Brief regering : Voortgang aanscherping geurnormen veehouderij
29 383 Regelgeving Ruimtelijke Ordening en Milieu
28 973
Toekomst veehouderij
Nr. 442
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 december 2025
In 2023 is aangekondigd dat de geurregelgeving voor veehouderijen wordt aangepast.1 Uit onderzoeken en evaluaties is naar voren gekomen dat aanpassing van de geurregelgeving
voor veehouderijen noodzakelijk is om de leefomgeving in het landelijk gebied te verbeteren.
Bovendien heeft het Gerechtshof Den Haag op 25 maart 2025 geoordeeld dat de Staat
met de huidige regelgeving rondom geurbelasting zijn burgers onvoldoende bescherming
biedt tegen geurhinder.2 De aanpassing van de geurregelgeving voor veehouderijen moet bijdragen aan regelgeving
die toekomstbestendig is en een zorgvuldige balans weet te vinden tussen alle betrokken
belangen.
Op 26 november 2024 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de planning rondom het aanscherpen
van de geurnormen voor de veehouderij.3 In deze voortgangsbrief informeer ik de Tweede Kamer over de voortgang van de aanpassing
van het geurbeleid. Ook geef ik met deze brief invulling aan twee toezeggingen aan
lid Pierik (BBB) over het delen van de resultaten van het brede participatietraject
ten aanzien van geurhinder van veehouderijen en over de mogelijkheden om het meten
van geurhinder te objectiveren.
Breed participatietraject voorafgaand aan wijziging geurregelgeving
Naar aanleiding van de toezegging4 aan het lid Pierik om de resultaten van het brede participatietraject te delen, treft
u hierbij een update aan. Zoals is aangekondigd in de Kamerbrief van 26 november 2024
is er een participatietraject gestart om belanghebbenden te horen en betrekken als
onderdeel van een zorgvuldig beleidsproces. Begin 2025 is fase één van het participatietraject
gestart, waarin omwonenden zijn bevraagd. In dit kader zijn omwonenden van veehouderijen
in zes gemeenten, verspreid over zes provincies, uitgenodigd om een geurbelevingsenquête
in te vullen. Hier hebben 681 burgers gehoor aan gegeven, waaronder ook 66 veehouders.
Ook hebben er verdiepende gesprekken plaatsgevonden met 51 omwonenden en 6 veehouders.
De resultaten van het rapport geven een beeld van de maatschappelijke beleving van
geur van veehouderijen in het landelijk gebied. De uitkomsten van dit traject zijn
gepresenteerd in een rapport dat is gepubliceerd op 23 juli 2025.5 Met deze brief deel ik het rapport ook met u zoals toegezegd.
In de tweede fase van het participatietraject zijn stakeholders betrokken, waaronder
vertegenwoordigers uit de veehouderijsector, decentrale overheden, milieuorganisaties
en burgerbelangenverenigingen. Deze partijen hebben in het vierde kwartaal van 2025
hun visie kunnen geven op de herziening van het geurbeleid. Het rapport over deze
fase van het participatietraject zal in 2026 met de Tweede Kamer worden gedeeld.
Door alle belanghebbenden actief te betrekken bij de totstandkoming van nieuw beleid
komen de verschillende standpunten naar voren, die met elkaar een goed beeld geven
van de belangen van omwonenden, veehouders, lokale overheden en andere belanghebbenden.
Ik hecht er waarde aan deze belangen mee te wegen in de uiteindelijke besluitvorming.
Ontwikkeling chemisch-analytische geurmeetmethode
Naar aanleiding van de toezegging6 aan het lid Pierik om de Tweede Kamer te informeren over de mogelijkheden om het
meten van geurhinder te objectiveren, wordt het volgende opgemerkt. Geurhinder betreft
de mate van last die mensen ervaren als gevolg van geurbelasting. De geldende normen
hebben uitsluitend betrekking op de geurbelasting zelf. Het meten van de geur uit
stallen gebeurt momenteel volgens een Europees gestandaardiseerde norm7, de zogenaamde sensorische meetmethode. Hierbij wordt een monster uit de uitlaat
van de stal genomen, naar een laboratorium gebracht en door een panel van mensen beoordeeld.
Door het monster steeds verder te verdunnen kan bepaald worden hoe sterk geconcentreerd
het monster is. De geurconcentratie wordt hierbij uitgedrukt in zogenaamde Odour units
(ouE/m3).
Om op termijn geur nauwkeuriger te kunnen meten, heeft het Ministerie van IenW Wageningen
University & Research opdracht gegeven onderzoek te doen naar een andere meetmethode,
namelijk een chemisch-analytische meetmethode voor geuremissie uit stallen. Met deze
methode wordt het monster niet meer beoordeeld door een panel, maar worden de stoffen
in het monster geanalyseerd in het laboratorium. Door op deze manier geur in een monster
te bepalen kan in de toekomst mogelijk ook bij lagere geurconcentraties gemeten worden
en kunnen sensoren ontwikkeld worden die dat op locatie kunnen doen.
Het doel van dit traject is om de huidige sensorische methode in eerste instantie
te kunnen aanvullen en uiteindelijk te vervangen door een chemisch-analytische geurmeetmethode.
Het rapport voortkomend uit dit onderzoek beschrijft de eerste onderzoeksfase in dit
traject.8 Het doel van deze eerste onderzoeksfase is de doorontwikkeling en optimalisatie van
het chemisch-analytisch bepalen van geur.
De resultaten in het rapport tonen aan dat de nieuwe chemisch-analytische methode duidelijk voordelen biedt ten opzichte van de huidige aanpak, met name
door de hogere meetnauwkeurigheid en het inzicht in geurcomponenten. De chemisch-analytische
meetmethode heeft daarmee perspectief voor toekomstige toepassing in vergunningverlening
en monitoring van geur en geurbeperkende maatregelen. Het ontwikkelen, testen en voor
de praktijk bruikbaar maken van deze meetmethode zal worden voortgezet in een meerjarig
onderzoekstraject. Om deze reden wordt voor het meten van geur vooralsnog uitgegaan
van de huidige gestandaardiseerde sensorische meetmethode.
Naast deze ontwikkelingen rond het meten van geur is het belangrijk om te vermelden
dat het gebruikmaken van een rekenmodel voor geurbelasting noodzakelijk blijft. Zo
moet bij vergunningverlening vooraf bepaald worden wat de geurbelasting van een te
vergunnen bedrijfsactiviteit zal zijn. Op dat moment kan er nog niet gemeten worden.
Het model is nodig om de geurbelasting van een specifiek bedrijf op de omgeving, zoals
omliggende woningen, te kunnen bepalen. Het rekenmodel wordt periodiek onderhouden
en momenteel wordt onderzocht of aanpassing ervan wenselijk is.
Voortgang overige ontwikkelingen rondom aanpassingen geurbeleid
Met de Kamerbrief van 15 april 2025 zijn de resultaten van de landelijke impactanalyse
van het aanpassen van de geurnormen voor veehouderijen gedeeld.9 Deze analyse laat zien wat de effecten van verscheidene opties voor wijziging van
de regelgeving zijn.
Voor de aanpassingen van de geurregelgeving dient een plan-milieueffectrapportage (MER) te worden uitgevoerd. De plan-MER zal de milieu impact van
verschillende beleidsopties in kaart brengen. Eind 2025 wordt de Notitie reikwijdte
en detailniveau (NRD) opgesteld. Deze dient om de inhoud van de plan-mer af te bakenen
en bestaat uit een beschrijving van de aanpak voor het plan-mer, de te onderzoeken
beleidsopties en milieuaspecten. De NRD zal door de Commissie-MER getoetst worden.
In 2026 zal met de uitvoering van de plan-mer worden gestart en vervolgens door de
Commissie-MER worden getoetst.
Na afronding van de plan-mer zal gestart worden met het opstellen van de wijzigingsregelgeving.
Het streven is om deze in 2027 in consultatie te brengen. Hieronder wordt een herziene
planning van de verschillende activiteiten weergegeven, omdat de eerder gedeelde planning10 vertraging heeft opgelopen. Het participatietraject is vertraagd omdat de opzet en
uitvoering ervan meer zorgvuldigheid en daarmee extra tijd behoefden. Het uitvoeren
van een plan-mer voor beleidsveranderingen is een relatief nieuw proces, en er blijkt
bij nadere uitwerking dat het een langere doorlooptijd vraagt dan oorspronkelijk voorzien.
Hieronder staat een aangepaste globale planning aan, die verschillende afhankelijkheden
kent. Voorop staat dat het proces zorgvuldig plaatsvindt, zodat de aanpassing van
de geurregelgeving voor veehouderijen toekomstbestendig is en een zorgvuldige balans
weet te vinden tussen alle betrokken belangen.
Activiteit
Doorlooptijd
Afronden participatietraject
Q4 2025–Q1 2026
Opstellen NRD
Q3 2025–Q1 2026
Beleidsvoorstel voor aanpassing geurbeleid naar Tweede Kamer
Q2 2026
Oplevering plan-MER
Eerste helft 2027
Ontwerpbesluit, start consultatie
2027
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.A. Aartsen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat