Brief regering : Bevindingen uitspraak kort geding over verbod fossiele reclame Den Haag
32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Nr. 1548
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 december 2025
Tijdens het plenair debat inzake de begroting van het Ministerie van KGG op 2 juli
jl. is naar aanleiding van vragen van het lid Teunissen toegezegd te bekijken of de
rechterlijke uitspraak over het Haagse verbod op fossiele reclame tot nieuwe inzichten
leidt voor een eventueel nationaal verbod op fossiele reclame. Hierbij wordt u geïnformeerd
over de bevindingen.
Conform de toezegging is de betreffende uitspraak bestudeerd. Daarnaast zijn ook de
openbare stukken die ten grondslag liggen aan het verbod bekeken en is er op ambtelijk
niveau contact geweest met de gemeente Den Haag over de inhoud van het gemeentelijke
verbod.
Alles overziende, geeft de bewuste rechterlijke uitspraak in kort geding het kabinet
onvoldoende aanleiding om terug te komen op het eerder ingenomen standpunt dat een
nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat zich nog diverse juridische
uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun
maken.1 Daarnaast lijkt de wijze waarop de gemeente Den Haag het verbod heeft vormgegeven
niet goed aan te sluiten bij de beleidsinhoudelijke overwegingen bij een eventueel
nationaal verbod die het kabinet eerder met de Kamer heeft gedeeld.2
Achtergronden rechterlijk oordeel
De rechterlijke uitspraak heeft betrekking op het lokale reclameverbod dat de gemeente
Den Haag eerder dit jaar heeft ingesteld voor bepaalde fossiele producten en diensten
in de fysieke openbare ruimte.3 Dit verbod betreft een wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
Daarin wordt onder fossiele reclame verstaan: reclame over de producten en diensten
fossiele brandstoffen, vliegvakanties, vliegtickets, grijze stroomcontracten, gascontracten,
cruisereizen of auto’s met een fossiele of hybride brandstofmotor. Fossiele reclame
volgens deze definitie die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats
is verboden, tenzij het gaat om:
a) bedrijfsnamen, bedrijfslogo’s en reclame aan of in de directe nabijheid van het pand
waar de activiteiten plaatsvinden waar de reclame betrekking op heeft;
b) wegwijzers op bedrijventerreinen.
De voorzieningenrechter is door de Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen
(ANVR) en reisorganisator Touristik Union International (TUI) gevraagd een oordeel
te geven over de verschillende bezwaren die deze organisaties hebben aangevoerd tegen
het verbod. De kort geding rechter deelt deze bezwaren niet. De rechter acht onder
andere de definitie van fossiele reclame in de APV van Den Haag voldoende duidelijk.
Waar het gaat om mogelijke strijdigheid met het principe van vrij verkeer van goederen
van de EU en de vrijheid van meningsuiting van het EVRM, acht de rechter onder meer
van belang dat de gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt, respectievelijk heeft
onderbouwd, dat het verbod een bijdrage kan leveren aan een openbaar belang en een
legitiem doel, zodanig dat dit een inbreuk op het vrij verkeer van goederen (EU-recht)
en op de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) kan rechtvaardigen. De gemeente
had onder andere als argumentatie voor het verbod aangevoerd dat het doel van het
verbod is tot vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen te komen om op
die manier een bijdrage te leveren aan het algemeen belang van het halen van de klimaatdoelstellingen
en het beschermen van de gezondheid en het milieu. De slotsom van de voorzieningenrechter
is dat het reclameverbod niet onmiskenbaar onverbindend is.4 Het reclameverbod blijft dus vooralsnog5 van kracht.
Implicaties voor een eventueel nationaal verbod
De rechterlijke uitspraak in deze zaak heeft in juridische zin geen directe consequenties
voor een eventueel nationaal verbod op fossiele reclames, omdat de randvoorwaarden
voor een nationaal verbod hierdoor niet zijn veranderd. Wel biedt de zaak inzicht
in een aantal aandachtspunten voor een eventueel nationaal reclameverbod. De uitspraak
van de voorzieningenrechter dat de definitie van fossiele reclame in de APV voldoende
duidelijk is, onderstreept het belang van een duidelijke definitie en afbakening.
Ook een eventueel nationaal verbod zal nauwkeurig afgebakend moeten zijn wat betreft
de vormen van reclame (zoals online uitingen of reclame via gedrukte media) en de
producten en/of diensten. Dat vereist een duidelijke maatstaf of grenswaarde van wat
wel of niet als fossiel beschouwd moet worden.
Daarnaast blijft voor een eventueel nationaal reclameverbod een robuuste en daarop
toegespitste onderbouwing nodig. Een degelijke onderbouwing is noodzakelijk om aannemelijk
te maken dat het verbod zal leiden tot minder consumptie van de eronder vallende producten
of diensten, waardoor de uitstoot van broeikasgasemissies vermindert en zo een bijdrage
kan worden geleverd aan het beschermen van de gezondheid van de mens en het milieu
en het tegengaan van klimaatverandering. Tot slot zal een nationaal verbod, afhankelijk
van de reikwijdte, aan meer juridische randvoorwaarden moeten worden getoetst dan
waaraan het lokale verbod in de kort geding uitspraak is getoetst. Zo zal ook gekeken
moeten worden naar het vrij verrichten van diensten en de dienstenrichtlijn, een element
dat in de uitspraak in kort geding niet aan bod is gekomen. Deze juridische uitdagingen
en onzekerheden maken de invoering op afzienbare termijn niet opportuun.
Inhoudelijke aspecten
Uit het raadsbesluit van de gemeente Den Haag dat ten grondslag ligt aan het lokale
verbod6 blijkt dat het doel van deze maatregel is om CO2-uitstoot, gezondheidsschade en milieuschade te voorkomen. Reclame heeft echter geen
rechtstreeks verband met deze beoogde effecten, er zal altijd een gedragsverandering
bij burgers en bedrijven voor nodig zijn. In het wetenschappelijk advies «Een verbod op fossiele reclame essentieel, maar niet voldoende»7 dat destijds op verzoek van de Kamer is opgesteld wordt aangegeven dat een reclameverbod
op zichzelf niet voldoende is om consumenten te verleiden om andere, meer duurzame
keuzes te laten maken. Parallel aan een eventueel verbod moet ook aanvullend beleid
in gang gezet worden dat ervoor zorgt dat het totale aanbod richting consument mee
verandert. Duurzame keuzes moeten voor consumenten goedkoper, makkelijker en comfortabeler
worden ten opzichte van niet duurzame, fossiele keuzes. Dergelijk aanvullend beleid
kan bijdragen aan de effectiviteit van een verbod. In het bewuste raadsbesluit wordt
echter geen verband gelegd met dit soort aanvullende (lokale) maatregelen die de werking
van een verbod zouden kunnen versterken en bestendigen. Nationaal blijft het kabinet
zich ervoor inzetten om duurzame keuzes voor consumenten beter mogelijk te maken.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S.T.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei