Brief regering : Verzamelbrief inburgering december 2025
32 824 Integratiebeleid
Nr. 476
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 december 2025
Op 16 oktober 2025 heb ik uw Kamer geïnformeerd over een aantal door mij ingezette
acties en voornemens in het kader van het inburgeringsbeleid.1 Sindsdien hebben zich enkele relevante ontwikkelingen voorgedaan waarvan ik uw Kamer
graag op de hoogte stel. Deze ontwikkelingen betreffen het basisexamen inburgering
buitenland en de tussenevaluatie van de Wet inburgering 2021 (Wi2021). Daarnaast informeer
ik uw Kamer in deze brief over de uitvoering van een tweetal door uw Kamer aangenomen
moties, te weten de motie Kröger over de inzet van middelen voor het taalonderwijs
door het COA en de motie Saris over de inzet op het leren van het Nederlands binnen
het integratiebeleid.
1. Fout in basisexamen inburgering buitenland
Eind juli 2025 is ontdekt dat er in de periode vanaf mei 2023 een fout zat in de formule
die de uitslag berekent van het examen lezen A1. Dit examen maakt onderdeel uit van
het basisexamen inburgering buitenland en moet onder andere door gezinsmigranten worden
afgelegd om in aanmerking te kunnen komen voor een machtiging tot voorlopig verblijf
(mvv). Wanneer zij eenmaal in Nederland zijn moeten zij alsnog slagen voor het inburgeringsexamen
(op niveau A2 of B1) om te voldoen aan de inburgeringsplicht of om te kunnen naturaliseren.
Op 28 juli 2025 is de fout in de formule hersteld door de toetsontwikkelaar, waardoor
de uitslag van het examen lezen A1 sinds die datum weer op de juiste manier wordt
berekend. Als gevolg van de fout hebben 1.700 personen in de periode tussen mei 2023
en juli 2025 één of meerdere verkeerde uitslagen ontvangen. Dat betreur ik uiteraard
zeer. Het gaat zowel om de onterechte uitslag «gezakt» als «geslaagd». Van een groep
van 541 personen die ten onrechte één of meerdere keren waren gezakt, is de uitslag
van hun examen inmiddels gecorrigeerd. Hierdoor is voorkomen dat zij opnieuw examen
zouden gaan doen en daarvoor onnodig kosten zouden maken. De uitslag van de 582 personen
die ten onrechte geslaagd zijn, wordt niet gecorrigeerd: zij blijven geslaagd. Ik
heb de mogelijkheid verkend om deze beslissing terug te draaien, maar het zou van
onbehoorlijk bestuur getuigen om deze personen met terugwerkende kracht de dupe te
laten worden van deze fout. De overige personen zijn inmiddels (terecht) geslaagd.
Zij zullen bericht ontvangen dat zij eerder onterecht gezakt waren en dat zij de kosten
van de onnodig gebleken examenpogingen vergoed krijgen.
Dat geldt ook voor de overige kosten die zij hebben gemaakt, bijvoorbeeld om opnieuw
examen te doen of een nieuwe mvv-aanvraag in te dienen en de bijbehorende reis- en
verblijfskosten.
2. Tussenevaluatie Wi2021
In eerdere brieven aan uw Kamer heb ik gemeld dat ik de tussenevaluatie van de Wi2021
eind 2025 verstuur. Ook de resultaten van het onderzoek naar de betaalbaarheid van
de Wi2021 voor gemeenten zou gelijktijdig met de tussenevaluatie aan uw Kamer worden
verzonden. Helaas is er vertraging ontstaan in de afronding van het kostenonderzoek
en de tussenevaluatie. Ik verwacht beide rapporten begin 2026 met uw Kamer te kunnen
delen.
3. Motie lid Kröger
Op 26 juni 2023 is motie Kröger aangenomen die de regering verzoekt om het COA meer
vrijheid te geven in hoe de voor Nederlands taalonderwijs beschikbare middelen kunnen
worden ingezet om zo veel mogelijk asielzoekers Nederlands taalonderwijs te kunnen
aanbieden.2
Ik financier het COA voor twee programma’s waarvan Nederlands Nt2-taalonderwijs onderdeel
is: met een subsidie voor het programma Vroege Integratie en Participatie (VrIP) voor
kansrijke asielzoekers en met een Rijksbijdrage voor het programma Voorinburgering
voor statushouders. Ik heb onderzocht of de middelen voor taalonderwijs van de subsidie
VrIP samengevoegd kunnen worden met de middelen van het programma Voorinburgering.
Hieruit is gebleken dat het niet rechtmatig is om geldstromen voor twee verschillende
doelgroepen (kansrijke asielzoekers en statushouders) samen te voegen. De reden hiervoor
is dat niet voorkomen kan worden dat middelen die bedoeld zijn voor statushouders
worden ingezet voor asielzoekers, wat gezien de geldende wetgeving onrechtmatig is.
Naast de twee doelgroepen verschilt ook de onderliggende regelgeving van de geldstromen
en is er sprake van verschillende verantwoordingseisen. Ik moet daarom concluderen
dat de motie niet uitvoerbaar is.
4. Motie lid Saris
De motie Saris verzoekt de regering aanvullende maatregelen te treffen om meer in
te zetten op het leren van de Nederlandse taal. Het kabinet onderschrijft deze noodzaak.3 Inburgering geeft een stevige basis voor het leren van de taal en kennis van de Nederlandse
samenleving. Eerder heeft het kabinet ook besloten de taaleis in de Participatiewet
te behouden. In aanvulling op deze pijlers voor het leren van de taal aan nieuwkomers,
wordt een groot aantal aanvullende activiteiten ingezet om meer in te zetten op het
leren van de Nederlandse taal.
Om leren op de werkvloer te bevorderen, subsidieer ik het programma Taal met collega’s. Hierbij worden anderstaligen gekoppeld aan Nederlandstalige collega’s als taalbuddy’s,
zodat zij samen kunnen oefenen met de Nederlandse (vak)taal. Inmiddels nemen 53 werkgevers
deel aan dit programma, met in totaal 377 deelnemers. Van de deelnemers zijn 229 anderstaligen,
waaronder 114 statushouders. Praktijkgericht taalonderwijs vergroot de kans van statushouders
en anderstaligen op het vinden en behouden van een duurzame baan. Het programma is
niet alleen gericht op statushouders, maar op álle anderstaligen, zoals statushouders,
arbeidsmigranten en Oekraïners.
Om de bekendheid van het programma te vergroten, start Het Begint met Taal dit najaar
de campagne «Taal leer je niet in je eentje». Ook worden het portaal www.taalbuddy.nl en de e-learning doorontwikkeld. Begin 2026 vindt er een landelijke werkgeversbijeenkomst
plaats om ervaringen en best practices te delen.
Voor de ondersteuning van werkgevers is er de Subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers
Inzet Statushouders (SOWIS). Met deze regeling ontvangen werkgevers een tegemoetkoming
voor het verminderen van de taal- en cultuurverschillen op de werkvloer. In 2024 hebben
375 werkgevers subsidie aangevraagd en in 2025 322 werkgevers.
Ook hebben onlangs een groot aantal projecten een financiële impuls gekregen met de
AMIF-subsidie regeling. Een substantieel deel van deze projecten is gericht op het
leren van de Nederlandse taal. Deze projecten richten zich op leren vaktaal in de
beroepspraktijk, online taalonderwijs, het versneld leren van de taal en het koppelen
van nieuwkomers aan een maatje. De projecten hebben een looptijd van meerdere jaren
en worden nauwgezet gevolgd.
Ook voor arbeidsmigranten die in Nederland verblijven is het essentieel dat zij volwaardig
kunnen deelnemen aan de Nederlandse samenleving. Zo’n 70% van de arbeidsmigranten
met een laag inkomen geeft aan graag de Nederlandse taal te willen leren. Ook voor
partners van arbeidsmigranten is de beheersing van de Nederlandse taal belangrijk.
Voor ontheemden uit Oekraïne geldt evenzeer dat de Nederlandse taal slechts beperkt
gesproken wordt en dat de wens om de taal te leren groot is. Het kabinet zet daarom
in op het verbeteren van taalonderwijs via twee sporen: via de werkgever en gemeenten.
Dit is ook toegelicht in de brief over de sociale inbedding van arbeidsmigranten.4
Werkgevers
Het kabinet wil dat werkgevers meer verantwoordelijkheid nemen in het taalonderwijs
van arbeidsmigranten. Dit is ook opgenomen in het regeerprogramma van het kabinet.
Een goede plek om betere toegang tot taalonderwijs te regelen, is in de collectieve
arbeidsovereenkomsten. De Adviesraad Migratie5 beveelt sociale partners aan hier concretere afspraken over te maken in uitzend-cao’s.
Dit is overgenomen in het SER-advies.6 De Minister van SZW gaat met de Stichting van de Arbeid in gesprek om hier verdere
invulling aan te geven binnen de grenzen van het vrij verkeer van werknemers.
Daarnaast verenig ik werkgevers- en werknemerspartijen, huisvesters en andere private
organisaties in de publiek-private samenwerking Alliantie WorkinNL. Onder meer om
samen extra in te zetten op (vak)taal. Hiervoor is in mei jl. een landelijk convenant
afgesloten met betrokken partijen. In de arbeidsmarktregio’s wordt hier verdere opvolging
aan gegeven. Ten slotte kunnen werkgevers op verschillende manieren ondersteuning
krijgen voor het faciliteren van taalonderwijs onder werktijd. Zo zijn er verschillende
subsidies vanuit de Rijksoverheid (subsidie voor scholing uit sectorale Ontwikkelpaden
voor maatschappelijk cruciale sectoren, slim-subsidie voor mkb en ESF+-subsidie) om
de ontwikkeling van personen op het werk te stimuleren. Deze subsidies kunnen (deels)
ook ingezet worden voor taalonderwijs van arbeidsmigranten.
Ook biedt de Rijksoverheid ondersteuning aan werkgevers en gemeenten op het gebied
van kennis over basisvaardigheden bij volwassenen, onderwijskwaliteit en het bereiken
van de doelgroep. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de stichting Lezen en Schrijven en
de stichting Het Begint met Taal.
Ten aanzien van arbeidsmigranten uit derde landen onderzoekt de Minister van SZW hoe
de verplichting voor werkgevers kan worden vormgeven om taalscholing aan te bieden
als zij voor langer dan een jaar in Nederland komen werken.
Gemeenten
Samen met de Staatssecretaris van OCW zet SZW in op het verbeteren van basisvaardigheden,
waaronder taal, voor een deel van de doelgroep, via de Wet educatie en beroepsonderwijs
(WEB). Gemeenten ontvangen middelen vanuit OCW voor het aanbieden van cursussen basisvaardigheden
en zij hebben hierbij een regierol. Gemeenten hebben beleid- en bestedingsvrijheid
en bepalen dus zelf voor welke doelgroep zij deze limitatieve middelen specifiek inzetten
en welke criteria zij hiervoor stellen. Hiervoor is structureel 85 miljoen euro beschikbaar
via de WEB. In 2025 is dit bedrag incidenteel verhoogd met 10 miljoen euro ten behoeve
van het taalonderwijs voor Oekraïense ontheemden en arbeidsmigranten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.N.J. Nobel
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid