Brief regering : Fiche: Investeringsplan duurzaam Vervoer
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4222 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 december 2025
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij twee fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche: Investeringsplan duurzaam Vervoer.
Fiche: Omnibus AI en Omnibus Digitaal (Kamerstuk 22 112, nr. 4223).
De Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel
Fiche: Investeringsplan duurzaam Vervoer
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch
en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Investeringsplan duurzaam vervoer
b) Datum ontvangst Commissiedocument
5 november 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2025) 664
d) EUR-Lex
EUR-Lex - 52025DC0664 - EN - EUR-Lex
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie (Vervoer)
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
2. Essentie voorstel
Het Investeringsplan Duurzaam Vervoer (Sustainable Transport Investment Plan, hierna: STIP) is een niet-wetgevend initiatief van de Europese Commissie (hierna:
de Commissie), met instrumenten en plannen om investeringen in hernieuwbare en koolstofarme
brandstoffen voor de transportsectoren, specifiek de lucht- en zeevaart,1 te stimuleren. Deze investeringen richten zich op diverse aspecten van de ketens
variërend van onderzoek en technologische ontwikkeling, financiering van projecten
voor SAF en SMF-productie, initiatieven gericht op brandstofafnemers, tot het opzetten
van een marktmechanisme (in de vorm van dubbelzijdige veilingen) voor e-SAF. Het doel
van het STIP is om versnelling aan te brengen in het verschonen van de Europese transportsector
door inzet op het verminderen van investeringsrisico’s wat strategische, economische
en technologische voordelen meebrengt voor de transport- en brandstofindustrie. Het
STIP is gericht op het stimuleren van de productie van hernieuwbare brandstoffen binnen
de Europese Unie (EU), met als doel het vertrouwen van investeerders te vergroten
en marktliquiditeit te stimuleren om first-of-a-kind (FOAK) productiefaciliteiten te realiseren. EU-producenten kunnen hiermee een mondiaal
concurrerende positie verwerven waarbij de opschaling van de meer dan 50 demonstratieprojecten
die al actief zijn in de EU verder wordt geholpen. Het STIP is complementair aan de
Clean Industrial Deal (CID)2 en de wetgeving die de EU binnen Fit for 553 heeft ingevoerd. Dit omvat verordeningen en richtlijnen waarmee de EU in 2030 wil
komen tot 55% reductie van de CO2-uitstoot t.o.v. 1990, waaronder de Europese bijmengverplichting voor duurzame luchtvaartbrandstoffen
(Sustainable Aviation Fuels; SAF) ReFuelEU Aviation, FuelEU Maritime (FuelEU), de Richtlijn hernieuwbare energie (RED III) en het EU emissiehandelssysteem
(EU ETS). De financieringsinstrumenten die in het STIP worden voorgesteld kunnen helpen
om deze doelen en verplichtingen te halen.
De huidige barrières voor investeringen zijn i) de hoge kapitaalinvesteringen en de
technologische risico’s die komen kijken bij vroegtijdige projecten; en ii) een mismatch
tussen producenten en afnemers bij de looptijd van afnamecontracten. Brandstofproducenten
hebben langetermijnzekerheid nodig om financiering te verkrijgen, terwijl afnemers
een voorkeur hebben voor kortetermijncontracten waarmee flexibeler ingespeeld kan
worden op fluctuerende prijzen in een ontwikkelende markt.
Om de doelstellingen van ReFuelEU Aviation en FuelEU Maritime te halen,4 zal volgens de Commissie tegen 2035 ongeveer 23,1 miljoen ton aan hernieuwbare brandstoffen5 nodig zijn. Om de huidige productiecapaciteit van 2 miljoen ton (SAF en SMF) te vergroten
– schat de Commissie in dat er € 100 miljard aan investeringen nodig zal zijn per
2035, waarvan de meerderheid vanuit de private sector. Om hiertoe te komen richt het
STIP zich op het mobiliseren van actie en financiële middelen in drie pijlers: ten
eerste, een wetgevend kader voor de langere termijn voor de energietransitie en technologische
ontwikkeling in de lucht- en scheepvaart; ten tweede, aanzetten tot investeringen,
aansluitend bij reeds bestaande (Europese) financiële mechanismen en beleidskaders
en voorstellen voor nieuwe instrumenten; ten derde, strategische partnerschappen en
mondiale samenwerking om de productie van duurzame (scheepvaart)brandstoffen in derde
landen te stimuleren, met aandacht voor mondiale afspraken.
Het STIP mobiliseert ten minste € 2,9 miljard aan EU-instrumenten tegen 2027. Vanuit
InvestEU wordt € 2 miljard gemobiliseerd voor duurzame brandstoffen. Vanuit het EU
Innovatiefonds worden 4 e-SAF-projecten met € 153 miljoen en 5 SMF-projecten met € 293 miljoen
ondersteund. Binnen het Innovatiefonds wordt in december 2025 een call geopend voor
de Europese Waterstofbank met een budget van € 300 miljoen ten behoeve van de productie
van SAF en SMF.
Vanuit Horizon Europe wordt € 133 miljoen gemobiliseerd onder het nieuwe SET Plan Flagship en de volgende Horizon Europe-call voor 2026 om onderzoek te stimuleren. Deze projecten
zullen zich richten op het verminderen van investeringsrisico’s (de-risking) van duurzame brandstoftechnologieën en waardeketens op Europees en nationaal niveau.
Aanvullend op bovenstaande instrumenten zal de Commissie in 2026 met geïnteresseerde
lidstaten een e-SAF Early Movers Coalition lanceren waarbij de lidstaten zijn benaderd om gezamenlijk tenminste € 500 miljoen
beschikbaar stellen voor de financiering van e-SAF projecten. Dit zal worden gedaan
middels het opzetten van de dubbelzijdige veiling. De Commissie werkt verder aan het
opzetten van een intermediair mechanisme voor dubbelzijdige veilingen op EU-niveau
om een volledig begrip te krijgen van de behoeften en opties voor de start van het
volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK).
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein:
Het kabinet zet in op een duurzame toekomst voor de transportsector en economische
kansen voor innovatieve industrie die dat mogelijk maakt. De lucht- en scheepvaartsectoren
leveren samen met de Nederlandse raffinagesector een grote bijdrage aan de Nederlandse
economie. De Rotterdamse haven heeft een prominente positie in de mondiale import-
en exportmarkt, en Nederland heeft een hoogwaardig petrochemisch cluster dat de basis
kan vormen voor de energietransitie in deze sectoren. De sectorbrede transitie zal
invloed hebben op de Nederlandse economie en biedt daarnaast economische kansen. Er
zijn verschillende programma's en initiatieven in de Nederlandse transportsector die
gelijksoortige barrières als omschreven in het STIP adresseren, waaronder de hoge
productiekosten en de investeringskosten voor duurzame brandstoffen In de luchtvaartsector
werkt het programma Stimulering Duurzame Luchtvaartbrandstoffen (SDL) aan de opschaling
van SAF-productie door het subsidiëren van SAF projecten en het onderzoeken van financieringsinstrumenten
ter bevordering van de SAF-markt. De nationale SAF-roadmap6 omschrijft aan de hand van drie thema's hoe de Nederlandse sector zich de komende
tijd gaat inzetten om nationale en Europese doelstellingen te behalen. De Duurzame
Luchtvaartafel (DLT) adresseert de uitdagingen voor verduurzaming van de luchtvaart
in meer publiek-private context. De Nederlandse maritieme sector heeft een routekaart
ontwikkeld voor de brandstoftransitie in de zeevaart7 en een Maritiem Masterplan,8 en er worden verschillende programma's en subsidies voor binnenvaart ontwikkeld met
middelen uit het Nationaal Groeifonds en het Klimaatfonds.
Gezien de geopolitieke ontwikkelingen en ambities om minder afhankelijk te worden
van grondstoffen en energiedragers van buiten de EU, is het van belang dat innovaties
opgeschaald worden. Het vraagt strategische en sectoroverstijgende keuzes op de inzet
van beschikbare technologieën, productiepaden en grondstoffen om de benodigde opschaling
van duurzame brandstoffen te realiseren. Het kabinet hecht belang aan de opschaling
van alle typen duurzame brandstoffen: zowel van biologische als synthetische oorsprong.
Het kabinet is van mening dat naast synthetische brandstoffen ook geavanceerde biobrandstoffen,
evenals innovatieve aandrijftechnologieën op basis van waterstof en elektriciteit,
onderdeel moeten zijn van de verduurzamingsopgave in de lucht- en scheepvaart.
Daarnaast is Nederland op internationaal vlak een actieve partner binnen het ACT-SAF-programma9 voor capaciteitsopbouw van de internationale burgerluchtvaartorganisatie ICAO. Op
basis van eerdere ervaringen ziet het kabinet mogelijkheden om effectiever en kostenefficiënter
samen te werken door de inbreng van de Commissie en de lidstaten beter op elkaar af
te stemmen. Naast steun aan ACT-SAF verwelkomt het kabinet kennisuitwisseling via
de Renewable and Low-Carbon Fuels (RLCF) Alliance.
Gezien de schaal en complexiteit van de verduurzamingsopgave is bundeling van krachten
en kennis op Europees niveau van belang. Daarnaast blijft het nodig om op nationaal
niveau doorbraken te realiseren om het Nederlandse vestigingsklimaat voor nieuwe duurzame
brandstofproducenten weer aantrekkelijk te maken: verbetering van energiekosten en
vergunningen, grondstof beschikbaarheid en een stabiel langetermijnbeleid zijn nodig
om ook op nationaal niveau de energietransitie succesvol te laten zijn.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet erkent de noodzaak van gecoördineerde investeringen gericht op specifieke
aspecten van de brandstofketens. Het kabinet heeft in reactie op de call for evidence10 in september jl. steun uitgesproken voor het aangekondigde STIP, en verwelkomt de
publicatie van het plan.
Het STIP beschrijft een aantal acties om op korte termijn investeringen te bevorderen
en mobiliseert hiervoor een bedrag van € 2,9 miljard uit bestaande en nieuwe financieringsinstrumenten.
Het kabinet is van mening dat investeringen op meerdere fronten nodig zijn voor de
vroege opschaling van deze technologieën, en kan zich daarom vinden in de diversificatie
van investeringen die in het STIP wordt voorgesteld. Hoewel het STIP een goede eerste
stap is om in de toekomst te voorzien in voldoende duurzame brandstoffen, is een gecoördineerde
Europese aanpak met aanvullende en structurele financiering essentieel om tot substantiële
opschaling te komen.
De Commissie gaat in het STIP in op de mogelijke verlenging en uitbreiding van de
SAF emmissierechten11 die onder het EU ETS worden uitgegeven. Het kabinet steunt de verkenning hiervan,
inclusief uitbreiding naar de scheepvaart. Het kabinet is van mening dat er zo snel
mogelijk helderheid moet komen over het voortzetten van de SAF emissierechten, temeer
omdat deze via een first-come-first-serve basis beschikbaar komen en mogelijk voor 2030 al op zijn. De inzet van SAF emmissierechten
moet zo goed mogelijk aansluiten op de marktbehoefte en CO2-doel(stelling)en, en de noodzakelijke ondersteuning bieden. Daarnaast steunt het
kabinet het voorstel om een Early Movers Alliance met lidstaten op te richten, waarin een pilot voor dubbelzijdige veilingen voor e-SAF
wordt verkend. Nederland zal in eerste instantie als kennispartner optreden en bekijkt
de komende periode welke stappen ter ondersteuning van de e-SAF Early Movers Coalition mogelijk zijn.
Op meerdere terreinen roept het kabinet op om aansluiting te vinden, zowel tussen
de verschillende Europese regelgevende kaders als tussen sectoren. Waar ReFuelEU Aviation en FuelEU Maritime het gebruik van duurzame brandstoffen in de lucht- en zeevaart aanmoedigen, ontbreken
voor de binnenvaart eenduidige Europese regelgevende kaders om te verduurzamen. Het
is van belang dat deze sector niet achterblijft en er geen ongelijk speelveld ontstaat
tussen lidstaten door verschillende implementaties van nationale en Europese regelgeving.
Het kabinet steunt daarom de studie naar mogelijke aanpassingen van regelgeving voor
duurzame brandstoffen in de binnenvaart en benadrukt de urgentie daarvan.
Door de huidige marktdynamiek is SAF niet op efficiënte wijze op alle Europese luchthavens
beschikbaar te maken. Het kabinet ondersteunt daarom het voornemen van de Commissie
om te bestuderen welke mechanismes een bijdrage kunnen leveren aan een efficiënter
werkende markt. Het kabinet hecht waarde aan de conclusies van het Commissierapport
aangaande het SAF-flexibiliteitsmechanisme12 en adviseert om eventuele nieuwe aanbevelingen te baseren op marktinzichten die over
een afdoende ruime periode moeten worden opgedaan. Voor de zeevaart stelt het STIP
dat het economisch niet haalbaar is om elk type brandstof in elke haven te beschikbaar
te maken. Het kabinet wil benadrukken dat de keuze voor het brandstofaanbod met name
afhankelijk is van de private aanbieders in de haven. Waar dit passend is binnen de
regelgevende kaders, faciliteert Nederland de ontwikkeling van het aanbod van meerdere
verschillende brandstoffen in de (zee)havens.
Opschaling van alle typen duurzame brandstoffen, zowel van biologische als synthetische
oorsprong, is essentieel. Het kabinet herkent de uitdagingen die de Commissie in het
STIP schetst rondom de beperkte beschikbaarheid van biogrondstoffen en de mogelijke
concurrentie (en synergiën) met andere sectoren in het gebruik hiervan. Ook legt de
ontwikkeling van duurzame brandstoffen druk op de beschikbaarheid van hernieuwbare
waterstof en elektriciteit in Nederland. Het kabinet wil dat de meest kosteneffectieve
en technologisch ontwikkelde productieroutes worden gestimuleerd, maar erkent dat
er in deze fase een diversificatie van investeringen nodig is om tot opschaling te
komen, onder andere voor synthetische brandstoffen en geavanceerde biobrandstoffen.13 De ontwikkeling van de Uniedatabank (UDB) draagt bij aan transparantie en traceerbaarheid
van de brandstofketen. Hierin zijn het vereenvoudigen en harmoniseren van de monitoring,
rapportage en verificatie van de verschillende maatregelen belangrijk. Een aandachtspunt
binnen de UDB is de organisatie van sluitend toezicht op internationale biobrandstofketens
– om dubbeltellingen en onjuiste claims te voorkomen.
Het kabinet erkent dat internationale samenwerking van strategisch belang is voor
de ontwikkeling van duurzame grondstoffen en de opbouw van de mondiale productiecapaciteit
voor duurzame lucht- en scheepvaartbrandstoffen. Het versterken van de Europese productie
is essentieel, maar de Europese vraag zal ook ingevuld worden door mondiale productie
en import, wat gefaciliteerd kan worden door het opzetten van strategische partnerschappen.
Het is voor de zeevaart van belang dat strategische partnerschappen en mondiale samenwerking,
bijvoorbeeld met steun aan landen voor het vergroten van het aanbod, vormgegeven in
lijn met de samenwerking binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO). Het
is ook van belang om onverminderd in te zetten op een invoering van het Net-Zero Framework (NZF) van de IMO op de vroegst mogelijke termijn. In de samenwerking met andere landen
zijn groene scheepvaartcorridors14 daarbij een kansrijke vorm. Voor de luchtvaart steunt het kabinet de stappen van
de Commissie om op mondiaal niveau de samenhang tussen de RED en het Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation (CORSIA) van ICAO te verstevigen, zodat de administratieve lasten voor de sector
worden beperkt en de mondiale inzet van SAF verder kan worden gestimuleerd. Voor het
kabinet is het van groot belang dat mondiale handel in (hernieuwbare) brandstoffen
en biogrondstoffen onder eerlijke en transparante omstandigheden gebeurt. Het kabinet
steunt daarom de verhoogde inzet van de Commissie om dit te monitoren. Nederland speelt
een prominente rol in de productie en distributie van brandstoffen en de Nederlandse
industrie heeft er daarom baat bij dat er kan worden opgetreden wanneer er sprake
is van oneerlijke concurrentie, bijvoorbeeld vanuit sterk gesubsidieerde markten buiten
de EU.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Op dit moment hebben lidstaten nog geen formele posities ingenomen. Wel is er brede
consensus over het nut en noodzaak van stevig en standvastig flankerend beleid om
de opschaling en innovatie van duurzame brandstoffen in de EU te ondersteunen. De
meeste lidstaten staan positief tegenover instrumenten die tevens bijdragen aan het
versterken van de Europese concurrentiepositie en leveringszekerheid. Het voorgestelde
dubbelzijdige veilingsysteem onder de e-SAF Early Movers Coalition vraagt, in afwezigheid van Europese middelen, om financiële ondersteuning van de
lidstaten. Binnen de lidstaten bestaan verschillen ten aanzien van de ervaring met
dergelijke Europese financieringsmechanismen, en de bereidheid en mogelijkheid van
om hieraan bij te dragen. De positie van het Europees Parlement is nog niet bekend.
4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële
gevolgen en gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Bevoegdheid
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. De mededeling
heeft betrekking op milieu, vervoer, energie en industrie. Op het terrein van milieu,
vervoer en energie is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten
(artikel 4, lid 2, sub e, sub g en sub i, van het VWEU). Op het terrein van industrie
is sprake van een ondersteunende/aanvullende bevoegdheid (artikel 6, sub b, VWEU).
b) Subsidiariteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft tot doel om versnelling
aan te brengen in het verschonen van de Europese transportsector door het bevorderen
van investeringen, wat strategische economische en technologische voordelen meebrengt
voor de transport- en brandstoffenindustrie. Gezien het grensoverschrijdende karakter
van de brandstofmarkt en de lucht- en scheepvaartsectoren, kan dit onvoldoende door
de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt, daarom
is een EU aanpak nodig. Door financieringsinstrumenten op Europees niveau in te richten
wordt het gelijk speelveld op het terrein van investeringen in de energietransitie
van de transportsector verbeterd. Om die reden is optreden op het niveau van de EU
gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit van het STIP
is positief. De mededeling heeft tot doel om versnelling aan te brengen in het verschonen
van de Europese transportsector door het bevorderen van investeringen, wat strategische
economische en technologische voordelen meebrengt voor de transport- en brandstoffenindustrie.
Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling te bereiken, omdat de voorgenomen
investeringen bijdragen aan eerder gestelde verduurzamingdoelen van de EU. Daarnaast
sluit het rechtstreeks aan bij eerder genomen maatregelen en voldoet aan de vraag
van de sector en overheden. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan
noodzakelijk, omdat de in het STIP voorgestelde instrumenten voortkomen uit reeds
bestaande financieringsmechanismen, zoals het EU Innovatiefonds en Horizon Europe.
Hierdoor worden op voorhand geen extra lasten opgelegd aan lidstaten. Er staan in
het plan geen instrumenten die overvloedig zijn of waarvan de noodzaak wordt betwist,
doordat er in een actuele behoefte van de sector wordt voorzien.
d) Financiële gevolgen
Nederland is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen
de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en dat deze
moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. De stimuleringsmaatregelen
in het STIP bestaan voor een belangrijk deel uit bestaande financiële instrumenten
van de EU. Uit het STIP volgen geen onmiddellijke financiële verplichtingen voor Nederland,
maar de Commissie doet wel een oproep aan lidstaten om financieel bij te dragen – specifiek
voor de e-SAF pilot.
De voor- en nadelen van een eventuele financiële bijdrage door Nederland aan de e-SAF
pilot zullen in de komende periode ambtelijk verder uitgewerkt worden.
Eventuele budgettaire gevolgen voor de Rijksbegroting worden ingepast op de begroting
van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels van de budgetdiscipline.
e) Gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
De gevolgen voor de regeldruk voor de sector en uitvoeringsorganisaties zijn vanwege
het niet-wetgevende karakter van STIP gering. De afgelopen tijd is op Europees en
op nationaal niveau meer aandacht voor de energiezekerheid en -onafhankelijkheid,
oor zowel de brandstoffen als de grondstoffen die nodig zijn om deze te produceren.
Voor grondstoffen is Nederland afhankelijk van zowel eigen productie als import uit
het buitenland. Door in te zetten op het stimuleren van investeringen in fabrieken
voor duurzame brandstoffen in Nederland en Europa kan worden bijgedragen aan een betrouwbare
Europese energievoorziening. Zowel brandstoffen als de lucht- en scheepvaartsectoren
zijn onderdeel van een mondiale markt. Om de Nederlandse en Europese brandstoffenmarkt
en transportsector wereldwijd concurrerend te houden, is het van belang dat zowel
publieke als private investeringen de komende jaren worden geïntensiveerd. Het STIP
kan daardoor bijdragen aan de Europese concurrentiekracht. Daarnaast biedt het STIP
kansen voor Nederland om sterker samen te werken met omliggende landen in Europa,
met bijkomende economische kansen voor de Nederlandse industriële clusters.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken