Brief regering : Verzamelbrief funderend onderwijs
31 293 Primair Onderwijs
31 289
Voortgezet Onderwijs
Nr. 859
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 december 2025
Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang op verschillende thema’s binnen
het funderend onderwijs. Daarnaast geef ik u een update over de uitvoering van verschillende
aangenomen moties en toezeggingen die zijn gedaan. Tot slot bied ik u de resultaten
van enkele onderzoeken aan.
1. Verkenning voorschoolse educatie in de gastouderopvang
In de Kamerbrief Verdere kwaliteitsverbeteringen voorschoolse educatie hierna ve) van oktober 2023 is door mijn voorganger aangekondigd dat deze de wenselijkheid
en haalbaarheid van het aanbieden van voorschoolse educatie door gastouders zal verkennen.1 Uit de verkenning is gebleken dat de impact op het verhogen van het bereik in de
ve door het aanbieden van ve in gastouderopvang klein zal zijn. Daarnaast blijkt dat
het draagvlak over de wenselijkheid onder gemeenten wisselt. Gezien de verschillen
met de kinderdagopvang is ook aanpassing van regelgeving vereist, zoals verschillen
in groepsgrootte en -samenstelling en het ontbreken van afstem- en overlegmomenten
van een gastouder met andere collega’s op een groep.
Om deze redenen heb ik besloten ve nu niet mogelijk te maken in de gastouderopvang.
Ik zie echter wel kansen voor gastouders om de ontwikkeling van kinderen nog verder
te ondersteunen, als gevolg van het wetsvoorstel Verbetermaatregelen gastouderopvang
ingediend door de toenmalig Minister van SZW, dat per 1 juli 2026 in werking treedt.
Hiermee zullen gastouders moeten voldoen aan dezelfde pedagogische beleidsdoelen die
gelden voor kinderdagopvang. Ook krijgen gastouders voortaan coaching, moeten ze verplicht
scholing volgen en werken ze met een pedagogisch werkplan.
2. Reactie op Landelijk Rapport Gemeentelijke Taakuitvoering Kinderopvang-Onderwijs
2025
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft in november het «Landelijk
Rapport Gemeentelijke Taakuitvoering Kinderopvang-Onderwijs 2025» uitgebracht over
het jaar 2024. Dit jaar is dat voor het eerst één rapport, dat ingaat op kinderopvang,
de Lokale Educatieve Agenda (hierna: LEA), voor- en vroegschoolse educatie en als
bijzonder thema de afspraken over het onderwijs aan nieuwkomers.
Ten aanzien van de reguliere taakuitvoering kinderopvang en onderwijs komt uit het
rapport naar voren dat het percentage gemeenten dat in 2024 overleg heeft gevoerd
over de LEA, net als de afgelopen jaren, is gestegen. Het organiseren van overleg
en het maken van resultaatafspraken blijft echter ook in 2024 achter. Respectievelijk
85% van de gemeenten voert hierover overleg en slechts 70% maakt concrete afspraken.
Dit jaar gaat de inspectie hierover in gesprek met gemeenten. Zoals u gemeld in een
Kamerbrief van november vorig jaar, wil ik het wetsartikel (artikel 160 WPO) over
het maken van resultaatafspraken aanpassen en verhelderen.2
De inspectie concludeert verder dat twee derde van de gemeenten voldoende aanbod van
voorschoolse kindplaatsen heeft. Bij een klein aantal gemeenten is er echter te weinig
aanbod. Er zijn dan te weinig kinderopvangorganisaties die voorschoolse educatie aanbieden,
of de gemeente heeft te weinig middelen om voldoende plekken aan te bieden. Ik vind
dit een zorgelijke uitkomst, dit vormt een aandachtspunt dat ik de komende tijd ga
volgen. Naast financiering, ruimtegebrek en personeelstekorten geven gemeenten aan
dat de problematiek van kinderen in de groepen toeneemt. De inspectie zal dit aan
bod laten komen in het jaarlijks overleg tussen gemeente en inspectie.
Gemeentelijke overlegplicht over onderwijs aan nieuwkomers
In oktober 2023 werd in het funderend onderwijs een jaarlijkse overlegplicht tussen
gemeenten en schoolbesturen geïntroduceerd om afspraken te maken over de invulling
van het onderwijs aan nieuwkomers. De inspectie constateert dat vrijwel alle gemeenten
met scholen overleg voerden over voldoende onderwijscapaciteit voor nieuwkomers. Over
toelating en doorlopende leerlijnen werd door het overgrote deel van de gemeenten
ook afspraken gemaakt. Waar nog niet over één of meerdere thema’s is overlegd, betrof
het vaker kleinere gemeenten. Verder merkt de inspectie op dat het voeren van overleg
nog niet overal daadwerkelijk tot afspraken heeft geleid, bijvoorbeeld omdat in een
aantal gemeenten het gesprek over afspraken nog loopt, er geen afspraken zijn gemaakt
omdat er geen nieuwkomers zijn en mogelijk enkele gemeenten nog onvoldoende op de
hoogte zijn van de nieuwe regelgeving. De inspectie gaat in gesprek met gemeenten
die nog niet tot overleg of afspraken zijn overgegaan.
Bijgevoegd vindt u een tussenrapportage van het evaluatieonderzoek naar de Tijdelijke
wet tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen, waarin ook de overlegplicht is betrokken.
3. Onderzoek naar knelpunten bij het volgen van de ontwikkeling van nieuwkomers en
hun gegevensoverdracht
In de beleidsreactie3 op het Doelgroepenonderzoek nieuwkomers in het po en vo is toegezegd om extra middelen
in te zetten voor programma’s die een goede overdracht van leerlinggegevens mogelijk
maken en bijdragen aan een verlaging van de administratieve druk voor leraren. De
toezegging bleek in de uitwerking niet goed uitvoerbaar, omdat er onvoldoende informatie
was over de problematiek om gedegen aan de slag te gaan. Daarom is een verkennend
onderzoek uitgevoerd naar de problemen rondom de schoolwisselingen en het volgen van
de ontwikkeling van nieuwkomers in het po.
Op beide thema’s zijn zowel knelpunten als oplossingsrichtingen onderzocht. Een eerste
belangrijke uitkomst van het onderzoek is dat bestaande leerlingvolgsystemen niet
goed zijn ingericht op nieuwkomers.
Nieuwkomers stromen op verschillende momenten in het jaar door, bijvoorbeeld vanwege
een verplaatsing van een tijdelijke opvanglocatie naar een andere opvanglocatie. Niet
alle leerlingvolgsystemen zijn daarop ingericht. Een andere uitkomst is dat het reguliere
onderwijs veel leunt op toetsresultaten, die niet passend zijn voor nieuwkomers. Reguliere
toetsen zijn niet passend voor nieuwkomers, omdat onvoldoende taalbeheersing bij hen
zorgt voor te lage en daarmee onbetrouwbare toetsscores. Ook geeft het onderzoek weer
dat het contact tussen «verzendende» en «ontvangende» school lastig is, omdat nieuwkomers
veel verhuizen. Voor de «verzendende» school is het niet altijd duidelijk waar de
leerling naartoe is gegaan en voor de «ontvangende» school is het vaak lastig te achterhalen
waar de nieuwkomer vandaan komt.
In vervolg op het onderzoek zal ik twee oplossingsrichtingen verder verkennen. Als
eerste zal ik verkennen hoe het reguliere onderwijs beter ondersteund kan worden in
het gebruik van nieuwkomersleerlijnen. Daarnaast verken ik of een standaardbijlage
voor nieuwkomers ontwikkeld kan worden voor de Overstap Service Onderwijs: het uitwisselingssysteem
tussen scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs wanneer bij een overstap
van een leerling extra informatie uitgewisseld moet worden.
4. Een onderwijsplek voor alle nieuwkomers? – Een evaluatie van de Tijdelijke wet
tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen in het onderwijs (tweede tussenrapportage)
Met de Tijdelijke wet tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen in het onderwijs (TNV-wet)
mogen scholen in noodsituaties en na toestemming afwijken van voorschriften die gelden
met betrekking tot bevoegdheid van onderwijspersoneel, onderwijsinhoud en onderwijstijd
in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening. Daarnaast hebben gemeenten met deze wet
de plicht gekregen om ten minste jaarlijks overleg te voeren met alle schoolbesturen
over het onderwijs aan nieuwkomers en daar afspraken over te maken. Aan uw Kamer is
toegezegd om elk jaar voor de Begrotingsbehandeling uw Kamer te informeren over de
stand van zaken ten aanzien van de tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen4. Met deze brief deel ik de resultaten van de tweede meting, dit is een tussenrapportage.
In 2026 volgt, conform de toezegging en de evaluatiebepaling in de wet, het laatste
rapport met de eindevaluatie van de TNV-wet. Een bredere inhoudelijke beleidsreactie
op het onderzoek volgt na het eindrapport.
De TNV-wet heeft drie doelen: het realiseren van voldoende onderwijsplekken voor nieuwkomers,
zorgen dat nieuwkomers in het onderwijs daadwerkelijk worden ingeschreven en het organiseren
van een doorlopende leerlijn. Deze tweede meting laat zien dat steeds meer gemeenten
en schoolbesturen op de hoogte zijn van de overlegplicht en mogelijkheid om een tijdelijke
nieuwkomersvoorziening in te richten, vergeleken met de eerste meting. Volgens de
tweede meting draagt de overlegplicht meer bij aan deze doelen dan de inrichting van
een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.
Daarnaast draagt zowel de overlegplicht als de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening
meer bij aan het realiseren van onderwijsplekken en een inschrijving en minder aan
een doorlopende leerlijn. De doorlopende leerlijn is minder onderwerp van gesprek
en bij de tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen ontbreekt een langetermijnvisie, waardoor
een doorlopende leerlijn lastiger te bereiken is. Vanaf de inwerkingtreding van de
wet tot september 2025 zijn er in totaal 16 tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen ingericht.
Hiermee zijn er meer onderwijsplekken voor nieuwkomers gerealiseerd. Alle tijdelijke
nieuwkomersvoorzieningen zijn ingericht voor het voortgezet onderwijs, een tijdelijke
nieuwkomersvoorziening richtte zich op zowel leerlingen in het primair als het voortgezet
onderwijs.
Momenteel werk ik aan structurele verbeteringen voor het onderwijs aan nieuwkomers,
zoals in een brief aan uw Kamer is toegezegd op 24 juni 2025. Daarin worden de resultaten
van dit onderzoek meegenomen.
5. Overheidsaanbod doorstroomtoets 2026
Op verzoek van uw Kamer5 is wettelijk geregeld dat in dit huidige pluriforme stelsel ook altijd een doorstroomtoets
namens de overheid aangeboden wordt. Sinds het schooljaar 2023/2024 biedt stichting
Cito hiervoor de DOE-toets aan. Dit jaar hebben minder scholen en leerlingen zich
voor de DOE-toets ingeschreven dan voorgaande jaren. Dit betekent dat de DOE-toets
dient te worden afgenomen in een aangepast design, namelijk enkel in lineaire vorm.
Deze aanpassing verandert niets aan de kwaliteit van de toets zelf: die was én blijft
betrouwbaar en valide. Door het aanbieden van een lineaire vorm van de DOE-toets zorgt
stichting Cito ervoor dat scholen die doelbewust voor een doorstroomtoets namens de
overheid gekozen hebben gewoon een kwalitatief goede toets kunnen afnemen. Ik ben
blij dat op deze manier nog steeds in overheidsaanbod wordt voorzien, conform de wens
van uw Kamer. Vanzelfsprekend neem ik het signaal over het lage aantal scholen dat
behoefte heeft aan een overheidsaanbod doorstroomtoetsen mee in de evaluatie van de
komende afname.
6. Zorgplicht en doorzettingsmacht passend onderwijs
Tijdens het debat passend onderwijs van 24 april 2025 heeft het kabinet toegezegd6 om uw Kamer dit najaar te informeren over de wettelijke vastlegging van doorzettingsmacht
binnen passend onderwijs. Ook is toegezegd uw Kamer te informeren over de uitwerking
van de motie Krul7 (CDA) die vraagt maatregelen te treffen voor het aanscherpen van de zorgplicht passend
onderwijs.
Wij zijn in gesprek met veldpartijen over wat er nodig is om de zorgplicht beter te
laten werken en om tot een concrete uitwerkingsvorm voor doorzettingsmacht te komen.
De uitwerking is nog niet ver genoeg om nu al met uw Kamer te delen. Ik zal uw Kamer
hierover nader informeren met de brief bij de jaarlijkse voortgangsrapportage Passend
Onderwijs, die uw Kamer in het voorjaar van 2026 ontvangt. Hetzelfde geldt voor de
uitvoering van de motie Westerveld c.s. (GroenLinks-PvdA) over het stimuleren van
de Samen naar School-klassen in het voortgezet onderwijs.8 Over de uitvoering van de motie Van Meenen (D66) over het formuleren van de contouren
van een wet inclusief onderwijs informeer ik u na de zomer van 2026.9
7. Terugkoppeling gesprek leerlingenvervoer
Zoals toegezegd in het debat passend onderwijs op 21 mei 202510, heeft een gesprek plaatsgevonden tussen OCW en organisaties betrokken bij het leerlingenvervoer:
de sectorraad GO, LBVSO, Ouders & Onderwijs en de VNG. Doel van het gesprek was om
samen te bezien wat we binnen het onderwijs aan de problematiek kunnen doen. Uitkomst
van het gesprek is dat OCW de regie neemt om samen met de aanwezige partijen tot een
werkagenda te komen. Deze werkagenda richt zich op wat in het onderwijsdomein kan
worden gedaan om leerlingenvervoer te verbeteren, in aanvulling op de verbeteraanpak
doelgroepenvervoer (onder regie van VWS) en Publieke Mobiliteit (onder regie van I&W).
Elk van de betrokken partijen zal een deel van de acties op zich nemen en de komende
maanden wordt de werkagenda verder uitgewerkt. Voor het debat passend onderwijs informeer
ik u over de voortgang.
8. De aantrekkingskracht van brede scholengemeenschappen
Het onderzoeksbureau Goed Geschud heeft in opdracht van het Ministerie van OCW en
de VO-raad onderzocht hoe de aantrekkingskracht van brede scholengemeenschappen vergroot
kan worden. In de visiebrief op kansengelijkheid uit 2023 is dit onderzoek toegezegd.11 Het onderzoeksrapport bied ik u met deze Kamerbrief aan.
Het rapport biedt onder meer inzicht in doorslaggevende factoren bij de keuze voor
een middelbare school door ouders en leerlingen, onderwijsprofessionals in het voortgezet
onderwijs en groep 8-leerkrachten. Uit het rapport blijkt dat de sfeer en het profileringsaanbod
op een middelbare school belangrijke factoren zijn voor een leerling om voor een school
te kiezen.
Ook is er in het rapport aandacht voor de veronderstelde voor- en nadelen per type
school, bijvoorbeeld het gemakkelijk kunnen wisselen van onderwijsrichting op een
brede scholengemeenschap en de ruimte die leerlingen ervaren om tot ontplooiing te
komen. Het is aan een volgend kabinet om te bezien hoe met deze aanbevelingen om te
gaan.
9. Opbrengsten plan van aanpak hoogbegaafdheid
Sinds eind 2022 is met tien maatregelen12 hard gewerkt aan het doel om een beter passend en dekkend aanbod, meer (h)erkenning
en kennis, en waar mogelijk maatwerk voor (hoog)begaafde leerlingen te realiseren.
Alle maatregelen zijn reeds in uitvoering gebracht en hierbij informeer ik uw Kamer
over de opbrengsten. De afgelopen jaren is veel werk verzet om het onderwijs voor
(hoog)begaafde leerlingen te verbeteren en daarmee is de basis aanzienlijk versterkt.
Het is nu zaak om de geleerde lessen en opbrengsten te borgen en verduurzamen. Daartoe
is in de eerste plaats een landelijke norm opgesteld welke zal worden geborgd in wetgeving.
Zoals voorgenomen13 wordt vanaf 2026 23,3 miljoen euro structureel toegevoegd aan de ondersteuningsbekostiging
van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs po en vo14. Scholen en samenwerkingsverbanden kunnen daarbij gebruik maken van de resultaten
van de onderzoeken bij beide subsidieregelingen (2019–2023; 2023–2025), waaronder
het monitoronderzoek en het IMAGE-project15. Dit kan helpen om het onderwijsaanbod voor (hoog)begaafden verder te versterken.
Ook de producten en diensten van het Landelijk Kenniscentrum Hoogbegaafdheid (KCHB)16 helpen daarbij. Ik continueer de activiteiten van het KCHB ten minste tot en met
2030. Daarmee kunnen scholen en samenwerkingsverbanden de ingezette acties en geleerde
lessen doorzetten, binnen de bredere context van passend onderwijs en de beweging
naar inclusief onderwijs.
Onderdeel van het plan van aanpak was met subsidie meer investeren in een passend
en dekkend aanbod.17 Uit het monitoronderzoek bij de subsidieregeling Begaafde leerlingen 2023–202518 blijkt dat er daadwerkelijk een breder aanbod is ontwikkeld. Er zijn meer plusklassen,
peergroepen en deeltijd- en voltijdvoorzieningen tot stand gebracht. Ook is er bij
onderwijsprofessionals meer kennis en bewustzijn over (hoog)begaafdheid. De (hoog)begaafde
leerlingen ervaren positieve effecten, zoals meer welbevinden, hogere motivatie en
ontwikkeling van taak- en werkgedrag, de zogenaamde executieve functies. Specifiek
de voltijd hoogbegaafdheidsvoorzieningen zijn inhoudelijk versterkt.
Over het algemeen is ook de samenwerking tussen scholen, samenwerkingsverbanden en
soms ook zorgpartijen toegenomen. Ook is begin december door het KCHB aan alle scholen
in het po en vo en de pabo’s het Basisboek Hoogbegaafdheid kosteloos verstuurd.19 Dit naslagwerk draagt bij aan het signaleren van alle (hoog)begaafde leerlingen20, juist ook de kinderen waarbij begaafdheid niet altijd wordt (h)erkend, zoals kinderen
met een migratieachtergrond en meisjes. Dit boek is tot stand gebracht met de beschikbare
middelen van het amendement Ergin-Kisteman.21
10. Versterken van de informatiepositie van samenwerkingsverbanden
Afgelopen voorjaar bent u geïnformeerd over de volgende stap in de verbetering van
passend onderwijs en specifiek over het versterken van de informatiepositie van samenwerkingsverbanden.
Zoals toegezegd informeer ik uw Kamer nu over de vervolgstappen.22 De inspectie, DUO, ONSwv23 en het Ministerie van OCW onderzoeken samen hoe data, gericht op leerlingenstromen
en onderwijstijd, beter verzameld en benut kunnen worden, zodat de ondersteuning van
leerlingen verbeterd wordt. Hiervoor is nu een werkgroep aan de slag die als doel
heeft om te kijken welke informatie bijdraagt aan het verbeteren van de uitvoering
van de wettelijke taken van samenwerkingsverbanden en hun sturingsmogelijkheden in
dit kader. In de volgende brief over de voortgang van de verbeteraanpak passend onderwijs
wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de opbrengsten van de werkgroep.
11. Motie-Oostenbrink over bewezen effectieve anti-pestprogramma’s
Naar aanleiding van een toename van het aantal meldingen over ernstig pesten bij de
vertrouwensinspecteurs (VI) van de inspectie verzocht uw Kamer in mei 2025 de regering
om scholen te stimuleren om bewezen effectieve antipestprogramma’s te implementeren.24 Hierbij informeer ik uw Kamer hoe het kabinet invulling heeft gegeven aan deze motie.
Evidence-informed werken is belangrijk. Daarom stimuleert OCW dat met programma’s
zoals het Masterplan Basisvaardigheden en Ontwikkelkracht. Daarnaast zijn we bezig
evidence-informed werken op te nemen in de wettelijke deugdelijkheidseisen.25 Scholen zullen daarmee verplicht worden om bij het uitvoeren van hun stelsel van
kwaliteitszorg evidence-informed te werk te gaan. Om het landelijke beleid op het
gebied van veiligheid op scholen te kunnen baseren op een betrouwbaar landelijk beeld
van het veiligheidsklimaat, wordt een wettelijke grondslag geregeld voor de Landelijke
veiligheidsmonitor funderend onderwijs.26
Ook als we specifiek naar pesten kijken, is het goed als scholen bewezen effectieve
anti-pestprogramma’s gebruiken. Naar aanleiding van de motie-Oostenbrink (BBB) is
er contact geweest met Stichting School & Veiligheid (SSV), het Nederlands Jeugdinstituut
(NJi), een onderzoeker van de Universiteit Utrecht (UU) en de VI. Het belangrijkste
wat daaruit naar voren kwam is dat het tegengaan van pesten maatwerk is en dat scholen
in de eerste plaats een gedegen veiligheidsbeleid in brede zin moeten voeren. Essentieel daarbij is dat ze goed nadenken over wat er in hun specifieke
situatie nodig is en dat ze kunnen onderbouwen en uitleggen waarom én hoe hun aanpak
effectief is. Zo zijn er bijvoorbeeld programma’s die niet expliciet gericht zijn
op «pesten», maar daar wel een positief effect op hebben vanwege bijvoorbeeld een
focus op «schoolklimaat», «gedragsproblemen» of «sociale vaardigheden». Een zorgvuldige
implementatie van de aanpak is bovendien dan vervolgens net zo belangrijk.
Het kabinet stimuleert het voeren van een gedegen veiligheidsbeleid op verschillende
manieren. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs zullen scholen onder meer
worden verplicht om een interne en een externe vertrouwenspersoon aan te stellen en
hun veiligheidsbeleid jaarlijks te evalueren.27 Voor ondersteuning en advies op maat over dat veiligheidsbeleid kunnen scholen terecht
bij SSV, die daarvoor subsidie ontvangt van OCW. Zij bieden scholen ook wetenschappelijk
onderbouwde handvatten om pesten tegen te gaan. Daarnaast subsidieert het kabinet
het NJi, die een databank beheert met erkende interventies die scholen kunnen raadplegen.
12. Persoonlijk voortgezet onderwijs
Uw Kamer is op 3 juli 2025 geïnformeerd over de laatste stand van zaken bij Stichting
voor Persoonlijk voortgezet onderwijs (hierna: Pvo).28 Pvo verzorgt vanaf 1 augustus 2025 geen onderwijs meer en de stichting zal worden
opgeheven.
Sinds 2022 was het ministerie actief betrokken bij Pvo. Dit was voor leerlingen, ouders
en het personeel een bewogen periode. Het stemt positief dat er voor de leerlingen
van Pvo een passende oplossing is gevonden zodat zij hun schoolloopbaan verder kunnen
vervolgen. Het instrumentarium van de inspectie voldoet om de liquidatie van de stichting
door Pvo te bewaken en te bevorderen. Daarom heb ik de regie over de casus weer overgedragen
aan de inspectie. Op de escalatieladder die het ministerie en de inspectie gebruiken
voor toezichtcasuïstiek is de casus Pvo daarmee afgeschaald van fase E (de hoogste
fase met de zwaarst mogelijke interventies) naar fase D.
13. Afronding aanwijzing stichting Islamitische School Amsterdam
De stichting Islamitische School Amsterdam (ISA) heeft in november 2022 een aanwijzing
gekregen vanwege financieel wanbeleid, onrechtmatige verrijking en onrechtmatig handelen.
De aanwijzing bestond uit maatregelen ter versterking en professionalisering van het
bestuur. Omdat het bestuur de aanwijzing aanvankelijk onvoldoende naleefde, zijn er
in 2023 en 2024 meerdere bekostigingssancties opgelegd. Hierover is uw Kamer toentertijd
geïnformeerd.29
Mede door tussenkomst van het Openbaar Ministerie in een civiele procedure, waarover
uw Kamer ook al eerder is geïnformeerd,30 heeft het bestuur nu een volledig nieuwe samenstelling. Sinds september van dit jaar
voldoet de stichting aan alle maatregelen uit de aanwijzing en om die reden heb ik
op 14 oktober 2025 de aanwijzing ingetrokken. Het bestuur heeft ook de bekostiging
teruggekregen die gedurende het traject als pressiemiddel was opgeschort. Met deze
stappen is het instrumentarium van mijn ministerie niet langer noodzakelijk en daarom
draag ik de regie over de casus weer over aan de inspectie. De inspectie zal vanwege
reguliere herstelopdrachten voorlopig geïntensiveerd toezicht blijven houden op het
bestuur en de basisscholen.
14. Constatering wanbeheer bij Stichting Mares Beheer
Op 5 november 2025 heeft de inspectie mij geïnformeerd dat zij wanbeheer heeft geconstateerd
bij Stichting Mares Beheer, het bevoegd gezag van basisschool De Verwondering Voorne
in Vierpolders. Dit is de enige school onder dit bestuur. Het bijbehorende rapport
is op 9 december 2025 gepubliceerd en te raadplegen op de website van de inspectie.
Volgens de inspectie is bij dit bestuur sprake van ondeugdelijk financieel beheer,
waardoor er risico’s zijn voor de continuïteit van het onderwijs. Door de hoge schulden
die de school sinds haar oprichting in 2023 heeft opgebouwd, is de stichting momenteel
technisch failliet. De inrichting van zowel het bestuur als de Raad van Toezicht voldoet
niet. Zij komen hun wettelijke verplichtingen en verantwoordelijkheden niet na en
er is onvoldoende splitsing tussen het bestuur en de Raad van Toezicht. Daarnaast
ontbreekt de sturing op de onderwijskwaliteit. De basiskwaliteit van het onderwijs
is op dit moment nog wel op orde, maar dit komt volgens de inspectie eerder ondanks,
dan dankzij het bestuur.
Vanwege de ernst van de bevindingen heeft de inspectie deze casus, conform onderlinge
afspraken, geëscaleerd naar fase E van de escalatieladder. Dit is de meest urgente
fase, waarin er maatregelen genomen kunnen worden die buiten de bevoegdheid van de
inspectie vallen. Daarom informeer ik nu ook uw Kamer over de ontstane situatie. Ik
deel de zorgen van de inspectie en beraad mij op vervolgstappen. Wanneer daartoe aanleiding
is, zal ik uw Kamer nader informeren.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
K.M. Becking
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap