Brief regering : Voortgang aanpak verward/onbegrepen gedrag
25 424 Geestelijke gezondheidszorg
Nr. 772
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN VAN JUSTITIE
EN VEILIGHEID EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 december 2025
Al jaren is een toename te zien van het aantal meldingen van overlast door personen
met verward/onbegrepen gedrag. Dit ziet men niet alleen bij de politie (afgelopen
jaar steeg dit naar bijna 150.000 meldingen), maar ook bij woningbouwcorporaties,
binnen de zorg en de maatschappelijke opvang. Ook burgemeesters krijgen steeds vaker
te maken met personen met verward/onbegrepen gedrag. Zij voelen zich in grote mate
verantwoordelijk vanuit het oogpunt van (lokale) veiligheid, en ervaren soms drempels
binnen hun bevoegdheden.
De doelgroep van mensen met verward/onbegrepen gedrag is bovendien divers, en het
merendeel vormt geen gevaar voor zichzelf of hun omgeving. Het kan dan ook gaan om
mensen met een psychische stoornis, een verstandelijke beperking, dementie, een verslaving,
een combinatie van dit allemaal of mensen die – al dan niet door een ingrijpende gebeurtenis
– (tijdelijk) de grip op het leven kwijtraken. Voor deze mensen en hun naasten is
dat moeilijk, en het gedrag dat zij kunnen uiten heeft ook impact op omstanders en
omwonenden. Het raakt daarmee de hele samenleving. Dit kabinet erkent dat het ondanks
de extra inzet van de afgelopen tien jaar1, niet altijd lukt de ondersteuning of zorg, woonplekken of begeleiding te bieden.
Incidenten, alle inspanningen ten spijt, zullen niet altijd te voorkomen zijn. De
problematiek is complex en vergt de inzet van vele partijen. Daarom werken wij, mede
naar aanleiding van de parlementaire verkenning «Verward/onbegrepen gedrag en veiligheid»2, vanuit vijf ministeries met veldpartijen samen in de brede interdepartementale aanpak
voor verward/onbegrepen gedrag.
Met deze brief nemen wij, mede namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening (VRO), de Staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorg (Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS)) en de Staatssecretaris van Participatie en Integratie (Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (SZW), uw Kamer mee in de gezamenlijke inzet van dit kabinet.
Een overzicht van de voortgang op de aanbevelingen vanuit de parlementaire verkenning
en de moties en toezeggingen van het debat van 28 mei jl. treft u in de bijlage. In
deze brief lichten wij vier thema’s uit die door de praktijk herhaaldelijk worden
aangedragen en waar de voortgang van de aanpak op vastloopt: 1) woningen en passende
zorgplekken, 2) gegevensuitwisseling, 3) landelijke regie of lokale autonomie en 4)
structurele financiering. We zien dat meer richting nodig is op dilemma’s die schuilgaan
achter deze thema’s. In deze brief verwoorden wij de richting die wij voorstaan binnen
deze thema’s en werken we toe naar structurele verbeteringen, onder procesregie van
de Minister van BZK.
Onderdeel van de brede aanpak is ook de Werkagenda «Verbeteren aansluiting forensische
en reguliere zorg». Onder de vlag van de Werkagenda pakken VWS en JenV samen met ketenpartners
een aantal concrete maatregelen op die de aanpak voor mensen met verward en/of onbegrepen
gedrag met een hoog veiligheidsrisico versterken. Over de voortgang op deze maatregelen
wordt u binnenkort afzonderlijk per voortgangsbrief door de betreffende bewindspersonen
geïnformeerd.
Thema’s die meer richting vragen
Verward en onbegrepen gedrag komt vaker voor bij mensen die worstelen met een combinatie
van bijvoorbeeld én verslaving én psychiatrie én een verstandelijke beperking, trauma
of niet-aangeboren-hersenletsel én dakloosheid.
Gemeenten, buurtbewoners, naasten, (zorg)professionals, politie, vrijwilligers en
woningcorporaties doen vanuit verschillende kaders wat ze kunnen. De doelen van de
verschillende kaders en wetten staan echter soms op gespannen voet met elkaar. Vooral
tussen het beschermen van het individuele belang versus het collectieve belang. Nog
te vaak moeten professionals en lokale bestuurders handelen zonder duidelijk handelingsperspectief.
Dit komt aan op lef, creativiteit en volharding. Dit is echter voor de lange termijn
niet de oplossing.
Als kabinet willen we op de vier door de praktijk veelgenoemde weerbarstige thema’s
meer richting geven met passende kaders vanuit een integraal perspectief. Dit moet
de mensen in de uitvoering ook meer handelingsperspectief geven voor een structurele
aanpak van verward en onbegrepen gedrag.
Meer woningen en passende (woon)zorgvoorzieningen nodig
In het hele veld komt als grootste knelpunt naar voren dat de hele keten van woningen
en passende (woon)zorgvoorzieningen verstopt is. Er is een tekort aan alle vormen
van bedden, opvang en woningen waar ook zorg en veiligheid om heen georganiseerd kunnen
worden. Mensen komen hierdoor onnodig op straat terecht en vormen daarmee een risico
voor zichzelf en de omgeving. Bovendien verliezen zij daardoor de mogelijkheid op
passende hulp en behandeling. Op veel plekken is er de wil en de inzet, zoals Skaeve
Huse, maar dit lukt maar mondjesmaat. En voor mensen met zware multiproblematiek die
niet passen in een reguliere woning moet een geschikte structurele zorgplek worden
geboden.
«Als we deze mensen geen plek kunnen bieden, zijn er veel instanties druk met hen
bezig, en kost het uiteindelijk vele malen meer.» (Professional maatschappelijke opvang)
Dit kabinet voelt de gezamenlijke urgentie om meer passende woningen en (woon)zorgvoorzieningen
te realiseren. Dit laat zich namelijk niet per beleidsterrein oplossen, maar vereist
een gezamenlijke oplossing. In de bijlage bij deze brief kunt u bij aanbevelingen
22, 23 en 24 en de beantwoording van de motie Eerdmans/Bikker3 zien welke stappen al worden gezet om tot meer passende woningen en (woon)zorgvoorzieningen
te komen.
Tegelijk erkent het kabinet ook dat het zorgvuldigheid vereist om het daartoe benodigde
maatschappelijk draagvlak te vergroten. Weerstand vanuit inwoners (en daardoor soms
ook vanuit diezelfde gemeenteraad) brengt lokale bestuurders in een spagaat. Bewoners
hebben mogelijkheden in handen om hun woonrust te «beschermen» (bijvoorbeeld middels
inspraakprocedures), maar bestuurders hebben weinig in handen om plekken «af te dwingen»
voor juist kwetsbare inwoners die de woonrust ook hard nodig hebben. Zie bijvoorbeeld
het NOS bericht van 4 november jl.4 Het «not-in-my-backyard»- effect (NIMBY) speelt ook hier een rol. Vergunningstrajecten,
(gezamenlijke) financiering, omgevingsplannen/visies en netcongestie staan de realisatie
nog verder in de weg.
«In enkele gemeenten in Noord-Holland Noord is gestart met (de voorbereidingen van)
de ontwikkeling van Skaeve Huse. Doordat na onderzoek locaties niet geschikt bleken,
de buurt of gemeenteraden zich tegen de komst van dergelijke plekken uitspraken of
daaraan onhaalbare voorwaarden verbonden, zijn vrijwel al deze trajecten inmiddels
weer gestopt. Hierdoor is er in Noord-Holland Noord nauwelijks meer uitzicht op de
realisatie van Skaeve Huse.» (Zorg en Veiligheidshuis Noord-Holland Noord)
Stap voorwaarts: Dit kabinet wil meer landelijke regie nemen om de woonrust van mensen met verward
en onbegrepen gedrag én hun omgeving, te verbeteren. Dit doet het door te verkennen
welke kaders en randvoorwaarden nodig zijn om meer vanuit gezamenlijke verantwoordelijkheid
te komen tot voldoende en passende woningen en (woon)zorgvoorzieningen. Het kabinet
wil hierin meer richting geven aan welke woningen of voorzieningen voor wie passend
is. Wat vragen we van de (bewoners in een) reguliere woonwijk en van de woningcorporatie,
wat verlangen we van gemeenten in het realiseren van meer bijzondere woningen met
draagvlak en wat verwachten we van de zorg voor het realiseren van meer passende (woon)zorgvoorzieningen?
Deze vragen pakken we in gezamenlijkheid op. Daarnaast zal er met gemeenten worden
gekeken of zij de huisvestingsopgave voor deze doelgroep kunnen meenemen in en vooruitlopend
op de implementatie van de wet Versterking regie volkshuisvesting.
Wegnemen handelingsverlegenheid bij gegevensuitwisseling
Uw parlementaire verkenning en ook de inspectierapporten naar aanleiding van incidenten
benadrukken dat meer gegevensuitwisseling tussen het sociaal domein en aanpalende
domeinen noodzakelijk is voor professionals om adequaat te handelen bij verward en
onbegrepen gedrag. Uw Kamer vraagt met de aanbevelingen expliciet werk te maken van
wettelijke kaders die dit mogelijk maken. Het gaat hierbij om het expliciteren van
de oGGZ/bemoeizorg in de wet (aanbeveling 5), het in kaart brengen en wegnemen van
knelpunten middels de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) (aanbeveling
6), het monitoren van de inwerkingtreding en uitvoering van de Wet gegevensverwerking
door samenwerkingsverbanden (Wgs) (aanbeveling 7) en het bevorderen (en wettelijk
regelen) dat medewerkers van woningcorporaties melding kunnen doen van verward en
zorgwekkend gedrag (motie Six-Dijkstra5).
«Veiligheid biedt vaak de grondslag voor gegevensdeling, maar we willen er juist eerder
bij zijn, zodat we escalatie naar onveilige situaties kunnen voorkomen.» (Manager team Z&V)
«Mensen beginnen eerst met roepen dat het niet kan, zoals AVG. Drang en dwang is ons
belangrijkste instrument maar je hebt wel véél kennis en creativiteit voor nodig van
je mensen eromheen om dat goed te kunnen toepassen» (burgemeester Alkmaar)
De aanpak van verward/onbegrepen gedrag vraagt lokaal/regionaal in daartoe in aanmerking
komende cases, inderdaad een intensief gezamenlijk optrekken van alle betrokken organisaties.
Het delen van relevante informatie is randvoorwaardelijk voor het in gezamenlijkheid
regie kunnen nemen, vooral het vroegtijdig (afgestemd) kunnen interveniëren en het
kunnen voorkomen van escalatie. Gemeenten, burgemeesters voelen zich verantwoordelijk
voor het welbevinden van hun inwoners en reduceren van veiligheidsrisico’s binnen
hun gemeenten, maar staan vaak aan de zijlijn daar waar het gaat om signalen en bevoegdheden.
De praktijk bevestigt het belang van het creëren van een wettelijke titel voor gegevensdeling.
De huidige wetgeving biedt gemeenten onvoldoende wettelijk kader om te waarborgen
dat zij waar nodig worden geïnformeerd over inwoners met veiligheidsrisico’s als gevolg
van verward en onbegrepen gedrag. Als voor betrokken partijen onvoldoende duidelijk
is in welke omstandigheden bepaalde gegevens gedeeld kunnen en mogen worden, bestaat
het risico dat deze organisaties meer in zijn algemeenheid, alsmede hun professionals
in individuele situaties, terughoudend zijn in het delen van informatie. Dit beperkt
de mogelijkheden van gemeenten om vroegtijdig een rol in de aanpak van de problematiek
van inwoners met veiligheidsrisico’s als gevolg van verward en onbegrepen gedrag te
spelen. Een nadere standpuntbepaling waarin een balans wordt gevonden tussen de belangen
is noodzakelijk.
Stap voorwaarts: Hoewel de afgelopen jaren al vele juridische barrières voor informatie-uitwisseling
zijn weggenomen, zal dit kabinet samen met de ketenpartners nagaan welke onduidelijkheden,
obstakels of hiaten in de weg staan aan het voorkomen van maatschappelijke risico’s.
Tegelijkertijd moet informatie-uitwisseling altijd met waarborgen zijn omkleed. Bij
de volgende voortgangsrapportage geven wij u een overzicht van wetsvoorstellen en
wijzigingen die onder andere gegevensuitwisseling bij de aanpak van verward en onbegrepen
gedrag raken. Bijvoorbeeld de Wams, de wijziging Woningwet i.v.m. bijzondere gegevensuitwisseling
voor woningcorporaties en de evaluatie van de WGS. Daarnaast is een werkgroep met
de Autoriteit Persoonsgegevens (vanuit de «praktijktafel Nieuwegein») aan de slag
in kaart te brengen hoe de huidige mogelijkheden meer kunnen worden benut en ook wat
meer richting te geven in de taxatie van gevaar en de noodzaak tot gegevensuitwisseling.
Tevens wordt de praktijk ondersteund met kennis en voorbeelden, onder andere via het
Kennis en Expertise Netwerk gegevensdeling en privacy (KEN!) van het Platform Sociaal
Domein, de informatie in de handreiking «gegevensdeling bij bemoeizorg» en kenniswerkplaatsen
vanuit het ZonMW programma «Grip op Onbegrip».6
In onze regio zijn er geen specifieke stappen gezet om meer gegevensdeling mogelijk
te maken. Wel zijn we gestart met een pilot bemoeizorg, waar zes zorgpartijen met
elk hun eigen expertise deelnemen aan een bemoeizorgteam. Doordat deze partijen samen
het contact met cliënten leggen en ondersteuning of zorg bieden, wordt er een dieper
niveau van samenwerken bereikt, waarbij er op het vlak van gegevensdeling geen belemmeringen
worden ervaren. (Zorg en Veiligheidshuis Noord-Holland Noord)
Meer landelijke regie met lokale uitwerking
Uw Kamer vraagt in de parlementaire verkenning om een standaardisatie en uniformering
van werkwijzen. Dit blijkt uit uw aanbevelingen over het opschalen en implementeren
van best practices zoals wijk-GGD’ers en vroegsignalering (aanbeveling 10), het «zorgen
voor psychische zorg in de daklozenopvang (aanbeveling 9), het AVE-model (Aanpak Voorkomen
Escalatie) inzetten (aanbeveling 1), meer uniformiteit in het takenpakket van de verschillende
zorg en veiligheidshuizen (aanbeveling 3) en «meer gebruik van (betaalde) ervaringsprofessionals
in de hulpverlening» (aanbeveling 12).
Deze aanbevelingen staan op gespannen voet met de lokale autonomie. Landelijke uniformiteit
en kaders kan de aanpak voor personen met verward gedrag op sommige niveaus vereenvoudigen,
maar het kan ook afbreuk doen aan lokale initiatieven die goed werken juist omdat
ze zijn ontstaan in de lokale infrastructuren. Zie hiervoor ook de discussie die we
hierover voeren in het kader van het «Houdbaarheidsonderzoek Wmo».
Regionale en lokale netwerkstructuren zijn middels het ZonMw programma «Grip op Onbegrip»,
dat nog tot en met 2027 loopt, in staat gesteld om van onderop inhoud en uitvoering
te geven aan de bouwstenen7 voor verward/onbegrepen gedrag. Bijvoorbeeld (Street)triage, outreachend werken met
wijk-GGD-ers, casuïstiek besprekingen en samenwerking van zorg en veiligheidsorganisaties
in de regio. Met kenniswerkplaatsen wordt het leren van elkaar gefaciliteerd. Wel
kan de aanpak die per gemeente verschillen en is het «landelijk uitrollen» van succesvolle
initiatieven niet vanzelfsprekend in de decentrale infrastructuur.
Landelijke standaardisatie van regionale of lokale initiatieven is ingewikkeld, omdat
de regionale of lokale infrastructuren doorgaans bepalend zijn en partijen (zoals
het zorg- en veiligheidshuis of zorginstellingen) regionaal en lokaal soms verschillende
posities hebben of anders georganiseerd zijn. Standaardisatie op regionaal niveau
van goede initiatieven is beter haalbaar». (Zorg en Veiligheidshuis Noord-Holland Noord)
«Voorbeelden die zich lenen voor regionale of landelijke standaardisering zijn onder
andere: AVE, de Persoonsgerichte aanpak (PGA), Street triage, Skaeve Huse, de Wijk-GGD,
bemoeizorg, de veerkrachtcoach in de wijk, de afstemming tussen gemeenten, zorgkantoor
en zorgaanbieders over een dekkend zorglandschap, Zorg zonder label, woonzorgarrangementen
op maat en de levensloopaanpak.
Tegelijkertijd is het belangrijk ruimte te behouden voor lokale invulling. Landelijke
kaders mogen niet te veel uitgaan van het «gemiddelde», omdat regionale verschillen
in problematiek, partners en prioriteiten vragen om maatwerk. De gebruikte term «standaardisering»
kan daarom ook worden geïnterpreteerd als 1 standaard aanpak. En bij deze doelgroep
is dat juist wat vaak niet werkt.» (gemeente Almelo)
Stap voorwaarts: In navolging van de roep om regie kiezen we ervoor om voor een aantal specifieke initiatieven
landelijke afspraken te maken met het veld, met daarbinnen ruimte voor lokale variatie.
Dit doen we op basis van de ervaringen van het actieprogramma «Grip op onbegrip»,
de kenniswerkplaatsen en de praktijktafels. Uiteindelijk moet dit leiden tot een voorstel
waarin deze afspraken zijn uitgewerkt. U kunt hierbij denken aan afspraken over initiatieven
zoals Street triage of outreachend werken met wijk-GGD-ers. Ons voorstel daartoe kunt
u in de volgende voorgangsrapportage verwachten.
Structurele betrouwbare financiering
Goede zorg, ondersteuning, opvang, begeleiding en huisvestiging voor mensen met verward
of onbegrepen gedrag kan alleen met samenwerkingen over domeinen en stelsels heen.
Omdat geen enkele financieringsstructuur hierop is ingericht, worden veel lokale en
regionale samenwerkingsinitiatieven in de aanpak en de netwerken daaromheen uit tijdelijke
(project)middelen bekostigd. De tijdelijkheid van middelen geeft een impuls, maar
de structurele borging van netwerken en voorzieningen blijkt in de praktijk erg lastig.
Het «los krijgen» van de financiering uit de verschillende stelsels voor de groep
«tussen wal en schip» lukt onvoldoende.
«Op macroniveau is geld geen probleem, maar op microniveau in een individuele zaak
wel als je in de keten moet afstemmen.» (gemeente Nieuwegein)
«We proberen patronen in de problematiek rond onbegrepen gedrag en veiligheidsrisico’s
te doorbreken met best practices zoals Street triage en de inzet van de Wijk-GGD’er.
Daarnaast experimenteren we met initiatieven als «Zorg zonder label» om te ontdekken
wat echt werkt. Zonder structurele ondersteuning en financiering wordt het echter
lastig om deze succesvolle aanpakken lokaal vol te houden.» (Programmamanager Z&V Almelo)
In aansluiting op het vorige dilemma is de vraag of het beter is de beschikbare middelen
(zie overzicht Kamerbrief 28 maart jl.8) te richten op een aantal vaste (stelseloverstijgende) voorzieningen (bijvoorbeeld
wijk GGD-ers, brede Street triage) of de middelen te richten aan het lokale bestuur
waar zij zelf met (tijdelijke) impulsen en de opdracht de financiële borging verder
binnen de stelsels en (decentrale) bestuurlijke verantwoordelijkheden te zoeken.
Stap voorwaarts: Voor continuïteit van de lokale en regionale samenwerkingsverbanden en andere initiatieven
op verward/onbegrepen gedrag is het organiseren van structurele en betrouwbare financiering
randvoorwaardelijk. Doen we dat niet, dan blijft de aanpak gefragmenteerd en tijdelijk.
Ook hier geldt dat er meerdere scenario’s mogelijk zijn die wij gaan uitwerken met
het veld en aan de hand van de ervaringen in het actieprogramma van ZonMw, voor een
volgend kabinet om over te beslissen. We streven ernaar om de besluitvorming hiervoor
voor de zomer 2026 plaats te laten vinden om tijdig, voor het afronden van de financieringsstroom
die nu via ZonMw loopt, het veld duidelijkheid te bieden.
Vooruitblik brede aanpak
Het interdepartementale programma bouwt voort op de aanpak van de afgelopen jaren
en is onder procesregie van BZK verbreed met ook bestaanszekerheid en wonen als essentiële
pijlers. Het interdepartementale programma heeft de volgende doelen:
1. Opvolging geven aan de aanbevelingen uit de parlementaire verkenning, in samenhang
met alle departementen en de praktijk en met de volgende prioriteiten (ingegeven vanuit
de urgentie in de praktijk):
A. Handelen bij meldingen (vroegsignalering, triage, meldkamer(s) en opvolging) bij acute
en niet acute meldingen;
B. Meer plekken (tijdelijke verblijfsvoorzieningen, doorstroomlocatie, woningen enz.).
2. Spel- (en stelsel)regels aanpassen en wettelijk bestendigen ter voorkoming van acute
situaties als gevolg van onbegrepen gedrag, o.a. op de volgende punten:
a. Bemoeizorg expliciet wettelijk verankeren;
b. Structurele financieringsstromen inrichten;
c. Gegevensdeling wettelijk verankeren en richtlijnen meegeven.
Als «stip op de horizon» werken we toe naar een overheid die ook werkt voor mensen
in complexe kwetsbare posities en daardoor tussen wal en schip van de samenleving
en ieder stelsel (dreigen te) vallen.
Dit doen we door middel van:
• Een brede aanpak met een gezamenlijke visie vanuit zorg, veiligheid, bestaanszekerheid
en woonrust;
• Het bouwen van een structurele lerende aanpak waarin landelijk en lokaal handelen
met elkaar verbonden blijft;
• Monitoren van de voortgang op de aanbevelingen en bijsturing door een governance van
landelijke en lokale bestuurders.
Het interdepartementale programma richt een werkwijze in waarin veldpartijen, ervaringsdeskundigen,
het lokaal bestuur en het Rijk zoveel mogelijk op elk niveau met elkaar in gesprek
blijven. Op een aantal plekken in het land sluiten we als departementen aan bij lokale
praktijktafels waar wordt gewerkt aan een sluitende aanpak voor inwoners met verward
gedrag en/of onbegrepen gedrag (en hun omgeving). De opvolging van de aanbevelingen
uit de parlementaire verkenning willen we toetsen bij de partijen aan deze praktijktafels.
De burgemeesters van deze gemeenten vormen met landelijke bestuurders uit de zorg
en veiligheidssectoren een ambassadeursnetwerk die wij als kabinet op regelmatige
basis zullen spreken.
Wij zien in de rol van de burgemeester de lokale evenknie van de rol die BZK nu heeft.
Een burgemeester functioneert als procesregisseur die in het belang van alle inwoners
sector- en netwerkoverstijgend naar de opgave van verward en/of onbegrepen gedrag
blijft kijken en verantwoordelijkheid voelt om hier beter in te worden. Zoals wij
in de bijgevoegde voortgangsrapportage onder aanbeveling 20 beschrijven onderzoeken
wij samen met burgemeesters hoe zij hun rol het beste kunnen vervullen en welke bevoegdheden
zij hiervoor nodig hebben. Wij zullen uw Kamer met de voortgangsbrieven blijven informeren
over deze gesprekken.
«Ik denk dat we her en der nog wel verlegen zitten om het bestaande instrumentarium
(om drang op te bouwen) creatiever te kunnen gebruiken. Je kunt eigenlijk bijna alles.
Ik heb nooit het gevoel gehad geen instrumentarium te hebben». (burgemeester Amersfoort)
Voortgang en prioritering aanbevelingen
In het eindrapport bij de parlementaire verkenning (juni 2024)9 worden door de rapporteurs 24 concrete aanbevelingen gedaan voor versterking van
de aanpak en samenwerking rondom verward/onbegrepen gedrag. Tijdens het debat in mei
2025 heeft uw Kamer het kabinet verzocht over de voortgang van de aanbevelingen, op
overzichtelijke wijze, halfjaarlijks te rapporteren. Dit overzicht is als bijlage
bij deze brief meegestuurd. Ook de door u aangenomen moties en toezeggingen vindt
u in dit overzicht.
Een deel van de aanbevelingen stellen wij voor als «lopend» te beschouwen. Deze aanbevelingen
zijn deels of geheel ten uitvoer gebracht (bijvoorbeeld de procesregierol van de Minister
van BZK) of zijn aan gemeenten om verder in de praktijk in te bedden (bijvoorbeeld
het AVE model en de best practices vroegsignalering). Een aantal van de aanbevelingen
zijn net «gestart» met bijvoorbeeld een verkenning of komende afspraken. In de volgende
voortgangsrapportage komen we hier op terug. Wij stellen voor om u voortaan jaarlijks
in plaats van halfjaarlijks te rapporteren, zodat de aandacht meer kan uitgaan naar
de uitvoering van het programma. Ten slotte is een aantal aanbevelingen gerelateerd
aan de hierboven genoemde dilemma’s die meer richting en duidelijke prioritering,
ook vanuit uw Kamer, vragen om verder in te komen.
Tot slot
We spreken onze waardering uit voor de professionals en vrijwilligers die zich dagelijks
inzetten voor het welzijn en de veiligheid van personen met verward en/of onbegrepen
gedrag en hun omgeving. Ons doel is om voor hen de juiste randvoorwaarden te creëren
om deze mensen zo goed mogelijk te helpen.
In deze brief beschrijven we de uitdagingen die een rol spelen bij de voortgang van
de aanpak van verward/onbegrepen gedrag en schetsen we hoe we hiermee met het landelijk
programma mee aan de slag zijn. Het kabinet zet hiermee een eerste stap in de integrale
aanpak en een nadere concretisering en uitwerkingsrichting volgt snel.
Wij sluiten af met een aantal aandachtspunten:
– De opgave van verward en onbegrepen gedrag raakt de beleidsverantwoordelijkheid van
vijf bewindspersonen en ook verschillende commissies van uw Kamer. De brede blik en
samenhang proberen wij binnen het kabinet te realiseren. Wij nodigen uw Kamer ook
op om vanuit de verschillende betrokken domeinen dan wel portefeuilles dit complexe
probleem integraal te benaderen. U kunt er bijvoorbeeld voor kiezen om met vertegenwoordigers
uit meerdere commissies deel te nemen aan het debat zodat de brede kennis vertegenwoordigd
is en blijft.
– De voortgang op de thema’s in deze brief vragen duidelijkheid en prioritering, ingegeven
door de leefwereld van mensen met verward gedrag, hun omgeving en de professionals
er omheen. Wij nodigen u uit om voor werkbezoeken, technische sessies en informele
gesprekken om u op deze vier thema’s te laten voeden door de praktijk, in voorbereiding
van het debat en eventuele sturing op het programma.
– Het Toezicht Sociaal Domein verwacht rond het kerstreces het overkoepelend rapport
over verward en onbegrepen gedrag naar aanleiding van verschillende incidenten rapporten,
te publiceren. U ontvangt voor het ingeplande Kamerdebat een kabinetsreactie hierop.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. Van Oosten
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.Z.C.M. Tielen
BIJLAGEN
Volgnummer
Naam
Classificatie
1
Voortgangsrapportage aanbevelingen Parlementaire verkenning
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Mede ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport