Brief regering : Nadere reactie rapport Woningbouwimpuls; Vervolgonderzoek 2025
32 847 Integrale visie op de woningmarkt
Nr. 1397 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 december 2025
In september 2025 publiceerde de Algemene Rekenkamer het rapport «Woningbouwimpuls;
Vervolgonderzoek 2025». Hierin doet de Algemene Rekenkamer verslag van haar onderzoek
naar de Woningbouwimpuls (Wbi). De Woningbouwimpuls is het belangrijkste financiële
Rijksinstrument dat vanaf 2020 is ingezet om de bouw van woningen te stimuleren.
Het is goed dat de Algemene Rekenkamer opnieuw naar de werking van de Woningbouwimpuls
heeft gekeken, vooral ook omdat er in het vorige onderzoek van de Algemene Rekenkamer
in 2022 nog nauwelijks resultaten van de Woningbouwimpuls bekend waren. Sinds 2020
zijn er in totaal met de Woningbouwimpuls al 232.876 woningen financieel ondersteund,
waarvan circa tweederde betaalbaar.
Met deze brief kom ik tegemoet aan het verzoek van uw Kamer om een reactie op dit
rapport te geven, nadat de Algemene Rekenkamer mij de gelegenheid heeft gegeven een
bestuurlijke reactie op het rapport te geven. Deze bestuurlijke reactie is opgenomen
in paragraaf 8.1 van het rapport. In deze brief ga ik in op de Woningbouwimpuls zelf,
op de conclusies van de Algemene Rekenkamer, de aanpassingen voor de toekomst en de
rol van dit instrument binnen het nieuwe financiële instrumentarium.
Noodzakelijke financiële ondersteuning voor betaalbare woningbouw
Het is nodig om vanuit de Rijksoverheid bij te dragen aan woningbouw, omdat de realisatie
van voldoende betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving publieke kosten
met zich mee brengt. Zo zijn er voor locaties bijvoorbeeld maatregelen nodig om de
kansen voor woningbouw te benutten, zoals het zorgen voor wegaansluitingen, het reinigen
van vervuilde bodem of de aanleg van openbare ruimte. Deze kosten kunnen niet altijd
worden gedragen door de marktpartijen, simpelweg omdat de opbrengsten in de gebiedsontwikkeling
niet voldoende zijn. De projecten zijn dan niet haalbaar en komen daardoor niet van
de grond. Kosten die niet kunnen worden verhaald op de marktpartijen, in het geval
van macroaftopping, komen vaak bij de gemeente terecht: er ontstaat een publiek tekort.
Gemeenten hebben, ook in het geval van een actieve ontwikkeling, niet altijd de middelen
om deze kosten te dekken. Om te zorgen dat de projecten met voldoende betaalbare woningen
toch van de grond komen draagt het Rijk, met onder andere de Woningbouwimpuls, bij
aan het verminderen van het publieke tekort. Op die manier wordt vertraging voorkomen
en wordt voorkomen dat de projecten doorgaan met minder betaalbare woningen of moeten
inboeten in de kwaliteit. Dit neemt niet weg dat er altijd gestreefd moet worden naar
zoveel mogelijk optimalisaties in woningbouwprogramma en kwaliteit.
De financiële bijdrage is dus hard nodig om het groeiende woningtekort sneller aan
te pakken. Dit wordt door meerdere gemeenten onderstreept, zo blijkt ook uit de data
die is verzameld door de Algemene Rekenkamer in het kader van dit onderzoek. Gemeenten
bevestigen dat de Woningbouwimpuls een stimulerende werking heeft om tempo te maken en bijdraagt aan een versnelde
politieke besluitvorming. En dat er dankzij de Woningbouwimpuls meer betaalbare woningen
worden gebouwd, die anders gezien het rendement snel geschrapt zouden worden.
Conclusies van de Algemene Rekenkamer
De Algemene Rekenkamer constateert op de eerste plaats dat de Woningbouwimpuls bijdraagt
aan de bouw van meer betaalbare woningen.
Daarnaast concludeert de Algemene Rekenkamer dat de Woningbouwimpuls niet tot versnelde woningbouw heeft geleid en dat het twijfelachtig is of het
tot meer woningen heeft geleid. Deze conclusies kan ik niet delen omdat het, mijns
inziens, op onjuiste inzichten is gebaseerd. Het vergelijken van projecten met en
zonder bijdrage uit de Woningbouwimpuls, zoals de Algemene Rekenkamer in haar onderzoek heeft gedaan, levert geen betrouwbaar
inzicht op. Elk project kent namelijk haar eigen specifieke uitdagingen en zijn daarom
vaak onvergelijkbaar. Bovendien vergelijkt de Rekenkamer het tempo van projecten met
een bijdrage uit de Woningbouwimpuls met het tempo van projecten die afgewezen zijn
voor een Woningbouwimpuls-bijdrage. Deze afgewezen projecten hebben vervolgens hun
plannen kunnen wijzigen om het project toch doorgang te laten vinden. Het is, mijns
inziens, alleen mogelijk om objectief vast te stellen dat de Woningbouwimpuls geen
versnelling veroorzaakt, als je projecten vergelijkt met Woningbouwimpuls-bijdrage
met projecten die geen bijdrage uit de Woningbouwimpuls hebben gekregen en hun programma
ook niet hebben gewijzigd. Deze vergelijking is in het onderzoek niet gemaakt. Dat
de Algemene Rekenkamer constateert dat projecten met minder betaalbare woningen niet
sneller het planproces doorgaan zie ik juist als bewijs dat de Woningbouwimpuls heeft
geholpen hetzelfde tempo te bereiken. Zonder bijdrage uit de Woningbouwimpuls zou
dat mijns inziens namelijk wel de verwachting zijn.
Tot slot is het helaas zo dat projecten met een bijdrage uit de Woningbouwimpuls met dezelfde uitdagingen te maken hebben gekregen als de gehele woningbouwproductie,
waardoor ook bij deze projecten vertragingen kunnen ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan
Raad van State procedures of gestegen bouwkosten. Dit doet naar mijn mening niets
af aan de waarde en noodzaak van de financiële bijdrage.
Naast de Woningbouwimpuls en andere financiële instrumenten, versnellen we ook op
andere manieren de bouw van betaalbare woningen. Denk aan parallel plannen, het programma
STOER, de Wet regie, het inzetten op 130% plancapaciteit en het aanwijzen van doorbraaklocaties.
De Woningbouwimpuls in de toekomst
Een aanbeveling van de Algemene Rekenkamer is om de Woningbouwimpuls in de toekomst in te zetten voor complexe projecten. Die aanbeveling sluit
aan bij de richting die ik heb gekozen sinds de Woontop. Op de Woontop is aangekondigd
dat de Woningbouwimpuls wordt ingezet als knelpunten dermate significant zijn dat
een project onhaalbaar is, ondanks de inzet van middelen van de Realisatiestimulans.
Vanaf 2026 wordt de Woningbouwimpuls dan ook vernieuwd voortgezet om gemeenten te
ondersteunen met betaalbare woningbouw op lastige locaties. Met die financiële bijdrage
kunnen deze locaties benut worden voor de bouw van betaalbare woningen. Bij de wijziging
van de Woningbouwimpuls wordt de regeling ook versimpeld waar mogelijk. Ik volg daarmee
de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer op.
Het financiële instrumentarium
Naast de Woningbouwimpuls wordt ook andere financiële ondersteuning vanuit het Rijk
vormgegeven. Het kabinet heeft daarvoor in totaal € 5 miljard gereserveerd voor woningbouw.
Gemeenten kunnen hier nu al gebruik van maken. Met een samenhangend pakket aan financiële
instrumenten1 wordt de woningbouwopgave breed en laagdrempelig ondersteund.
Met de Realisatiestimulans ontvangen gemeenten een laagdrempelige bijdrage voor woningbouw.
Het gaat om een bijdrage van € 7.000 exclusief btw voor elke betaalbare woning waarvan
de start van de bouw in een jaar plaatsvindt, via nieuwbouw, transformaties, optoppen
of splitsen. De gemeente kan in het daaropvolgende jaar de bijdrage aanvragen en ontvangen.
Meer gebiedsgericht ondersteunen we woningbouwprojecten naast de Woningbouwimpuls
ook met het Gebiedsbudget voor de nationaal grootschalige woningbouwlocaties. Hiermee
worden specifieke maatregelen ondersteund die nodig zijn om woningbouw in die locaties
mogelijk te maken.
Daarnaast werk ik aan de Regeling Grondverwerving voor Woningbouw (RGvW), voorheen
bekend als de grondfaciliteit2. Hiermee ondersteun ik gemeenten bij het voeren van actief grondbeleid, om zo meer
betaalbare woningen in een hoger tempo te kunnen realiseren.
Samenvattend kan worden geconcludeerd dat de Woningbouwimpuls een belangrijk onderdeel
is en blijft van het huidige en toekomstige financiële instrumentarium waarmee de
woningbouwopgave wordt ondersteund. Hierbij is sprake van een continu proces, waarin
het instrument wordt uitgevoerd en gelijktijdig tegen het licht wordt gehouden en
indien nodig aangepast om de doelmatigheid te kunnen staven.
Onderzoeken en evaluaties zoals dit en het vorige rapport van de Algemene Rekenkamer
dragen bij aan dit proces. Het rapport vraagt om meer aandacht voor flankerend beleid
en een preciezere toespitsing van dit instrument. Deze punten neem ik mee in de herijking
van de Woningbouwimpuls en het bredere financiële instrumentarium ter ondersteuning
van de woningbouwopgave. Ik wil de Algemene Rekenkamer dan ook graag bedanken voor
dit rapport.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, M.C.G. Keijzer
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening