Brief regering : Reactie op verzoek commissie over een kabinetsreactie op het krantenbericht van het AD dat zorgkantoren aanvragen voor verlengingen van meerzorg afwijzen
34 104 Langdurige zorg
Nr. 453
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 december 2025
1. Inleiding
Sinds dit voorjaar is er aandacht voor de toekenning van meerzorg aan kwetsbare cliënten.
Er waren signalen dat een aantal thuiswonende cliënten van het zorgkantoor te horen
kregen dat hun aanvraag voor verlenging of verhoging van meerzorg was afgewezen. In
mijn brief over meerzorg thuis van 8 september jl. (Kamerstuk 34 104, nr. 449) heb ik u geïnformeerd over de achtergrond hiervan. In deze brief ga ik in op de
huidige stand van zaken, op de motie van Kamerlid Westerveld (Kamerstuk 24 170, nr. 366) en de toezegging om Kamerlid Dobbe te informeren over de juridische mogelijkheden
om in te grijpen op schrijnende meerzorgsituaties. Tevens voldoe ik hiermee aan het
verzoek van uw Kamer om u te informeren over de stand van zaken voorafgaande aan het
debat van 11 december as. (met kenmerk: 2025Z21197).
Voor cliënten heeft de ontstane situatie geleid tot onzekerheid en onrust, zoals ook
recentelijk is weergegeven in het artikel van het Algemeen Dagblad (AD) van 3 december
jl. Deze aanhoudende onrust en onzekerheid bij cliënten met een persoonsgebonden budget
(hierna: budgethouders) betreur ik zeer. De zorgen van deze cliënten gaan momenteel,
zoals weergegeven in het artikel en voor zover mij bekend, niet zozeer over de hoogte
van toekenning van meerzorg. De onzekerheid gaan vooral over de duur van de verlenging
en daarmee niet goed weten waar ze aan toe zijn. Dit terwijl budgethouders hun hulpverleners
tijdige duidelijkheid moeten geven over de voortzetting van de zorg. Via Metgezel
bereiken mij signalen dat de communicatie vanuit de zorgkantoren over de periode van
onzekerheid voor verbeteringen vatbaar is. Ik heb dit signaal doorgegeven aan de zorgkantoren.
Ik voel mij zeer betrokken bij de ontstane situatie. De afgelopen maanden is door
het ministerie dan ook intensief overleg gevoerd met de zorgkantoren. Zorgkantoren
beschikken momenteel nog niet over een gelijkgericht beoordelingskader die aansluit
bij de huidige regelgeving. Dit licht ik toe in de volgende paragraaf. Daar waar mogelijk
probeer ik te bemiddelen tussen cliëntorganisaties en zorgkantoren.
Graag licht ik in deze brief ook mijn formele rol op dit onderwerp nader toe. Tijdens
het debat van 9 september jl. heb ik de Kamer toegezegd om nader in te gaan op de
mogelijkheden om de zorgkantoren zonder wijziging van de regelgeving te dwingen iets
te doen of te laten met betrekking tot de schrijnende meerzorgsituaties. Hierbij is
terughoudendheid geboden. Dat komt doordat in de regelgeving de taak om te beoordelen
of een cliënt in aanmerking komt voor meerzorg is belegd bij de Wlz-uitvoerder c.q.
het zorgkantoor. Dit zijn zelfstandige bestuursorganen. Zelfstandige bestuursorganen
zijn naar hun aard niet hiërarchisch ondergeschikt aan een Minister. Het is vanuit
mijn positie niet toegestaan om aan de zorgkantoren of Wlz-uitvoerders aanwijzingen
te geven voor een concreet geval. Mijn rol is om passende kaders te stellen via regelgeving.
2. Huidige situatie
Volgens opgave van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) hebben ongeveer 700 van de ongeveer
100.000 mensen met een persoonsgebonden budget (pgb) of een modulair pakket (mpt)
thuis op dit moment meerzorg. Zoals in de brief van 8 september jl. is toegelicht,
zijn sommige zorgkantoren, mede op basis van de duiding van het Zorginstituut «Duiding
en advies in het kader van meerzorg bij de leveringsvormen pgb en mpt», ertoe overgegaan
om bij aanvragen voor meerzorg anders te beoordelen of sprake is van een bijzondere
zorgbehoefte. Daarbij heb ik aangegeven dat de huidige regelgeving ten aanzien van
meerzorg aanpassing behoeft. Mijn streven is erop gericht om de regelgeving met ingang
van 1 januari 2027 te wijzigen. Ik snap dat deze fase ook kan leiden tot extra onzekerheid
bij cliënten en hun naasten. Dit geven zorgkantoren ook aan. Tegelijkertijd is een
verduidelijking van de regeling nodig om te komen tot een structurele oplossing. Hiermee
geef ik invulling aan de motie Krul/Diederik van Dijk (Kamerstuk 25 657, nr. 365) en aan de motie Westerveld, voor zover het in deze laatste motie gaat over de toekomstige
situatie.
Op 22 oktober jl. heeft de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2025:1517) geoordeeld
dat een zorgkantoor een aanvraag voor meerzorg niet op de juiste manier heeft beoordeeld
en niet goed heeft onderbouwd. De Centrale Raad van Beroep heeft kortgezegd aangegeven
dat een beoordeling niet alleen mag plaatsvinden aan de hand van een bijzondere zorgbehoefte
bovenop de zorg in het zorgprofiel, maar ook het benodigde aantal uren voor de zorg
thuis moet betrekken in de beoordeling. De Centrale Raad van Beroep geeft verder aan
dat de regelgeving lastig te begrijpen is en nadere verduidelijking behoeft. Zorgkantoren
hebben hierbij aangegeven dat zij het enkel toepassen van een urengrens als beoordeling
van de aanvraag voor meerzorg, moeilijk uitvoerbaar vinden. Dit onderstreept de noodzaak
de regelgeving aan te passen.
Volgens ZN hanteren zorgkantoren momenteel nog geen uniforme werkwijze bij het beoordelen
van meerzorg. Een aantal zorgkantoren heeft besloten om voorlopig bij herhaalaanvragen
het eerder afgegeven pgb, veelal tot 1 januari 2027, te verlengen en bij nieuwe meerzorgaanvragen
tijdelijk de gevraagde zorg toe te kennen, mits de zorg thuis verantwoord kan worden
geboden. Ook worden beslissingen op bezwaar uitgesteld met behoud van het eerder toegekende
pgb. Bij beroep wordt de beslissing van de rechtbank afgewacht. Andere zorgkantoren
zetten hun (huidige) werkwijze voort, omdat deze de afgelopen periode niet of nauwelijks
heeft geleid tot klachten of bezwaren.
Voor de periode totdat de regelgeving is aangepast, zijn ZN en de zorgkantoren gezamenlijk
aan de slag om op basis van de bestaande regelgeving te komen tot een landelijk uniforme
werkwijze voor het beoordelen van meerzorg in een zogeheten beoordelingskader. ZN
geeft voorts aan dat de zorgkantoren momenteel bekijken of de werkwijze van een ander
zorgkantoor voorlopig als basis kan dienen voor de gewenste landelijk uniforme beoordeling.
Deze werkwijze is gebaseerd op meerdere referentiepunten, zoals opgenomen in het rapport
over meerzorg van het Zorginstituut. Dit beoordelingskader voorziet ook in meer maatwerk.
Dit laatste sluit aan bij de motie Westerveld. Binnenkort zal ik worden geïnformeerd
of alle zorgkantoren deze werkwijze zullen gaan volgen.
3. Tot slot
In deze brief heb ik de stand van zaken ten aanzien van de meerzorg thuis toegelicht.
Voor de korte termijn is er voor sommige cliënten in de thuissituatie sprake van onzekerheid
over de wijze waarop het zorgkantoor de aanvraag zal afhandelen en op welk moment.
De onrust die de budgethouders hierdoor ervaren betreur ik zeer, maar ik vertrouw
erop dat hierover op korte termijn wel de benodigde duidelijkheid komt. Dit heeft
mijn aandacht en heeft de meeste prioriteit. Daarna zal ik de aandacht richten op
de geplande wijziging van de regelgeving met 1 januari 2027 als streefdatum voor de
inwerkingtreding van een aangepaste regeling. Daarbij betrek ik ook de inbreng van
professionals, zorgkantoren en vertegenwoordigers van cliënten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, N.J.F. Pouw-Verweij
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport