Brief regering : Reactie op de aangenomen moties ingediend tijdens de behandeling van de vaststelling van de begrotingsstaat van de Koning (I) voor het jaar 2025 (Kamerstuk 36600-I)
36 800 I Vaststelling van de begrotingsstaat van de Koning (I) voor het jaar 2026
Nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTER-PRESIDENT, MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 december 2025
Bij de behandeling van hoofdstuk I van de rijksbegroting 2025 op 9 oktober 2024, zijn
verschillende moties ingediend die vervolgens op 15 oktober 2024 zijn aangenomen.
Het betreft de moties met Kamerstuk 36 600 I, nrs. 6, 7, 8 en 11. Verder heb ik het lid Aartsen van de Tweede Kamer en het lid Van Rooijen van de
Eerste Kamer toegezegd te komen met mijn bevindingen over nevenfuncties van leden
van het koninklijk huis. Deze toezegging doe ik gelijktijdig met deze brief gestand
middels een separate Kamerbrief (Kamerstuk 36 800 I, nr. 7).
Alvorens in te gaan op de aangenomen moties, stel ik ook in dit kader vast dat het
koningschap en het koninklijk huis een goede functie vervullen in ons constitutioneel
bestel en onze samenleving. Er is algemene en brede waardering voor wat het koninklijk
huis doet voor Nederland en de inzet van de regering voor de plaats van Nederland
in de wereld. Het goede functioneren van het koningschap in ons bestel en de samenleving
ten behoeve van eenheid, continuïteit en verbinding is belangrijk. Dat vraagt een
stabiele en bestendige bekostiging. De Grondwet waarborgt dit onder meer door het
vereiste van een gekwalificeerde meerderheid bij aanpassingen. Het gaat bij de grondwettelijke
uitkeringen om het ambtsinkomen van de vier leden van het koninklijk huis die het
betreft en daarmee ook om een rechtspositieregeling. De algemene rechtsbeginselen
die gelden voor alle rechtspositieregelingen begrenzen eenzijdige wijzigingen hiervan,
onder meer door respect voor vereisten van feitelijke onderbouwing, motivering, overleg
en beperkingen ten aanzien van terugwerkende kracht en overgangsregelingen. Deze beginselen
zijn hier ook van toepassing.Meer in het bijzonder geldt in dit geval dat aanpassingen,
al dan niet uitkeringsneutraal, van de partiële belastingvrijstelling een complexe
stelselwijziging impliceren die feitelijk de ene vorm van fiscaal onderscheid vervangt
door een andere vorm van fiscaal onderscheid. Dit is het onvermijdelijke gevolg van
de bijzondere staatsrechtelijke positie van het ambt van de betrokkenen. Bij een dergelijke
aanpassing zal daarom tegelijkertijd onder meer adequaat verzekerd moeten zijn dat
een apart fiscaal statuut strikt beperkt blijft tot deze bijzondere categorie en niet
tevens gaat gelden voor anderen, ook niet door een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Een dergelijk veelomvattend traject vraagt voorts zowel duidelijkheid als draagvlak
in beide Kamers, met inachtneming van een gedeelde, gebleken en brede overeenstemming
over het goede functioneren van het koningschap en het koninklijk huis. Uit het voorgaande
volgt dat het van wezenlijk belang is dat elk wijzigingsvoorstel op dit punt tevens
en onlosmakelijk de vereiste adequate grondslag bevat voor een nieuw, apart fiscaal
statuut dat voldoet aan de hiervoor genoemde beginselen en randvoorwaarden.
Ten aanzien van de motie Van Nispen (Kamerstuk 36 600 I, nr. 8) houdt dit in dat het kabinet geen gevolg geeft aan het daarin opgenomen verzoek
om de hierboven toegelichte redenen en overwegingen.
De drie andere moties (Kamerstuk 36 600 I, nrs. 6, 7 en 11), met inbegrip van de hierop gegeven toelichtingen, hebben gemeen dat zij algemeen
zijn geformuleerd. Dit onbepaalde karakter heeft tot gevolg dat deze moties, mede
gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt ten aanzien van motie met Kamerstuk 36 600 I, nr. 8, feitelijk niet uitvoerbaar zijn, ook in relatie tot het goede functioneren van het
koningschap en het koninklijk huis.
Wat de motie Sneller (Kamerstuk 36 600 I, nr. 6) betreft, gaat het om «de invulling van een ceremonieel koningschap». Dit begrip
is met name toegelicht door verwijzing naar drie initiatiefvoorstellen van wet die
eerder om advies aan de Raad van State zijn voorgelegd, en waarover de Raad van State
heeft geadviseerd. In afwachting van indiening van deze voorstellen bij de Tweede
Kamer door de initiatiefnemer, is het in onze staatkundige verhoudingen thans niet
de rol van het kabinet, mede gelet op het hiervoor toegelichte standpunt met betrekking
tot motie met Kamerstuk 36 600 I, nr. 8, uitvoering te geven aan de motie.
De motie Sneller/Six Dijkstra (Kamerstuk 36 600 I, nr. 7) betreft de «manier waarop publieke verantwoording wordt afgelegd over de uitgaven
ten laste van de rijksbegroting die betrekking hebben op het koninklijk huis». In
de overwegingen van deze motie wordt als voorbeeld verwezen naar twee landen waar
de regelgeving en bijbehorende jurisprudentie van de Europese Unie niet gelden.
Meer in het algemeen gaat het bij deze uitgaven, naast de constitutionele waarborgen
voor het koningschap en de uitoefening daarvan, onder meer om de verhouding tussen
de verantwoording van uitgaven en bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Tegen
deze achtergrond is door de (grond)wetgever een evenwichtig stelsel ontwikkeld dat
ook in zijn uitvoering en toepassing een goede balans houdt tussen beide elementen.
De Raad van State heeft hierover eerder enkele malen advies uitgebracht. Het kabinet
heeft deze adviezen overgenomen, ook door concrete aanpassingen in de verantwoording,
en hiervoor is brede steun gebleken in de beide Kamers van de Staten-Generaal (Kamerstuk
36 200 I, nr. 4, p. 7–9, en nr. 12, met bijlage). Daarmee geeft het kabinet invulling aan een zo goed mogelijke publieke
verantwoording over de uitgaven ten laste van de rijksbegroting die betrekking hebben
op het koninklijk huis.
In de motie Ergin (Kamerstuk 36 600 I, nr. 11) gaat het om «een taakstelling voor het koninklijk huis» met het streven «de personele
uitgaven op een verantwoorde wijze te verminderen». In de overwegingen bij de motie
is gewezen op de «rijksbrede (personele) bezuinigingsopgave». Bij de indiening van
de motie is gevraagd waarom het koningshuis er geld bij krijgt. Het antwoord op deze
vraag ligt in de wettelijk geregelde koppeling van de grondwettelijke uitkeringen
aan geobjectiveerde criteria zoals opgenomen in de Wet financieel statuut koninklijk
huis. Verder is in de toelichting bij hoofdstuk I van de rijksbegroting 2025 gemeld
dat er in 2024 15 fte is bezuinigd en dat in de komende jaren nog 15 fte wordt bezuinigd.
Hiermee is het huidige beleid overeenkomstig het verzoek van de motie Ergin om de
personele uitgaven op een verantwoorde wijze te verminderen.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
H.W.M. Schoof
Indieners
-
Indiener
H.W.M. Schoof, minister van Algemene Zaken