Brief regering : Beleid Schuldfinanciering
31 935 Beleidsdoorlichting Financiën
Nr. 95
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 december 2025
Op 12 september 2025 heb ik u de kabinetsreactie gestuurd bij de periodieke rapportage
artikel 11 Financiering staatsschuld.1 Hierin heb ik aangegeven om voor het einde van het jaar bij u terug te komen met
informatie over het te hanteren beleid voor de komende 5 jaar: 2026–2030.
Het nieuwe beleid zal ingaan per 1 januari 2026 en gelden tot en met 31 december 2030.
Als de omstandigheden daarom vragen, kan zonodig het beleid in de tussenliggende jaren
worden herzien; daarover zal ik u dan uiteraard informeren. Het beleid schuldfinanciering
kent twee onderdelen: het renterisicokader en het financieringsbeleid. Met het eerste
wordt het risico op plots stijgende rentelasten voor de overheid als gevolg van stijgende
marktrentes beteugeld. Het financieringsbeleid specificeert de regels waarmee het
Agentschap van de Generale Thesaurie van mijn ministerie de staatsschuld financiert.
Renterisicokader
In dit kader staan twee indicatoren centraal, namelijk de gemiddelde looptijd van
de staatsschuld en het renterisicobedrag. In het algemeen geldt dat hoe langer (korter)
de looptijd van de schuld, hoe lager (hoger) het risico maar hoe hoger (lager) de
rentelasten. Het renterisicobedrag is het deel van de staatsschuld waarvan de rente
binnen 12 maanden opnieuw wordt vastgesteld. In de kabinetsreactie van de periodieke
rapportage stel ik voor om voor de vaststelling van de grenswaarden van de indicatoren
een ordentelijk proces en afwegingskader te hanteren. De afgelopen maanden heb ik
hiervoor gebruikt.
Gemiddelde looptijd
Voor de jaren 2026–2030 wordt de minimumgrens voor de gemiddelde looptijd verlaagd
van 8 jaar naar 7,5 jaar. Ten eerste omdat de rente de afgelopen jaren is toegenomen.
In het verleden is besloten om de destijds lage rente voor een langere periode vast
te leggen door de gemiddelde looptijd te verlengen.2 Dit argument gaat momenteel niet meer op. Ten tweede is de termijnpremie de laatste
jaren toegenomen, waardoor obligaties met een langere looptijd relatief duurder zijn
geworden ten opzichte van obligaties met een kortere looptijd. Daarnaast is het mogelijk
dat de vraag naar obligaties met langere looptijden daalt als gevolg van de transitie
naar het nieuwe pensioenstelsel. In dat nieuwe stelsel mogen pensioenfondsen namelijk
meer beleggingsrisico nemen voor jongere deelnemers, waardoor de vraag naar, met name
staatsobligaties met lange looptijd, afneemt. De lichte toename in risico als gevolg
van een kortere looptijd weegt op tegen de lagere rentekosten.
Renterisicobedrag
Het renterisicobedrag – het deel van de staatsschuld waarvoor binnen een jaar de rente
opnieuw wordt vastgesteld – blijft ongewijzigd op maximaal 25% van de staatsschuld.
Dit biedt een adequate balans tussen kosten en risico. Ook biedt het ruimte voor een
toename in de uitgifte van schuld met een kortere looptijd, aangezien de waarde van
het renterisicobedrag zich momenteel ruim onder de 25% bevindt.
Financieringsbeleid
In het financieringsbeleid staan de kernwaarden consistentie, transparantie en liquiditeit
centraal. Ik benadruk het belang van deze kernwaarden voor de reputatie van de Nederlandse
staat en koester de stabiliteit die het de afgelopen jaren heeft geboden voor de financiering
van de staatsschuld. Het financieringsbeleid draagt bij aan het minimaliseren van
de rentelasten voor de staat. Het vermindert onzekerheid voor beleggers, wat leidt
tot een lagere risicopremie op obligaties bij de uitgifte van staatsschuld. Met publicaties
van de jaarlijkse outlook in december en kwartaalberichten gedurende het jaar ben ik transparant naar de markt
over mijn financieringsplannen. De komende jaren blijf ik ook vasthouden aan het jaarlijks
uitgeven van een nieuwe staatsobligatie met een looptijd van 10 jaar. Ook blijf ik
er naar streven om minimaal elke vijf jaar een nieuwe staatsobligatie met een looptijd
van 30 jaar uit te geven.
De belangrijkste wijziging in het financieringsbeleid is de verhoging van de grenzen
voor het uitstaande volume van obligaties tot en met een looptijd van 10 jaar van
minimaal € 12 miljard naar minimaal € 15 miljard.3 Deze verhoging vind ik verstandig omdat het een positieve impuls kan geven aan de
liquiditeit van de obligaties, waarmee het bij kan dragen aan lagere rentelasten.
Het waarschijnlijk grotere begrotingstekort van de komende jaren biedt voldoende flexibiliteit
om deze verhoging in te vullen. Bovendien is sinds de vorige vaststelling van de minimumgrenzen
in 2017 de nominale staatsschuld met 21% gestegen. De minimumgrens voor obligaties
met een looptijd van meer dan 10 jaar blijft ongewijzigd: minimaal € 10 miljard binnen
enkele jaren. Op deze manier behoud ik voldoende flexibiliteit voor het verlagen van
de gemiddelde looptijd van de staatsschuld.
Uit de periodieke rapportage financiering staatsschuld is gebleken dat de staatsschuld
de afgelopen jaren doeltreffend en doelmatig is gefinancierd. Met bovenstaande beperkte
aanpassingen van het beleid beoog ik het beleid te verbeteren en hiermee een positieve
uitwerking op de doeltreffendheid en doelmatigheid te hebben.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën