Brief regering : Stand van zaken vrijwillige voortzetting nabestaandenpensioen
32 043 Toekomst pensioenstelsel
Nr. 691
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 december 2025
Met deze brief wordt uw Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de motie van het
lid Oomen-Ruijten c.s. (CDA, D66, GroenLinks-PvdA en CU)1 inzake het omdraaien van de standaardoptie van vrijwillige voorzetting van het nabestaandenpensioen
(naar een opt-out) in het nieuwe pensioenstelsel. Dat betekent dat de dekking voor het partnerpensioen
bij uitdiensttreding van een werknemer automatisch wordt voortgezet, tenzij deze aangeeft
hiervan af te zien. Ook is de toezegging aan het lid Flach (SGP)2 onderzocht of gegevensuitwisseling een oplossing zou bieden om het aantal onbedoeld
onverzekerden voor het nabestaandenpensioen te verminderen.
In het eerste deel van deze brief wordt een korte schets gegeven van hoe het nabestaandenpensioen
met het nieuwe pensioenstelsel wordt verbeterd. Vervolgens wordt ingegaan op de motie
van het lid Oomen-Ruijten c.s. (CDA, D66, GroenLinks-PvdA en CU) (onder 2). Daarna
komt de huidige uitvoeringspraktijk aan bod (onder 3). Vervolgens wordt aandacht besteed
aan een aantal maatregelen die als doel hebben het aantal onbedoeld onverzekerden
te verkleinen (onder 4). Tenslotte komen de vervolgstappen aan bod (onder 5).
1. Korte schets van het nabestaandenpensioen
Het nabestaandenpensioen (partner- dan wel wezenpensioen) is een belangrijk onderdeel
van de pensioenregeling. In de eerste plaats is een overlijden van een naaste een
persoonlijk verlies voor de nabestaanden. Voor nabestaanden is het juist van belang
dat er in moeilijke, persoonlijke omstandigheden financiële zekerheid is.
In de Wtp is het nabestaandenpensioen gewijzigd met als doel om ervoor te zorgen dat
het nabestaandenpensioen meer wordt gestandaardiseerd, adequater en begrijpelijker
wordt en dat de risico’s voor nabestaanden worden verkleind.3
Het oude stelsel kende namelijk een grote verscheidenheid aan nabestaandenpensioenregelingen.
Voor de deelnemers en hun nabestaanden was dit moeilijk te overzien, wat tot ingrijpende
gevolgen kon leiden. Bij regelingen op basis van het oude stelsel is het bijvoorbeeld
mogelijk dat bij overlijden van de deelnemer het tot dan toe opgebouwde persoonlijke
pensioenvermogen vervalt aan een eventuele partner of kinderen in de vorm van een
nabestaandenpensioen (restitutie). Dit leidde in de praktijk echter tot schijnzekerheid
voor met name nabestaanden van deelnemers die relatief jong overlijden of overlijden
bij een relatief kort dienstverband. Dit omdat het tot dan toe opgebouwde pensioenvermogen
beperkt is. Om de ingrijpende gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen, is het nabestaandenpensioen
in de Wtp gestandaardiseerd. Dit is vormgegeven door uniformering van het partnerbegrip,
de verbetering van het wezenpensioen, partnerpensioen na pensioendatum op opbouwbasis
en het partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum alleen nog maar op als verzekering
toe te staan.
Door de standaardisering is het nabestaandenpensioen begrijpelijker en voorspelbaarder
voor de deelnemer. De hoogte van het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór pensioendatum
is een percentage4 van het pensioengevend salaris en diensttijdonafhankelijk. Voor deelnemers is het
diensttijdonafhankelijke element met name relevant na een baanwisseling waarbij men
toetreedt in een nieuwe pensioenregeling waar het nabestaandenpensioen onderdeel van
uitmaakt. Ondanks een relatief kort dienstverband is door dit element een adequaat
nabestaandenpensioen mogelijk.
Nabestaandenpensioen vóór pensioendatum
Het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum is vormgegeven als een verzekering (in
pensioenjargon: op risicobasis). Op het moment dat niet langer sprake is van deelnemerschap
in de pensioenregeling vervalt de dekking. Om het risico te verkleinen dat iemand
die tussen twee dienstverbanden in zit of iemand die werkloos of zelfstandige wordt,
tijdelijk geen of een lagere dekking voor partnerpensioen heeft, is in het nieuwe
pensioenstelsel een aantal waarborgen opgenomen.
Zo is een verplichte dekking van het nabestaandenpensioen geïntroduceerd en wordt
na afloop daarvan de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen
aangeboden. Zie hieronder een korte weergave:
1. Uit dienst:
Deelnemer gaat uit dienst; pensioenregeling met nabestaandenpensioen (partnerpensioen
en/of wezenpensioen)
2. Verzekerd voor nabestaandenpensioen:
Gewezen deelnemer is verzekerd voor het nabestaandenpensioen tijdens uitloopperiode
van 3 maanden (of 6 maanden als afgesproken met sociale partners) verzekerd nabestaandenpensioen.
De uitloopperiode van 3 of 6 maanden stopt eerder op moment van indiensttreding of
bij ingangsdatum van het ouderdomspensioen. Het nabestaandenpensioen is ook verzekerd
zolang de gewezen deelnemer direct aansluitend aan het einde van deelname een WW/ZW-uitkering
ontvangt of combinatie daarvan.
3. Vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen op risicobasis:5
Verzekerd voor partnerpensioen op risicobasis als gewezen deelnemer zelf kiest voor
vrijwillig voortzetten van het partnerpensioen (opt-in). De financiering van dit partnerpensioen
gebeurt door uitruil van (een deel van) het ouderdomspensioen; het ouderdomspensioen
wordt hierdoor lager.
2. Uitwerking motie van het lid Oomen-Ruijten c.s. (CDA, D66, GroenLinks-PvdA en CU)
Tijdens de plenaire behandeling van de Wtp in de Eerste Kamer is een motie van het
lid Oomen-Ruijten c.s. aangenomen over de mogelijkheid de vrijwillige voortzetting
van het partnerpensioen als standaardoptie op te nemen. Op dit moment moet de deelnemer
bewust zelf kiezen voor de voortzetting van de risicodekking (een zogenaamde opt-in). De motie ziet op het omdraaien van de standaardoptie (naar een opt-out). Dat betekent dat het partnerpensioen wordt voortgezet tenzij de deelnemer aangeeft
hiervan af te zien.
Omdraaien van de standaardoptie (naar een opt-out) en andere maatregelen
Het omdraaien van de standaardoptie conform de motie is bedoeld om een oplossing te
bieden voor mensen die onvrijwillig onverzekerd zijn. Een van de overwegingen is om
de standaardkeuze voor vrijwillige voortzetting op «aan» te zetten, waardoor deelnemers
actief moeten kiezen om van deze voortzetting af te zien. Dit zou volgens de indieners
van de motie het risico van de groep onbedoeld onverzekerden kunnen verminderen.
Deze aanpak brengt ook grote nadelen met zich. Een van de nadelen is dat deelnemers
die al een nieuwe baan hebben met een pensioenregeling die een nabestaandenpensioen
omvat, mogelijk onbewust en onbedoeld oververzekerd raken. De vrijwillige voortzetting
wordt gefinancierd door het opgebouwde ouderdomspensioen uit te ruilen. Dat betekent
dat de risicopremies voor het vrijwillig voortgezette partnerpensioen worden onttrokken
aan het opgebouwde pensioenkapitaal. Dit heeft als risico uitholling van het ouderdomspensioen,
zónder dat de gewezen deelnemer zich hiervan bewust is.
Daarnaast is het moeilijk om van tevoren vast te stellen wie bewust onverzekerd is,
omdat het gaat om deelnemers die, ondanks de wettelijk verplichte keuzebegeleiding
van de pensioenuitvoerder, niet kiezen voor vrijwillige voortzetting. De redenen om
niet te kiezen voor vrijwillige voortzetting zijn divers, zoals het niet hebben van
een partner of deelname aan een pensioenregeling met nabestaandenpensioen bij een
nieuwe werkgever. Ook is het mogelijk dat de deelnemer al beschikt over voldoende
opgebouwd partnerpensioen vóór pensioendatum (overgangsrecht Wtp)6 of een private oplossing (bijvoorbeeld overlijdensrisicoverzekering) heeft.
Er is dus sprake van een dilemma. Namelijk dat het te allen tijde voorkomen van onbewust
onverzekerden, onherroepelijk leidt tot een veel grotere groep onbedoeld oververzekerden.
In lijn met de eerdere analyse die met uw Kamers is gedeeld, worden daarmee de nadelen
van het omdraaien van de standaardoptie substantieel groter geacht dan de voordelen.
Niettemin wordt de wens van de indieners van de motie gedeeld om het aantal onbewust
onverzekerden zoveel mogelijk te beperken. Daartoe zijn door het Ministerie van SZW
met pensioenuitvoerders in de afgelopen periode verschillende maatregelen verkend.
3. Huidige uitvoeringspraktijk
Door de toezegging aan het lid Flach (SGP)7 om te bezien in hoeverre gegevensuitwisseling een oplossing kan bieden om het aantal
onbedoeld onverzekerden8 voor het nabestaandenpensioen te verminderen, heeft het Ministerie van SZW met uitvoerders,
Stichting Pensioenregister (SPR) en het UWV overleg gevoerd.
Zoals in het eerste deel van deze brief aangegeven, hanteren pensioenuitvoerders in
het nieuwe pensioenstelsel een verplichte uitloopdekking van het nabestaandenpensioen
en bieden zij vrijwillige voortzetting aan.
Informatie over vrijwillige voortzetting en doen van aanbod
De gewezen deelnemer ontvangt nadat de deelname aan de pensioenregeling is beëindigd,
informatie over de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting en wordt daarbij door
de pensioenuitvoerder via de keuzebegeleidingsnorm op een adequate wijze begeleid
bij het maken van een keuze.9 De gewezen deelnemer moet door de pensioenuitvoerder in staat worden gesteld een
passende keuze te maken. Daarbij is niet wettelijk voorgeschreven hoe deze informatieverstrekking
en keuzebegeleiding er exact uit moet komen te zien. Wel omvat de norm keuzebegeleiding
een adequate begeleiding van gewezen deelnemers en een ingerichte keuzeomgeving, zodat
zij een passende keuze kunnen maken. Het is belangrijk dat de informatie die verstrekt
wordt aansluit bij de kenmerken van de gewezen deelnemers. Daarnaast dient de te verstrekken
informatie te voldoen aan de wettelijke eisen dat informatie correct, duidelijk en
evenwichtig is als ook dat die informatie tijdig wordt verstrekt. Ook geldt dat de
pensioenuitvoerder bevordert dat de informatie de gewezen deelnemer aanzet tot relevante
actie.
Proces aanbod vrijwillige voortzetting is verschillend bij pensioenuitvoerders
In de huidige praktijk versturen sommige pensioenuitvoerders informatie over het vrijwillig
voortzetten, samen met de zogenaamde stopbrief, die bij einde deelname aan een pensioenregeling
wordt verstuurd. Andere pensioenuitvoerders informeren over het vrijwillig voortzetten
op een ander moment. Meestal krijgt de gewezen deelnemer enkele weken de tijd om de
keuze te maken om het partnerpensioen vóór pensioendatum op risicobasis voort te zetten.
Het moment waarop het aanbod wordt gedaan, de duur van de keuzetermijn en de voorwaarden
die gelden terwijl er nog geen keuze is gemaakt, verschillen per pensioenuitvoerder.
Gegevensuitwisseling tussen pensioenuitvoerders en UWV
Pensioenuitvoerders kunnen gebruik maken van de gegevensuitwisseling tussen hen en
het UWV om het passende moment te bepalen waarop een aanbod voor vrijwillige voortzetting
dient te worden gedaan. Hiertoe bestaat reeds een wettelijke grondslag.10 Het is niet wettelijk voorgeschreven dat uitvoerders gebruikmaken van de gegevensuitwisseling
met het UWV. Pensioenuitvoerders dienen hiervoor zelf een gebruikersovereenkomst af
te sluiten met het UWV.
Bij de gegevensuitwisseling kan bijvoorbeeld informatie worden opgevraagd over de
datum van een nieuw dienstverband of relevante informatie over de WW-uitkering of
ZW-uitkering.11
Deze gegevensuitwisseling is voor pensioenuitvoerders een goed hulpmiddel, maar er
zal wel altijd enige informatievertraging zijn ten opzichte van de werkelijke situatie
van de betreffende persoon. Bij de gegevensuitwisseling is het UWV onder meer afhankelijk
van wanneer de (nieuwe) werkgever een indiensttreding doorgeeft via de Loonaangifteketen;
de verplichting hiertoe is binnen twee maanden. Gelet hierop ontvangen pensioenuitvoerders
circa twee maanden na een mutatie (zoals indiensttreding bij een andere werkgever)
de relevante gegevens van het UWV. Verder is (nog) niet voor alle gegevens geautomatiseerde
gegevensuitwisseling mogelijk. Dit is bijvoorbeeld bij de start van de WW-uitkering
het vermelden van de (verwachte) einddatum van de WW-uitkering.12
Daarom verzoeken verschillende pensioenuitvoerders de gewezen deelnemer om zelf de
relevante informatie aan te leveren of wordt bij overlijden diens nabestaande verzocht
om alsnog de relevante informatie te verstrekken.
4. Mogelijke maatregelen
In het kader van de toezegging aan het lid Flach (SGP) om te onderzoeken in hoeverre
uitbreiding gegevensuitwisseling leidt tot vermindering van de groep onbedoeld onverzekerden,
zijn de reeds aanwezige aandachtspunten in kaart gebracht. Wanneer deze punten zich
namelijk blijven voordoen, zal de inzet op gegevensuitwisseling nog niet het gewenste
effect hebben. Daarnaast biedt het wegnemen van reeds bestaande aandachtspunten al
een oplossing om de groep onbedoeld onverzekerden zoveel mogelijk te beperken. Naar
aanleiding van een verkenning met de sector, de door hen aangedragen aandachtspunten
en de mogelijkheden voor gegevensuitwisseling zijn zes mogelijke maatregelen onderzocht.
1. Stop- en herhalingsbrieven
Laagdrempelige manieren om bewustwording bij deelnemers te verhogen, die reeds door
verschillende pensioenuitvoerders worden gedaan, zijn om na het einde van het dienstverband
in de stopbrief13 de keuze voor vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen voor te leggen aan
de gewezen deelnemer. De stopbrief geeft onder andere inzicht in keuzemogelijkheden
van de pensioenregeling en gevolgen van belangrijke gebeurtenissen voor het pensioen,
zoals uitdiensttreding. Daarnaast kunnen er ook herhalingsbrieven worden verstuurd
om de gewezen deelnemer (met een WW-uitkering of ZW-uitkering) erop te attenderen
om een keuze te maken. Bij de herhalingsbrieven kan ook gebruik worden gemaakt van
een responsformulier (acceptatie/afwijzen van het aanbod).
2. Startbrief (bijvoorbeeld Pensioen 1-2-3)
Bij de start van de deelname aan een pensioenregeling ontvangt de deelnemer informatie
van de werkgever of pensioenuitvoerder met de belangrijkste kenmerken van de nieuwe
pensioenregeling.14 Deze startbrief kan via een Pensioen 1-2-3 verstrekt worden.
De startbrief (of Pensioen 1-2-3) zou een rol kunnen spelen om de bewustwording over
de keuze van vrijwillige voortzetting bij (gewezen) deelnemers te vergroten. Dit communicatiemiddel
geeft de deelnemer informatie over de belangrijkste onderdelen van de pensioenregeling.
Een onderdeel van de startbrief is informatie over de keuzes die een deelnemer kan
maken, waaronder de keuzes bij de verandering van baan.
3. Informatie en melding op mijnpensioenoverzicht.nl
Ook is het van belang om bewustwording over de keuze van vrijwillige voortzetting
bij (gewezen) deelnemers te vergroten via andere kanalen. Stichting Pensioenregister
(SPR) is verantwoordelijk voor mijnpensioenoverzicht.nl (MPO). Personen die inloggen
op MPO krijgen op dit moment een melding op de website als er op dat moment geen actieve
pensioenopbouw is (om mensen te attenderen op een mogelijke witte vlek).15 In dat geval is er dus ook geen actieve verzekering voor het nabestaandenpensioen
bij een eventuele nieuwe werkgever. In dezelfde melding zou een waarschuwing meegenomen
kunnen worden waarin de persoon erop geattendeerd wordt dat hij of zij mogelijk geen
nabestaandenpensioen heeft en dat deze persoon het nabestaandenpensioen bij een vorige
pensioenuitvoerder mogelijk vrijwillig kan voortzetten. Hierover zijn gesprekken met
SPR wanneer dit gerealiseerd kan worden.
Ook zien personen die inloggen op MPO nog geen informatie over vrijwillige voortzetting
van het nabestaandenpensioen. Het tonen van die informatie kan bijdragen aan zowel
het voorkomen van onbewust on(der)verzekerden (doordat mensen zien dat uitloopdekking
gestopt is) en oververzekering (dat mensen zien dat vrijwillige voortzetting loopt).
Hierover vinden ook gesprekken plaats met SPR wanneer dit gerealiseerd kan worden.
4. Gegevensuitwisseling via Stichting Pensioenregister
Momenteel maakt Pensioenregister automatische waardeoverdracht van kleine pensioenen
mogelijk door middel van gegevensuitwisseling tussen pensioenuitvoerders. Pensioenuitvoerders
van kleine aanspraken van een gewezen deelnemer kunnen deze aanmelden bij het Pensioenregister.
Vervolgens wordt er gekeken of en zo ja bij welke pensioenuitvoerder de deelnemer
actief pensioen opbouwt, zodat de aanspraken overgedragen kunnen worden. De deelnemer
krijgt dan een bericht van de pensioenuitvoerder waarnaar het kleine pensioen wordt
overgedragen.
Het is technisch mogelijk om een systeem te bouwen waarbij de pensioenuitvoerder bijvoorbeeld
na einde deelname kan uitvragen of de gewezen deelnemer bij een andere pensioenuitvoerder
gestart is met pensioenopbouw. Dit om het passende moment te bepalen voor het aanbod
voor vrijwillige voortzetting Op dit moment is hiervoor nog geen wettelijke grondslag.
5. Gegevensuitwisseling tussen pensioenuitvoerder en UWV
Zoals in de brief uiteengezet kunnen pensioenuitvoerders al gebruik maken van de gegevensuitwisseling
tussen hen en het UWV. Dit om het passende moment te bepalen voor het aanbod voor
vrijwillige voortzetting. Deze bevoegdheid om gegevens te verstrekken is al wettelijk
vastgelegd, maar geautomatiseerde gegevensuitwisseling is (nog) niet voor alle gegevens
mogelijk.
Dit is bijvoorbeeld bij de start van de WW-uitkering het vermelden van de (verwachte)
einddatum van de WW-uitkering. Via gesprekken op regelmatige basis met het UWV wordt
vinger aan de pols gehouden met betrekking tot de voortgang daarvan.
6. Dekking nabestaandenpensioen voor onbedoeld onverzekerden
Deze maatregel ziet op het bieden van risicodekking als een gewezen deelnemer overlijdt
wanneer er nog geen aanbod voor vrijwillige voorzetting van het nabestaandenpensioen
is gedaan, of al wel een aanbod is gedaan maar hij of zij nog geen keuze heeft gemaakt
tijdens de gevraagde reactietermijn. Als de verplichte uitloopdekking eerder eindigt
dan de standaard uitloopdekking (3 of 6 maanden, afhankelijk van de pensioenregeling)
vanwege een nieuwe dienstbetrekking (met of zonder pensioenregeling), of wanneer de
gewezen deelnemer geen WW/ZW-uitkering meer ontvangt, kan de gewezen deelnemer het
partnerpensioen vrijwillig voortzetten. De gewijzigde situatie is echter niet altijd
bekend bij de oude pensioenuitvoerder. Het kan dus voorkomen dat de gewezen deelnemer
nog geen aanbod van vrijwillige voortzetting heeft ontvangen van de pensioenuitvoerder
of wel een aanbod heeft gehad maar nog geen keuze heeft gemaakt, maar al wel is komen
te overlijden. In een dergelijke situatie ontstaat onbedoelde onverzekerdheid. Samen
met de sector zet SZW zich in om dit zoveel mogelijk te voorkomen.
Om deze situaties van onbedoeld onverzekerden te voorkomen, hanteren veel pensioenfondsen
volgens de Pensioenfederatie een coulanceregeling of maken zij een beroep op de hardheidsclausule
mogelijk bij overlijden van de gewezen deelnemer die gedurende de keuzetermijn nog
geen keuze heeft gemaakt of wanneer er nog geen aanbod gedaan is. In die situatie
zal het pensioenfonds (na onderzoek) overgaan tot uitkering van het partnerpensioen
alsof er wel een dekking zou zijn geweest.
De (gewezen) deelnemers en hun nabestaanden zijn gebaat bij een sectorbrede regeling
en pensioenfondsen zijn bereid om maatregelen te treffen om de groep onbedoeld onverzekerden zoveel mogelijk te beperken. Mijn ministerie zal zich daarom samen met de Pensioenfederatie
inspannen om een sectorbrede coulanceregeling te bewerkstelligen.
Het Verbond van Verzekeraars onderschrijft het belang van het voorkomen van onbedoelde
onverzekerdheid ook en zet zich in voor een effectieve aanpak. Het Verbond van Verzekeraars
beziet momenteel de mededingingsrechtelijke ruimte om hier sectorbreed kaders voor
te bieden. Via gesprekken op regelmatige basis met het Verbond van Verzekeraars wordt
vinger aan de pols gehouden met betrekking tot de voortgang daarvan en de eventuele
te nemen vervolgstappen.
Overigens geldt dat wanneer een persoon onbedoeld onverzekerd is geweest en deze (of de nabestaande) kan aantonen dat de schuld van het feit dat
hij onverzekerd is bij de pensioenuitvoerder ligt, de gewezen deelnemer de pensioenuitvoerder
daarop kan aanspreken. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om situaties dat de pensioenuitvoerder
een gewezen deelnemer de vrijwillige voortzetting niet heeft aangeboden ondanks dat
het een wettelijk recht is of zijn aanvraag per abuis niet opgenomen was in de administratie.
In het geval de klacht volgens de pensioenuitvoerder terecht is, krijgt die persoon
alsnog de dekking die hoort bij de verzekering waar deze persoon recht op had.
Als de klacht (gedeeltelijk) is afgewezen of niet op tijd (binnen 12 weken) is afgehandeld,
dan kan de persoon het geschil met een verzekeraar voorleggen aan het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KiFID) en het geschil met een pensioenfonds aan de Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP).
5. Vervolgstappen
Het nabestaandenpensioen is een belangrijk onderdeel van de pensioenregeling, welke
bijdraagt aan de bestaanszekerheid van nabestaanden na het overlijden van de (gewezen)
deelnemer. De onderzochte maatregelen dragen bij om de groep onbedoeld onverzekerden
te beperken, waarbij de groep onbewust oververzekerden ook niet zal toenemen. Het
streven is om in het voorjaar van 2026 uw Kamer nader te informeren over de mogelijkheid
van het opnemen van een sectorbrede coulanceregeling en worden de hiervoor beschreven
mogelijke maatregelen nader getoetst op (juridische) uitvoerbaarheid en waar mogelijk
verder uitgewerkt.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M.L.J. Paul
Ondertekenaars
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid