Brief regering : Stand van zaken moties en toezeggingen over de geestelijke gezondheidszorg (GGZ)
25 424 Geestelijke gezondheidszorg
Nr. 773
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 december 2025
Met deze brief informeer ik u over enkele openstaande moties en toezeggingen over
de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Ook informeer ik u over de stand van zaken rondom
actieve zorgbemiddeling in de ggz.
Landelijk dekkend netwerk van mentale gezondheidsnetwerken
In de motie van het lid De Korte (NSC) wordt de regering verzocht om versnelling aan
te brengen bij de mentale gezondsheidsnetwerken (MGNs) door te leren van succesvolle
netwerken, te onderzoeken wat de barrières zijn en hoe deze weg te nemen, en hierin
op te trekken met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), Zorginstituut Nederland (ZiN),
de IGJ en de zorgverzekeraars.1
De afgelopen maanden is er een plan van aanpak gemaakt en uitgevoerd door het landelijk
programma MGN. Ook zijn er middelen gereserveerd vanuit de IZA-transformatiemiddelen
voor de transformatieplannen MGN tot 31-12-2025, waardoor alle regio’s aanspraak kunnen
maken op middelen en toegewerkt wordt naar een landelijk dekkend netwerk van MGNs.
Met de maatregelen uit dit plan wordt gewerkt aan het behalen van deze deadline. Maatregelen
zijn onder andere, intensievere samenwerking van het programma MGN (waaraan onder
andere Zorgverzekeraars Nederland, NZa en ZiN deelnemen) om knelpunten op landelijk
niveau sneller en effectiever op te pakken. Middels tweewekelijks contact tussen het
landelijk programma en de MGN-regio’s, worden uitvoeringsvragen direct opgepakt en
goede voorbeelden ingebracht, zodat regio’s van elkaar kunnen leren. Er is een enorme
inhaalslag gemaakt bij het indienen van de transformatieplannen voor MGNs door de
regio’s. Zorgverzekeraars verwachten dat het in (bijna) alle regio’s lukt om dit jaar
het transformatieplan goed te keuren.
Transformatiemiddelen zijn tijdelijk en bedoeld voor de opstart van MGN’en; De regio’s
werken vervolgens toe naar structurele inbedding via reguliere bekostiging.
Dit is niet wettelijk verplicht, maar geldt wel als landelijk uitgangspunt en als
belangrijk element in de transformatieplannen. Naar aanleiding van de motie is besloten
om IGJ agenda lid te maken van het programma MGN. De ingezette samenwerking van het
landelijk programma MGN krijgt na 2025 een plaats binnen de nieuwe structuren van
het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA). Hiermee beschouw ik de motie als afgedaan.
Motie-Thiadens over het Centraal Toeleidingspunt
In de motie van het lid Thiadens (PVV) wordt verzocht het Centraal Toeleidingspunt
(CTP) als voorbeeld te nemen in het AZWA en dit zo veel mogelijk in de rest van Nederland
te implementeren.2 In de appreciatie bij deze motie heeft mijn ambtsvoorganger het belang onderschreven
van de juiste en passende zorg en ondersteuning, en aangegeven dat hij de motie oordeel
Kamer zou kunnen geven indien hij de motie zo mocht lezen dat hij samen met de AZWA-partijen
zou gaan onderzoeken of de pilot van het CTP van de regio Arnhem en Nijmegen als goed
voorbeeld in de gereedschapskist van het AZWA zou kunnen worden opgenomen; het lid
Thiadens heeft dit beaamd.
In AZWA afspraken D5 is een aantal aanpakken aangewezen als (potentiële) «basisfunctionaliteit»,
waaronder Mentale Gezondheidsnetwerken. Momenteel wordt onder meer gewerkt aan de
nadere uitwerking van de kaders voor de basisfunctionaliteiten en de daarbij horende
gereedschapskist met interventies en aanpakken die regio’s kunnen inzetten om de basisfunctionaliteiten
in de regio uit te voeren. In de eerste helft van 2026 zal er vervolgens meer duidelijkheid
komen over de voorwaarden om een interventie in de gereedschapskist op te nemen. Naar
aanleiding daarvan zal worden onderzocht of het Centraal Toeleidingspunt een plaats
kan krijgen in deze gereedschapskist. Ik zal uw Kamer hier in de tweede helft van
2026 uiteraard nader over informeren.
De pilot voor het CTP is inmiddels overigens afgerond, en de ontwikkelde werkwijzen
zijn ondergebracht in twee regionale transformatieplannen voor MGN’s in die regio,
waarmee deze de komende jaren worden voortgezet.
Omzetplafonds in de ggz
Met deze passage informeer ik uw Kamer kort over de stand van zaken rondom de opvolging
van de motie over omzetplafonds in de ggz.3 Zoals eerder toegezegd in de verzamelbrief curatieve ggz van 3 oktober jl. zou ik
na het verkiezingsreces hierop terugkomen.4 Inmiddels ben ik in gesprek gegaan met het veld over de werking van omzetplafonds,
met bijzondere aandacht voor de impact op de toegankelijkheid van zorg voor cliënten
met de meest complexe zorgvragen. Een omzetplafond is een budgettaire grens in een
contract tussen een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder, waarin bepaald wordt hoeveel
middelen een zorgaanbieder maximaal in totaal kan ontvangen van een zorgverzekeraar
voor geleverde zorg binnen een bepaalde periode (meestal een jaar). Ik vind het belangrijk
dat omzetplafonds niet in de weg staan van tijdige passende zorg, met name voor cliënten
met de meest complexe zorgvragen. Daarbij zijn de treeknormen een belangrijke waarborg
in het systeem, waarbij uiteraard ook beschikbaarheid van behandelcapaciteit een rol
speelt.5
De gesprekken met de zorgverzekeraars laten een genuanceerd en consistent beeld zien.
De betrokken partijen zien dat het aanbod van ggz-zorg structureel achterblijft bij
de vraag. Dit komt ook uit het IBO mentale gezondheid en ggz naar voren.6
In die context van schaarste pogen zorgverzekeraars hun contractering zo vorm te geven
dat het beschikbare aanbod zo doelgericht mogelijk aansluit bij de hulpvragen van
cliënten die de zorg het hardst nodig hebben. Daarbij is betrouwbare en actuele informatie
essentieel. Die informatie is op dit moment echter niet altijd volledig of direct
beschikbaar. Zorgverzekeraars ervaren dat het door een gebrek aan inzicht in deelgroepen
in de ggz-cliëntenpopulatie in de praktijk een aanzienlijke uitdaging is om behandelcapaciteit
daadwerkelijk te verschuiven van lichte naar zwaardere zorg. In het AZWA zijn hierover
dan ook diverse afspraken gemaakt om hen hier beter toe in staat te stellen.
Hoewel zorgverzekeraars en zorgaanbieders erkennen dat de huidige toepassing van omzetplafonds
op het niveau van de aanbieder als geheel geen volmaakt instrument zijn, zoals ook
eerderbeschreven door de Algemene Rekenkamer7, bieden ze in deze onzekere context wel een bepaalde mate van duidelijkheid en voorspelbaarheid
voor beide partijen. Ook aanbieders van ggz-zorg geven namelijk aan dat het volledig
loslaten van dit instrument voor hen geen reële of wenselijke optie is, omdat het
hen ook stabiliteit en voorspelbaarheid biedt. In die zin is er brede erkenning dat
een al te directe of onmiddellijke uitvoering van de motie niet verstandig zou zijn,
omdat dit risico’s kan opleveren voor zowel de continuïteit van het zorgaanbod, de
toegankelijkheid van zorg voor de cliënt (en daarmee tevens de wettelijke zorgplicht
van de zorgverzekeraar), financiële houdbaarheid van de ggz-uitgaven en in het verlengde
daarvan – de hoogte van de premie voor verzekerden.
Wel vind ik het zinvol om – zonder op de uitkomst vooruit te lopen – een scenario
te verkennen waarin het gebruik van omzetplafonds voor het deel van de cliëntenpopulatie
die cruciale ggz nodig heeft, door zorgverzekeraars op termijn volledig of gedeeltelijk
kan worden beëindigd. Hierbij wil ik samen met partijen een spoorboek ontwikkelen:
dit biedt ruimte om stap voor stap te bezien of de randvoorwaarden aanwezig zijn om
omzetplafonds verantwoord af te bouwen, aan te passen, bij te stellen of gerichter
toe te passen. De bedoeling van het spoorboek is om enerzijds de afhankelijkheid van
omzetplafonds in de contractering te verkleinen, en anderzijds de sturing van zorgverzekeraars
op de gewenste beweging van lichte naar zwaardere ggz te versterken door belangrijke
randvoorwaarden op het gebied van informatie, kwaliteit en aanspraken goed te regelen.
Dit moet er, in het verlengde van de AZWA-afspraken, aan bijdragen dat het aanbod
in de toekomst beter zal aansluiten op de vraag. Hiermee ga ik de komende tijd aan
de slag.
Aanvullend op deze afspraak heb ik de NZa verzocht een korte ronde te maken waarbij
zij als onafhankelijke toezichthouder actief toetsen wat de effecten van omzetplafonds
zijn op zorgaanbieders die er mogelijk toe leiden dat beschikbare behandelcapaciteit
in de cruciale ggz onbenut blijft en hier cijfermatige duiding bij te geven. Vanwege
haar onafhankelijke rol en specifieke deskundigheid is de NZa de meest aangewezen
partij om dit onderzoek zorgvuldig uit te voeren. Hoewel er feitelijk de komende periode
nog afspraken gemaakt worden met ggz-aanbieders over omzetplafonds (die de hele jaaromzet
van de aanbieder betreft), die ook cruciale ggz leveren, mogen deze dus op geen enkele
wijze een belemmering vormen voor cliënten voor het tijdig verkrijgen van passende
zorg, met name cliënten met de meest complexe zorgvragen. Dit uitgangspunt onderschrijven
alle zorgverzekeraars.
Over beide trajecten zal ik uw Kamer in het voorjaar 2026 uitgebreider informeren.
Gegevensuitwisseling voor passende ggz
In het plenair debat ggz / Suïcidepreventie dat plaatsvond op 15 april jl. heeft mijn
ambtsvoorganger toegezegd de Kamer halfjaarlijks te informeren over de ontwikkelingen
rondom de zorgvraagtypering.8 In deze passage zijn daarom de stappen uiteengezet die sinds het plenair debat op
dit gebied zijn genomen.
Zoals mijn ambtsvoorganger u eerder heeft laten weten is de bekostigingssystematiek
sinds 2022 het zorgprestatiemodel met als onderdeel de zorgvraagtypering. Daarnaast
wordt nu onderzocht hoe het risicovereveningsmodel het beste kan worden vormgegeven
op basis van gegevens uit het zorgprestatiemodel en daarbij wordt ook gekeken naar
de zorgvraagtypering.
Belangrijk om daarbij te noemen is dat met de introductie van het zorgprestatiemodel
en de zorgvraagtypering in de ggz de NZa is afgestapt van het gebruik van DSM-gegevens
in de bekostigingssystematiek en daarom per 1 januari 2025 in de regelgeving van de
NZa de verplichting is vervallen om de DSM-hoofdgroep op de factuur te zetten.
Veldpartijen stelden echter dat zij hun systeemtaken niet naar behoren konden uitvoeren
zonder deze gegevens op de factuur en zorgaanbieders verzochten de overheid om voldoende
juridische zekerheid te geven om de gegevens met de verzekeraars te blijven delen.
VWS heeft toen op dringend verzoek van veldpartijen met veel spoed een tijdelijke
regeling opgesteld om de verplichting om de DSM-hoofdgroep op de factuur te zetten
tot en met 2027 te expliciteren, vanwege de noodzaak voor het gebruik in het risicovereveningsmodel.
Op dit moment ben ik met het veld in overleg hoe verder te gaan met de gegevensuitwisseling
in de ggz per 1 januari 2028.
Actieve zorgbemiddeling
Tijdens het tweeminutendebat ggz/Suïcidepreventie op 24 april 2025 heb ik toegelicht
dat we onderzoeken hoe de benodigde nieuwe grondslag voor actieve zorgbemiddeling
eruit moet komen te zien. Hierbij informeer ik uw Kamer over de voortgang van deze
verkenning, namelijk dat actieve zorgbemiddeling inmiddels onderdeel uitmaakt van
AZWA-afspraak C3 «Transparantie: actieve zorgbemiddeling mogelijk maken en inzicht
in wachtlijsten» voor de ggz (C3a) en de msz (C3b), waaraan alle betrokken partijen
momenteel uitvoering geven.
Toezegging over in hoeverre de uitvoering van de KNMG-richtlijn over het niet aangaan
van een behandelovereenkomst een probleem vormt in de ggz
Mijn ambtsvoorganger heeft eerder toegezegd9
10 de KNMG, de NLggz en NVvP te vragen om in overleg met MIND te bekijken of de KNMG-richtlijn
over het niet aangaan van een behandelovereenkomst een probleem vormt in de ggz en
of aanpassing noodzakelijk is. Aanleiding hiervoor waren signalen dat zorgaanbieders
cliënten soms weigeren vanwege afstand, waardoor een behandelovereenkomst niet wordt
aangegaan.
Op basis van een gesprek tussen KNMG, de Nederlandse ggz, de NVvP en MIND is duidelijk
geworden dat de KNMG-richtlijn zelf helder is en niet hoeft te worden aangepast; de
problemen ontstaan vooral in de uitvoering. Na dit gesprek heeft de Nederlandse ggz
haar leden laten weten dat het niet is toegestaan om cliënten vooraf af te wijzen
vanwege hun woonplaats. Hiermee doe ik de toezegging af.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.Z.C.M. Tielen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport