Brief regering : Onderzoek verschillen commerciële en fiscale jaarrekeningen
31 066 Belastingdienst
Nr. 1524
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 december 2025
Hierbij stuur ik u een ambtelijk rapport over het nadere onderzoek omtrent de verschillen
tussen de commerciële en de fiscale winstberekening. Het rapport geeft gevolg aan
de toezegging die mijn ambtsvoorganger op 20 oktober 2020 heeft gedaan aan de leden
van de fractie van GroenLinks om de conclusie van de Adviescommissie Belastingheffing
van multinationals (ook bekend als de Adviescommissie Ter Haar) aan te vullen met
het beeld over verschillen tussen de twee winstbepalingen.1
Dit onderzoek was aanbevolen in het rapport van die adviescommissie.2 In haar rapport concludeerde de commissie op basis van fiscale gegevens dat de effectieve
belastingdruk voor multinationals niet sterk afweek van die van nationale ondernemingen.
De adviescommissie erkende destijds dat de fiscale cijfers niet altijd een volledig
beeld kunnen scheppen met betrekking tot mogelijke belastingontwijking en dat dit
beeld met behulp van commerciële jaarrekeningen completer gemaakt zou kunnen worden.
Om die reden is aanbevolen om bedrijven te verplichten hun commerciële winst in Nederland
te overleggen bij de fiscus, zodat de effectieve druk ook kan worden afgezet tegen
de bedrijfseconomische winst. Daarnaast is aanbevolen om te onderzoeken waar verschillen
ontstaan tussen de commerciële en fiscale winstbepaling om zo een completer beeld
te krijgen van de oorzaken van verschillen in de effectieve belastingdruk berekend
in verhouding tot de commerciële en fiscale gegevens.3 Het kabinet heeft daarom nader onderzoek toegezegd, waar dit ambtelijk rapport invulling
aan geeft.4
Het onderzoek
Het onderzoek geeft invulling aan twee aanbevelingen van de Adviescommissie, te weten:
(1) verplicht bedrijven om hun commerciële winst in Nederland te rapporteren en (2)
maak inzichtelijk waar verschillen ontstaan tussen de commerciële en fiscale winstbepaling
en of dit verschilt tussen multinationals en nationale ondernemingen. Hiertoe is beoogd
twee hoofdvragen te beantwoorden:
1. Hoe verhoudt de Nederlandse commerciële winst van in Nederland actieve ondernemingen
zich tot het voor de vennootschapsbelasting geldende belastbare bedrag?
2. In hoeverre zijn verschillen tussen de Nederlandse commerciële winst en het belastbare
bedrag groter of kleiner voor internationaal opererende bedrijven dan bij nationaal
opererende ondernemingen?
Voor het onderzoek zijn de aangiften en aanslagen vennootschapsbelasting uit de jaren
2010 tot en met 2020 gekoppeld met de bij het CBS beschikbare gegevens over de commerciële
jaarrekeningen, de zogenoemde Statistiek Financiën van Grote Ondernemingen (SFGO).
In het onderzoek wordt daarom gekeken naar de verschillen die optreden tussen de commerciële
winst en het belastbare bedrag bij de circa 1400–1900 grote ondernemingengroepen die
actief zijn in Nederland.
Op basis van de analyse blijkt dat bij de onderzochte ondernemingen het belastbare
bedrag gemiddeld € 29 miljard lager lag dan de commerciële winst, wat grotendeels
te verklaren valt door de deelnemingsvrijstelling en verliesverrekening. Ook treden
noemenswaardige verschillen op bij afschrijvingen en herwaarderingen. Verschillen
in andere onderdelen van de winstbepaling zoals de omzet en bedrijfskosten, financiële
resultaten, en buitengewone resultaten zijn beperkter van aard over de gehele periode
bezien, maar kunnen in individuele jaren omvangrijk zijn. Verder blijkt dat de verschillen
die worden waargenomen, relatief duurzaam zijn en dat verschillen waardoor belastinguitstel
wordt verleend in het kader van met name het voorzichtigheids- en realiteitsbeginsel
neerslaan bij ondernemingen die gemiddeld genomen een sterke financiële positie hebben
in termen van solvabiliteit en liquiditeit.
Wanneer internationale en nationale ondernemingen met elkaar vergeleken worden, blijkt
dat verschillen tussen de winstbepalingen doorgaans eenzelfde orde grootte kennen.
Wel is het zo dat bij de onderzochte ondernemingen de internationale ondernemingen
grotere verschillen laten zien, met name ten aanzien van deelnemingsresultaten en
herwaarderingen. Dat deelnemingsresultaten meer verschillen tonen, valt terug te voeren
op de consolidatie die gebruikt is in de data. De herwaarderingsverschillen zijn eveneens
logisch verklaarbaar, doordat deze met name optreden door wisselkoersfluctuaties waaraan
internationale ondernemingen van nature meer blootgesteld zijn. Het onderzoek laat
zien dat de verschillen geen verband houden met of een onderneming internationaal
actief is. Op basis hiervan kan dus niet worden uitgesloten, maar ook niet worden
bevestigd dat grote multinationals meer mogelijkheden hebben om het belastbare bedrag
in negatieve zin te beïnvloeden ten opzichte van de commerciële winst.
Hoewel er grote verschillen tussen de commerciële en fiscale winst bestaan, kan op
basis van het onderzoek niet worden geconcludeerd dat het rapporteren van de commerciële
jaarrekening aan de fiscus dus directe meerwaarde heeft, bijvoorbeeld om belastingontwijking
en -ontduiking te bestrijden.
In het rapport wordt verder aanbevolen om:
• Te onderzoeken of de gehanteerde beginselen (zoals het realisatiebeginsel, realiteitsbeginsel,
eenvoudbeginsel en voorzichtigheidbeginsel) in de verschillende hedendaagse situaties
nog passend is.
• Gezien verschillen in afschrijvingen en herwaarderingen zich lastig laten duiden hier
nader onder zoek naar te doen. Dit onderzoek kan plaatsvinden vanuit bijvoorbeeld
de belastingwetenschap, of in gesprek tussen het bedrijfsleven, fiscaal dienstverleners,
rechtspraak en de Belastingdienst. Afhankelijk van de rede van de verschillen wordt
aanbevolen te bezien of het dichter aan te laten sluiten van de belastingwetgeving
bij de commerciële verslaggevingsregels wenselijk is.
• De bepalingen omtrent afschrijfbeperkingen en -verruimingen (artikel 3.30 en 3.30a
van de Wet inkomstenbelasting 2001) op te nemen in de evaluatieagenda van Financiën.
Appreciatie
Gezien de demissionaire status van dit kabinet is het aan een volgend kabinet om de
uitkomsten van dit onderzoek te wegen en te beoordelen of en, zo ja, welke vervolgstappen
geboden zijn naar aanleiding van dit rapport. Wel is reeds op de strategische evaluatie
agenda van het Ministerie van Financiën opgenomen dat onderzoek gedaan zal worden
naar de afschrijfbeperkingen en -verruimingen opgenomen in artikel 3.30 en 3.30a van
de Wet inkomstenbelasting 2001.
De Staatssecretaris van Financiën,
E.H.J. Heijnen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën