bij de Kamer worden ingediend.
Bij de bepaling van het besparingsbedrag is gekeken naar de eerder berekende bandbreedte
in het rapport Stelsel in Groei (2020). Voor de maximale variant van een inkomensafhankelijke
bijdrage werd in dit rapport een besparing van 0,8 tot 1,2 miljard euro verwacht.
Op basis van de vormgeving in dit onderzoek zijn aanvullende berekeningen gemaakt
voor verschillende opties van een eigen bijdrage, die variëren in de mate van inkomensafhankelijkheid
en de vormen van jeugdhulp waarvoor wel en geen eigen bijdrage geldt. Daarbij is gebruik
gemaakt van aanvullende cijfers van het CBS over inkomens en vermogens van gezinnen
die gebruik maken van jeugdhulp, van recente onderzoeken naar de landelijk kosten
van jeugdhulp en van wetenschappelijke literatuur over de effecten van eigen bijdragen
op het gebruik van (jeugd)zorg. Ook is rekening gehouden met samenloop met de besparingsopgave
van andere trajecten zoals de HA, die de potentiële opbrengst van een eigen bijdrage
verminderen, en met uitvoeringskosten.
Op dit moment wordt de vormgeving van de eigen bijdrage nader uitgewerkt ten behoeve
van het in te dienen wetsvoorstel. De keuzes die worden gemaakt ten aanzien van de
reikwijdte van de eigen bijdrage en van de mate van inkomens- en vermogensafhankelijkheid
zullen worden toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Uiteraard
is hierbij oog voor kwetsbare gezinnen en kinderen.
Daarnaast zijn er moties aangenomen die gaan over de uitwerking van specifieke maatregelen
onder de Hervormingsagenda:
Motie Westerveld (GL-PvdA) over bij uitwerking van het wetsvoorstel over de reikwijdte
van jeugdhulp de inhoud als uitgangspunt nemen in plaats van de bezuinigingsdoelstellingen8
De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, heeft toegezegd het wetsvoorstel reikwijdte
in 2026 aan te bieden aan uw Kamer (toezegging 12202) en bij de uitwerking de inhoud
als uitgangspunt te nemen in plaats van de bezuinigingsdoelstelling. De uitwerking
van het wetsvoorstel en aanpalende onderwerpen ten aanzien van het thema reikwijdte
is in volle gang. Er vinden intensieve gesprekken plaats met het veld en andere experts
om het wetsvoorstel aan te laten sluiten bij de beoogde doelen en waar mogelijk aan
te scherpen ten aanzien van de beoogde daling van het gebruik van individuele jeugdhulp.
In dit proces staan inhoud en zorgvuldigheid voorop. Het streven is om te komen tot
een voorstel dat inhoudelijk bijdraagt aan de beoogde doelen en voldoende draagvlak
heeft in het veld om tot effectieve uitvoering te kunnen komen.
Het wetsvoorstel staat niet op zichzelf maar is onderdeel van een bredere pallet aan
maatregelen gericht op het verminderen van de behoefte aan jeugdhulp. Het draagt bij
aan een sterke pedagogische basis, stevige lokale teams en het terugdringen van aanvullende
(specialistische) jeugdhulp. (Pedagogische) basisvoorzieningen, basishulp (vrij toegankelijke
jeugdhulp) en aanvullende jeugdhulp worden in de Jeugdwet duidelijker onderscheiden.
Ook wordt het uitgangspunt verankerd dat aanvullende hulp alleen wordt ingezet wanneer
dat nodig is en dat basishulp voorliggend is aan aanvullende jeugdhulp. Er wordt ingezet
op een sterke eerste lijn. Daarom is onderdeel van het wetsvoorstel dat iedere gemeente
verplicht een stevig lokaal team heeft, waar inwoners laagdrempelig terecht kunnen
met hun opgroei-, opvoedvragen en vragen over mentale gezondheid. Het lokale team
dient ook zelf basishulp te bieden. We streven ernaar het wetsvoorstel inclusief aanscherpingen
zo spoedig mogelijk in consultatie te brengen, het streven is begin volgend jaar.
De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport zegt toe eind 2025 uw Kamer te informeren
over de resultaten van het onderzoek bij gemeenten naar de ondersteuning voor jeugdigen
met een levenslange en levensbrede ondersteunings- en zorgvraag.
Het onderzoek bij gemeenten naar de ondersteuning voor jeugdigen met een levenslange
en levensbrede ondersteunings- en zorgvraag bevindt zich in de afrondende fase. Over
de uitkomsten wordt u nader geïnformeerd.
Motie van de leden Dobbe (SP) en Synhaeve (D66) over samen met jeugdhulpmedewerkers,
jeugdhulpaanbieders en gemeenten uniforme toetsingskaders voor jeugdhulpaanbieders
opstellen9
Naar aanleiding van deze motie is recent een onderzoek uitgevoerd door A-INSIGHTS
om de data-uitvragen van gemeenten in kaart te brengen en op basis daarvan te beoordelen
of standaardisatie wenselijk en haalbaar is en hoe deze kan worden vormgegeven. De
aanbevelingen en bevindingen van het onderzoek worden de komende periode nader verkend,
waarbij o.a. wordt gekeken waar overlap zit of aansluiting gezocht kan worden bij
lopende trajecten (zoals het ontwikkelen van een standaard kostprijsberekening en
uniforme uitvraag van outcome-indicatoren). Dit onderzoek wordt met het onderzoek
«productstructuur» in bijlage 3 verder toegelicht en meegezonden als bijlage bij deze
brief.
Bijlage 2 – Overige moties en toezeggingen
Ook op andere onderwerpen op het terrein Jeugd is voortgang te melden op de uitvoering
van enkele moties en toezeggingen. Onderstaand gaan wij in op:
• Onafhankelijk onderzoek naar de ZIKOS-afdelingen.
• Voortgang erkenningstraject gesloten jeugdhulp incl. ZIKOS.
• Motie Perin-Gopie (Volt) c.s. over standaard toepassen van de Kinderrechtentoets bij
wetsvoorstellen over jeugdzorg.
• Motie Westerveld (GL-PvdA) over het zorgen dat er uiterlijk over een jaar geen tekortkomingen
meer zijn waarbij kinderrechten worden geschonden en de Kamer proactief te informeren
als dit niet lukt.
• Motie van de leden Stoffer (SGP) en Ceder (CU) over maatregelen om uitholling van
het recht op keuzevrijheid en identiteitsgebonden jeugdzorg tegen te gaan.
• Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over het verbeteren van de jeugdzorginfrastructuur
op Bonaire, Saba en Sint Eustatius (hierna: BES) en het harmoniseren van de rechtspositie
van jongeren bij strafzittingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden.
• Toezegging om het Nederlands Jeugdinstituut (hierna: NJI) te vragen om beschikbare
kennis, praktijkervaring en ervaringsdeskundigheid over toegepaste gedragsanalyse
(hierna: ABA) bij elkaar te brengen en de bevindingen te delen.
• Motie van den Hil (VVD) c.s. over het samen met gemeenten en Valente verkennen welke
knelpunten en oplossingen te formuleren zijn voor kinderen die met hun ouder in een
opvanghuis verblijven.
• De motie van de leden Bruyning (NSC) en Tielen (VVD) over onderzoek naar fraude met
valse ervaringscertificaten binnen het SKJ-register
Onafhankelijk onderzoek naar de ZIKOS-afdelingen
Eerder is u toegezegd de aanbeveling uit het rapport «Eenzaam gesloten» van Jason
Bhugwandass over te nemen om onafhankelijk onderzoek te doen naar de ZIKOS-afdelingen.10 Vervolgens bent u geïnformeerd in de voortgangsbrief jeugd van november 2024 dat
dit onderzoek vraagt om zorgvuldigheid en het omvangrijker bleek dan aanvankelijk
voorzien en moest worden aanbesteed.11
Helaas moet de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport u nu melden dat het niet
mogelijk blijkt om het toegezegde onderzoek naar de ZIKOS-afdelingen goed uit te voeren.
Na het rapport «Eenzaam gesloten» van Jason Bhugwandass en naast het onderzoek van
de inspectie en het zelfonderzoek dat de voormalig ZIKOS-instellingen hebben gedaan,
was het de bedoeling met onafhankelijk onderzoek rode draden op te halen om daar beleidsmatig
van te leren. Naast studie van beleidsstukken, richtlijnen en protocollen vormen de
dossiers daarvoor een belangrijke bron van informatie. De onafhankelijk onderzoekers
gaven aan dat het mogelijk is dossieronderzoek te doen met privacy-waarborgen, en
dat dit kan zonder expliciete toestemming van oud-cliënten. Daarmee wordt voorkomen
dat er een, wetenschappelijk gezien, onverantwoord selectie-effect optreedt en hoeven
betrokkenen niet direct belast te worden met mogelijke herbeleving tot gevolg.
Er zijn intensieve gesprekken gevoerd met de instellingen die voorheen een ZIKOS-afdeling
hadden, over welke privacy-waarborgen de onderzoekers konden bieden. Zo hebben de
onderzoekers vooronderzoek laten doen door een Medisch Ethische Commissie waaruit
bleek dat voor dergelijk dossieronderzoek geen toestemming vereist is. De dossiers
zouden voor verwerking worden gepseudonimiseerd en er wordt geen herleidbare informatie
naar buiten gebracht.
Dit heeft echter de instellingen niet kunnen overtuigen dat zij, gegeven de kaders
van de privacy-wetgeving, samen met het beroepsgeheim, de verantwoordelijkheid kunnen
dragen om de onderzoekers toegang te verlenen tot inzage in de dossiers.
Aangezien een dergelijk onderzoek dan gemankeerd is geeft het onvoldoende nieuwe informatie,
naast wat al is onderzocht. Onderzoek na expliciete toestemming vormt volgens de onderzoekers
een aantasting van de integriteit en onafhankelijkheid van het onderzoek. De Staatssecretaris
Jeugd, Preventie en Sport moet helaas concluderen dat het beoogde onafhankelijk onderzoek
door het ingenomen standpunt van de instellingen niet uitvoerbaar is. De medewerking
van de betrokken instellingen is een voorwaarde. De Staatssecretaris Jeugd, Preventie
en Sport moet tot grote spijt concluderen dat zij geen mogelijkheden heeft om medewerking
af te dwingen en kan dus niet voldoen aan de toezegging van onafhankelijk onderzoek.
Inmiddels zijn, zoals aan uw Kamer gemeld, de ZIKOS-afdelingen gesloten. Met de informatie
die de afgelopen jaren wel beschikbaar is gekomen en de lessen die hieruit zijn getrokken,
wordt hard gewerkt aan het verbeteren van de omstandigheden in de jeugdzorg en de
gesloten jeugdhulp in het bijzonder.
Voortgang erkenningstraject gesloten jeugdhulp incl. ZIKOS
VWS voert met een delegatie van aanbieders van gesloten jeugdhulp met jongeren en
oud-cliënten gesprekken over erkenning van leed dat zij hebben ervaren in de gesloten
jeugdhulp, zoals u in de vorige voortgangsbrief is gemeld.12
Onderdeel van deze gesprekken is welke invulling excuses en erkenning kan krijgen
en welke rol verschillende partijen hierbij hebben. Met de jongeren, vertegenwoordigd
in ExpEx, zijn we daarnaast ook in gesprek geweest over de invulling van het amendement
Westerveld13 voor steun en hulp aan jongeren en slachtoffers. In oktober jl. zijn op advies van
de betrokken jongeren een zestal pilotprojecten gestart, waarmee uitvoering wordt
gegeven aan het amendement. Bij de uitvoering van deze pilotprojecten zijn de jongeren
nauw betrokken. Deze pilotprojecten voorzien in concrete activiteiten waarmee steun
en hulp aan jongeren wordt geboden en geven beleidsmatige input voor het nader invullen
van bredere erkenning en herstel.
Motie Perin-Gopie (Volt) c.s. over standaard toepassen van de Kinderrechtentoets bij
wetsvoorstellen over jeugdzorg14
en
Motie Westerveld (GL-PvdA) over het zorgen dat er uiterlijk over een jaar geen tekortkomingen
meer zijn waarbij kinderrechten worden geschonden en de Kamer proactief te informeren
als dit niet lukt15
Het lid Westerveld (GL-PvdA) heeft de regering verzocht om samen met jeugdzorgaanbieders
voortvarend te werken aan oplossingen om schendingen van kinderrechten te voorkomen,
waarbij voortdurende inzet nodig is om het Kinderrechtenverdrag na te leven. Hoewel
het nog niet altijd lukt om voor de meest kwetsbare kinderen tijdig passende hulp
te organiseren, wordt via onder andere de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario
kind- en gezinsbescherming gewerkt aan verbetering van de jeugdzorg en worden tekortkomingen
samen met de sector aangepakt.
Een belangrijke stap om kinderrechten te borgen is het toepassen van de kinderrechtentoets.
Op 30 september 2025 heeft het lid Perin-Gopie (Volt) de regering verzocht om bij
alle toekomstige wetsvoorstellen over jeugdzorg standaard de Kinderrechtentoets toe
te passen, de uitkomsten daarvan op te nemen in de memorie van toelichting en de Eerste
Kamer voor het kerstreces te informeren over de implementatie hiervan. Het kabinet
is positief over de ontwikkeling van de kinderrechtentoets door de Kinderombudsman.
Bij toekomstige wetgeving over de jeugdzorg zal in de memorie van toelichting worden
opgenomen hoe kinderrechten – en daarmee het belang van het kind als eerste overweging
– zijn meegenomen.
De komende periode zal moeten blijken of de kinderrechtentoets in de praktijk goed
uitvoerbaar is binnen beleidsvorming en wetgevingstrajecten. Daarom wordt de toets
nu toegepast bij enkele wets- en beleidstrajecten, waaronder het wetsvoorstel Reikwijdte
en de wetswijziging om, onder strikte voorwaarden, nachtelijke insluiting binnen de
gesloten jeugdhulp toe te staan. Als vast onderdeel van de kinderrechtentoets heeft
onlangs een gesprek plaatsgevonden met jongeren over het wetsvoorstel. Ook bij het
traject om te verkennen wat de mogelijkheden zijn om het klachtrecht te versterken
in het jeugdzorgdomein zijn de eerste stappen van de kinderrechtentoets doorlopen.
Een belangrijk onderdeel, het in gesprek gaan met kinderen zelf, staat gepland voor
Q1 2026.
Daarnaast wordt op dit moment samen met andere departementen bezien of in het Beleidskompas
aandacht voor belangen van groepen mensen die in besluitvormingsprocessen vaak minder
goed vertegenwoordigd zijn, zoals kinderen, versterkt kan worden. Hierbij wordt ook
de kinderrechtentoets betrokken. Na het afronden van bovenstaande trajecten zullen
de Kamers een update ontvangen over de implementatie van de kinderrechtentoets.
Motie van de leden Stoffer (SGP) en Ceder (CU) over maatregelen om uitholling van
het recht op keuzevrijheid en identiteitsgebonden jeugdzorg tegen te gaan16
In de Jeugdwet, artikel 2.3, vierde lid, staat dat gemeenten verplicht zijn om bij
de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening te houden met de godsdienstige
gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn
ouders. Deze bepaling vestigt overigens geen recht op keuzevrijheid voor individuele
jeugdigen en/of hun gezinnen, maar ziet op een verplichting voor gemeenten bij de
uitvoering van de jeugdwet.
De wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg die per 1 januari 2026 in werking treedt
brengt geen wijzigingen met zich mee in deze verplichting voor gemeenten.
Gemeenten worden daarnaast onder andere verplicht om een regiovisie op te stellen.
Deze regiovisie dient zodanig concreet te zijn, dat die vertaald kan worden naar de
(regionale) organisatie en inkoop van de specialistische jeugdzorg en zo bij te dragen
aan een dekkend zorglandschap. Het ligt voor de hand dat gemeenten daarbij ook een
relatie leggen met de (verwachte) vraag naar jeugdzorg en de behoefte van jeugdigen
en gezinnen in hun verzorgingsgebied.
Naar aanleiding van de motie van de leden Stoffer en Ceder over maatregelen om uitholling
van het recht op keuzevrijheid en identiteitsgebonden jeugdzorg tegen te gaan is met
vertegenwoordigers van gemeenten en jeugdzorgaanbieders besproken hoe gemeenten in
de praktijk omgaan met de inkoop van identiteitsgebonden zorg. Daarbij werd door zowel
gemeenten als aanbieders aangegeven dat in hun ervaring gemeenten zich bewust zijn
van de wettelijke verplichting om waar mogelijk rekening te houden met de godsdienstige
gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en
zijn ouders. In de praktijk zien zij dan ook dat gemeenten jeugdhulp inkopen bij aanbieders
met een diversiteit aan culturele en levensbeschouwelijke achtergronden.
In het kader van de ondersteuning van gemeenten bij de wet verbetering beschikbaarheid
jeugdzorg wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de regiovisie en de wijze waarop
gemeenten de behoefte van jeugdigen en gezinnen in de regio kunnen voorvertalen naar
de daaruit voortvloeiende inkoop.
Motie van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over het verbeteren van de jeugdzorginfrastructuur
op Bonaire, Saba en Sint Eustatius (hierna: BES) en het harmoniseren van de rechtspositie
van jongeren bij strafzittingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden17
Naar aanleiding van het tweeminutendebat justitiële jeugd op 4 september 2025 is een
motie aangenomen van de leden Bruyning (NSC) en Ceder (CU) over het verbeteren van
de jeugdzorginfrastructuur op Bonaire, Saba en Sint Eustatius (hierna: BES) en het
harmoniseren van de rechtspositie van jongeren bij strafzittingen binnen het Koninkrijk
der Nederlanden, met het verzoek de Kamer hierover voor het einde van het jaar te
informeren (TK, 2024–2025, 24 587, nr. 1066). Hierbij voldoet de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport aan dit verzoek,
mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van het Ministerie van
Justitie en Veiligheid (JenV) omdat de rechtspositie jongeren onder zijn verantwoordelijkheid
valt.
Jeugdzorg Caribisch Nederland
De beschreven tekortkomingen in de motie over de jeugdzorg in Caribisch Nederland
(CN) zijn grotendeels herkenbaar, waarvan een aantal ook bleken uit het onderzoek
«Tussen Werelden» van de Rijksuniversiteit van Groningen in 2022. Dit rapport is in
de Kamerbrief van 13 mei 2022 aan de Tweede Kamer aangeboden18.
Naar aanleiding van dit rapport zijn er de afgelopen jaren stappen gezet in uitbreiding
en verbetering van het jeugdzorgaanbod zodat er enkel voor zeer specialistische jeugdzorg
naar Europees Nederland hoeft te worden uitgeweken:
• Elk Openbaar Lichaam heeft een jeugdbeleid ontwikkeld en er zijn lokale teams ingericht
waar onder andere opvoedondersteuning is belegd.
• Vanaf 2022 is er een intensieve systemische aanpak ontwikkeld om gezinnen met meervoudige
problematiek langer en beter te ondersteunen. De 2 jarige pilot «Famia Fuerte» is
eind 2024 gestart en biedt intensieve ambulante hulp vanuit een integraal team van
professionals van verschillende organisaties. Het aanbod heeft als doel dat alle gezinsleden
veilig thuis kunnen (blijven) wonen. De voorlopige resultaten zijn positief.
• Sinds 2023 wordt Stichting Project ondersteund door het Verweij Jonker Instituut bij
de doorontwikkeling naar een residentiele behandelsetting waarbij specifiek aandacht
is voor deskundigheidsbevordering en personeel, een aanpak die aansluit bij de diverse
doelgroep en samenwerking in de keten. De kwaliteit van zorg binnen Stichting Project
is sindsdien aanzienlijk verbeterd, zo ziet ook de Inspectie Gezondheidszorg Jeugd
(IGJ).
Hoe nu verder?
De verwachting is dat Famia Fuerte een toevoeging kan zijn in het structurele aanbod
op de BES, wat uit onderzoek in 2026 zal moeten blijken. Ook zal Stichting Project
de lijn van verbetering door moeten zetten om toe te werken naar een met EUNL gelijkwaardig
niveau van residentiële zorg. Hiervoor zijn vanaf 2025 extra structurele middelen
beschikbaar gesteld en zowel Zorg Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) en de IGJ monitoren
de verbeteringen nauw. En er wordt ingezet op de verdere versteviging van de lokale
teams; bijvoorbeeld op Bonaire op een laagdrempelig aanbod van activiteiten voor jongeren
in de wijken. Daarmee zijn we er echter nog niet.
Om de kansen voor jeugdigen op de BES- eilanden verder te verbeteren zet de Staatssecretaris
Jeugd, Preventie en Sport ook in op:
1. Jeugdzorg met verblijf
In 2025 is er door Rosa di Sharon, de instelling die al ruim 15 jaar kwalitatieve
opvang en begeleiding biedt op de BES een plan ingediend voor gezinshuis «Ka’i Famia».
Het plan voorziet in opvang van kinderen vanaf 6 jaar in een zo thuis mogelijke situatie,
die niet meer thuis kunnen wonen en met te complexe problematiek voor pleegzorg. Hier
kunnen zij veilig opgroeien en met behulp van specialistische begeleiding verder ontwikkelen.
Er wordt nu gewerkt aan de invulling van de (financiële) randvoorwaarden van het plan
zodat gestart kan worden met realisatie van dit aanbod wat nu nog ontbreekt in Caribisch
Nederland en waar wel grote behoefte aan is.
Op Saba en St. Eustatius zijn lokale (eerstelijns) teams, tweedelijns jeugdzorg en
is pleegzorg beschikbaar. Er zal in 2026 verder worden verkend welke doelgroep, behoefte
en mogelijkheden er zijn als het gaat om jeugdzorg met verblijf specifiek voor Saba
en St. Eustatius. Deze verkenning is nodig om besluiten te nemen en/of samenwerkingen
in de regio beter te kunnen onderzoeken.
2. Deskundig personeel
Het is op de eilanden een uitdaging om gekwalificeerd personeel te vinden en langdurig
te binden aan (jeugdhulp)organisaties. Hoe specialistischer de benodigde kennis en
vaardigheden, zoals nodig is voor de begeleiding en behandeling van jeugdigen met
complexe problematiek, hoe moeilijker dit is.
Jeugdzorg CN werkt doorlopend aan scholing en deskundigheidsbevordering van jeugdprofessionals
vanuit de eigen Jeugdzorgacademie, met lokale jeugdketenpartners maar ook met bijvoorbeeld
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, waar sinds 2019 een samenwerking mee is. Ook het
Verweij Jonker Instituut zet met het actie onderzoek bij Stichting Project in op coaching
on the job, intervisie en scholing.
Tevens zullen (jeugd)zorg en welzijnsorganisaties de krachten bundelen om gezamenlijk
de uitdagingen rondom de arbeidsmarkt het hoofd te bieden met een arbeidsmarktplatform
vanaf 1 januari 2026. Het doel is personeel gezamenlijk op te leiden en bij te scholen.
Daarnaast zijn er voor beide residentiele instellingen voornemens om aan te sluiten
bij de CAO ZORG BES om zo de concurrentie op de arbeidsmarkt te minimaliseren.
3. Jeugdzorgstructuur
Jeugdzorg in Caribisch Nederland verschilt van jeugdzorg in Europees Nederland. Zo
is er sprake van een verantwoordelijkheidsverdeling, waarbij de Openbare Lichamen
verantwoordelijk zijn voor preventie en eerstelijns ondersteuning en VWS (ZJCN) voor
tweedelijns ondersteuning, de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en pleegzorg
(2e lijn) en de residentiele instellingen (3e lijn). De manier waarop dit is georganiseerd maakt het mogelijk om maatwerk te leveren
wat vaak nodig is in de kleinschalige context van de eilanden.
De verantwoordelijkheidsverdeling en de uitgangspunten voor de inzet van jeugdzorg
in CN zijn uitgewerkt in Bestuurlijke Afspraken Jeugdzorg die gelden vanaf juni 2023.
Er loopt op dit moment een evaluatie naar deze afspraken waarmee een volgende stap
kan worden gezet in de (verbetering van de) organisatie en het aanbod van jeugdzorg
in CN. Zo wil de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport de uitkomsten van de evaluatie
inzetten om het aanbod van de lokale teams en Jeugdzorg CN inzichtelijk te maken,
beter op elkaar aan te laten sluiten en duidelijke onderlinge samenwerkingsafspraken
maken welke in 2026 worden vastgelegd en tevens worden gemonitord door de IGJ.
Het inzetten van (jeugd)hulp in de thuissituatie werkt het beste als dit in samenwerking
en afstemming is met de verschillende leefwerelden van kinderen zoals de kinderopvang,
het onderwijs en naschoolse voorzieningen. Een doorlopende lijn in de ontwikkeling
van de jeugdige is het uitgangspunt en vanuit dat oogpunt wordt er dan ook continu
en structureel ingezet op nauwe samenwerking met SZW en OCW bijvoorbeeld voor kinderen
met een ondersteuningsbehoefte in de kinderopvang (in het kader van het Bes(t)4Kids
programma) en bij zorg in onderwijstijd.
Rechtspositie van jongeren bij strafzittingen binnen het Koninkrijk (JenV)
In het tweede deel van de motie wordt verzocht te onderzoeken hoe de rechtspositie
van jongeren bij strafzittingen binnen het Koninkrijk kan worden geharmoniseerd met
de Europees Nederlandse standaard. In Caribisch Nederland en de andere landen binnen
het Koninkrijk zijn jeugdstrafzittingen vanaf 16 jaar in beginsel openbaar, terwijl
deze in Europees Nederland standaard besloten zijn.
Waar het gaat om de BES-eilanden wijst de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
op het onderzoek dat het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (WODC) in 2025
op verzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) is gestart naar de
werking van het jeugdstrafrecht op de BES-eilanden. Dit onderzoek richt zich op het
in kaart brengen van juridische en organisatorische knelpunten van het jeugdstrafrecht
BES en beoordeelt in hoeverre het huidige wettelijke kader aansluit bij de pedagogische
en resocialiserende doelstellingen van een uitvoerbare strafrechtspleging voor jeugdigen.
Daarnaast beoogt het onderzoek aanbevelingen te formuleren voor mogelijke aanpassingen
in wetgeving en uitvoering, met als doel de effectiviteit en uitvoerbaarheid van het
jeugdstrafrecht BES te versterken. Of de wetgeving met betrekking tot de BES-eilanden
op het punt waar de motie op doelt aanpassing behoeft wil het Ministerie van JenV
beoordelen in het licht van de uitkomsten van dit onderzoek De resultaten zijn naar
verwachting medio 2026 beschikbaar.
Voor Curaçao, Aruba en Sint-Maarten (hierna: CAS-landen) geldt dezelfde leeftijdsgrens
als op de BES-eilanden als het gaat om de openbaarheid van zittingen. De CAS-landen
zijn autonome landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden en zelf verantwoordelijk
voor de regelgeving op dit terrein en kunnen dus zelf de leeftijdsgrens bepalen. Uiteraard
kunnen ze gebruik maken van de uitkomsten van het WODC-onderzoek zodra deze beschikbaar
zijn. Afhankelijk van de resultaten van het WODC-onderzoek voor de BES-eilanden en
de reactie van JenV daarop, is de Staatssecretaris van JenV, indien gewenst en gevraagd
door de autonome landen, bereid het gesprek te voeren over een uniforme norm op het
gebied van de beslotenheid van jeugdstrafzittingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden.
Beleidsreactie op het rapport van NJi over ABA
In de Kamerbrief van 26 november 202419 is uw Kamer geïnformeerd over stand van zaken ABA (Applied Behavior Analysis) en
is daarin aangegeven dat het NJi is gevraagd om beschikbare kennis, praktijkervaring
en ervaringsdeskundigheid over ABA bij elkaar te brengen en de bevindingen te delen.
Het NJi heeft haar rapport hiertoe op 26 november jongst leden gepresenteerd. In dit
rapport brengt het NJi de verschillende perspectieven en nuances rondom de ABA-behandelingen
in beeld.20
Het NJi concludeert dat het begrip ABA diffuus is. Er kan niet gesproken worden over
een aparte behandeling; de onderliggende principes worden gebruikt in een groot scala
aan behandelingen en kunnen een deel zijn van elke opvoeding. Het wordt bij verschillende
doelgroepen, voor verschillende doelen en op verschillende manieren ingezet. Het is
hierdoor niet mogelijk uitspraken te doen over een verbod of regulering. Het vraagstuk,
zo concludeert NJi ligt niet zo zeer bij de gebruikte techniek, maar bij hoe deze
wordt toegepast en het doel waarvoor de techniek wordt gebruikt.
In het rapport concludeert NJi daarnaast dat behandelaren en ervaringsdeskundigen
het eens zijn over dat:
• Straffen nooit een onderdeel zou mogen zijn van een behandeling
• De behandeling het welzijn moet vergroten
• De behandeling niet gericht moet zijn op het maskeren van kenmerken die bij autisme
horen.
NJi geeft aan dat deze principes vragen om concrete vertaling. Vooral bij het laatste
punt is namelijk niet altijd evident wat het welbevinden vergroot en of een behandelaar
dat goed in kan schatten. Op basis daarvan doet het NJi in het rapport een aantal
aanbevelingen. Deze richten zich op de ontwikkeling van een ethisch kader dat voor
professionals die met kinderen met autisme werken en ontwikkeling van kwaliteitskaders en
handreikingen voor een passende uitvoeringspraktijk.
Hoe nu verder?
Wij zien deze aanbevelingen als een duidelijke oproep tot verdere professionalisering
van de behandeling van kwetsbare kinderen, en in het speciaal kinderen met autisme.
Er is behoefte aan meer ondersteuning voor de professionals die met deze kinderen
werken. Uitwerking hiervan vraagt een langere adem en legt een opgave neer bij de
samenwerkende partijen in de jeugdhulp. Deze zijn verenigd in de vijfhoek van de Hervormingsagenda
en, als onderdeel daarvan, Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). KBL heeft als opdracht
om met vijfhoekpartners/veldpartijen de kwaliteit van jeugdhulp te verbeteren en het
leren te versterken. Partners in KBL werken aan een gedragen fundament van kwaliteit
voor de jeugdhulp en aan vereenvoudiging en harmonisatie van bestaande richtlijnen
en kwaliteitskaders. Daarnaast hebben zij een Leeragenda opgesteld waarin zij een
achttal leerlijnen hebben geprioriteerd voor het komende jaar waaronder het verbeteren
van de kwaliteit van ambulante jeugdhulp.
We hebben KBL gesproken over de conclusies van het NJi. KBL wil een stimulerende en
faciliterende rol vervullen in een traject met veldpartijen gericht op normering en
kwaliteitsverbetering van ABA gerelateerde technieken en werkwijzen. Op basis van
bereidheid van betrokken partijen wil KBL werken aan een basisnorm ten aanzien van
tot ABA gerelateerde technieken en werkwijzen. Dit met voortdurend goede betrokkenheid
van cliënten- en ervaringsperspectief en van professionals. In dit traject wordt de
uitwerking van een ethisch kader betrokken en is er aandacht voor welke criteria gemeenten
kunnen hanteren voor inkoop. Dit kan uiteindelijk leiden tot een nieuwe veldnorm voor
ABA. Daarna kan met behulp van zorgevaluaties duidelijk worden onder welke omstandigheden
deze zorg meerwaarde heeft.
Voor de korte termijn adviseert NJI zorgaanbieders zeer kritisch te kijken naar het
aanbod dat zij bieden en daar ervaringsdeskundige professionals op te laten adviseren.
Daarnaast adviseert NJi gemeenten om met de aanbieders die zorg leveren aan kinderen
met autisme in overleg te treden over of ze ABA-interventies gebruiken en hoe ze invulling
geven aan de drie eerdergenoemde principes. Tevens adviseert NJI de gemeenten te zorgen
voor voldoende verscheidenheid aan aanbod, zodat ouders en kinderen zelf beter kunnen
bepalen welke zorg het beste past bij hun vraag. VWS is met de VNG, BGZJ en SBJ in
gesprek over deze aanbevelingen.
Motie van den Hil (VVD) c.s. over het samen met gemeenten en Valente verkennen welke
knelpunten en oplossingen te formuleren zijn voor kinderen die met hun ouder in een
opvanghuis verblijven21
Deze motie verzoekt de regering verzoekt om samen met de gemeenten en Valente te verkennen
welke knelpunten en oplossingen te formuleren zijn voor kinderen die met hun ouder
in een opvanghuis verblijven. Op dit moment is VWS met de betrokken partijen, waaronder
Valente, bezig met een verkenning. De verkenning focust op dit moment op een nadere
analyse van casuïstiek om een
scherper beeld te krijgen van de knelpunten en de oorzaken en daaropvolgend oplossingsrichtingen.
De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport verwacht in het voorjaar 2026 hier meer
zicht op te hebben.
De motie van de leden Bruyning (NSC) en Tielen (VVD) over onderzoek naar fraude met
valse ervaringscertificaten binnen het SKJ-register22
De motie verzoekt de regering om grondig onderzoek te (laten) doen naar de oorzaken,
aard en omvang van de fraude met valse ervaringscertificaten binnen het SKJ-register,
om in samenwerking met relevante instanties maatregelen te treffen die de integriteit
van het SKJ-register versterken en de Kamer nog dit kalenderjaar te informeren over
de bevindingen van het onderzoek en de getroffen maatregelen.
De SKJ onderzoekt de groep die op basis van een EVC-bewijs geregistreerd staat. SKJ
zet tijdelijk extra medewerkers in om het onderzoek voortvarend en zorgvuldig uit
te voeren. Omdat de uitvoering van het onderzoek te bespoedigen, hebben de Staatssecretaris
Jeugd, Preventie en Sport en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hiervoor
financiële middelen aan SKJ verstrekt. Daarnaast heeft SKJ vorig jaar de procedure
voor registratieaanvragen op basis van EVC verscherpt. Deze maatregel houdt in dat
professionals met een registratie-aanvraag op basis van een EVC-bewijs alleen nog
tot het register worden toegelaten wanneer zij voorafgaand aan het EVC-traject bij
SKJ een scholingsadvies hebben aangevraagd.
SKJ bevindt zich als actor buiten het EVC-stelsel. Gezien de fraude in de EVC-keten,
is er ook actie ingezet gericht op het verbeteren van het EVC-stelsel. Zo heeft Jeugdzorg
Nederland(JZ NL) een taskforce EVC opgericht. Hierin nemen naast JZNL en SKJ, o.a.
het arbeidsmarktfonds FCB, VGN, Actiz, NLGGz, VNG, Sociaal Werk Nederland, de IGJ
en VWS aan deel. Partijen werken aan acties om bij te dragen aan een toekomstbestendig
EVC-stelsel. De verwachting is dat hier meer over bekend wordt in het eerste kwartaal
van 2026.
Deze acties zullen gezamenlijk bijdragen aan een Kwaliteitsregister Jeugd met daarin
professionals die voldoen aan de hoge kwaliteitseisen die het vak van jeugdprofessional
vereist.
Bijlage 3 – Aanbieding rapporten
Afgelopen periode zijn diverse rapporten verschenen. Deze rapporten worden met deze
brief meegestuurd. Onderstaand vindt u een korte samenvatting (inclusief een eventuele
beleidsreactie).
• Eindrapportage Aanpak Wachttijden.
• CBS Rapportage Jeugdbescherming en jeugdreclassering 1e halfjaar 2025 & Jeugdhulp 1e halfjaar 2025.
• Rapporten Databehoeften in kaart & De productstructuur als stevig fundament.
• Rapport onderzoek klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein.
Eindrapportage Aanpak Wachttijden
In opdracht van VWS en VNG, startte in het voorjaar van 2021 de Aanpak Wachttijden.
Tot en met eind 2025 werden en worden regio’s ondersteund bij het aanpakken van oorzaken
van wachttijden in de in-, door- en uitstroom van jeugdzorg. Datagedreven werken op
het gebied van wachttijden was ook onderdeel van de ondersteuning. In de eindrapportage
die bij deze brief wordt meegestuurd, wordt de overkoepelende opbrengst van de Aanpak
Wachttijden beschreven. De belangrijkste resultaten zijn als volgt:
– Groot bereik
In totaal zijn 37 van de 42 jeugdzorgregio’s bereikt. 14 regio’s hebben het programma
van de Aanpak Wachttijden doorlopen. Vele andere regio’s hebben delen van het programma
doorlopen of hulp gehad van Team Aanpak Wachttijden om zelfstandig aan de slag te
kunnen met het aanpakken van wachttijden. Daarnaast zijn diverse regio’s actief geworden
in het onderling uitwisselen van kennis en ervaringen, hetzij via het leernetwerk,
hetzij via de leercirkel data.
– Beweging naar meer en beter samenwerken
In de ondersteunde regio’s is een beweging op gang gekomen om meer en beter met elkaar
samen te werken om de oorzaken van wachttijden aan te pakken. Gemeenten, jeugdhulpaanbieders
en andere relevante partijen werken gezamenlijk aan vraagstukken die in die regio
spelen. Hierdoor worden kinderen, jongeren en gezinnen beter en sneller geholpen,
al is dat (nog) niet cijfermatig te onderbouwen. Enkele voorbeelden zijn: aanpak van
complexe scheidingen (Twente), datakwaliteit (Zuid-Kennemerland/IJmond), collectiveren
(Holland-Rijnland), en regionaal afwegingskader en monitor wachttijden (Haaglanden).
– Ontwikkelingen op gebied van data
Naast inzicht in oorzaken van wachttijden, is inzicht in en overzicht van data over
wachttijden noodzakelijk om tot een effectieve aanpak van wachttijden te komen. Aanpak
Wachttijden heeft gewerkt aan een datastrategie met als doel de informatiepositie
van regio’s te versterken en de uniformiteit van data te vergroten. Ook datakwaliteit
is daarbij een aandachtspunt. In regio’s is hierdoor het gesprek gevoerd over het
belang van data en bekijken regio’s hoe ze de sturing op wachttijden met behulp van
data kunnen verbeteren. De ene regio is
daar verder in dan de andere. Echter, voor het onderling kunnen vergelijken van wachttijddata
zijn landelijke standaarden nodig. Daaraan wordt gewerkt in het kader van de Hervormingsagenda.
CBS Rapportage Jeugdbescherming en jeugdreclassering 1e halfjaar 2025 & Jeugdhulp 1e halfjaar 2025
Bijgevoegd bij deze brief ontvangt u de voorlopige CBS-cijfers jeugdzorggebruik over
het eerste halfjaar van 2025.
– Volgens de voorlopige cijfers van het CBS ontvingen minder jongeren jeugdhulp in natura23 in het eerste halfjaar van 2025 dan in het eerste halfjaar van 2024 (390.100 t.o.v.
407.985). Echter, voor de definitieve cijfers wordt verwacht dat het aantal jongeren
met jeugdhulp in natura tot 23 jaar uitkomt op bijna 409.000 jongeren, oftewel een
stijging van 0,2% ten opzicht van het eerste halfjaar van 2024.
– Net als in voorgaande jaren was jeugdhulp zonder verblijf de meest gebruikte vorm van jeugdzorg; hier maakte 95,6% van de jongeren
met jeugdhulp gebruik van. Verder maakte 4,4% van de jongeren met jeugdhulp alléén
gebruik van jeugdhulp met verblijf (t.o.v. 4,7% in het eerste halfjaar van 2024), 4.3% van beide vormen (jeugdhulp
met én zonder verblijf) t.o.v. 4,4% in het eerste halfjaar van 2024, en 91,3% van alléén jeugdhulp
zonder verblijf (t.o.v. 90,9% in het eerste halfjaar van 2024).
– De daling van het aantal jongeren in de jeugdbescherming (OTS en voogdij) zet door,
van 26.71524 op peildatum 30 juni 2024 (definitieve cijfers) naar 25.6702 jongeren op peildatum 30 juni 2025 (voorlopige cijfers); een daling van 3,9%. Het
aantal afgegeven machtigingen uithuisplaatsing is met bijna 2% gedaald naar 7.340
jeugdigen.
– Na de daling van het aantal jongeren met een jeugdreclasseringsmaatregel in de periode
2011 tot 2024, neemt het aantal jongeren sinds 2024 weer toe. Op de peildatum 30 juni
2025 hadden 5.780 jongeren (voorlopige cijfers) een jeugdreclasseringsmaatregel. Op
30 juni 2024 waren dit er 5.455 jongeren (definitieve cijfers)2.
– Gebruik van jeugdzorg (zowel jeugdhulp als jeugdbescherming en jeugdreclassering)
hangt samen met kenmerken van ouders en huishouden. In vergelijking met alle kinderen
in Nederland woont onder jongeren met jeugdhulp een lager percentage van de ouders
op hetzelfde adres, is het aandeel WMO en/of van GGZ huishoudens hoger en is het aandeel
huishoudens met iemand die als verdachte van een misdrijf is aangemerkt hoger. Onder
alle jongeren in de leeftijd van 0 t/m 22 jaar zijn de hoogste percentages jongeren
met jeugdhulp gemeten binnen de 20% laagste huishoudinkomens.
Meer cijfers over andere ontwikkelingen binnen de jeugdzorg vindt u in de bijgevoegde
rapporten.
Rapporten De productstructuur als stevig fundament & Databehoeften in kaart
In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat de inkoop van jeugdzorg vereenvoudigd
wordt door middel van standaardisatie van producten en registratieregels. De prioriteit
ligt bij de inkoop van specialistische jeugdhulp die op regionaal niveau moet worden
ingekocht conform de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. Het vertrekpunt voor
het ontwikkelen van standaarden is een limitatieve en verplichte set van producten.
Hiertoe heeft bureau &Van de Laar begin oktober een advies opgeleverd waarin staat
dat het mogelijk is om te komen tot een beperkte set van basisproducten voor verblijf,
dagbehandeling, ambulante zorg en crisiszorg. Het rapport geeft een bouwtekening die
als basis dient voor verdere standaardisatie. Het belang van standaardisatie wordt
bevestigd in het rapport «Databehoeften gemeenten» van A-INSIGHTS, dat is uitgevoerd
naar aanleiding van de motie Dobbe/Synhaeve. Deze motie ziet toe op het ontwikkelen
van uniforme toetsingskaders voor alle jeugdhulpaanbieders om de administratieve lasten
voor jeugdhulpaanbieders te verlichten. In dit kader hebben wij het onderzoeksbureau
gevraagd in kaart te brengen welke extra informatie (aanvullend op standaardinformatiebronnen)
gemeenten opvragen, waarom deze informatie nodig wordt geacht en in hoeverre deze
uitvragen per gemeente verschillen. Op basis van deze inzichten is beoordeeld of standaardisatie
wenselijk en haalbaar is en hoe deze kan worden vormgegeven.
In het rapport wordt bevestigd dat gemeenten geregeld extra gegevens uitvragen bij
aanbieders, met name gericht op wachttijden, kwaliteit en kostenonderzoeken. Deze
uitvragen leiden volgens aanbieders tot hoge administratieve lasten en onvoorspelbaarheid.
Standaardisatie van definities, registratiestandaarden en kostprijsberekeningen zorgt
er volgens het onderzoek voor dat gemeenten meer zicht op de jeugdzorg kunnen krijgen
via de bestaande databronnen, waardoor er minder reden voor gemeenten is om deze informatie
individueel uit te vragen bij aanbieders. Tegelijkertijd vormt het realiseren van
dergelijke standaardisatie een uitdaging. Meer op de korte termijn wordt aanbevolen
in te zetten op systematische monitoring, handhaving en waarborging van datakwaliteit
waarmee de bruikbaarheid van bestaande informatie voor sturing en verantwoording wordt
vergroot. Daarnaast wordt aanbevolen het bewustzijn en gebruik van bestaande databronnen
te vergroten. De aanbevelingen en bevindingen van het onderzoek worden de komende
periode nader verkend, waarbij o.a. wordt gekeken waar overlap zit of aansluiting
gezocht kan worden bij lopende trajecten (zoals het ontwikkelen van een standaard
kostprijsberekening en uniforme uitvraag van outcome-indicatoren).
Rapport Onderzoek klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein
In de Kamerbrief van 24 april 202425 hebben we uw Kamer geïnformeerd over het voornemen om te verkennen wat de mogelijkheden
zijn om het klachtrecht in de Jeugdwet te verbeteren. Het hierbij aan uw Kamer aangeboden
rapport «Onderzoek klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein
26» geeft een overkoepelend en actueel overzicht van de uitvoeringspraktijken van interne
klachtprocedures bij organisaties in het jeugdzorgdomein27, 28
Het rapport brengt in beeld hoe de klachtbehandeling binnen het brede jeugdzorgdomein
functioneert, welke knelpunten en goede praktijken er zijn en welke verbeteringen
mogelijk zijn om de positie van jeugdigen, ouders en professionals te versterken.
De aanbevelingen in het rapport richten zich op de Ministeries van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en Justitie en Veiligheid, de brancheorganisaties29, de gemeenten en de VNG, Raden van toezicht en cliëntenraden van organisaties in
het jeugdzorgdomein, alsmede op de opleiders en organisaties in het jeugdzorgdomein.
De aanbevelingen hebben onder meer betrekking op:
• Het laten aansluiten van de Jeugdwet en de regelgeving voor Veilig Thuis in de Wmo
2015 (hierna Wmo) bij het klachtrecht in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen
zorg (Wkkgz). De aanbeveling ziet op een onafhankelijke en deskundige geschillencommissie/onafhankelijke
en deskundige klachtencommissie, vaste termijnen voor klachtbehandeling en een klachtenfunctionaris
die de ondersteuning van jeugdigen en ouders bij het indienen van een klacht borgt;
• Het uitbreiden van de kring van klagers die een klacht in kunnen dienen.
• Het ontwikkelen van een sectorbreed actiepakket voor het jeugdzorgdomein met voorbeelden
en tips voor goede klachtafhandeling;
• Het verbeteren van klachtafhandeling in het contractmanagement en toezicht van de
gemeenten;
• Het versterken van het bijscholings- en ontwikkelingsaanbod rondom klachtvaardigheid
voor professionals.
Het klachtrecht in het jeugdzorgdomein is een belangrijke vorm van rechtsbescherming
voor jeugdigen en/of ouders. Daarnaast is essentieel dat organisaties in het jeugdzorgdomein
leren van klachten ter verbetering van de kwaliteit van jeugdhulp en ondersteuning
aan jeugdigen en/of ouders.
Het rapport biedt aanknopingspunten om het klachtrecht te verbeteren. Tegelijkertijd
is het een omvangrijk rapport dat aanbevelingen doet op zowel juridisch gebied als
op de uitvoering. De komende periode gaan we de aanbevelingen nader bestuderen en
in gesprek de betrokken organisaties, zoals met de VNG en de brancheorganisaties.
Wij vinden het daarnaast belangrijk dat de belangen van kinderen goed in beeld zijn
bij het verbeteren van het klachtrecht. Daarom hebben wij zoals aangegeven in de Kamerbrief
van 13 juni 2024 de eerste stappen van de kinderrechtentoets toegepast op dit onderwerp,
namelijk de (mogelijke) belangen van kinderen bij klachtrecht in beeld brengen. Wij
zijn voornemens om het volgende onderdeel van de kinderrechtentoets, kinderparticipatie,
op dit onderwerp te laten plaatsvinden in Q1 2026.
In het voorjaar van 2026 informeren we uw Kamer via de reguliere jeugdzorgbrieven
over de voortgang van de te zetten stappen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid