Brief regering : Kabinetsreactie Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie en versterking aanpak moslimdiscriminatie
30 950 Racisme en Discriminatie
Nr. 505
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID EN DE MINISTER
VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 december 2025
Op 21 maart van dit jaar is het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie (Nom)1 aan uw Kamer aangeboden. In de begeleidende brief is toegezegd om met een vervolg
te komen op basis van dit onderzoek.
Deze Kamerbrief bevat de kabinetsreactie op het Nom en de door de vaste commissie
Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzochte kabinetsreactie2 op het onderzoek «Toekomstverwachtingen van moslimjongeren in Nederland»3. Daarnaast gaat deze brief in op de verzochte reactie, ingediend door Tseggai (GroenLinks-PvdA),4 op het artikel in de krant Trouw over «Ruim tien jaar rapporten over moslimdiscriminatie,
maar de politiek blijft ze negeren».5 Ook wordt u geïnformeerd over de Catshuissessie die naar aanleiding van de motie
van Van Baarle (DENK) belegd is.6 Tot slot wordt met deze brief invulling gegeven aan een aantal andere moties en verzoeken.7 Deze kabinetsreactie wordt u aangeboden mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap.
Discriminatie is onacceptabel
Discriminatie en racisme zijn onacceptabel en moeten actief voorkomen en bestreden
worden. Nederland staat voor een open en inclusieve samenleving. In een samenleving
die gebouwd is op vrijheid, gelijkwaardigheid en wederzijds respect, moet iedereen
– ongeacht achtergrond of geloof – vrij zijn om zichzelf te zijn. Op basis van artikel
1 van de Grondwet dienen allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen
gelijk behandeld te worden. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke
gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook,
is niet toegestaan.
Daarbij kan discriminatie strafbaar zijn onder het Wetboek van Strafrecht, en is ongerechtvaardigd
onderscheid in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling en onrechtmatig onder
andere wettelijke bepalingen die volgen uit het Burgerlijk Wetboek. Het effect van
ervaren discriminatie op maatschappelijke participatie en samenhang dient daarbij
echter niet te worden onderschat. Tussen ervaren discriminatie en strafrechtelijk
vastgestelde discriminatie kan een verschil bestaan. Ervaren discriminatie wordt niet
voetstoots aangenomen. De uiting of handeling wordt zorgvuldig beoordeeld. Daarbij
geldt ook dat religiekritiek niet per definitie discriminerend is.
Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie en erkenning
De definitie van discriminatie, zoals gehanteerd door de Staatscommissie tegen Discriminatie
en Racisme en beschreven in de eerste voortgangsrapportage8, is toegepast in en uitgangspunt geweest voor het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie.
Moslimdiscriminatie is wanneer iemand negatief bejegend, uitgesloten of achtergesteld
wordt vanwege het feit dat diegene (vermeend) moslim is.
In het Nom wordt het uitgangspunt gehanteerd dat het bestaan van moslimdiscriminatie
reeds is aangetoond binnen de Nederlandse samenleving. Vanuit dit uitgangspunt, beschrijft
dit onderzoek de aard en specifieke contexten van moslimdiscriminatie zoals die worden
ervaren, op basis waarvan handelingsperspectief ontwikkeld kan worden. Het onderzoek
is daarmee niet kwantitatief. In het Nom zijn bestaande literatuuronderzoeken verzameld
en tezamen gebundeld in één hoofdstuk, waarbij zowel studies betrokken zijn die expliciet
moslimdiscriminatie onderzoeken, als studies die zich richten op kenmerken die vaak
samengaan met een moslimachtergrond, zoals herkomstgroep. Uit ander onderzoek blijkt
dat 16% van de Nederlandse moslims zich gediscrimineerd voelt op grond van hun geloof.9 Daarnaast blijkt uit de recente verkenning naar arbeidsmarktdiscriminatie dat 37–43%
van de vrouwen die een hoofddoek draagt ooit discriminatie op stage of werk heeft
ervaren.10 In het Nom is middels 44 interviews en focusgroepen verdiepend ingegaan op de domeinen
en situaties waarin moslims in Nederland discriminatie ervaren, alsmede de belangrijkste
kennislacunes op dit gebied.
Het Nom beschrijft een toegenomen normalisering van moslimdiscriminatie, waar een
structureel component in zit. Uit het onderzoek blijkt dat het vertrouwen in de overheid
onder respondenten afneemt door institutionele vormen van discriminatie. Volgens de
onderzoekers kan dat de sociale cohesie ondermijnen, terwijl een sterke onderlinge
verbondenheid in de samenleving volgens hen juist nodig is om belangrijke maatschappelijke
problemen op te lossen. Omdat uit de conclusie van het Nom blijkt dat moslimdiscriminatie
wijdverbreid is en een patroon vormt.
Het Nom sluit daarmee aan bij conclusies die getrokken zijn uit verscheidene eerdere
zowel kwalitatieve als kwantitatieve onderzoeken zoals: (1) de CBS Veiligheidsmonitor,
2024, (2) FRA, Being Muslim in the EU – Experiences of Muslims, 2024, (3) Sociaal
en Cultureel Planbureau, Ervaren discriminatie in Nederland II, 2024 en (4) Radboud
Universiteit, Verkenning arbeidsmarktdiscriminatie van moslima's, 2024.
Het kabinet erkent dat moslimdiscriminatie in Nederland bestaat en moet worden aangepakt.
Het Nom, de hierboven benoemde onderzoeken en het hierboven genoemde Trouw-artikel,
alsook recente incidenten bij moskeeën, laten allemaal zien dat moslimdiscriminatie
in Nederland aanwezig is en voorkomt. Discriminatie heeft niet alleen een ontwrichtend
effect op het individu, maar ook op de samenleving als geheel. In een samenleving
die gebouwd is op vrijheid, gelijkwaardigheid en wederzijds respect, moet iedereen
– ongeacht achtergrond of geloof – zich vrij voelen om zichzelf te zijn. In de open
en inclusieve samenleving, die wij streven te zijn, moeten ook islamitische burgers
hun identiteit en religie in alle vrijheid kunnen beleven.
Catshuissessie «Toekomstverwachtingen van moslimjongeren in Nederland»
Op 26 augustus 2025 zijn namens het kabinet, de Minister-President, Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties, Staatssecretaris Participatie & Integratie en Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in gesprek gegaan met Nederlandse moslimjongeren
over het gepubliceerde rapport «Toekomstverwachtingen van moslimjongeren in Nederland».11, zoals verzocht door het lid Van Baarle (DENK)12. In dit rapport wordt beschreven dat 9 op de 10 Nederlandse deelnemers van dit onderzoek
geen vertrouwen heeft in politici, dat deze jongeren zich onveilig voelen en dat een
derde van de jongeren somber is over hun toekomst in Nederland. Daarbij geldt dat
de mentale gezondheid bij een aantal groepen al een langere tijd achteruit gaat, al
sinds vóór de coronapandemie. Die achteruitgang is vooral te zien bij adolescenten,
jongvolwassenen en vrouwen.13 De aanwezige bewindspersonen hebben tijdens dit gesprek wederom benadrukt dat het
onacceptabel is als ervaren discriminatie tot gevoelens van onveiligheid leiden of
resulteren in het gevoel niet te kunnen meedoen aan de open en vrije samenleving.
Dit kabinet hecht waarde aan de kracht van dialoog en zal elk halfjaar interdepartementaal
in gesprek gaan met de moslimgemeenschap, onder coördinatie van de Minister van BZK.
Het kabinet voert regelmatig ook gesprekken met de Joodse gemeenschap en zal dit in
de toekomst blijven doen.
Daadkrachtig optreden tegen moslimdiscriminatie
Middels deze brief geeft het kabinet opvolging aan zowel het Nom als het onderzoek
«Toekomstverwachtingen van Nederlandse Moslimjongeren» en verdere genoemde onderzoeken.
Vanuit de gecoördineerde aanpak van discriminatie en racisme onder leiding van de
Minister van BZK en in samenwerking met de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie
en Racisme wordt ook nu al breed ingezet op preventie en bestrijding van discriminatie
en racisme. Voor de bestrijding van moslimdiscriminatie zet het kabinet bestaande
generieke maatregelen in, alsook maatregelen die nadrukkelijk gericht zijn op de aanpak
van moslimdiscriminatie zoals uiteengezet in de bijlage één via de volgende pijlers:
• Pijler 1 Voorkomen van en ondersteunen bij discriminatie
• Pijler 2 Inzicht in en versterking van de aanpak discriminatie (gemeentelijk en Rijksoverheid)
• Pijler 3 Sectorale aanpak discriminatie
Voortgang maatregelen
Uw Kamer wordt door het kabinet geïnformeerd over de voortgang van de aanpak van moslimdiscriminatie
in het kader van de algehele opvolging van het Nationaal Programma tegen Discriminatie
en Racisme.
Tot slot
Het is aan eenieder in onze samenleving om respectvol met elkaar om te gaan, elkaar
niet te discrimineren en een norm uit te dragen waarin eenieder de Grondwet naleeft,
in het bijzonder artikel 1. De Nederlandse samenleving maken we samen: een samenleving
waarin we met wederzijds respect, in veiligheid en in vrijheid gelijkwaardig kunnen
samenleven.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.N.J. Nobel
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
BIJLAGE 1: Maatregelen versterken aanpak discriminatie, waaronder ook tegen moslimdiscriminatie
Pijler 1 Voorkomen van en ondersteunen bij discriminatie
1.1 Voorkomen van discriminatie
• De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme heeft op 13 februari 2025 de voortgangsrapportage
«Ervaringen en lessen om discriminatie in publieke dienstverlening te voorkomen en
te bestrijden» uitgebracht over de door hen ontwikkelde Discriminatietoets Publieke
Dienstverlening (DPD). De discriminatietoets is op 3 november jl. gelanceerd.
In de komende periode voert de Minister van BZK gesprekken met de staatscommissie
over het gebruik van de discriminatietoets, over inbedding in bestaande structuren
en over het begeleiden van de organisaties die de toets gaan gebruiken.
• De overheid acht het gebruik van risicoprofielen soms nuttig en effectief, maar het
mag niet ten koste gaan van de burger en tot discriminatie of stigmatisering leiden.
Het is daarom zaak om enkel gebruik te maken van risicoprofilering wanneer dit gebeurt
met de grootst mogelijke zorgvuldigheid, behoedzaamheid, transparantie, goede monitoring
en een met waarborgen omkleed proces.
Het College voor de Rechten van de Mens heeft in opdracht van het Ministerie van BZK
op 28 januari jl. een nieuw Toetsingskader risicoprofilering uitgebracht over het
gevaar van discriminatie bij risicoprofilering.14 Het instrument biedt praktische handvatten voor uitvoeringsorganisaties om de complexe
juridische normen uit het non-discriminatierecht op zorgvuldige wijze toe te passen
in de dagelijkse uitvoeringspraktijk. De Minister van BZK zal zich de komende periode
inzetten om zoveel mogelijk partijen te stimuleren hier veelvuldig gebruik van te
maken.
• Daarnaast heeft de overheid de afgelopen jaren flinke stappen gezet op het terrein
van bewustwording, het aanpassen van werkprocessen en het grip krijgen op algoritmische
besluitvorming. Recent heeft de Minister van BZK daarvan een overzicht gegeven in
de kabinetsreactie op het rapport van Amnesty International Nederland «Etnisch profileren
is overheidsbreed probleem».15 Zo hebben organisaties hun handelingskader aangescherpt en wordt in trainingen en
cursussen steeds meer aandacht besteed aan de aanpak van discriminatie en racisme.
• Het Ministerie van BZK heeft tevens een algoritmekader ontwikkeld, waarin hulpmiddelen
zijn opgenomen om discriminatie vroegtijdig op te sporen, en een discriminatieprotocol
opgesteld, waarmee een concreet handelingsperspectief wordt geboden als een vermoeden
bestaat of geconstateerd wordt dat er sprake is van discriminatie bij een algoritmisch
systeem. Daarnaast heeft de Minister van BZK onderzoek gedaan naar een uitbreiding
van de Algemene wet gelijke behandeling met eenzijdig overheidshandelen.
1.2 Ondersteunen van mensen die discriminatie hebben ervaren
• De Minister van BZK zet in op de herziening van het huidige stelsel van antidiscriminatievoorzieningen
(ADV’s). De Minister van BZK stuurde in januari 2025 aan de Tweede Kamer een hoofdlijnennotitie
over de versterking van de antidiscriminatievoorzieningen.16 Door toe te werken naar één centrale organisatie, in plaats van de huidige gemeentelijke
ADV’s, is deze organisatie beter in staat om discriminatie adequater aan te pakken.
Dit komt óók de aanpak van moslimdiscriminatie ten goede. Daarnaast is er binnen deze
stelselherziening ook verkend hoe nazorg effectief geborgd kan worden om, indien gewenst,
emotionele ondersteuning te bieden. Tijdens de behandeling van de melding kan de consulent
de melder ook ondersteunen bij het doen van een aangifte bij de politie.
• Het «Plan van aanpak tegen online discriminatie» geeft invulling aan de bredere inzet
van het kabinet om discriminatie, haat en racisme in de digitale ruimte terug te dringen.
Het richt zich op het verbeteren van bescherming voor slachtoffers (onder wie moslims),
het versterken van meld- en registratiestructuren, het vergroten van bewustwording
en het verbeteren van toezicht en handhaving op digitale platforms.
Het plan is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen de ministeries van BZK
(als coördinerend departement), J&V, SZW en OCW. Het plan van aanpak is op 4 juli
202517 met uw Kamer gedeeld.
Pijler 2 Inzicht in en versterking van de aanpak discriminatie (gemeentelijk en Rijksoverheid)
2.1 Inzicht in discriminatie
• De Ministers van BZK en J&V hebben een subsidie verstrekt aan Discriminatie.nl om
samen met andere officiële meldinstanties een landelijk opererend near real time dashboard te kunnen uitrollen om discriminatoire incidenten efficiënter in kaart te brengen.
Het biedt inzicht in het aantal gemelde incidenten bij de verschillende meldinstanties
op lokaal niveau, en wordt gedeeltelijk openbaar. Daarnaast biedt het beleidsmakers
en lokale organisaties beter inzicht op verschillende vormen van discriminatie, waaronder
moslimdiscriminatie, binnen de gemeenten in Nederland. Deze inzichten kunnen vervolgens
gebruikt worden om de lokale aanpak te versterken. Eind 2026 is het dashboard volledig
operationeel.
2.2 Versterking van de aanpak van moslimdiscriminatie
• Sinds 2024 maakt de Minister van BZK jaarlijks € 2,5 miljoen vrij en stelt dit bedrag
ter beschikking aan gemeenten ten behoeve van preventiebeleid op discriminatie, waarbij
gemeenten vrij zijn bij de vormgeving en invulling hiervan. Ook in 2026 ontvangen
gemeenten deze bijdrage. In onder andere de gemeenten Amsterdam, Utrecht, Haarlemmermeer
en Arnhem is al een lokale aanpak van moslimdiscriminatie ontwikkeld of in ontwikkeling.
Om andere gemeenten hierbij te ondersteunen start het Ministerie van SZW, in samenwerking
met het Ministerie van BZK, in 2026 met een gemeentelijk leernetwerk.
Dit leernetwerk, waarbij expertise van het Kennisplatform Inclusieve Samenleving (KIS)
een essentieel onderdeel is, ondersteunt de ontwikkeling en versterking van de preventieve
aanpak op grond van huidskleur, religie en herkomst in de eigen lokale context, waarbij
er specifiek aandacht besteed wordt aan moslimdiscriminatie.
• De Ministeries van BZK en SZW hebben op 10 juli 2025 een bijeenkomst georganiseerd
om de uitkomsten van het Nom te delen en te bespreken met het maatschappelijk middenveld.
De belangrijkste conclusie van deze bijeenkomst is dat de aanpak van moslimdiscriminatie
structureel overleg met en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld vergt.
Op basis van het Nom en de uitkomsten van de bijeenkomst op 10 juli 2025 heeft SZW
aan KIS gevraagd om een werkgroep in te richten, met deelnemers zoals de NCDR, Discriminatie.nl,
VNG, BZK, de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme en het College van de
Rechten van de Mens. Met de leden van de werkgroep worden actiegerichte interventies
in kaart gebracht op basis van wat evidence-based werkt in de aanpak van moslimdiscriminatie. De werkgroep start in 2026, voor de duur
van één jaar en komt met een voorstel aan de Ministeries BZK en SZW over het mogelijk
in te zetten van deze interventies. Het is aan een nieuw kabinet om te bepalen welke
interventies ingezet zullen worden.
Door het instellen van deze werkgroep onder leiding van KIS en, in samenhang met de
in deze brief opgenomen maatregelen, achten wij de motie van het lid Van Baarle (DENK)
om in het aankomende Nationale programma tegen Discriminatie specifieke maatregelen
voor te stellen om de strijd tegen moslimdiscriminatie op te voeren18, en de motie van de leden Chakor (GL/PvdA) en Bamenga (D66) om bij het eerstvolgende
Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme tot concrete maatregelen te komen
om moslimdiscriminatie aan te pakken19 als opgepakt en in uitvoering. Bij het informeren van uw Kamer over de voortgang
van de uitvoering van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme door
de Minister van BZK, zal ook worden ingegaan op de uitkomsten van de bevindingen van
deze werkgroep.
• KIS heeft, met middelen van het Ministerie van SZW, de afgelopen jaren een sleutelrol
gespeeld in het toegankelijk maken en uitdiepen van de wetenschappelijke kennis voor
de praktijk over wat werkt om discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie, te verminderen.
Zo is de database antidiscriminatie-interventies20 ontwikkeld. In deze database zijn interventies opgenomen voor een effectieve aanpak
van discriminatie. Deze interventies zijn onderbouwd met wetenschappelijk bewezen
mechanismen.
In deze database kunnen gemeenten of (maatschappelijke) organisaties (bedrijven, scholen,
sportclubs, buurtorganisaties, gezondheidsorganisaties etc.) gericht zoeken naar een
interventie die ingezet kan worden in een specifiek domein met als doel discriminatie,
vooroordelen of stereotypen te verminderen. KIS zal deze database de komende jaren
verder ontwikkelen en onder de aandacht brengen bij stakeholders voor de toepassing
ervan.
• Sinds 2024 is het Ministerie van SZW periodiek in gesprek met vertegenwoordigers van
islamitische gemeenschappen over onder meer moslimdiscriminatie. Deze gesprekken zijn
voortgekomen uit het reflectietraject uit 2023.
Dit traject is (destijds) opgestart naar aanleiding van berichtgeving over onderzoeken
vanuit de overheid naar lokale islamitische organisaties en personen door verschillende
gemeenten. SZW heeft in dit traject vervolgens namens het kabinet met vertegenwoordigers
uit de islamitische gemeenschappen, gemeenten en rijksambtenaren gereflecteerd op
de manier waarop overheden en islamitische gemeenschappen samenwerkten.21 De noodzaak voor structurele dialoog wordt bevestigd in het onderzoek van Movisie
en Moslimpeil «Tussen Minaret & Ministerie»22, wat ziet op het vertrouwen van moskeebesturen in de Nederlandse overheid.
In lijn met de Kamerbrief 23 over motie Becker (VVD)24 en motie Palland (CDA)25 werken we samen met maatschappelijke partners, die de doelstellingen van de Actieagenda
Integratie en de waarden en normen van onze open en vrije samenleving onderschrijven.
Het kabinet blijft zich inzetten voor het beschermen van de democratische rechtsorde,
bijvoorbeeld door de weerbaarheid te vergroten tegen ongewenste vormen radicalisering,
waaronder in bepaalde religieus-extremistische stromingen. Deze inzet vindt altijd
plaats binnen de grenzen van de wet.
• Onderdeel van het werk aan herstel van vertrouwen tussen de moslimgemeenschappen en
de overheid is het traject waarin het Ministerie van SZW personen van wie onrechtmatig
persoonsgegevens zijn verwerkt, informeert en inzage biedt.26
SZW heeft in het verleden bij de aanpak van maatschappelijke spanningen en de preventie
van radicalisering persoonsgegevens verwerkt van voornamelijk mensen met een islamitische
achtergrond zonder dat daarvoor een rechtmatige grondslag bestond.
De toenmalig Minister van SZW heeft in 2023 hiervoor excuses gemaakt. Ook heeft zij
erkend dat de overheid onbedoeld heeft bijgedragen aan stigmatisering van islamitische
gemeenschappen.27
Op 11 juni jl. heeft de Staatssecretaris Participatie & Integratie de voortgang van
dit traject gedeeld en gereflecteerd op het afgeronde onderzoek van de Autoriteit
Persoonsgegevens over deze kwestie.28 Het hersteltraject wordt eind 2025 afgerond, waarna de gegevens worden verwijderd.
• Vanuit het Ministerie van SZW is eind 2023 gestart met een pilot interreligieuze dialoogsessies
tussen jongeren met verschillende geloofsovertuigingen (joods, islamitisch en christelijk).
De sessies zijn bedoeld om bij te dragen aan wederzijds begrip, positieve(re) beeldvorming
en het doorbreken van negatieve stereotyperingen. De pilot is afgerond. Momenteel
wordt verder uitgewerkt hoe er een vervolg kan worden gegeven aan de interreligieuze
dialoog.
• Het Ministerie van SZW en het Ministerie van BZK laten samen een verkennend onderzoek
doen naar de wijze waarop door diverse partijen meerjarig een sociale norm kan worden
uitgedragen in de samenleving om discriminatie en racisme, op grond van huidskleur,
herkomst en religie, zoals moslimdiscriminatie, te voorkomen. De variatie in herkomst,
stad of platteland, speelt hierin een rol. Deze verkenning richt zich op een mogelijke
aanpak, betrokkenheid van partijen en benodigd budget. Wij zullen uw Kamer de uitkomsten
doen laten toekomen en u informeren over het vervolg.
Het laten uitdragen van een anti-discriminatoire sociale norm kan bijdragen aan het
(h)erkennen van discriminatie in de samenleving, bewustwording en het voorkomen van
discriminatie.
• Nederland neemt in internationaal verband deel aan bijeenkomsten over discriminatie.
Op 13–14 maart jl. heeft de Europese Commissie samen met de Raad van Europa een bijeenkomst
georganiseerd die gericht is op het tegengaan van moslimdiscriminatie.
De NCDR was ook bij deze bijeenkomst aanwezig. Nederland zal in de toekomst deel blijven
nemen aan deze EU-overleggen, om zo ook de kennis en ervaringen vanuit Europa te kunnen
benutten bij de aanpak van moslimdiscriminatie in Nederland.
Tevens organiseerde BZK op 21 november 2024 samen met de Europese Commissie een workshop «Combatting anti-Muslim hatred: Showcasing Efforts and Sharing Best Practices
of EU Ministries of Interior» in Den Haag. De workshop bood vertegenwoordigers van de lidstaten gelegenheid om
best practices uit te wisselen en antimoslimhaat te bespreken vanuit hun eigen beleidsterrein.
Pijler 3 Sectorale aanpak discriminatie
3.1 Onderwijs
• Het kabinet ziet met name belangrijke kansen bij de jongere generatie(s) in Nederland
om discriminatie preventief aan te pakken. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap (OCW) zet zich op verschillende manieren in om discriminatie en racisme
op onderwijsinstellingen tegen te gaan.
Ten eerste zijn scholen in het primair en voortgezet onderwijs op grond van de wettelijke
burgerschapsopdracht verplicht om leerlingen respect en kennis bij te brengen voor
en over de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en diversiteit – bijvoorbeeld
in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap
en seksuele gerichtheid. Ook dienen scholen te zorgen voor een schoolcultuur waarin
leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten.
Scholen in het primair en voortgezet onderwijs hebben een zorgplicht voor de veiligheid.
Dat betekent dat zij beleid moeten maken om de veiligheid van alle leerlingen te bevorderen
en hier ook naar moeten handelen. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt
voor het primair en voortgezet onderwijs een nadere inkleuring en verduidelijking
gegeven van de zorgplicht veiligheid op school. Daarbij worden scholen verplicht om
het zicht op de veiligheid te vergroten en tot gedegener veiligheidsbeleid te komen.
Onderdeel hiervan is ook een registratieplicht voor veiligheidsincidenten en een meldplicht
voor ernstige veiligheidsincidenten.
• Tevens heeft OCW in 2023 de integrale aanpak sociale veiligheid in het hoger onderwijs
en de wetenschap gepresenteerd. Discriminatie wordt, naast dat het wettelijk verboden
is, in de aanpak als een vorm van sociale onveiligheid gezien. Een belangrijk onderdeel
van de aanpak is dat OCW werkt aan een wettelijke zorgplicht voor veiligheid in het
gehele vervolgonderwijs en onderzoek.
Naar voorbeeld van het primair en voortgezet onderwijs wordt met deze zorgplicht vastgelegd
dat instellingen veiligheidsbeleid moeten hebben en dat het toezicht hiervoor meer
handvatten krijgt. Het uitgangspunt is dat de dialoog binnen instellingen over veiligheid
wordt bevorderd.
• Via Stichting School en Veiligheid en het Expertisepunt Burgerschap zijn er lesmaterialen,
leermiddelen en trainingen beschikbaar voor leerlingen in het primair, voortgezet,
gespecialiseerd onderwijs en mbo die gericht zijn op het herkennen van en ingrijpen
bij discriminatie.
Daarnaast is onlangs een landelijk subsidieprogramma van start gegaan waardoor universiteiten,
hogescholen, medewerker-, promovendi- en studentenorganisaties worden gestimuleerd
om samen te werken bij het vergroten van een sociaal veilige leer- en werkomgeving.
Voor de jaren 2025, 2026 en 2027 is er jaarlijks 4,5 miljoen euro beschikbaar om initiatieven
te ondersteunen die de sociale veiligheid vergroten. De subsidieregeling is live gegaan
in januari 2025. Hier kunnen ook voorstellen ter bestrijding van moslimdiscriminatie
worden ingediend.
Ook kunnen de middelen voor uitvoering van de afspraken ten aanzien van sociale veiligheid
in het Bestuursakkoord door onderwijsinstellingen worden besteed aan bestrijding van
moslimdiscriminatie. Hiervoor is vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
tot en met 2031 jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar.
• Onderadvisering komt voor wanneer leerlingen worden geadviseerd voor een lager niveau
van voortgezet onderwijs dan wat hun capaciteiten daadwerkelijk zouden toelaten. Dit
kan leiden tot een gemiste kans voor leerlingen om hun volledige potentieel te benutten.
OCW werkt aan het tegengaan van onderadvisering. Dit doet OCW onder andere door de
maatregel «verplicht bijstellen schooladvies» en met de handreiking schooladvisering.
Er is op verzoek van OCW een verkennend onderzoek gedaan naar onderadvisering.29 Hieruit bleek dat er aanzienlijke kennishiaten zijn als het gaat om structurele oorzaken
van onderadvisering in Nederland. We moeten beter begrijpen welke leerlingen worden
getroffen door onderadvisering, welke kenmerken van leerlingen daar bepalend in zijn
en hoe dat gebeurt. OCW zal daarom volgend jaar opdracht geven voor vervolgonderzoek
naar onderadvisering.
• Het Ministerie van OCW werkt ook aan het tegengaan en voorkomen van stagediscriminatie.
In het mbo doet OCW dat onder andere door het Stagepact MBO30 waarin overheid, bedrijfsleven, scholen en studenten afspraken hebben gemaakt om
stagediscriminatie tegen te gaan.
Elke mbo-instelling heeft naar aanleiding van deze afspraken inmiddels een meldpunt.
Bij dit meldpunt kunnen studenten stagediscriminatie melden, krijgen ze ondersteuning
en nazorg. In het schooljaar 2023/2024 zijn scholen ook gestart met objectieve stagematching.
Verder zijn onderwijsinstellingen aan de slag gegaan met het professionaliseren van
stagebegeleiders om stagediscriminatie te voorkomen en tegen te gaan.
De ministeries OCW en SZW werken samen met de onderwijskoepels, werkgeversorganisaties
en studentenbonden in een landelijke werkgroep om stagediscriminatie in het hbo/wo
tegen te gaan.
Hierin wordt de voortgang van de uitvoering van het werkprogramma tegen stagediscriminatie
besproken.31 Het programma is gericht op het vergroten van het maatschappelijke bewustzijn over
discriminatie en het ontwikkelen van effectieve verbeteracties gericht op het onderwijs
en werkgevers.
Daarnaast zal het Ministerie van Onderwijs, Cultuur Wetenschap de Islamitisch-Nederlandse
gemeenschap vaker betrekken bij relevante beleidsdossiers. Het ministerie zal hen
vaker als gesprekspartner uitnodigen om te horen wat er leeft binnen de gemeenschap
en om ervoor te zorgen dat alle Islamitisch-Nederlandse jongeren zich veilig, gezien
en gehoord voelen op de onderwijsinstellingen en zich gerepresenteerd zien in de media
en cultuur.
3.2 Arbeidsmarkt
• Het kabinet erkent dat arbeidsmarktdiscriminatie een hardnekkig probleem is. De Minister
van SZW heeft daarom in maart 2025 het Offensief Gelijke Kansen aangekondigd32 waarmee stevig wordt ingezet op het creëren van gelijke kansen op de arbeids- en
stagemarkt.
Om te komen tot een echte verandering onder werkgevers wordt ingezet op drie pijlers:
a. Bereiken en activeren van een brede groep aan werkgevers en verandering van de sociale
norm over een professioneel werving- en selectieproces;
b. Doorontwikkeling van effectieve en eenvoudig toepasbare hulpmiddelen;
c. Het stimuleren van samenwerking onder bedrijven (per sector, regio of branche) die
actief aan het werk zijn met gelijke kansen.
Een speerpunt in het Offensief betreft het ondersteunen van werkgevers bij het objectiveren
van het wervings- en selectieproces.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van praktische hulpmiddelen die ontwikkeld zijn binnen
de Werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA). Dit is essentieel om de verandering
van een sociale norm, waarbij het steeds normaler wordt om in te zetten op het creëren
van gelijke kansen, te realiseren.
Zoals in juni 2024 aan de Tweede Kamer is toegezegd laat het Ministerie van SZW in
2025 een handreiking voor werkgevers over specifiek discriminatie van moslima’s bij
toetreding tot en op de arbeidsmarkt ontwikkelen33 in samenwerking met de NCDR en Radboud Universiteit over de specifieke vormen van
arbeidsmarktdiscriminatie die moslima’s ervaren bij zowel de instroom als doorstroom
op de arbeidsmarkt.
Uit de uitgevoerde verkenning naar arbeidsmarktdiscriminatie van moslima’s kwam naar
voren dat discriminatie voor veel moslima’s – in het bijzonder voor vrouwen die een
hoofddoek dragen – een structurele en alledaagse ervaring is.
Gebleken is dat moslima’s voor sollicitaties significant minder vaak worden uitgenodigd
(2 tot 7 keer minder dan vrouwen zonder hoofddoek), en dat een substantieel deel van
hen discriminatie ervaart tijdens stage of werk.
De handreiking beoogt werkgevers handelingsperspectief te bieden voor een integrale
aanpak van discriminatie gedurende het gehele arbeidsproces: van werving en selectie
tot dagelijkse werkvloerinteracties, personeelsbeleid en duurzame inzetbaarheid.
Ter bevordering van implementatie en praktische toepasbaarheid wordt de handreiking
in drie rondetafelgesprekken aan werkgevers voorgelegd. In deze sessies worden de
belangrijkste bevindingen uit het onderzoek, de implicaties voor het organisatiebeleid
en de beschikbare instrumenten toegelicht. Na afronding wordt de handreiking breed
toegankelijk gemaakt. De publicatie vindt plaats via het portaal van ArboNed en via
de kanalen van de werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA).
3.3 Zorg
• Middels de VWS-brede aanpak discriminatie en gelijke kansen is de afgelopen jaren
door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ingezet op het verbeteren
van diversiteitssensitief werken in de zorg. Als een van de uitwerkingen van de maatregelen
in de beleidsnota diversiteitssensitieve zorg is ZonMw in juli 2024 een pilotprogramma
«Diversiteitssensitief werken in de zorg» gestart. Hiermee wordt de beweging ten aanzien
van een diversiteitssensitieve aanpak in de zorg voortgezet en bestendigd.
De programmalijnen richten zich op implementatie in de praktijk en verankering in
opleiding. De projecten worden eind 2026 afgerond. Daarnaast is een breed onderzoek
uitgevoerd naar de prevalentie van discriminatie in de zorg, welzijn en sport34. In dit onderzoek komt naar voren dat moslims één van de groepen zijn die een verhoogd
risico hebben op discriminatie in de zorg, welzijn en sport. In het onderzoek komt
tevens een aantal zorgsectoren naar boven waarin de meeste discriminatie wordt ervaren.
VWS gaat dit jaar nog in gesprek met deze sectoren.
Doel van deze gesprekken is om de sectoren aan te zetten om acties te ondernemen voor
het bestrijden van discriminatie in de zorg, welzijn en sport. De VWS-brede aanpak
discriminatie en gelijke kansen loopt in zijn huidige vorm tot eind 2025. Daarna is
het aan veldpartijen om verdere uitvoering te geven aan het bestrijden van discriminatie
in de zorg, welzijn en sport.
3.4 Sport
• Op 22 april 2025 heeft de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport de monitor OVIVI
en OCIVI met uw Kamer gedeeld35. In aanvulling daarop is in de Kamerbrief over toekomstig sportbeleid36 aangegeven dat vanwege het grote en blijvende belang van een sportomgeving waar niet
gediscrimineerd wordt er vanuit de Voorjaarsnota 1,6 miljoen euro is opgenomen om
OVIVI en OCIVI in 2026 te continueren. Vervolgens zal met de betrokken departementen,
de KNVB en NOC*NSF, worden gesproken om de ingezette lijn van voorkomen, signaleren
en sanctioneren van discriminatie en racisme door te zetten.
Vanuit OVIVI loopt een brede doorlopende campagne voor sportclubs, sporters en toeschouwers
onder de naam Discriminatie=Kansloos. Deze gaat onder andere over de wijze van melden
en innovaties rond signaleren van discriminatie. Het thema voor 2025 is «Hoe te handelen».
• Het Ministerie van SZW zet in het kader van OVIVI in op bewustwording en gedragsverandering
van jeugd met twee projecten: Fair Play workshops die de Anne Frank Stichting samen
met de clubs organiseert en de spreekkorenprojecten.
De Fair Play workshops worden op scholen (in samenwerking met jeugdtrainers van de
Betaal Voetbal Organisaties) en bij de voetbalclubs (zowel betaald voetbalclubs als
amateurclubs) gegeven. De workshop bestaat onder andere uit een game en een groepsgesprek.
Door het spelen van de game en het groepsgesprek wil de Anne Frank Stichting jongeren
bewust maken van verschillende vormen van discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie,
en hun eigen rol hierin op en om het voetbalveld. De game laat zien dat de jongeren
zelf een actieve rol kunnen hebben bij de aanpak van discriminatie.
Vanuit het Ministerie van SZW en JenV is er financiering beschikbaar tot en met 2025
voor de uitvoering van 140 workshops waarmee 2.800 tot 3.500 jongeren kunnen worden
bereikt.
3.5 Huisvestiging
• Het NOM benoemt tevens ervaren woondiscriminatie. Om woondiscriminatie tegen te gaan
werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) met een degelijke
aanpak bestaande uit jaarlijkse monitoring, het stimuleren van voorlichting en bewustwording,
mogelijkheid tot sanctionering van woondiscriminatie middels de Wet goed verhuurderschap
en het versterken van de regionale en branchegerichte aanpak.
Deze aanpak begint resultaat te laten zien. Uit de meest recente monitor (2024/2025)
volgt dat woningzoekenden meer gelijke kansen krijgen om een huurwoning te bezichtigen.
Er is géén statistisch significante discriminatie (meer) gemeten op basis van etniciteit
(waaronder Marokkaanse profielen), seksuele gerichtheid of gender tijdens de eerste
selectiefase voor de bezichtiging van een huurwoning. Ook neemt bij verhuurbemiddelaars
het bewustzijn over discriminatie bij woningverhuur toe én wijst een groeiende groep
verhuurbemiddelaars discriminerende verzoeken van (fictieve) verhuurders af. Deze
uitkomsten zijn hoopvol.
Tegelijkertijd komt uit de monitor ook naar voren dat nog steeds te veel verhuurbemiddelaars
discriminerende verzoeken van (fictieve) verhuurders direct of indirect faciliteren.
We zijn er dus nog niet. Het Ministerie van VRO blijft zich daarom onverminderd inzetten
om woondiscriminatie tegen te gaan.37
3.6 Financiële sector en veiligheid
• Het Nom benoemt ervaren discriminatie door banken bij de toepassing van de Wet ter
voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) en de Sanctiewet door
banken.
Het kabinet herkent deze problematiek en zet zich in om ervaren discriminatie te voorkomen.
De Minister van Financiën heeft samen met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB)
en toezichthouders verschillende acties in gang gezet. Deze zien bijvoorbeeld op een
juiste toepassing van de regelgeving, betere communicatie en betere klachtafhandeling.
De Minister van Financiën heeft uw Kamer september dit jaar geïnformeerd over de voortgang38 en zal uw Kamer jaarlijks blijven informeren. Daarbij zal hij ook ervaren discriminatie
blijven monitoren, onder andere door tot en met 2027 jaarlijks uitvoeren van een data-onderzoek
waarbij aan burgers wordt gevraagd in hoeverre ze discriminatie ervaren. De uitkomsten
van het onderzoek uit 2025 zijn met de bovengenoemde voortgangsbrief aan uw Kamer
aangeboden.
• In het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 2022 staat opgenomen dat
de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) verschillende signalen
heeft ontvangen dat gemeenten de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur (Wet Bibob) gebruiken wanneer sprake is van vestiging van religieuze
instellingen en scholen met een islamitische signatuur. Het Nationaal Programma bevat
de aanbeveling om een verkennend onderzoek te doen naar hoe vaak, met welke reden
en met welk resultaat de wet Bibob door gemeenten wordt ingezet bij de vestiging van
religieuze instellingen zoals moskeeën en scholen met een islamitische signatuur.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft allereerst op verschillende manieren
bewustwording willen creëren voor de signalen die de NCDR heeft ontvangen, onder andere
door het gebruik van het netwerk van het Landelijk Bureau Bibob. Daarnaast is eind
kwartaal vier van 2024 gestart met een WODC-evaluatieonderzoek naar de Wet Bibob,
waarmee ook wordt gekeken hoe vaak gemeenten de Wet Bibob hebben ingezet bij de vestiging
van levensbeschouwelijke instellingen en wat de overwegingen daarvoor waren. Het onderzoek
besteedt eveneens aandacht aan de vraag of en met welke redenen bestuursorganen Bibob-beleid
inzetten in relatie tot levensbeschouwelijke instellingen, en of er daarbij verschillen
zijn tussen islamitische instellingen en andere levensbeschouwelijke instellingen,
conform een aanbeveling van de NCDR39. Uit de interviews van de onderzoekers blijkt dat bestuursorganen niet anders omgaan
met islamitische instellingen dan met andere levensbeschouwelijke instellingen, tenzij
daar een objectieve reden voor is. De resultaten van het onderzoek zijn 1 december
jl. met de Kamer gedeeld.40 Uiterlijk in het eerste kwartaal van 2026 volgt een inhoudelijke reactie op de conclusies
en aanbevelingen van het onderzoek.
• Bij de vaststelling van de Begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid
voor het jaar 202541 is een motie aangenomen van het lid El Abassi (Denk) waarin het kabinet wordt opgeroepen
om zich maximaal in te blijven zetten voor de veiligheid en bescherming van de islamitische
gemeenschap. Het kabinet onderschrijft het belang van deze oproep en zet zich in om
op zorgvuldige wijze invulling te geven aan de motie.
In dat kader is een verkenning gestart naar de meest passende en effectieve benadering.
Het kabinet is voornemens hierover in gesprek te gaan met een zo breed en divers mogelijke
vertegenwoordiging binnen de islamitische gemeenschap.
Daarbij is het doel om inzicht te krijgen in de zorgen, ervaringen en behoeften die
binnen deze gemeenschap leven. De uitkomsten van deze gesprekken zullen worden betrokken
bij de verdere duiding van mogelijke vervolgstappen.
Het kabinet hecht waarde aan een benadering die recht doet aan de diversiteit van
perspectieven en draagt bij aan het bredere streven naar veiligheid en bescherming
voor iedereen.
• Per 1 juli 2025 is het nieuwe artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht in werking
getreden, waarmee de strafmaat voor een zogeheten commuun delict, zoals mishandeling
of vernieling, een derde verhoogd kan worden. De invoering van deze strafverzwaringsgrond
maakt hate crimes beter zichtbaar in het strafproces en registratie van feiten, en
maakt dat de slachtoffers daarvan als zodanig worden erkend.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties