Brief regering : Ontwikkelingen op personeelsgebied najaar 2025
36 800 X Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2026
Nr. 20
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 december 2025
Met deze brief informeer ik u over de status van een aantal moties en toezeggingen
die een breed spectrum van het personeelsbeleid beslaan.
Veiligheidscampus Assen
Met de motie-Heite c.s. (Kamerstuk 33 763, nr. 169 van 2 oktober 2025) is de regering verzocht om te onderzoeken hoe de veiligheidscampus
Assen van de Universiteit van het Noorden verder ontwikkeld kan worden ten behoeve
van de nationale en Europese veiligheid.
Vanzelfsprekend is de regio waarin deze ontwikkelingen zich afspelen, belangrijk voor
Defensie. Bij mijn onderzoek heb ik daarom bewust ook de locaties van de Johan Willem
Frisokazerne in Assen en de Johannes Postkazerne in Havelte betrokken. Verder is het
goed om te beseffen dat de motie voortborduurt op eerdere relevante ontwikkelingen.
Al in 2023 is door het rijk, provincies en gemeenten een zogenoemd Gezamenlijk Bestuurlijk
Voornemen (GBV) vastgelegd. Dit met als doel onderlinge samenwerking te bevorderen
t.a.v. zaken als arbeidsmarkt, defensielocaties en veiligheid.
Op 25 augustus 2025 heb ik een addendum op dit GBV getekend, mede om te kunnen starten
met de ontwikkeling van de Veiligheidscampus van de Universiteit van het Noorden.
De campus beoogt de samenwerking tussen drie onderwijsniveaus (mbo, hbo, wo) en enkele
publiek-private partijen uit het veiligheidsdomein te bevorderen. Deze samenwerking
ligt goed in het verlengde van de motie en sluit naar mijn idee aan bij de opgave
waar Defensie momenteel voor staat en de rol die de gehele maatschappij daarin speelt.
Met de nieuwe afspraken uit het addendum zet Defensie ideeën om naar adequate samenwerking.
Concreet heeft dit er in geresulteerd dat op dit moment onderwijs, training en onderzoek
gecombineerd worden, inclusief bijdragen vanuit Defensie. Een volgende stap naar het
verder vormgeven en optimaliseren van de samenwerking wordt momenteel onderzocht.
Hierbij kunt u denken aan het geven van Nationale Weerbaarheidstrainingen in de regio.
Op 20 november jongstleden, heb ik de onderlinge samenwerking tussen Defensie, de
provincie Drenthe, de gemeente Assen en kennisinstellingen ook ceremonieel mogen bekrachtigen.
Hiermee beschouw ik de motie als opgevolgd.
Opleidingen en grensbewaking
Met de motie-Van der Plas c.s. (Kamerstuk 36 800, nr. 72 (gewijzigd was met Kamerstuk 36 800, nr. 22) van 18 september 2025) is de regering verzocht om in de opleidingstrajecten van
beroepsmilitairen aandacht te besteden aan grensbewaking.
Zoals u weet is in Nederland – conform Politiewet en Vreemdelingenwet – de taak tot
grensbewaking opgedragen aan de Koninklijke Marechaussee (KMar). De KMar wordt hiertoe
beleidsmatig aangestuurd door het gezag van de Minister van Asiel en Migratie en de
Minister van Justitie en Veiligheid. Concreet betekent dit dat alleen de KMAR wettelijk
bevoegd is voor het uitvoeren van de grenspolitietaak. De andere Defensieonderdelen
zijn dat niet. Ze zijn belast met eigen taken en besteden momenteel vrijwel al hun
aandacht aan de eerste hoofdtaak van Defensie: het beschermen van het eigen grondgebied
en dat van bondgenoten. Daarbij ligt nu de nadruk op het zorgen voor een gevechtsklare
en snel inzetbare krijgsmacht.
In de officiersopleidingen van de Nederlandse Defensie Academie wordt aandacht besteed
aan grensbewaking. Dat heeft zijn beslag gekregen in de cursus Grenstoezicht. Ook
wordt er een academische opleiding Strategisch Grensbeheer aangeboden.
Verder wordt er in de Algemene Militaire Opleiding (AMO) aandacht besteed aan de uitvoering
van basistaken zoals objectbeveiliging en objectverdediging. Daarnaast komen elementen
aan de orde zoals het doorzoeken van auto’s en fouilleren. Reservisten spelen een
belangrijke rol in dit domein. Zoals u weet vormen zij de flexibele schil van Defensie.
De reservisten-bataljons van de landmacht worden ingezet bij het beveiligen en bewaken
van het Nederlands grondgebied. Volledigheidshalve vermeld ik dat in de opleidingsactiviteiten
van reservisten van het Infanteriebataljon Bewaken en Beveiligen Korps Nationale Reserve
(IBB) eveneens aandacht wordt besteed aan grensbewaking.
Tot slot ondersteunen specialisten van andere Operationele Commando’s de KMar incidenteel
bij grensbewakingstaken. Bijvoorbeeld met behulp van drone-specialisten indien er
een wens is tot beeldopbouw. Ook steunverlening ten behoeve van controles (geavanceerd
zoeken) en bij behoefte aan ondersteunende diensten, zoals transport worden ingezet.
Zo heeft het Bataljon Bewaken en Beveiligen van de Nationale Reserve eerder bijstand
geleverd in de haven van Rotterdam. Deze vormen van ondersteuning van de grensbewaking
door andere Defensieonderdelen kan op elk gewenst moment regulier worden aangevraagd.
Hiermee beschouw ik de motie als afgedaan.
Scherfvesten voor vrouwelijke militairen
Met de motie-Dobbe (Kamerstuk 29 521, nr. 501 van 3 juli 2025) is de regering verzocht om te zorgen dat vrouwelijke militairen
toegang hebben tot passende scherfvesten.
Het beschikbaar stellen van scherfwerende vesten voor vrouwelijke militairen zie ik,
net als de indiener van de motie, als een belangrijke verantwoordelijkheid van Defensie.
Defensie heeft hier lange tijd te weinig aandacht voor gehad; ik ben blij dat dit
nu is veranderd. Vrouwelijke collega’s moeten hun werk immers veilig en met vertrouwen
kunnen doen. Dat geldt uiteraard niet alleen voor vrouwen maar voor al onze militairen.
Kortom, de uitrusting voor alle militairen moet passend zijn.
Er zijn inmiddels 1.500 speciale scherfwerende vesten voor vrouwen beschikbaar. Deze
hebben meer afstelmogelijkheden waardoor ze goed aansluiten op het bovenlichaam van
vrouwen. Door de vorm van de soft-ballistische platen zijn ze ook prettiger draagbaar
dan de bestaande versies. Dertig van deze vesten worden gebruikt voor onderzoek ten
behoeve van verdere integratie in het huidige uitrustingssysteem. De vesten worden
centraal opgeslagen bij het Kleding- en Persoonsgebonden Uitrustingsbedrijf (KPU)
van Defensie. Vrouwelijke militairen krijgen toegang tot deze vesten wanneer dit nodig
is voor de gereedstelling en inzet.
Op 29 september 2025 heb ik het eerste vest kunnen uitreiken. De vesten zullen binnenkort
worden gebruikt door vrouwelijke militairen die worden uitgezonden naar onder meer
de NAVO-missie in Iraq (NMI) en de NAVO-missie Enhanced Forward Presence (eFP) in Litouwen. In de European Union Force (EUFOR) Althea in Bosnië-Herzegovina worden de vesten al gebruikt. Hiermee beschouw ik de motie
als opgevolgd.
Meer IT- en cyberspecialisten
Met de motie-Heite c.s. (Kamerstuk 36 592, nr. 21 van 17 juni 2025) is de regering verzocht om te komen met een strategisch plan voor
de opschaling van IT- en cyberspecialisten en -reservisten.
Op 3 oktober jl. heeft u van mij de Defensie Cyberstrategie ontvangen (Kamerstuk 26 643, nr. 1422). Daarin heb ik u geïnformeerd over de vier strategische doelen en de aanpak die
Defensie met het oog op, het kunnen beschikken over voldoende cyberpersoneel, heeft
vastgesteld:
1. Defensie voert een innovatief personeelsbeleid om schaars en specialistisch cyberpersoneel
te vinden, binden, boeien en inspireren.
Defensie voert centrale regie op de prioritering en vulling van cyberfuncties en werkt
aan een passende beloning voor cyberpersoneel. Defensie levert maatwerk bij de werving
en selectie van schaars personeel en investeert daarnaast in leiderschap aan cyberpersoneel.
Defensie leidt zelf hoogwaardig cyberpersoneel op en gaat strategische partnerschappen
aan met bedrijven, scholen en andere kennisinstellingen. Daarnaast worden uitdagende
oefen- en trainingsprogramma’s voor zowel eigen personeel als externe experts en talenten
opgezet. Bovendien wordt de mogelijkheid onderzocht om een aparte aanstellingsvorm
en daaraan gekoppelde aanstellingstrajecten te creëren voor militair cyberpersoneel,
waarbij er differentiatie kan plaatsvinden in de eisen die worden gesteld tijdens
de keuring.
2. Defensie verhoogt bij niet-cyberspecialisten het basisniveau aan kennis over het cyberdomein.
Dit doet Defensie door cyber(kennis) te integreren in alle niveaus van trainen en
opleiden. Er worden gerichte cyberopleidingen voor operationele functies (zoals commandanten,
planners en scenariobouwers) geboden en cyberaspecten worden geïntegreerd in technische
opleidingen.
3. Defensie beschikt over een flexibele schil van cyberreservisten, die over unieke cyberkennis
en -ervaring uit private en publieke organisaties beschikken, en afhankelijk van hun
huidige functie en als de omstandigheden daarom vragen, volledig beschikbaar zijn
voor militaire inzet.
Defensie draagt zorg dat cyberreservisten in vredesomstandigheden de mogelijkheid
hebben om hun civiele baan af te wisselen met militaire inzet. Voor iedere reservist
wordt zorgvuldig afgewogen of de militaire beschikbaarheid niet ten koste gaat van
een civiele baan in een vitaal proces. Cyberreservisten worden gericht getraind om
snel op te schalen en onze militaire cybercapaciteit te versterken in tijden wanneer
dat nodig is. Bovendien werkt Defensie aan strategische partnerschappen met bedrijven
zoals Accenture, ATOS/Eviden en Deloitte, om snel maatschappij-breed op te kunnen
schalen ten tijde van crisis.
4. Defensie werkt aan oplossingen om cyberwerkzaamheden te extensiveren door automatisering
en toepassing van kunstmatige intelligentie.
Defensie identificeert welke arbeidsintensieve en automatiseerbare taken prioriteit
moeten krijgen. Ook wordt bij cyberinnovatie gericht geïnvesteerd in arbeidsextensieve
oplossingen en toepassing van kunstmatige intelligentie.
Op deze wijze wordt uitvoering gegeven aan de motie en beschouw ik die als opgevolgd.
Rapport «Drijfveren» en rol onderofficieren
Met de motie-Boswijk c.s. (Kamerstuk 36 600 X, nr. 48 d.d. 5 december 2024) is de regering verzocht de aanbeveling uit het rapport Drijfveren bij Defensie met prioriteit op te pakken en daarbij expliciet onderofficieren en officieren in
de midden-rangen een actieve rol te geven.
Het rapport waar de motie naar verwijst is opgesteld door de Inspecteur-generaal der
Krijgsmacht (IGK) en gaat over de vraag hoe Defensie beter kan inspelen op de ambities
van de verschillende generaties van defensiemedewerkers gedurende hun loopbaan bij
Defensie. De aanbeveling van de IGK richt zich op de HR-vernieuwing. Dat verdient
enige uitleg.
Om de organisatie aantrekkelijker te maken als werkgever vernieuwt Defensie al enige
tijd het HR-beleid. Dat gebeurt onder de noemer HR-vernieuwing. In het kader hiervan
worden onder meer methoden (instrumenten) ontwikkeld en ingevoerd die zich richten
op de ontwikkeling en persoonlijk groei van de medewerker. In zijn rapport beveelt
de IGK aan de implementatie ervan te versnellen.
Defensie heeft o.a. door het rapport van de IGK en op grond van de doelstelling om
in 2030 een schaalbare krijgsmacht te zijn, de keuze gemaakt om een aantal HR-instrumenten
versneld in te voeren. Het gaat hierbij om de «continue dialoog» en de «strategische
personeelsplanning (SPP).» Beide instrumenten zie ik als cruciaal voor de ontwikkelbehoefte
van zowel de organisatie als de medewerkers.
Bij het ontwikkelen en invoeren van de «continue dialoog» en de «SPP» is niet alleen
een rol weggelegd voor HR-professionals maar juist ook voor onderofficieren en officieren
in de midden-rangen. Door het toepassen van de continue dialoog en de SPP worden door
medewerkers en het middenkader in goed overleg heldere, bindende afspraken gemaakt
over ontwikkeling, loopbaansporen en plaatsingsmogelijkheden. Aldus worden onderofficieren
en officieren in de midden-rangen mede op basis van hun professionaliteit en ervaring
op de juiste wijze ingezet en worden organisatie- en personeelsbelang meer in balans
gebracht.
Deze vernieuwing bevestigt niet alleen het belang dat Defensie hecht aan de onderofficier
maar leidt ook tot extra werkdruk op onderofficieren. Defensie beseft dit, werkt aan
het creëren van meer beleidsruimte voor het oplossen van het tekort aan onderofficieren
en treft waar nodig maatregelen in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer.
Op deze wijze wordt uitvoering gegeven aan de motie en beschouw ik die als opgevolgd.
Uiteraard blijf ik altijd op zoek naar manieren om onderofficieren te behouden.
Verdiepingsmodule Defensie
Met de motie-Ceder (Kamerstuk 36 600 X, nr. 60 van 5 december 2024) is de regering gevraagd om mogelijkheden te onderzoeken voor
de ontwikkeling van een verdiepingsmodule Defensie voor middelbare scholen.
Om een adequaat vervolg te geven aan het verzoek uit de motie ben ik in overleg getreden
met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Daarbij werd tevens duidelijk
dat het van belang is om helder onderscheid te maken tussen enerzijds de verdiepingsmodule
die eerder al als proefproject op middelbare scholen is gegeven (waarnaar verwezen
wordt in de overwegingen van de motie) en anderzijds mogelijke nieuwe modules in relatie
tot de uitdagingen om Nederland meer «weerbaar» te maken.
Nader interdepartementaal overleg heeft vervolgens uitgewezen dat het huidige curriculum
van het vmbo, havo en vwo op dit moment vol is, waardoor het niet mogelijk is om aanvullende
vakken of modules verplicht te stellen voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs.
Tegelijkertijd worden de examenprogramma’s voor vmbo, havo en vwo de komende jaren
geactualiseerd, hetgeen kansen biedt voor thematische koppelingen. Weerbaarheid vind
je inmiddels op verschillende manieren en in verschillende vakken terug. Denk aan
digitale weerbaarheid en kennis van grondrechten. Weerbaarheid zit eveneens verweven
in de kerndoelen van burgerschap, maatschappijleer, digitale geletterdheid en geschiedenis.
In de bovenbouw maakt het onderdeel uit van het vak maatschappijleer. Kortom, het
curriculum zit weliswaar vol maar er vinden ondertussen veel inhoudelijke koppelingen
plaats met het thema weerbaarheid.
Een alternatief is om een zogenaamde «schooleigen verdiepingsmodule» te ontwikkelen
voor het vrije deel. Kenmerkend aan een vrijwillig keuzedeel is dat het vrijblijvend
is, geen wettelijke verplichtingen heeft en door een school zelf kan worden ingevuld.
De (kwaliteits-)controle op deze vakken is echter niet structureel vormgegeven. Zoals
in de motie al aangegeven, is de instructiecapaciteit schaars en gaat de aandacht
bij Defensie momenteel primair uit naar de groei van de eigen organisatie.
Daarnaast is er reeds een divers aanbod van succesvolle initiatieven waar middelbare
scholen gebruik van kunnen maken, zoals de Maatschappelijk Diensttijd (MDT) Missie,
Veteraan in de klas, de keuzemodule «De Beveiligers» en het beroepsgerichte (v)mbo-keuzevak
Geüniformeerde Beroepen. Met name het MDT-programma streeft hetzelfde doel na: een
weerbare samenleving en kennismaken met Defensie. Daarnaast sluit ook de introductie
van de Nationale Weerbaarheidstraining als hbo-minor en mbo-keuzetraject, goed aan
bij de intentie van de motie, omdat men de deelnemers op vrijwillige basis laat kennismaken
met veiligheid, defensie en maatschappelijke weerbaarheid.
Ten slotte merk ik op dat Defensie recent is gestart met het versturen van een enquête
aan alle 17-jarigen om hun interesse in werken bij Defensie te peilen Defensie (Kamerstuk
36 592, nr. 45, van 22 september 2025). Deze maatregel staat los van het onderwijsaanbod maar draagt
wel bij aan het vergroten van de bekendheid van Defensie onder jongeren.
Gezien bovenstaande concludeer ik dat het onderzoek heeft uitgewezen dat het momenteel
niet opportuun is om een eigenstandige verdiepingsmodule in te voeren op middelbare
scholen. Daarmee ga ik ervan uit dat ik u voldoende heb geïnformeerd en de motie is
opgevolgd.
Uniform naar werk-dag
Met de motie-Boswijk (Kamerstuk 36 600 X, nr. 12 van 24 oktober 2024) is de regering gevraagd of er samen met werkgeversorganisaties
afspraken gemaakt kunnen worden over het invoeren van een jaarlijkse «Uniform naar
werk»-dag.
Over het invoeren van een dergelijke dag vindt afstemming plaats met de werkgeversorganisaties
Stichting van de Arbeid en VNO-NCW. De sociale partners binnen de Stichting van de
Arbeid hebben daarbij laten weten dat zij het initiatief ondersteunen.
In navolging van dit gesprek zijn er concretere afspraken gemaakt. Zo is er een voorlopige
datum in 2026 vastgelegd en wordt op dit moment alles in het werk gesteld om het proces
voor een nationale dag te formaliseren. Hiermee beschouw ik de motie als opgevolgd.
Commissie Langlopende Zaken
In navolging van het rapport «Sociaal Veilige Werkomgeving Defensie» is in 2019 door
de toenmalige Staatssecretaris van Defensie de Commissie Langlopende Zaken ingesteld.
Deze stond ook wel bekend als de Commissie Deetman. Laatstelijk is uw Kamer hierover
geïnformeerd eind 2023 (2023Z19488 dd. 28 november 2023).
Tussen de laatste dossiers die in behandeling waren, zaten enkele complexe individuele
zaken. Het doet mij goed, u te kunnen melden dat in het laatste dossier waarover de
Commissie Langlopende Zaken heeft geadviseerd, met betrokkene tot overeenstemming
is gekomen. Daardoor heeft Defensie nu alle dossiers kunnen afsluiten. Het spreekt
voor zich dat ik in de reguliere behandelwijze alles in het werk stel om te voorkomen
dat nieuwe zaken langlopend worden.
Verschil in uitzendbescherming
Mijn ambtsvoorganger had toegezegd (TZ202211-239) om u in 2023 schriftelijk te informeren
over het verschil in de uitzendbescherming bij uitzendingen en oefeningen en de nazorg
voor medewerkers. Met diens brief (Kamerstuk 36 200 X, nr. 86 van 1 juni 2023) is die toezegging weliswaar ingelost maar deed hij tegelijkertijd
een nieuwe toezegging om u nader over de rechtspositie te informeren zodra er meer
bekend zou worden. Ik kan u hierover het volgende melden:
In het Arbeidsvoorwaardenakkoord Defensie 2024 is afgesproken om te komen tot een
nieuwe Regeling Militaire inzet (RMI). Deze regeling vervangt het huidige stelsel
van inzet en toelagen voor inzet, dat in de praktijk complex en onvoldoende passend
is gebleken bij de hedendaagse realiteit van militaire inzet. De RMI beoogt een eenvoudiger,
transparanter en toekomstbestendig kader te bieden dat recht doet aan de inzet van
militairen voor operaties, inzet in het buitenland en inzet in Nederland.
Deze regeling bespreek ik op dit moment ook met de sociale partners. Ik streef ernaar
om met hen op korte termijn een akkoord te bereiken. Voor de inzet in het buitenland
ten behoeve van Oekraïne (maar niet ín Oekraïne), is, vooruitlopend op een structurele
oplossing, een tijdelijke rechtspositionele voorziening getroffen.
In de nieuwe regeling is nadrukkelijk aandacht voor uitzendbescherming en zorg voor,
tijdens en na de inzet, waarbij op deze aandachtspunten een passend onderscheid wordt
gemaakt tussen de verschillende vormen van inzet. Hiermee beschouw ik de toezegging
als opgevolgd.
Tot slot
Over bovenstaande en andere onderwerpen gerelateerd aan defensiepersoneel wissel ik
desgewenst graag met uw Kamer van gedachten tijdens een eerstvolgend Personeelsdebat.
De Staatssecretaris van Defensie,
G.P. Tuinman
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G.P. Tuinman, staatssecretaris van Defensie