Brief regering : Innovatie in de beroepsuitoefening gezondheidszorg
27 529 Informatie- en Communicatietechnologie (ICT) in de Zorg
31 765
Kwaliteit van zorg
Nr. 354
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 december 2025
In Nederland werken ruim 1,6 miljoen mensen in zorg en welzijn. Dat is veeleisend
werk en de werkdruk is hoog. De zorgvraag verandert bovendien snel. Er is sprake van
vergrijzing van de bevolking en een toename van mensen met een chronische ziekte.
Naast dat de werkdruk in de zorg al hoog is, dreigt bovendien een onhoudbaar personeelstekort
in de zorg. De vergrijzing zal een grote invloed hebben op onze zorg; er zijn meer
mensen die zorg nodig hebben of ondersteund moeten worden bij het verrichten van de
dagelijkse taken, maar hiervoor komen niet meer mensen beschikbaar om het werk te
doen. In 2034 wordt een tekort geraamd van bijna 266 duizend werknemers. Dat tekort
kan een bedreiging vormen voor de kwaliteit van de zorg, de patiëntveiligheid en voor
de aantrekkelijkheid van het werken in de zorg. Tegelijkertijd zijn er talloze innovatieve
oplossingen, technologisch én organisatorisch, die de medewerker en mantelzorgers
helpen om betere, efficiëntere en mensgerichtere zorg te leveren. Daardoor kan het
werk leuker worden én wordt bijgedragen aan de doelstelling uit het Aanvullend Zorg-
en Welzijnsakkoord (AZWA) om het dreigende personeelstekort in 2028 met 100.000 mensen
te verminderen.
In deze brief ga ik in op het belang van innovaties binnen de individuele beroepsuitoefening
en vooral ook wat nodig is om het gebruik van deze innovaties te laten slagen. Dit
sluit aan op mijn brief van 6 oktober jl. over de inzet op realisatie van kunstmatige
intelligentie (AI) in zorg en welzijn.1 Hieronder schets ik eerst hoe een fictieve werkdag in de zorg er in 2035 uit kan
zien, aan de hand van twee toekomstbeelden (§1). Daarna ga ik in op de focus die ik
met innoverende partners wil leggen op arbeidsbesparende inzet van technologieën in
de samenwerking binnen het Missiegedreven Innovatiebeleid (§2). Vervolgens schets
ik hoe ik medewerkers in zorg en welzijn ondersteun bij het inpassen van innovaties
in hun dagelijkse werk (§3). Aan het slot (§4) van deze brief informeer ik uw Kamer
over mijn voornemen om arbeidsbesparende effecten van innovaties op een betrouwbare
wijze beter inzichtelijk te maken.
1. Toekomstbeelden: hoe kan een werkdag er uitzien in 2035?
Om een indruk te geven over hoe innovaties het dagelijkse werk in de individuele beroepsuitoefening
positief kunnen veranderen, neem ik uw Kamer graag mee naar een fictieve werkdag in
het jaar 2035 van twee professionals in de zorg; van een verpleegkundige in de ouderenzorg
en van een cardioloog. Deze toekomstbeelden zijn weliswaar fictief, maar geven wel
een waarschijnlijke toekomst aan in het geval innovaties goed zijn geïmplementeerd
in het werk. In beide gevallen zijn diverse arbeidsbesparende technologieën breed
geïntegreerd in vernieuwde werkprocessen. De focus van de innovaties ligt op het efficiënter
en betekenisvoller maken van het werken in de zorg met gebruik van nieuwe technologieën,
zonder dat de menselijke factor verloren gaat.
Werkdag verpleegkundige in 2035
– 07:30 – Start van de dag met digitale briefing en planning
De verpleegkundige begint thuis of onderweg met een korte briefing via een slimme
AR-bril of tablet. AI heeft op basis van patiëntendata, nachtrapporten en sensoren
al een gepersonaliseerde planning gemaakt met prioriteiten, de verwachte zorgzwaarte
en bijzonderheden als valrisico of onrust. De briefing is interactief, spraakgestuurd,
visueel, en aangepast op leerbehoefte of voorkeur van de verpleegkundige.
– 08:00 – Eerste ronde cliënten: slimme monitoring en robotica
Bij aankomst in de zorginstelling of bij cliënten thuis zijn veel basistaken al deels
geautomatiseerd. Valdetectie, slaapmonitoring, medicatiedispensers en service-robots
ondersteunen met wassen, aankleden of mobiliseren. Hierdoor kan de verpleegkundige
zich richten op de psychosociale begeleiding of complexe zorg. De verpleegkundige
gebruikt spraakcommando’s of een draagbare interface om systemen aan te sturen.
– 10:30 – Zorg op afstand en coaching via AI
Een deel van de zorg is verplaatst naar virtuele consulten en de verpleegkundige voert
beeldbelgesprekken met mantelzorgers en cliënten via een AI-ondersteunde gespreksassistent
die suggesties geeft of automatisch rapportages maakt. AI helpt bij triage van signalen
uit thuismonitoring: bijvoorbeeld bij een stijgende bloeddruk of cognitieve achteruitgang
krijgt de verpleegkundige een waarschuwing met een voorgestelde interventie.
– 13:00 – Scholing & reflectie met AI-coach
Gedurende een rustig moment kan de verpleegkundige een korte micro-learning volgen
via VR of AI-coaching. De AI doet suggesties gebaseerd op recente situaties, bijvoorbeeld
het omgaan met agressie of ethische dilemma’s, en ondersteunt zo de reflectie.
– 15:00 – Interventies op maat & familiecontact
Dankzij AI-analyse van lange termijn data krijgt de verpleegkundige aanbevelingen
voor preventieve acties. AI stelt bijvoorbeeld maaltijdverrijking en motiverende gespreksstrategieën
voor bij signalen van beginnende ondervoeding. Of de planning van de verpleegkundige
wordt dynamisch aangepast zodat bij een onrustige patiënt meer nabijheid geboden
kan worden. Contact met familieleden wordt gefaciliteerd via automatische updates
of zorgdashboards, zodat de verpleegkundige niet alles handmatig hoeft te rapporteren.
– 16:30 – Einde dienst & overdracht
De overdracht is grotendeels geautomatiseerd. AI verzamelt alle relevante observaties,
meetwaarden en cliëntfeedback in een helder en beknopt verslag. De verpleegkundige
voegt alleen nuances of bijzonderheden toe via spraak, waarna de overdracht klaarstaat
voor de avonddienst.
In dit toekomstbeeld is de verpleegkundige in 2035 meer dan nu een verbinder die, afhankelijk van de beschikbare ondersteunende technologieën én de mogelijkheden
van de patiënt, passende zorg biedt. Meer eenvoudige of routinematig werkzaamheden
zullen grotendeels worden geautomatiseerd en overgenomen. Dat kan bijvoorbeeld doordat
(kunstmatige) intelligente ondersteuning beschikbaar is waardoor de verpleegkundige
slimmer en adaptiever kan werken, en daardoor minder fysiek en mentaal wordt belast.
Werkdag cardioloog 2035
– 08:00 – Start van de dag met digitale briefing en planning
De cardioloog logt in op een mixed reality-omgeving waar een AI-assistent de caseload
van de dag presenteert. AI heeft vooraf risicoprofielen gemaakt van alle patiënten
op basis van digitale twin-modellen; dit zijn virtuele kopieën van harten die continu
worden bijgewerkt met data uit wearables, implanteerbare sensoren en het EPD. De cardioloog
ziet meteen welke patiënten extra monitoring of een fysieke interventie nodig hebben.
– 09:00 – Hybride spreekuur
Patiënten komen deels fysiek, deels via holografische consulten. Slimme wearables
en implantaten streamen realtime data van de patiënten, zoals hartritme, bloeddruk,
zuurstofsaturatie. De cardioloog gebruikt een AI-co-pilot die tijdens het consult
suggesties doet: «Deze hartritmestoornis wijst waarschijnlijk op een beginnende geleidingsstoornis.
Behandelopties X en Y (zoals bijvoorbeeld een pacemaker of medicatie) zijn passend.» De cardioloog beslist en stemt met de patiënt af.
– 10:00 – Interventie/operatie
De cardioloog heeft samen met de interventiecardioloog een diagnose gesteld, namelijk
een vernauwing in een van de kransslagaderen. Gezien de complexiteit van de vernauwing
stemmen de cardioloog en de cardiochirurg een robot-geassisteerde hartoperatie af.
De cardiochirurg opereert het hart middels een robot. AI volgt de procedure en detecteert
de juiste plek van de omleiding. De cardioloog wordt na de ingreep via AI modellen
en het EPD direct op de hoogte gesteld van de uitkomsten.
– 12:00 – Pauze & onderzoek
Tijdens de lunch checkt de cardioloog kort zijn digitale twin van de praktijkpopulatie:
welke trends zien we in hartfalen, hypertensie of genetisch risico? Samen met onderzoekers
bespreekt hij nieuwe behandelingen die door DNA studies en gepersonaliseerde medicijnen
beschikbaar zijn.
– 13:00 – Preventieve zorg en populatie management
Via de zorg-app krijgt de huisarts meldingen van patiënten thuis: een oudere met beginnende
decompensatie wordt direct opgeschaald naar een thuismonitoring-programma. AI triageert
hierbij: 80% kan door de huisarts/verpleegkundig specialist, of door een digitaal
programma worden opgevolgd, 20% moet door de cardioloog zelf gezien worden. Dit verlaagt
de werkdruk en focust de cardioloog op de complexe gevallen. De cardioloog blijft
eindverantwoordelijk.
– 15:00 – Multidisciplinair overleg
In een virtuele vergaderruimte zitten cardiologen, neurologen en nefrologen bij elkaar.
Ze bespreken patiënten via hun digitale twins en besluiten samen over therapie-aanpassingen.
– 17:00 – Afsluiting
AI genereert automatisch verslaglegging, inclusief adviezen en follow-up. De cardioloog
blijft eindverantwoordelijk en blijft nodig om te valideren en accorderen. Persoonlijk
sluit de cardioloog af met een VR-training, waarin een zeldzaam scenario gesimuleerd
wordt, zoals een reanimatie bij een patiënt met een pacemaker.
In het toekomstbeeld van de cardioloog zien we dat deze in staat wordt gesteld om
nauwkeuriger en sneller te werken dan nu mogelijk is, doordat technologische innovaties
ondersteunen bij het diagnosticeren, het maken van analyses, het uitvoeren van ingrijpende
handelingen en bij de verslaglegging.
Deze toekomstbeelden heb ik gekozen om te laten zien wat de positieve impact van innovaties
kan zijn voor de 1,6 miljoen mensen die in zorg en welzijn werken. Het potentieel kan
echter alleen worden benut als de juiste randvoorwaarden aanwezig zijn. Niet alleen
technologisch, zoals een goede data-infrastructuur, maar zeker ook in de beroepsuitoefening
zelf. Het «anders werken» met innovaties vergt veel van het aanpassingsvermogen van
de professional en de organisatie.
Niet alleen omdat nieuwe werkwijzen moeten worden aangeleerd, maar ook omdat dat betekent
dat afscheid wordt genomen van de al bestaande en vertrouwde routines. Het is daarom
van groot belang dat zij de meerwaarde van de innovaties ervaren én dat zij in het
gebruik van innovaties worden gesteund.
2. Arbeidsbesparing binnen het innovatiebeleid Gezondheid en Zorg
2.1. Herijking Missiegedreven Innovatiebeleid en inzet regioadviseurs
Sinds 2019 wordt in Nederland gewerkt aan een Missiegedreven Innovatiebeleid (MIB),
onder coördinatie van de Minister van Economische Zaken (EZ). De kern van het MIB
is dat verschillende partijen kennis, financiële middelen en innovatief vermogen,
via publiek-private samenwerking inzetten om te komen tot innovaties die bijdragen
aan het bereiken van maatschappelijke doelen. De inzet van bedrijfsleven en onderwijsinstellingen
zijn hierbij cruciaal. Onderdeel van het brede missiegedreven beleid, is dat per sector
een eigen Kennis- en Innovatieagenda (KIA) is opgesteld. In de huidige KIA op het
thema Gezondheid en Zorg is de centrale missie om in 2040 alle mensen in Nederland
tenminste vijf jaar langer in goede gezondheid te laten leven en de gezondheidsverschillen
tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% af te laten nemen.2
Vanaf dit najaar zijn wijzigingen doorgevoerd in het MIB-thema Gezondheid en Zorg.
Deze aanpassingen vloeien voort uit het bredere beleid van EZ om het industrie- en
innovatiebeleid te vernieuwen en de governance van het MIB te vereenvoudigen.3 De inzet binnen het MIB om bedrijvigheid te verbinden aan de maatschappelijke opgaven,
blijft daarbij onveranderd. De inhoudelijk betrokken ministeries, zoals het Ministerie
van VWS, hebben een grotere rol gekregen om regie te voeren op de geldende KIA’s.
Health~Holland blijft hierbij een waardevolle partner van de Ministeries van VWS en
van EZ. Deze nieuwe opzet is in lijn met het AWTI-advies «In dienst van de toekomst»
dat uw Kamer op 12 juni 2024 heeft ontvangen en waarin de AWTI concrete aanbevelingen
doet om een transformatiegerichte aanpak in het onderzoeks- en innovatiebeleid in
praktijk te brengen.4 Over de doorontwikkeling van het MIB in relatie tot het industriebeleid wordt uw
Kamer in een aparte brief van de Minister van EZ geïnformeerd.
Doordat het Ministerie van VWS vanaf nu de regierol binnen het MIB-thema Gezondheid
en Zorg op zich neemt, ben ik voornemens daarbij een nauwere verbinding te leggen
met de andere grote opgaven waar de zorg voor staat. Dat zal ik onder meer doen door
«arbeidsbesparing» een dwarsdoorsnijdende thema binnen de MIB-opgaven te maken. Daarmee
wordt gericht ingezet op innovaties die bijdragen aan het verminderen van de druk
op de arbeidsmarkt in de zorg. Arbeidsbesparing kan daarbij op verschillende manieren
tot stand komen: door het voorkomen van zorgvraag:
1) via preventie en een verminderde ziektelast (arbeidsbesparende effecten);
2) door substitutie door het vergroten van de zelfredzaamheid van cliënten; én
3) door anders te werken met behulp van technologische en sociale innovaties (arbeidsbesparend werken).
Op deze wijze wordt ook via het MIB concreet bijgedragen aan de doelstelling uit het
AZWA om het dreigende personeelstekort in 2028 met 100.000 mensen te verminderen en
de zorg- en welzijnssector aantrekkelijk te laten blijven om in te werken.5
Om de potentie van arbeidsbesparende innovaties daadwerkelijk te benutten, zet ik
vanuit het Ministerie van VWS nadrukkelijk in op arbeidsbesparing in de regio’s. De
regioadviseurs van het Regioteam Arbeidsmarkt van het Ministerie van VWS ondersteunen
regionale partijen bij het agenderen en benutten van dergelijke innovaties. In samenspraak
met de regio verkennen zij waar innovaties naar verwachting een bijdrage kunnen leveren
aan arbeidsbesparing. Zij brengen in beeld waar samenwerking tussen zorg- en welzijnsorganisaties,
het onderwijs, bedrijven en kennisinstellingen kan worden versterkt. Ook signaleren
zij welke belemmeringen in de uitvoering bestaan om te bezien hoe deze kunnen worden
weggenomen. Op deze wijze krijgt de landelijke inzet op arbeidsbesparing concreet
vervolg in regionale afspraken en initiatieven en wordt de kracht van de regio beter
benut.
2.2. Kennis- en Innovatiesyntheses
Om in de huidige periode van de KIA meer richting te geven aan de implementatie en
opschaling van innovaties, is aan ZonMw de opdracht gegeven om in kaart te brengen
welke veelbelovende innovaties zijn ontwikkeld die potentieel maatschappelijk en economisch
impactvol zijn. Meer concreet houdt dat in dat ze bijdragen aan de deelmissies die
gaan over «meer zorg in de eigen leefomgeving» en «meedoen en ertoe doen met een ziekte
of beperking». Het gaat hierbij zowel om een overzicht van impactvolle innovaties
als ook om het lerend effect van succesverhalen van innovaties. Uw Kamer ontvangt
het rapport in de bijlage van deze brief.6
In 2026 zal ik ook laten inventariseren welke impactvolle innovaties in de komende
jaren bijdragen aan het bereiken van de deelmissies die zien op «het verbeteren van
de leefstijl en leefomgeving», en bijdragen aan «het verbeteren van de bescherming
tegen gezondheidsdreigingen». Het gaat hierbij zowel om een overzicht van impactvolle
innovaties als ook om het lerend effect van succesverhalen van innovaties. Daarbij
zal ik bijzondere aandacht vragen voor het doorsnijdende thema arbeidsbesparende effecten.
3. Wendbare en vaardige medewerkers in zorg en welzijn
3.1. Werken met innovatie: technologie als volwaardige zorgpartner
Innovaties bereiken alleen hun volle potentie indien deze voorzien in een behoefte,
veilig en kundig worden ingezet, en onderdeel zijn van een aangepast proces van werken.
Zoals in het AZWA aangegeven, hangt de effectiviteit van anders werken met innovaties
sterk af van de aanwezigheid en invulling van kritieke randvoorwaarden, zoals scholing
en training van personeel.7 Net als nu al het geval is bij de introductie van nieuwe technieken, technologieën
en vaardigheden, zullen daarbij vragen opkomen en spanningen ontstaan over verantwoordelijkheden
en patiëntveiligheid. Het vraagt inspanningen van zowel de zorgorganisaties als van
de professionals om hier goed mee om te gaan. Het vraagt om bepaalde kennis en vaardigheden,
maar ook de houding, ten aanzien van digitalisering en het gebruik van medische technologie
speelt een cruciale rol. De adoptie hiervan gaat sneller als de noodzaak van het gebruik
wordt ingezien en het vertrouwen bestaat dat dit daadwerkelijk een meerwaarde gaat
hebben. De motivatie en veranderbereidheid van alle betrokken partijen ten aanzien
van innovatieve toepassingen zijn essentieel voor een succesvolle inbedding.
In het toekomstbeeld van de verpleegkundige in 2035 wordt duidelijk dat een relatief
groot aandeel van de technologische innovaties die gericht zijn op het verbeteren
van zelfzorg of het ontlasten van de professionals in zorg en welzijn, een vorm van
digitale of hybride zorg is. Werken met innovaties betekent technologie als volwaardige
«zorgpartner» zien. Dit brengt specifieke uitdagingen mee om deze innovaties op een
goede en veilige manier in te zetten. Bijvoorbeeld hoe slimme dispensers, die helpen
om medicijnen op tijd in te nemen, gebruikt moeten worden. Of hoe sensoren rondom
het bed en in de kamer die helpen om patiënten in de gaten te houden ingezet kunnen
worden. Professionals in zorg en welzijn zijn veelal geen technici, maar moeten wél
technologisch vaardig en kritisch geletterd zijn. AI, domotica en monitoring worden
integraal onderdeel van het dagelijks werk. Alle toekomstige professionals in zorg
en welzijn zullen hiermee op de een of andere manier in aanraking komen. Het is van
essentieel belang dat ze de juiste «innovatievaardigheden» hebben of (snel) kunnen
ontwikkelen. Onderdeel hiervan is ook AI-geletterdheid.8 Het gaat dan onder andere om data juist interpreteren en wegen, technologie kritisch
gebruiken en bij te sturen en herkennen wanneer technologie tekort schiet of onethisch
wordt. Daarbij vind ik het belangrijk dat medewerkers in zorg en welzijn goed met
elkaar in gesprek blijven over wat passend is in een situatie. Zo blijft bijvoorbeeld
fysiek contact mogelijk voor wie dat nodig heeft, is er ondersteuning voor mensen
voor wie digitale zorg lastig is, en kunnen anderen profiteren van de voordelen van
digitale zorg. Over dit proces van «samen beslissen» zijn concrete afspraken gemaakt
in het Integraal Zorgakkoord (IZA).
Hieronder ga ik in op de verschillende manieren waarop ik ondersteuning zal bieden,
zodat de professional in zorg en welzijn ook in 2035 goed en met plezier het werk
kan doen. In §3.2 ga ik eerst in op het belang van (inzicht in) een goed functionerend
gezondheidsinformatiestelsel. Vervolgens benoem ik welke ondersteuning ik ga bieden
om de benodigde digitale vaardigheden te laten ontwikkelen (§3.3), welke maatregelen
ik neem (met AZWA-partijen) om professionals voldoende te scholen voor het gebruik
van innovaties (§3.4) en hoe ik wil bevorderen dat dat deze vaardigheden worden geborgd
in toekomstbestendige beroepsprofielen, opleidingsprofielen en functieprofielen (§3.5).
Ten slotte schets ik in §3.6 hoe ik beroepsgroepen wil helpen bij de impact die de
inzet van AI heeft op de beroepsuitoefening.
3.2. Een goed functionerend gezondheidsinformatiestelsel
Een zeer groot aandeel van de innovaties die in de zorg op de medewerkers af zal komen, heeft een digitale component. Daardoor is het van steeds groter
belang dat er gewerkt kan worden in een stelsel van digitalisering, gegevensuitwisseling
en dataopslag en -beschikbaarheid waarmee zorgverleners (en burgers) op het juiste
moment en op de juiste plek de gezondheidsinformatie hebben om goede zorg te verlenen.
Een goede samenwerking in de keten vergt gestandaardiseerde en veilige gegevensuitwisseling
en interoperabiliteit. Investeren in infrastructuur en heldere afspraken over datastandaarden
is daarbij onmisbaar. Hierover is uw Kamer in april in het kader van de Nationale
Visie en Strategie (NVS) voor het gezondheidsinformatiestelsel9 nader geïnformeerd.
In dit kader kan ik u melden dat ik een sociale impactanalyse van de effecten van
het gezondheidsinformatiestelsel (GIS) voor zorgverleners en burgers laat uitvoeren.
Doel is om vanwege de complexiteit en lange termijn van de strategie, het draagvlak
in de zorg en de maatschappij voor deze breed gedragen NVS vast te houden door het
einddoel beter inzichtelijk te maken. Bijkomend biedt het onderzoek de mogelijkheid
de impact van de beschreven resultaten van de NVS op de zorgverlener en de burger
te valideren en mogelijke blinde vlekken inzichtelijk te maken.
3.3. Digitale vaardigheden
Gezien de grote rol van digitale en hybride toepassingen in de zorg, is het noodzakelijk
dat de professionals in zorg en welzijn de juiste «digivaardigheden» hebben, passend
bij hun functie en in lijn met de toekomstige ontwikkelingen. Sinds 2023 ondersteunt
het Ministerie van VWS daarom de Coalitie Digivaardig in de Zorg om in de praktijk
handen en voeten te geven aan de ontwikkeling en verbetering van digitale vaardigheden
van professionals. De Coalitie voorziet in concrete ondersteuning voor organisaties
en medewerkers in zorg en welzijn, onder andere door peer-to-peer methodiek met digicoaches
en het ontwikkelen van leermiddelen. Het Ministerie van VWS draagt bij aan deze coalitie
door middel van cofinanciering voor 50%. De andere 50% van de financiering komt vanuit
vijf branches, vertegenwoordigd door Stichting Sociaal Fonds Huisartsenzorg, Stichting
Arbeidsmarkt Gehandicaptenzorg, Nederlandse verenigingen van Ziekenhuizen, Nederlandse
GGZ en AO VVT. Ik ben voornemens om in 2026 tot en met 2029 de cofinanciering van
50% aan de Coalitie Digivaardig in de Zorg te continueren.
Aan het werk binnen de Coalitie is vanuit VWS ook bijgedragen door middel van een
onderzoek dat Hogeschool Windesheim in samenwerking met Deltion College en de Coalitie
heeft verricht naar de digitale vaardigheden van mbo-studenten in de zorg. U vindt
dit onderzoek in de bijlage. De resultaten van dit onderzoek en de toolkit die daarbij
is ontwikkeld, vormen een mooi aanknopingspunt om tijdens mbo-opleidingen in te zetten
op de digitale vaardigheden van de beroepsgroep van morgen. De resultaten van het
onderzoek zijn onder meer verspreid via een online presentatie en via de communicatiekanalen
van de uitvoerders van het onderzoek (Deltion College, Windesheim) en van de Coalitie
Digivaardig in de Zorg.10
Ik ben ook blij u te kunnen melden dat de Coalitie op 30 september jl. de resultaten
heeft gepubliceerd van het «Tijdwinstonderzoek Digitale Vaardigheden in de Huisartsenzorg
en Ouderenzorg». Dit onderzoek is mogelijk gemaakt door de Goldschmeding Foundation.
De onderzochte casussen laten zien dat er een groot potentieel is voor tijdsbesparing
en stressreductie indien de medewerkers de juiste digivaardigheden hebben. Bij een
werkweek van 32 uur besteden medewerkers die minder digitaal vaardig zijn wekelijks
2 tot 4 uur meer aan digitale handelingen dan hun digivaardige collega’s, vooral bij
taken zoals het opstellen van teksten en e-mails en het werken in het digitale patiëntendossier».11
3.4. Leervermogen: opleiden en scholen
Het is belangrijk dat medewerkers zich continu bekwamen in het goed leren omgaan met
bestaande en innovatieve (complexe) medische technologie. Dit bevordert dat technologie
veilig en effectief wordt gebruikt. Het voorkomt fouten, verlicht de werkdruk, maakt
medewerkers in zorg en welzijn breed inzetbaar en kan personeelstekorten deels opvangen.
Zoals gezegd wordt hierbij een groot beroep gedaan op het leervermogen van organisaties
en medewerkers. De AZWA-partijen hebben in dat kader afgesproken dat onder meer wordt
ingezet op het leervermogen in organisaties. De focus van deze afspraak ligt op de
opleiding en scholing van professionals, het zogenoemde leven lang leren, eerst en
vooral waar de tekorten het grootste zijn en waar de beweging naar de voorkant om
vraagt. Concreet is afgesproken dat zorg- en welzijnsaanbieders samen met het onderwijs
regionale afspraken maken hoe actuele thema’s, zoals technologie en digitalisering,
beter kunnen landen in de opleidingen. Zo zijn er afspraken gemaakt om de randvoorwaarden
te verbeteren voor de inzet van arbeidsbesparende medische technologie en de lerende
omgeving te versterken.12 Daarnaast wordt in 2026 een deel van de AZWA-opleidingsmiddelen ingezet voor de bij-
en nascholing van zorg- en welzijnsmedewerkers op het gebied van technologie.
In 2026 zal ik ook laten onderzoeken welke zorgopleidingen, zorgberoepen en werkgevers
(zorginstellingen, thuiszorgorganisaties, eerstelijnscentra) het meeste baat hebben
bij aanvullende ondersteuning bij het gebruik van nieuwe medische technologie. Gedurende
de loop van het AZWA worden per sector door de AZWA-partijen innovaties geselecteerd
die bijdragen aan arbeidsbesparing, werkplezier of arbeidsproductiviteit voor verdere
opschaling. Afhankelijk van kwaliteit van de innovaties en het beschikbare budget
committeren AZWA-partijen zich eraan dat hun leden deze innovaties implementeren.
3.5. Borging van vaardigheden in profielen
Het is belangrijk dat tijdens de opleidingen én in het werk aandacht aan de digitalisering
en het innovatieve werken in zorg en welzijn wordt besteed. Daarom is hierover met
het veld in het IZA afgesproken dat competenties van zorgprofessionals aansluiten
bij de zorgvraagontwikkeling en het anders werken in de zorg. Hiervoor moeten beroepsprofielen,
opleidingsprofielen en functieprofielen toekomstbestendig worden gemaakt. V&VN doet
dit momenteel voor de beroepsprofielen voor verpleegkundigen en verzorgenden en UMCNL
werkt aan één uniform functiegebouw voor alle zeven umc’s. Hierbij moet ook rekening
worden gehouden met de benodigde digitale en medtech-vaardigheden van medewerkers
in zorg, onderwijs en onderzoek. Ook FWG Progressional People en de Coalitie Digivaardig
hebben functieprofielen ontwikkeld met digitale vaardigheden. Het is nu aan aanbieders
in zorg en welzijn om dit te integreren.
In 2026 bevorder ik de borging van de juiste vaardigheden, door in beeld te laten
brengen hoe digitale vaardigheden, medtech-vaardigheden en AI-geletterdheid nu een
plaats hebben in de verschillende profielen. Daarbij wil ik ook een concrete toolkit
laten ontwikkelen voor het verwerken van vaardigheden in de profielen, inclusief handvatten
om dit te borgen in werving en selectie, onboarding, én ontwikkeling van professionals.
3.6. Inzet van Artificial Intelligence en kwaliteit van de zorgverlening
Ook in 2035 staat het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening
en het beschermen van de patiënt tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen door zorgprofessionals
centraal. Ik vind het belangrijk dat er ook in de toekomst voldoende duidelijkheid
blijft over die gewijzigde verantwoordelijkheden, vaardigheden én de morele dilemma’s
die ontstaan in relatie tot de patiëntveiligheid. Om een voorbeeld te noemen: de inzet
van AI door beroepsbeoefenaren kan het werk gemakkelijker maken, maar het gebruik
van beslissingsondersteunende AI-systemen ontslaat de professional niet van een verantwoordelijkheid
om zelf een oordeel te vormen. Er rijzen dan ook vragen over hoe die verantwoordelijkheid
verschuift of anders wordt ingekleurd. En over wat het genereren en gebruiken van
data betekent voor de privacy van de patiënt en het medisch beroepsgeheim. Al met
al verwacht ik in de toekomst een vernieuwd deskundigheidsprofiel van onze professionals
in zorg en welzijn, waarbij de vereiste deskundigheid zich zal verbreden naar digitale
vaardigheden en het ethisch en kritisch denken. Dat betekent dat richtlijnen en protocollen
zo aangepast worden dat deze nog steeds concrete en praktische handvatten bieden.
Bijvoorbeeld waar het gaat om het inschatten van risico’s, zoals het herkennen van
bias in algoritmen of het beoordelen van data op veiligheid en menselijkheid. Omgaan met
dergelijke thema’s rondom AI-geletterdheid zullen, zoals gemeld in mij brief 6 oktober
jl., ook aan bod komen in het programma Realisatie AI in de zorg.13
Ik ben voornemens om in 2026 bij de beroepen met een beschermde beroepstitel, dit
zijn de zogenoemde basisberoepen zoals opgenomen in artikel 3 van de Wet beroepen
in de individuele beroepsuitoefening (Wet BIG),14 te onderzoeken wat de impact is van de inzet van AI in de beroepsuitoefening. Ik
wil daarbij onder meer inzoomen op het effect van deze inzet op het mogelijk verschuiven
van taken en op de kwaliteit van de zorgverlening. De hierboven genoemde punten van
verantwoordelijkheid, risico’s en ethische dilemma’s zal ik in dit onderzoek meenemen.
Daarbij wil ik ook meer inzicht krijgen in de ervaringen, kansen en uitdagingen binnen
de beroepsgroepen en hoe de beroepsorganisaties hun eigen beroepsgroep voorbereiden
op 2035.
4. Monitoring
4.1. Monitoring van ervaringen professionals
Met de Monitor Digitale Zorg volgt het RIVM de ontwikkeling van digitale zorg (ook
e-health genoemd) in de zorg. Elk jaar worden cijfers verzameld over het gebruik en
ervaringen van zorggebruikers en zorgverleners. Uit deze monitor blijkt dat zorgverleners
gematigd positief zijn over de invloed van e-helthtoepassingen op hun werkdruk en
werkplezier. In 2024 is dit beeld onder huisartsen, medisch specialisten en verpleegkundigen
nagenoeg gelijk gebleven of iets positiever dan in 2023 het geval was. Voor verpleegkundigen
is daarnaast ook gevraagd naar de ervaringen met zorgrobots, toezichthoudende technologie
en digitale medicatieondersteuning. Een meerderheid van hen ervaart deze toepassingen
als positief voor werkdruk en werkplezier.15 Niet alleen omdat het tijd bespaart, maar ook doordat er meer ruimte ontstaat voor
persoonlijke aandacht en professioneel handelen. Ik verwacht dat het RIVM op korte
termijn een kwalitatieve verdieping aan mij zal toezenden die is gericht op de inzet
van digitale zorg in de ouderenzorg, wijkverpleging en gehandicaptenzorg. Het doel
is om kansen en mogelijkheden voor verdere digitalisering binnen deze sectoren in
kaart te brengen. Deze verdieping van het RIVM biedt handvatten om de Monitor Digitale
Zorg verder te ontwikkelen, bijvoorbeeld door bestaande vragenlijsten breder uit te
zetten of beter aan te sluiten bij specifieke beroepsgroepen of een thema als arbeids-/tijdbesparing.
Naast de Monitor Digitale Zorg wordt ook in het kader van het onderzoeksprogramma
Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) aan werkgevers en werknemers gevraagd naar de inzet
van technologie en de invloed op het werk en de werkbeleving. Hiertoe worden tweemaal
per jaar enquêtes uitgezet binnen verschillende branches in zorg en welzijn.16 Dit onderzoek heeft het AZW in september van dit jaar verrijkt met kwantitatief onderzoek
naar de ervaringen van zorg- en welzijnsprofessionals met technologie op de werkvloer17. Het onderzoek benadrukt dat de sleutel tot succes niet ligt in de technologie zelf,
maar in de manier waarop deze wordt ingevoerd, ondersteund en verbonden met de dagelijkse
praktijk.
4.2. Implementatie en opschaling van digitale en hybride innovaties
Om te zorgen dat digitale en hybride innovaties daadwerkelijk hun weg vinden naar
de werkvloer, heeft het kabinet ook in 2025 partijen de mogelijkheid geboden om subsidie
aan te vragen vanuit de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg
(STOZ). De STOZ is gericht op het bieden van ondersteuning bij het gebruik van digitale
en hybride processen om zorg- en ondersteuningsmedewerkers substantieel minder in
te zetten (arbeidsverlichting), of mensen langer thuis te laten wonen. Het is één
van de instrumenten om de implementatie en opschaling van digitale en hybride ondersteuning
van gezondheid, zorg en welzijn te versnellen in de periode tot eind 2028. Hierover
zijn in het IZA en recent ook in het AZWA en Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg aanvullende
afspraken gemaakt om deze transformatieve beweging te versnellen. Daarbij is digitale
en hybride ondersteuning van gezondheid, zorg en welzijn geen doel op zich. Het moet
bijdragen aan de toegankelijkheid van zorg door vermindering van de krapte op de arbeidsproductiviteit,
het bieden van passende zorg, en het organiseren van de (zelf)zorg in de nabijheid
van de patiënt (thuis en digitaal als het kan).
De STOZ-regeling was aan te vragen voor drie routes die ieder zien op ondersteuning
in verschillende fasen van inbedding van innovaties: 1) «strategievorming» om te komen
tot een gedragen strategie of implementatieplan over de inzet van digitale of hybride
processen van zorg of ondersteuning (maximaal € 25.000 subsidie), 2) «evaluatie» om
een oordeel te vormen over de waarde van de in te passen innovatie, en 3) «opschaling»
voor de situaties waarin een digitale of hybride processen al aangetoonde meerwaarde
heeft en klaar is voor implementatie op grotere schaal (maximaal € 750.000 subsidie
per project).
Tot 30 september jl. konden partijen in de tweede ronde van de STOZ een subsidie aanvragen
voor het opstarten van projecten. Voor aanvragen in 2025 geldt een subsidieplafond
van € 54 miljoen. Dat plafond zal naar verwachting worden bereikt, aangezien de Rijksdienst
voor Ondernemend Nederland (RVO) bijna 1.300 aanvragen heeft ontvangen voor een totaalbedrag
van € 124 miljoen. De RVO werkt momenteel hard aan het verwerken van de aanvragen
en hanteert daarbij het principe van «first come, first serve». Ik zal met de RVO bezien welke inzichten zijn op te halen over de arbeidsbesparende
effecten van de projecten die met behulp van de STOZ gaan starten of al zijn gestart.
4.3. Inzicht in arbeidsbesparing van innovaties
Om goed doel- en missiegericht te innoveren, is het nodig om (doorlopend) inzicht
te hebben in de effecten van de innovaties die in de praktijk worden gebracht. De
effecten van innovaties op arbeidsbesparing worden nu versnipperd in kaart gebracht,
waarbij de monitoring vooral is gericht op ervaringen van professionals in plaats
van op bredere en objectieve indicatoren die zicht geven op gedragsveranderingen bij
het gebruik van innovaties in de zorg en welzijn. Zo biedt de hierboven genoemde Monitor
Digitale Zorg, die het bevorderen van de zorg in de eigen leefomgeving, een indruk
van de ervaren arbeidsverlichting door e-health bij enkele beroepsgroepen. In het
licht van de afspraak in het IZA om waar dat kan, meer zorg en ondersteuning digitaal
aan te bieden, biedt de deelmonitor «Naar meer Hybride zorg» inzicht in de stand van
zaken van de beweging naar meer hybride zorg.18 Meer inzicht is echter nodig om innovaties gericht te kunnen inzetten (weten wat
werkt) en om te zien waar professionals ondersteuning nodig hebben en een meerwaarde
zien. Ik zal daarom verkennen op welke wijze de impact van technologische toepassingen
op de werkdruk en personeelsinzet beter zichtbaar kan worden gemaakt. Bijvoorbeeld
door het analyseren van roosterdata om te zien of bijvoorbeeld digitale triage, telemonitoring
of automatische rapportages daadwerkelijk leiden tot kortere diensten, efficiëntere
taakverdeling of verminderde inzet van (over)uren. Deze inzet geldt als aanvulling
op de bestaande mogelijkheden om de uitkomsten van het arbeidsmarktprognosemodel te
betrekken bij de monitoring van het terugdringen van het arbeidsmarkttekort. Ook is
het een aanvulling op de zelfevaluatietools die partijen in het kader van de AZWA-afspraken
hanteren om inzicht te geven in aard en omvang van de tijdbesparing door inzet van
AI. Ik verwacht u in de loop van 2026 nader te kunnen informeren over deze verkenning.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.A. Bruijn
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport