Brief regering : Verslag Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid d.d. 1 december 2025
21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken
Nr. 809
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 december 2025
Hierbij ontvangt u het Verslag van de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid
van 1 december jl. te Brussel. In de bijlage vindt u tevens de conclusies van het
Porto Forum van 18 en 19 september jl., die Nederland heeft ondersteund conform de
inzet zoals opgenomen in de Geannoteerde Agenda. Tot slot vindt u in de bijlage het
in opdracht van mijn ministerie verrichtte onderzoek van het Centraal Planbureau «Op
weg naar Europa: verwachte migratie naar Nederland». Dit onderzoek draagt eraan bij
om goed voorbereid te zijn op de verwachte arbeidsmigratie uit kandidaat-lidstaten
naar Nederland bij mogelijke toetreding van kandidaat-lidstaten tot de EU. Uw Kamer
is nader geïnformeerd over het EU-toetredingsproces door de Minister van Buitenlandse
Zaken op 28 november 2025.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M.L.J. Paul
Verslag Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid d.d. 1 december 2025
Op de agenda van de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december
jl. in Brussel stonden twee algemene oriëntaties, twee beleidsdebatten, een voortgangsrapportage,
Raadsconclusies, en enkele w.v.t.t.k.-punten. Daarnaast heb ik gesproken met de Uitvoerend
Vice-President van de Commissie Roxana Mînzatu en diverse collega-ministers. Zo heb
ik gesproken met de Minister van Roemenië, mede in het kader van het verbeteren van
de positie van arbeidsmigranten. Daarnaast heb ik onder meer gesproken met de collega-ministers
van de Benelux en Ierland. Ierland is vanaf medio 2026 voorzitter van de Raad van
de Europese Unie.
Agendapunt: Algemene oriëntatie Verordening aanpassing van het Europees Globaliseringsfonds
(COM(2025)140)
De Raad bereikte een algemene oriëntatie (Raadspositie) over Verordening aanpassing
van het Europees Globaliseringsfonds.
Het Europees Globaliseringsfonds (hierna: EGF) is in 2007 opgericht om steun te verlenen
aan werknemers die werkloos zijn geworden door grote structurele veranderingen als
gevolg van globalisering en van wie gedwongen ontslagen een significant negatief effect
hebben op de regionale of lokale economie. De Europese Commissie heeft een herziening
van dit fonds voorgesteld met als doel de groep die ondersteuning kan krijgen te verbreden
en sneller te kunnen acteren. Het idee hierachter is om werkgevers de mogelijkheid
te bieden om niet alleen bij reeds toegepast massaontslag werknemers te ondersteunen
richting ander werk, maar ook die ondersteuning te bieden bij aangekondigde en voorziene
massaontslagen. De EGF-verordening maakt geen afzonderlijk onderdeel uit van het MFK-voorstel
voor de periode 2028–2034. Dit betekent dat een eventuele herziening van toepassing
zal zijn tot eind 2027.
Nederland heeft ingestemd met de algemene oriëntatie. In het BNC-fiche1 lichtte het kabinet toe positief te zijn over het eerder inzetten van instrumenten
om werknemers te ondersteunen voordat baanverliezen plaatsvinden. De inzet van Nederland
heeft zich onder andere gericht op het verduidelijken van definitiekwesties om de
praktische uitwerking uitvoerbaar te houden. In het bijzonder heeft Nederland zich
ingezet om voorziene bijkomende administratieve lasten en de financiële risico’s die
bij het aangepaste proces kwamen kijken te beperken. De voorliggende algemene oriëntatie
bevat aanpassingen die tegemoetkomen aan deze aandachtspunten. Zo is de verplichting
om een aparte autoriteit op te richten geschrapt en zijn de financiële risico’s voor
lidstaten verder beperkt. Ook krijgen lidstaten de mogelijkheid om een toets uit te
voeren voordat een aanvraag naar de Commissie wordt doorgezet en wordt de Commissie
verplicht rekening te houden met dat nationale oordeel. Met deze aanpassingen sluit
het compromis aan bij de Nederlandse inzet.
Agendapunt: Algemene oriëntatie wijziging Richtlijn ten behoeve van grenswaarden voor
gevaarlijke stoffen (COM(2025)418)
De Raad bereikte een algemene oriëntatie (Raadspositie) over de wijziging van de EU-Richtlijn
ten behoeve van grenswaarden voor gevaarlijke stoffen.
Op 18 juli 2025 publiceerde de Europese Commissie een pakket met daarin een zesde
wijziging van Richtlijn 2004/37/EG. Deze wijziging betreft de bescherming van werknemers
tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene, mutagene of reprotoxische agentia
op het werk (CMRD). De Commissie stelt regelmatig wijzigingsvoorstellen voor deze
Richtlijn voor. Met de algemene oriëntatie wordt voorzien in Europese grenswaarden
voor kobalt en chemische verbindingen van kobalt, polycyclische aromatische koolwaterstoffen,
1,4-dioxane, isopreen, en het opnemen van lasrook als mengsel in de CMRD.
Nederland heeft ingestemd met de algemene oriëntatie. Zoals uiteengezet in het BNC-fiche
onderschrijft het kabinet de doelstelling van dit pakket: het verbeteren van de bescherming
van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene, mutagene of reprotoxische
stoffen. De afgelopen jaren heeft Nederland, samen met andere lidstaten, herhaaldelijk
gepleit voor een uitbreiding van het aantal stoffen met grenswaarden in de Europese
richtlijnen.2 Het kabinet verwelkomt de ambitie van de Commissie om met dit voorstel ziekte door
blootstelling aan gevaarlijke stoffen op de werkvloer beter te kunnen voorkomen. Het
kabinet steunt de grenswaarden die zijn opgenomen in de algemene oriëntatie. Deze
actualisatie sluit aan bij de stand van de wetenschap en de voorgestelde waarden worden
haalbaar geacht door sociale partners op EU-niveau. Een belangrijk punt voor Nederland,
zoals verwoord in het BNC-fiche3, is dat het voorstel bijdraagt aan een gelijker speelveld in Europa. Lidstaten moeten
de Europees vastgestelde grenswaarden implementeren en mogen geen hogere (zwakkere)
waarden hanteren. Hoewel lidstaten indien gewenst strengere nationale grenswaarden
kunnen invoeren, zullen de verschillen tussen lidstaten hierdoor wel afnemen. De bandbreedte
voor afwijking wordt verkleind, wat de zekerheid vergroot dat er voor elk van de kankerverwekkende
stoffen uit dit voorstel een vaste definitie en handhaafbare blootstellingswaarde
geldt in alle lidstaten.
Agendapunt: Voortgangsrapportage EU-Richtlijnvoorstel Gelijke behandeling buiten arbeid
(COM(2008)426)
Tijdens de Raad presenteerde het Deense EU-Voorzitterschap een voortgangsrapportage
over het EU-Richtlijnvoorstel Gelijke behandeling buiten arbeid. Het Richtlijnvoorstel
stamt uit 2008 en ligt, ondanks meerdere pogingen om tot een akkoord te komen, vanwege
de vereiste unanimiteit in de Raad vast door een blokkade van enkele lidstaten. De
afgelopen periode heeft het Voorzitterschap gepoogd om te achterhalen welke stappen
nodig zijn om de resterende lidstaten die nog niet in konden stemmen te overtuigen
van instemming.
Dit dossier valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties. Nederland heeft vrijwel alle onderwerpen in de richtlijn
al door middel van nationale wetgeving geregeld. Sinds Nederland in 2016 het VN-verdrag
handicap heeft geratificeerd en tegelijk de Wet gelijke behandeling op grond van handicap
of chronische ziekte (Wgbh/cz) heeft uitgebreid, worden voor Nederland geen verstrekkende
gevolgen meer verwacht, indien er een akkoord zou worden bereikt over de richtlijn
in de huidige vorm. Tegelijkertijd gaat er een belangrijke signaalwerking uit van
aanname van deze richtlijn. De richtlijn helpt om discriminatie op grond van godsdienst
of levensovertuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid tegen te gaan. Het
kabinet is dan ook overtuigd van de toegevoegde waarde van deze richtlijn. Dit voorstel
heeft symbolisch veel waarde omdat het een belangrijk gat in het EU-acquis dicht ten
aanzien van antidiscriminatiewetgeving. Het kabinet hecht grote waarde aan de bescherming
van fundamentele rechten, waaronder het recht op gelijke behandeling. Het kabinet
blijft daarom voorstander van het Richtlijnvoorstel.
Zweden heeft namens twintig lidstaten, waaronder Nederland, de Raad opgeroepen tot
een spoedige aanname van het Richtlijnvoorstel.
Agendapunt: Beleidsdebat over vereenvoudiging, implementatie en handhaving op het
gebied van sociaal – en werkgelegenheidsbeleid
De Raad hield een beleidsdebat over vereenvoudiging, implementatie en handhaving op
het gebied van sociaal – en werkgelegenheidsbeleid.
Tijdens dit beleidsdebat behandelden de lidstaten het onderwerp hoe de EU-vereenvoudigingsagenda
het effectiefst kan worden uitgevoerd, zowel op EU-niveau als binnen de lidstaten.
De lidstaten bespraken welke stappen nodig zijn om de concurrentiekracht van het bedrijfsleven
in de EU-lidstaten te versterken.
Daarnaast werd stilgestaan bij de rol die de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid
kan spelen om te waarborgen dat nieuwe EU-instrumenten steeds proportioneel zijn aan
de beleidsdoelen en niet onnodig belastend uitvallen. Ook noemden lidstaten mogelijke
maatregelen op zowel nationaal als Europees niveau die bijdragen aan een verdere vereenvoudiging
van regelgeving en uitvoeringsprocessen.
Nederland heeft in het beleidsdebat aandacht gevraagd voor het belang van lastenluwe
en waar mogelijk uniforme implementatie van Europese regels in het sociale en werkgelegenheidsdomein
ter bevordering van het gelijke speelveld. Intensievere uitwisseling tussen lidstaten
over goede praktijken rond en ervaringen met de implementatie van Europese wetgeving
kan hieraan bijdragen. Daarnaast dient de Raad tijdens onderhandelingen over EU-voorstellen
voortdurend aandacht te hebben voor de gevolgen van de bepalingen uit EU-Richtlijnen
voor de regeldruk en administratieve lasten. In het verlengde hiervan heb ik in de
Raad aandacht gevraagd voor het belang van effectieve handhaving op de naleving van
regels in het sociale en werkgelegenheidsdomein. Uitvoerbare regels en effectieve
handhaving gaan immers hand in hand om de bescherming van werkenden en eerlijke concurrentie
te waarborgen. Daarom zet het kabinet ook in op versterking van het mandaat van de
Europese Arbeidsautoriteit.
Agendapunt: Aanname Raadsconclusies over het toekomstige Europese plan voor betaalbare
huisvesting
Het agendapunt betrof de voorgenomen aanname van Raadsconclusies over het «European
Affordable Housing Plan», dat de Europese Commissie naar verwachting op 16 december
presenteert. Ondanks brede steun onder de lidstaten voor de conclusies, heeft Hongarije
tegen gestemd, omdat het van oordeel is dat huisvesting een nationale bevoegdheid
is. Door het ontbreken van consensus zijn er geen Raadsconclusies aangenomen. In plaats
daarvan heeft het Voorzitterschap Voorzitterschapsconclusies vastgesteld.
Dit dossier valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening. Nederland heeft ingestemd met de tekst. Ons land kampt, net
als veel andere lidstaten, met een groot woningtekort en stijgende huizenprijzen.
Het kabinet onderschrijft daarom de hoofdboodschap van de tekst, die is gericht op
betaalbare, duurzame en toegankelijke huisvesting voor iedereen.
Belangrijk uitgangspunt is dat huisvesting primair een nationale bevoegdheid blijft
en dat EU-activiteiten aanvullend en ondersteunend zijn. Tegelijkertijd erkent het
kabinet de meerwaarde van een gecoördineerde Europese aanpak bij gedeelde uitdagingen,
bijvoorbeeld op het gebied van innovatie, financiering en het oplossen van regelgevende
knelpunten. De borging van subsidiariteit en beleidsruimte komt in de tekst goed terug.
Verder wordt de nadruk op betere benutting van EU-instrumenten, circulair bouwen,
versnelling van vergunningen en kennisuitwisseling tussen lidstaten verwelkomd. Nederland
draagt hier al aan bij via het door ons opgerichte en gefinancierde «European Housing
Policy Network», dat twee keer per jaar bijeenkomt om inzichten en goede praktijken
te delen.
In het bijzonder is het kabinet positief over de oproep aan de Commissie om, in het
kader van de vereenvoudigingsagenda, te kijken hoe financiering, planning, vergunningverlening,
bouw en renovatie eenvoudiger en efficiënter kunnen worden ingericht. Dit sluit goed
aan bij de nationale inzet4 en bij de conclusies van de Europese Raad van 23 oktober, waarin de koppeling tussen
huisvesting en versimpeling nadrukkelijk is onderstreept.5
Agendapunt: Beleidsdebat Europees Semester 2026 – het bevorderen van sociale inclusie
en betaalbare huisvesting door coherent sociaal- en huisvestingsbeleid
De Raad hield een beleidsdebat over het Europees Semester 2026, met een speciale focus
op sociale inclusie en betaalbare huisvesting.
Tijdens dit beleidsdebat stonden de lidstaten stil bij de context van economische
uitdagingen en geopolitieke spanningen. De lidstaten noemden het belang van het investeren
in vaardigheden, het creëren van kwalitatief hoogwaardige banen en het bevorderen
van sociale rechtvaardigheid om de basis te leggen voor een weerbare en concurrerende
economie en samenleving. Daarnaast verwelkomden de lidstaten de aandacht voor betaalbare
huisvesting om dakloosheid, sociale uitsluiting en armoede te bestrijden.
Nederland heeft in het beleidsdebat aandacht gevraagd voor de combinatie van een stijging
van de huisvestingskosten voor verschillende groepen, een vergrijzende bevolking met
andere huisvestingsbehoeften dan de momenteel beschikbare huisvesting, en een toename
van het aantal daklozen. Ik heb daarom in de Raad gesteld dat een geïntegreerde aanpak
essentieel is om de verbinding tussen sociale inclusie en betaalbare huisvesting te
versterken. Het Europees Semester biedt een kader om de lidstaten te ondersteunen
bij het oplossen van deze uitdagingen, aangezien het een breed scala aan onderling
verbonden beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid, sociale bescherming
en huisvesting omvat. Tevens biedt het Europees Semester een goede gelegenheid om
beste praktijken uit te wisselen en van elkaar te leren. Het Europees Semester kan
ook helpen bij het identificeren van belemmeringen in nationale en Europese regelgeving
die van invloed zijn op de betaalbaarheid en bouw van woningen.
Aanvullend op het beleidsdebat nam de Raad kernboodschappen aan van het Werkgelegenheidscomité
en Sociaal Beschermingscomité over de implementatie van de aanbeveling van de Raad
over een toereikend minimuminkomen en het waarborgen van actieve inclusie in alle
EU-lidstaten, de implementatie van het actieplan inzake tekorten aan arbeidskrachten
en vaardigheden in de EU, de implementatie van de Raadsaanbeveling rond het waarborgen
van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit, en een opinie over het verbeteren
van de reikwijdte en relevantie van datacollectie rond sociale dialoog op EU en nationaal
niveau.
W.v.t.t.k.-punt: Politiek akkoord EU-Verordening oprichting EU-Talentenpool (COM (2023)716)
De Commissie gaf een toelichting op het recent bereikte politieke akkoord over de
Verordening oprichting EU-Talentenpool. De Verordening heeft tot doel de algehele
aantrekkelijkheid van de EU te vergroten door het opzetten van een EU-breed IT-platform
dat openstaat voor derdelanders die in de EU willen werken en voor werkgevers die
niet in staat zijn om binnenlands of binnen de EU het talent te vinden dat ze nodig
hebben. De uiteindelijke deelname van lidstaten aan de EU-talentenpool is vrijwillig.
Nederland heeft toegelicht waarom het zich bij de stemming over het politiek akkoord
heeft onthouden van stemming6. De EU-talentenpool kan bijdragen aan het verlichten van tekorten op de arbeidsmarkt
in de lidstaten. Maar daarbij moet de oneigenlijke detachering van derdelanderwerknemers
in de EU-lidstaten zoveel mogelijk worden voorkomen, ook in de specifieke context
van de EU-talentenpool. Dergelijke praktijken brengen derdelanderwerknemers in een
kwetsbare positie. Deze praktijken leidt tot een hoger risico op arbeidsuitbuiting,
oneerlijke concurrentie tussen bedrijven, een race naar de bodem op het gebied van
arbeidsomstandigheden en omzeiling van het nationale migratiebeleid. Het kabinet pleit
daarom voor verduidelijking van het juridisch kader rond de detachering van derdelanderwerknemers.
Juridische duidelijkheid, bijvoorbeeld via een juridisch bindende oplossing, is een
voorwaarde voor een doeltreffende handhaving van de detacheringsregels.
Ten slotte moeten de uitdagingen in verband met derdelanderwerknemers stevig worden
verankerd in het mandaat van de Europese Arbeidsautoriteit.
W.v.t.t.k.-punt: conclusies van het Sociaal Forum van Porto van 18 en 19 september
2025
Portugal gaf een toelichting op de conclusies van het Sociaal Forum van Porto van
18 en 19 september 2025. Portugal organiseert sinds de Porto-top van 2021, om de twee
jaar een bijeenkomst voor Europese stakeholders. De conclusies roepen op tot actie
om kwaliteitsbanen te bevorderen en daarmee een bijdrage te leveren aan het verbeteren
van het concurrentievermogen van de Unie. Ook noemen de conclusies, mede op verzoek
van Nederland, dat eerlijke arbeidsmobiliteit moet worden bevorderd, inclusief de
aanpak van misstanden rond de detachering van derdelanders en versterking van de Europese
Arbeidsautoriteit.
De conclusies zijn in lijn met de staande kabinetsinzet. Nederland heeft daarom, net
als éénentwintig andere lidstaten, de conclusies ondersteund. U vindt de conclusies
bijgevoegd aan dit verslag.
Ondertekenaars
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid