Brief regering : Zevende voortgangsbrief Masterplan basisvaardigheden
31 293 Primair Onderwijs
31 289 Voortgezet Onderwijs
Nr. 855 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 december 2025
In deze brief informeer ik uw Kamer over het Masterplan basisvaardigheden en de voortgang
daarvan. Het Masterplan is een integrale en langjarige aanpak die in 2022 van start
is gegaan met het doel de onderwijskwaliteit duurzaam te verbeteren, met nadruk op
de lees-, schrijf- en rekenprestaties van leerlingen in het funderend onderwijs. Ook
wordt een impuls gegeven aan de kennis en kunde van leerlingen op het gebied van burgerschap
en digitale geletterdheid. Voldoende beheersing van deze basisvaardigheden is essentieel
om volwaardig mee te kunnen doen op de arbeidsmarkt, in het vervolgonderwijs en in
de samenleving.
Hoofdlijnen van de zevende voortgangsbrief
Bij de start van het Masterplan was bekend dat de uitdagingen en urgentie ten aanzien
van het verbeteren van de basisvaardigheden groot zijn. Al vóór de coronapandemie
was er een dalende trend te zien in de leerprestaties, die door de schoolsluitingen
versterkt werd. Nu, drie jaar later, zien we hoopvolle signalen. De randvoorwaarden
voor kwalitatief hoogstaand onderwijs zijn de afgelopen jaren sterk verbeterd. Zo
ligt er, in de vorm van de nieuwe kerndoelen, inmiddels een nieuw kennisrijk curriculum
met focus op de basisvaardigheden die een glasheldere opdracht geeft aan het funderend
onderwijs. Evidence-informed werken wordt steeds meer de norm op scholen en het nieuwe
Nationaal Kennisinstituut Onderwijs zal hen hier vanaf begin 2026 verder in ondersteunen.
Ook in de bredere leer- en schoolomgeving is flink geïnvesteerd, om te zorgen dat
alle leerlingen de kans krijgen om zich optimaal te ontwikkelen. Steeds meer scholen
– bijna vierduizend – maken gebruik van de Bibliotheek op School. Daarbij geldt dat
het aantal kinderen en jongeren dat lid is van de bibliotheek nog nooit zo hoog is
geweest. Ook is er een extra ontwikkelaanbod na schooltijd voor 178.000 leerlingen
op scholen met de grootste onderwijsachterstanden.Tot slot komt er vanaf 2027 structurele
bekostiging voor scholen voor verbetering van de basisvaardigheden. Hiermee krijgen
alle scholen financiële zekerheid voor de lange termijn, zodat zij nu al toekomstbestendige
keuzes kunnen maken om blijvende verbetering van de basisvaardigheden te bewerkstelligen.
Direct in 2022 kon de eerste groep subsidiescholen, zo’n 8 procent van het totaal,
aan de slag met het verbeteren van de basisvaardigheden van hun leerlingen. De snelle
start van deze pioniersscholen heeft belangrijke lessen opgeleverd voor daaropvolgende
subsidietranches. De signalen die we van scholen zelf uit deze eerste groep kregen
waren zeer positief: zij zagen de basisvaardigheden van hun leerlingen vooruitgaan
en de deskundigheid van hun team toenemen als gevolg van de activiteiten die zij met
de subsidie hadden ondernomen.
Inmiddels zien we dat de prestaties van leerlingen in het primair onderwijs (po) zich
na de coronapandemie goed hebben hersteld. In het voortgezet onderwijs (vo) liggen
daarentegen nog flinke uitdagingen. Ook blijkt uit een effectonderzoek uitgevoerd
door het Centraal Planbureau (CPB) dat de subsidie op eerste relatief kleine groep
scholen tot dusver nog geen significant effect heeft op de leerprestaties in vergelijking
met andere scholen. In het rapport stelt het CPB echter dat dit niet verwonderlijk
is: een structurele verandering van de leerprestaties heeft tijd nodig.1 Het is dan ook te vroeg voor definitieve conclusies over de effectiviteit van de
subsidie, die inmiddels 95 procent van de leerlingen heeft bereikt. Op veel subsidiescholen
is echt een trendbreuk zichtbaar in de aanpak van basisvaardigheden. Juist nú is het
dus zaak om door te zetten, in het vertrouwen dat de positieve veranderingen die het
Masterplan zover al teweeg bracht zich de komende periode zullen vertalen in de beoogde
verbetering van leerprestaties. Dit vereist dat zowel de politiek als de sector hun
focus op de basisvaardigheden behouden. Het vraagt dat zij de blijvende urgentie van
dit thema aangrijpen om gezamenlijk te werken aan een stevige basis voor alle leerlingen
en studenten, zodat zij goed voorbereid de arbeidsmarkt betreden en mee kunnen doen
in de samenleving.
Dit vraagt ook om inzet en aandacht in het mbo. Een deel van de leerlingen stroomt
nu door naar het mbo zonder dat zij het fundamentele niveau (2F) beheersen. Het kabinet
investeert om die reden in de basisvaardigheden van mbo-studenten. Mbo-instellingen
ontvangen in de studiejaren 2025–2026 en 2026–2027 in totaal € 47,2 miljoen om achterstanden
van startende studenten weg te werken. Vanuit de aanpak basisvaardigheden voor het
mbo wordt tegelijkertijd hard gewerkt aan de verbetering van de onderwijskwaliteit
van het taal-, reken- en burgerschapsonderwijs van mbo-studenten.2 Die inzet blijft van belang, want het meest recente onderzoek van Stichting Cito
laten zien dat de taal- en rekenvaardigheden in het vmbo onder druk staan.3
In deze Kamerbrief komen de verschillende maatregelen die onder het Masterplan vallen
aan bod. In de eerste paragraaf zal ik ingaan op de uitvoering van het Masterplan
door scholen die extra geld en ondersteuning hebben gekregen om evidence-informed
te werken aan de verbetering van de basisvaardigheden. Daarbij zal ik ook ingaan op
verschillende onderzoeken naar het effect van de subsidie en ondersteuning, en de
conclusies die we op basis daarvan kunnen trekken ten aanzien van het tussendoel voor
eind schooljaar 2023–2024. In de tweede paragraaf zal ik stilstaan bij de overgang
van subsidie naar gerichte en structurele bekostiging voor de basisvaardigheden. De
derde paragraaf behandelt tot slot het bredere beleidsmaatregelenpakket dat valt onder
het Masterplan.
1. Scholen zijn aan de slag met extra focus op de basisvaardigheden
Zoals gezegd is met het Masterplan gekozen voor een snelle start op scholen, die direct
vanaf het begin met de subsidie Verbetering basisvaardigheden aan de slag konden.
Daarnaast omvat het Masterplan een meerjarig pakket van maatregelen om de randvoorwaarden
voor goed onderwijs voor de lange termijn te verbeteren. In deze eerste paragraaf
richt ik mij op het eerste onderdeel van het Masterplan: de subsidie en ondersteuning
aan scholen.
Van een handvol pioniers in 2022 naar 95 procent van alle leerlingen in 2025
In 2022 werd de subsidieregeling Verbetering basisvaardigheden opengesteld voor een
eerste groep van zo’n 650 scholen in het po en vo. De urgentie om de leerprestaties
te verbeteren vroeg immers om het direct beschikbaar stellen van middelen en ondersteuning.
Deze relatief kleine groep scholen diende daarnaast als een soort pilotgroep: in daaropvolgende
tranches zijn de regeling en aanpak aangepast op basis van de in deze startfase geleerde
lessen. Zo is de subsidieperiode na de eerste tranche verlengd van één naar twee jaar
en werd de subsidie niet langer toegekend op basis van loting maar op basis van onderwijsachterstandsscore.
Inmiddels zijn we drie jaar verder en is er flink opgeschaald. Het Masterplan bereikt
inmiddels 7.800 scholen, waar leerkrachten en schoolleiders hard werken aan de basisvaardigheden
van ruim 2,3 miljoen leerlingen – oftewel 95 procent van alle leerlingen in het funderend
onderwijs. Naast de subsidie Verbetering basisvaardigheden ontvangen scholen tijdens
de subsidieperiode ondersteuning van onderwijscoördinatoren in dienst van het Ministerie
van OCW. Zij helpen de scholen om het maximale uit de subsidiegelden te halen door
deze evidence-informed in te zetten ter verbetering van de basisvaardigheden (zie
kader).
In de eerste tranche (2022–2024) was er, op basis van loting, individuele ondersteuning
beschikbaar voor circa 150 scholen. Met ingang van de tweede tranche (2023–2025) kwam
er individuele ondersteuning voor alle zogenoemde prioriteitsscholen met een inspectieoordeel
onvoldoende of zeer zwak. Daarnaast werden er begeleide leernetwerken opgezet die
worden gefaciliteerd door de onderwijscoördinatoren en waarin niet- prioriteitsscholen
met en van elkaar leren. Ook de ondersteuning vanuit OCW is dus gaandeweg uitgebreid
en geoptimaliseerd.
Definitie evidence-informed werken
Gebruik maken van zowel praktijkkennis als kennis uit onderzoek om de onderwijskwaliteit
te verbeteren of te verrijken, rekening houdend met de context van de school.
Dashboard subsidie Verbetering basisvaardigheden 2022–2025 (oktober 2025)
De vierde en laatste groep subsidiescholen is van start gegaan
Vanaf 1 januari 2027 krijgen alle scholen in het funderend onderwijs structurele bekostiging
voor de basisvaardigheden. Dat betekent dat dit schooljaar de vierde en laatste groep
scholen met de subsidie Verbetering basisvaardigheden van start is gegaan. Het gaat
om ruim 2.600 scholen die de komende twee jaar € 615 per leerling plus eventuele ondersteuning
van de onderwijscoördinatoren krijgen om evidence-informed te werken aan een blijvende
verbetering van de basisvaardigheden.
In september 2025 zijn er vanuit het Masterplan, net als in voorgaande jaren, vier
startbijeenkomsten georganiseerd om deze scholen te informeren, te inspireren en te
verbinden. De aanwezige scholen konden bijvoorbeeld deelnemen aan expertsessies over
de basisvaardigheden en onderwijsverbetering. In totaal hebben bijna 1.400 leraren
en schoolleiders deze bijeenkomsten – die zij gemiddeld het rapportcijfer 7,5 gaven
– bijgewoond. De gesprekstafels waarbij de onderwijscoördinatoren met een kleine groep
schoolleiders in gesprek gingen werden zelfs beoordeeld met een 8. Aan deze tafels
ging het onder meer over het activiteitenplan en het proces om als team te bepalen
wat een goede inzet is van de subsidie. In de evaluatie gaven scholen aan dat zij
deze gesprekstafels als zeer zinvol hebben ervaren, zowel vanwege de praktische informatie
die werd gedeeld als vanwege de verbinding met andere scholen die ook aan het begin
van het subsidietraject staan.
Van deze nieuwe lichting hebben ruim 200 scholen zich aangemeld om deel te nemen aan
een begeleid leernetwerk. In zo’n leernetwerk gaan vijf tot acht scholen uit dezelfde
regio onder begeleiding van een onderwijscoördinator twee jaar lang samen aan de slag
om met en van elkaar te leren. Daarnaast zijn er 37 scholen uit de voortgaande subsidietranche
die na een traject van twee jaar nog een keer willen meedoen aan een begeleid leernetwerk
rondom de verbetering van basisvaardigheden, deze keer met extra focus op de ontwikkeling
van curriculumbewustzijn en de implementatie van het nieuwe curriculum. Dit laat zien
hoe waardevol deze ondersteuningsvorm door deelnemende scholen wordt gevonden.
Effect van de subsidie en ondersteuning
Concrete doelen en monitoring
Het algemene doel van het Masterplan – de prestaties van leerlingen op de basisvaardigheden
verbeteren – is in mei 2023 uitgewerkt in concrete doelen en streefwaarden voor taal
en rekenen-wiskunde. Het einddoel is dat aan het eind van schooljaar 2027–2028 bij
alle leerlingen die uitstromen uit het po en vo de basis op orde is. Dit betekent dat zij in ieder geval het fundamentele niveau behalen. Daarnaast
is ook de aansluiting op orde bij leerlingen die doorstromen naar het vervolgonderwijs.4
Naast deze ambitieuze einddoelen zijn er ook concrete tussendoelen geformuleerd om
tussentijds goed de vinger aan de pols te kunnen houden en kritisch te bekijken of
we – scholen en ministerie – de juiste dingen doen of dat we moeten bijsturen. Het
eerste tussendoel luidt: op alle scholen die gebruikmaken van de eerste tranche van
de subsidieregeling Verbetering basisvaardigheden zien we aan het eind van schooljaar
2023–2024 een verbetering van de prestaties op taal en rekenen-wiskunde ten opzichte
van de prestaties voor (het gebruik van) de subsidie.
Effectonderzoek CPB onder scholen uit de eerste tranche (2022–2024)
Het Centraal Planbureau (CPB) heeft een kwantitatief effectonderzoek uitgevoerd dat
nagaat of de subsidie inderdaad heeft geresulteerd in de beoogde verbetering van leerprestaties.
In dit onderzoek vergelijkt het CPB de leerprestaties van leerlingen op scholen met
en zonder subsidie met elkaar. Daarnaast onderzoekt het CPB of de subsidie effect
heeft op de doorstroom van leerlingen (zoals het percentage leerlingen dat blijft
zitten of op- dan wel afstroomt) en de mobiliteit van onderwijs(ondersteunend)personeel. Het onderzoek richt zich sec op de effecten van de beschikbaar gestelde
subsidiegelden, en doet geen uitspraak over eventuele effecten van de ondersteuning
die daarnaast aan een deel van deze scholen geboden is. U ontvangt het onderzoeksrapport
van het CPB als bijlage bij deze brief.5
Eind schooljaar 2023–2024 is een vergelijking gemaakt tussen de leerprestaties, doorstroom
en mobiliteit op scholen uit de eerste subsidietranche en scholen die daarvoor waren
uitgeloot. De eerste groep betreft de 645 scholen die in 2022 als eerste met de subsidie
van start gingen. Zij hadden hiervoor in eerste instantie één jaar de tijd, hoewel
hun subsidieperiode uiteindelijk met een half jaar is verlengd. Door het CPB zijn
er bij deze meting nog geen statistisch significante verschillen gevonden tussen scholen
met en scholen zonder subsidie. Het onderzoeksrapport benadrukt echter dat het doorgaans
meer dan twee jaar duurt voor effecten van financiële onderwijsinterventies zichtbaar
worden. Aan het eind van schooljaar 2024–2025 zal een tweede meting plaatsvinden.
De eindevaluatie van de subsidieregeling zal eind 2026 door het CPB worden opgeleverd.
Vragenlijststudie: schoolleiders positief over effecten subsidie
Om wat dieper te kijken naar de manier waarop scholen de subsidie inzetten en de gevolgen
die zij hiervan ervaren binnen hun school voeren Sardes en SEO onder elke tranche
subsidiescholen een vragenlijstonderzoek uit. De rapportage van het onderzoek onder
scholen uit de tweede tranche (2023–2025) ontvangt u als bijlage bij deze brief.6 Deelnemende scholen hebben hun subsidieperiode in de zomer van 2025 afgerond en in
het najaar een afsluitende vragenlijst ingevuld.
Het merendeel van de scholen zag de leerprestaties van hun leerlingen over de subsidieperiode
verbeteren. Scholen zien vooral vooruitgang bij taal en rekenen-wiskunde: zo’n 80 procent
van de po-scholen en 70 procent van de vo-scholen ziet voor deze basisvaardigheden
merkbare of aanzienlijke vooruitgang in de prestaties van leerlingen. Voor burgerschap
en digitale geletterdheid geldt dit voor ruim 60 procent van de po- en vo-scholen.
Hoewel po-scholen nog altijd positiever zijn dan vo-scholen, zijn vo-scholen uit de
tweede tranche aanmerkelijk positiever dan vo-scholen uit de eerste subsidietranche
(2022–2024).7 Het gat tussen de ervaringen van het po en vo wordt hiermee aanzienlijk kleiner.
Het feit dat scholen uit beide tranches een vergelijkbaar positief beeld hebben van
de vooruitgang die hun leerlingen boeken, lijkt er bovendien op te wijzen dat er daadwerkelijk
iets in gang is gezet.
Voor taal en rekenen-wiskunde schrijven vrijwel alle scholen de waargenomen vooruitgang
in meer of mindere mate toe aan de activiteiten die zij met de subsidiegelden hebben
kunnen uitvoeren. Ongeveer 80 procent van de scholen zegt dat zij zonder de subsidie
Verbetering basisvaardigheden niet dezelfde resultaten bij de leerlingen hadden kunnen
behalen.
Bijna alle scholen van de tweede tranche geven aan dat zij een deel van de met de
subsidie gestarte interventies onderdeel zullen maken van hun reguliere manier van
werken. Dit betekent dat de impact van het Masterplan op scholen doorgaat wanneer
de subsidieperiode afloopt. Dit is ook terug te zien in de manier waarop scholen de
subsidiegelden besteden: namelijk om bestaand personeel extra uren te kunnen laten
werken en om de deskundigheid van hun schoolteam te bevorderen. Beperkte inzet van
de gelden is te zien op externe inhuur. Daar waar dit toch gebeurt, is deze inhuur
voornamelijk gericht op het inkopen van professionaliseringsactiviteiten.
De individuele begeleiding die de onderwijscoördinatoren verlenen aan zogeheten prioriteitsscholen
wordt wederom goed beoordeeld: driekwart van de po-scholen en 80 procent van de vo-scholen
geeft deze ondersteuning een rapportcijfer 8 of hoger.
Ervaringen van scholen vs. meetbare effecten
Het effectonderzoek van het CPB en de vragenlijststudie door Sardes en SEO geven zodoende
een gemengd beeld van de effectiviteit van de subsidie. Aan de ene kant zien we dat
schoolleiders uitgesproken positief zijn over de gevolgen van de subsidie en de extra
aandacht voor basisvaardigheden bij hen op school. Tegelijkertijd zien we dit positieve
beeld nog niet doorwerken in significante verschillen tussen scholen in leerresultaten
die wel en geen subsidie hebben ontvangen.
Het is belangrijk te vermelden dat, bij het opstellen van de (tussen)doelen van het
Masterplan, door experts is benadrukt dat een periode van één à twee jaar erg kort
is om een significant effect van de subsidie op de leerprestaties van leerlingen te
meten. Er is destijds toch besloten om ambitieuze doelen te formuleren: de urgentie
om een verbetering van de leerprestaties teweeg te brengen was groot, net als de wens
hier spoedig resultaat van te zien. Hoewel de resultaten van het effectonderzoek uiteraard
teleurstellen, komen deze dus niet geheel als een verrassing.
Tegelijkertijd stemmen de resultaten van de vragenlijststudie mij hoopvol waar het
aankomt op de effecten die we de komende jaren nog kunnen verwachten. Naar aanleiding
van lessen uit de eerste subsidietranche is de aanpak van het Masterplan versterkt:
zo is de subsidieperiode verlengd naar twee jaar en de ondersteuning vanuit OCW uitgebreid.
Het feit dat scholen uit de tweede tranche (2023–2025) op verschillende vlakken aanmerkelijk
positiever zijn dan scholen uit de eerste tranche (2022–2024) zou hiermee te maken
kunnen hebben. Zij waren de eerste groep scholen die kon deelnemen aan OCW-startbijeenkomsten
en begeleide leernetwerken en hadden een jaar langer de tijd om met de subsidie aan
de basisvaardigheden van hun leerlingen te werken.
Ook buiten de subsidieregeling om zijn positieve ontwikkelingen in gang gezet die
de verbetering van de basisvaardigheden naar alle waarschijnlijkheid ten goede zullen
komen. Zo staan we aan het begin van de implementatie van het nieuwe curriculum, waarin
de basisvaardigheden centraal staan en in alle leergebieden zijn verweven. Bovendien
heeft het evidence-informed werken op scholen een vlucht genomen. Tegelijkertijd is
het belangrijk om oog te hebben voor door scholen ervaren hindernissen bij het effectief
besteden van de subsidie. In het vragenlijstonderzoek geeft twee derde van de po-
en vo-scholen aan dat financiële onzekerheid door de tijdelijkheid van de subsidie
de belangrijkste belemmering vormt. Dit onderstreept nog maar eens hoe cruciaal het
is om structurele middelen beschikbaar te stellen, waarmee scholen plannen kunnen
maken voor de lange termijn. Ook zeggen scholen vaak dat de werkdruk te hoog is en
het personeelstekort te groot om de activiteiten waarvoor zij de subsidie willen inzetten
daadwerkelijk (goed) uit te kunnen voeren. Daarom wordt, parallel aan het Masterplan,
volop ingezet op het vergroten en versterken van het lerarenbestand.
Monitoring: een blik op de toekomst
In de komende periode worden de monitoringsactiviteiten uitgebreid met een impactanalyse
van de begeleide leernetwerken die de onderwijscoördinatoren vanuit OCW faciliteren.
Op basis van kennis uit wetenschap en praktijk zal de ondersteuning aan scholen verder
worden geoptimaliseerd en uitgebreid, zodat zoveel mogelijk scholen de juiste weg
inslaan. Daarnaast wordt ook de komende jaren nauwgezet gevolgd wat scholen met de
subsidie doen en welke effecten zij hiervan zien. Hierbij zal steeds worden ingespeeld
op kansen en uitdagingen die door het veld worden gesignaleerd.
Naast de leerprestaties zullen ook andere ontwikkelingen scherp in de gaten worden
gehouden. Scholen zetten bijvoorbeeld massaal in op professionalisering van hun schoolteam:
een positieve tendens die de onderwijskwaliteit in brede zin ten goede komt. Daarnaast
is de verwachting dat de toenemende mate waarin scholen evidence-informed te werk
gaan zich in de toekomst steeds verder zal bestendigen.
2. Van tijdelijke subsidies naar structurele bekostiging voor scholen voor verbetering
basisvaardigheden
Vanaf de start van het Masterplan hebben scholen en sectororganisaties benadrukt hoe
belangrijk het is dat scholen structureel middelen krijgen om te werken aan de verbetering
van de basisvaardigheden. Dit helpt scholen om structurele plannen te maken voor een
verbetering van de basisvaardigheden van leerlingen, bijvoorbeeld via de inzet van
extra personeel. Bij de start van het Masterplan is echter niet zonder reden gekozen
voor een subsidie. Zo kon geborgd worden dat scholen deze middelen daadwerkelijk zouden
inzetten voor een verbetering van de basisvaardigheden. Dat kan met reguliere bekostiging
niet.
Gerichte bekostiging
Eerder is aangegeven dat het kabinet dit hiaat in de manieren van bekostiging voor
scholen wil repareren door het creëren van een wettelijke grondslag voor een nieuwe
manier van bekostigen. Met het wetsvoorstel gerichte bekostiging wordt het mogelijk
om scholen structurele middelen te geven voor een gericht doel met tijdelijke voorwaarden.
Dit is een uitbreiding van de huidige mogelijkheden, namelijk reguliere bekostiging
en subsidies. Er kunnen, anders dan bij de reguliere bekostiging die besturen krijgen,
tijdelijke verplichtingen worden gesteld aan deze nieuwe vorm van structurele bekostiging.
De eerste beoogde toepassing van gerichte bekostiging is de omzetting van de middelen
uit de subsidie Verbetering basisvaardigheden naar extra structurele bekostiging voor
de verbetering van basisvaardigheden. Het wetsvoorstel dat deze vorm van bekostiging
mogelijk maakt, zal zo snel mogelijk voor behandeling aan uw Kamer worden aangeboden.
Ik heb het advies van de Raad van State inmiddels ontvangen. Het betreft een dictum
C. Op dit moment wordt bezien hoe het wetsvoorstel aan te passen zodat er recht kan
worden gedaan aan de opmerkingen van de Raad van State. Dat moet zorgvuldig gebeuren.
Helaas betekent dit dat de invoering van het wetsvoorstel vertraagd is en dat de eerder
beoogde invoering per kalenderjaar 2027 niet meer mogelijk is.
Structurele bekostiging verbetering basisvaardigheden per 2027
Er is mij veel aan gelegen om het onderwijsveld te voorzien van een structurele bekostiging
voor de verbetering van de basisvaardigheden. Het belang hiervan wordt bij mijn gesprekken
met mensen uit het onderwijsveld keer op keer benadrukt. Omdat het zo van belang is
dat alle scholen per 2027 over € 182 per leerling extra kunnen beschikken, zullen
deze middelen in 2027 als aanvullende bekostiging aan alle scholen worden verstrekt.
Dit als overgang naar de beoogde toepassing via gerichte bekostiging in 2028. Scholen
hebben hiermee de zekerheid dat zij vanaf 2027 structureel € 182 per leerling extra
krijgen voor de verbetering van basisvaardigheden en zij kunnen hiervoor dus nu al
duurzame plannen maken. Verantwoording afleggen over de manier waarop de middelen
worden ingezet is ook in dit overgangsjaar van belang. De PO-Raad en de VO-raad zullen
hun leden ondersteunen om deze verantwoording op een heldere en eenduidige manier
te laten landen in de jaarverslagen. Deze aanvullende bekostiging zal één van de maatschappelijke
thema’s zijn waar besturen in hun jaarverslagen over zullen rapporteren. Daarnaast
volgt er in 2028 een themarapportage over basisvaardigheden over de inzet van de aanvullende
bekostiging. De combinatie van deze afspraken zorgt in de tussentijd voor effectieve
besteding en goede verantwoording van de middelen voor verbetering van de basisvaardigheden.
3. Voortgang op de vijf pijlers van het Masterplan basisvaardigheden
Duurzame verbetering van de basisvaardigheden vraagt naast structureel geld ook om
maatregelen die de onderwijskwaliteit op lange termijn versterken en die ervoor zorgen
dat leraren goed toegerust zijn om het beste onderwijs te geven in taal, rekenen-wiskunde,
digitale geletterdheid en burgerschap.
Er valt niet één oorzaak aan te wijzen voor de dalende trend in de leerprestaties.
Daarom wordt er vanuit verschillende opgaven, de vijf pijlers van het Masterplan,
gewerkt aan de verbetering van de basisvaardigheden en de versterking van de onderwijskwaliteit.
De pijlers luiden als volgt:
1. Een duidelijke opdracht aan het funderend onderwijs.
2. Beter zicht op basisvaardigheden.
3. Breder gebruik van bewezen aanpakken.
4. Versterken van de taal- en leeromgeving.
5. Extra tijd en ruimte voor kwalitatief goede leraren.
Pijler 1: Een duidelijke opdracht aan het funderend onderwijs
Alles begint met heldere doelen voor het onderwijs: voor leerlingen, voor scholen
en voor onszelf. Dat vraagt onder andere om een glashelder curriculum waarin leraren
en leerlingen precies weten wat leerlingen moeten beheersen ten aanzien van onder
meer de basisvaardigheden.
Alle nieuwe kerndoelen zijn opgeleverd
Inmiddels is een belangrijke mijlpaal bereikt: per 21 november jongstleden zijn de
kerndoelen voor alle negen leergebieden opgeleverd. Die kerndoelen zijn niet alleen
duidelijker maar ook samenhangender dan de verouderde kerndoelen die nu gelden. Zo
komen lezen, schrijven en rekenen in alle leergebieden terug. De actualisatie van
de examenprogramma’s en de aanpassing van de referentiekaders zijn daarnaast in volle
gang.
De inhoudelijke aanpassing van de curriculumdocumenten vormt de eerste fase. Hierna
volgt de vastlegging daarvan in wet- en regelgeving en de implementatie van de kerndoelen
op scholen. Het streven is om de kerndoelen voor Nederlands en rekenen-wiskunde op
1 augustus 2026 in werking te laten treden. Voor de overige leergebieden gebeurt dit
op 1 augustus 2027.
Tegelijkertijd verwachten we van scholen dat zij nu al aan de slag gaan met het nieuwe
curriculum. Het is namelijk cruciaal dat scholen tijdig starten met het werken met
de nieuwe kerndoelen. Hierdoor kunnen leerlingen zo snel mogelijk profiteren van de
nieuwe kennis en hebben scholen voldoende tijd om vanuit een schooleigen visie het
onderwijs aan te passen op een manier die aansluit bij hun leerlingenpopulatie. Door
de curriculumontwikkeling aan te laten sluiten bij de professionele ontwikkeling en
schoolorganisatieontwikkeling wordt integraal gewerkt aan de verbetering van de kwaliteit
van het onderwijs. De kerndoelen voor Nederlands, rekenen-wiskunde, burgerschap en
digitale geletterdheid zijn hierin een mooi startpunt. Scholen kunnen namelijk nu
al met deze kerndoelen aan de slag.
OCW neemt de regie om het nieuwe curriculum goed te laten landen in de klas
Om te zorgen dat het nieuwe curriculum daadwerkelijk leidt tot beter onderwijs in
de klas neemt OCW de regie in de fase van curriculumimplementatie. Het nieuwe curriculum
biedt scholen de kans om dit moment aan te grijpen om kritisch te kijken naar het
onderwijsaanbod, de lesmethoden en de aanpak in de klas. Dit vraagt de komende jaren
inzet van alle betrokkenen in en om het onderwijs. Schoolleiders en leraren zijn daarbij
de spil, maar ook andere partijen – zoals leermiddelenmakers, toetsontwikkelaars,
sectorraden, vakverenigingen en lerarenopleidingen – spelen een belangrijke rol. De
onderwijscoördinatoren van het Masterplan zullen daarnaast worden ingezet om de succesvolle
implementatie van het vernieuwde curriculum vanuit OCW te ondersteunen.
Om de implementatie van de geactualiseerde kerndoelen en examenprogramma’s zo soepel
mogelijk te laten verlopen is een implementatieaanpak uitgewerkt langs vijf lijnen
die de ontwikkeling en ondersteuning van scholen versterken:
1. Curriculumbewustzijn en professionalisering: Succesvolle implementatie van het curriculum vraagt van onderwijsprofessionals dat
zij inzicht hebben in wat het nieuwe curriculum betekent, hoe de verschillende onderdelen
met elkaar samenhangen en hoe het vertaald kan worden naar de eigen schoolpraktijk.
Schoolleiders en leraren wordt passende ondersteuning geboden om doordachte keuzes
te kunnen maken en zo blijvend te werken aan de onderwijskwaliteit.
2. Leermiddelen: Leermiddelen vormen een belangrijk hulpmiddel voor leraren om de vertaalslag te maken
van het nieuwe curriculum naar het onderwijs. De komende tijd worden de leermiddelen
aangepast aan het geactualiseerde curriculum en wordt er gewerkt aan gezamenlijke
kennisontwikkeling over hoe leermiddelen hier op een passende wijze voor ingezet kunnen
worden.
3. Toetsing: Toetsen worden aangepast om goed aan te sluiten bij het geactualiseerde curriculum
en te zorgen voor een doorlopende leerlijn. In het po gaat het hierbij om de actualisatie
van de leerlingvolgsystemen en doorstroomtoetsen, in het vo om de centrale eindexamens.
Daarnaast vraagt dit om een schoolvisie op de toetscultuur die zorgt voor een doorlopende
leerlijn en aansluit op het geactualiseerde curriculum.
4. Communicatie: Het is cruciaal dat er richting scholen helder en tijdig wordt gecommuniceerd wat
er van hen wordt verwacht en welke ondersteuningsmogelijkheden zij daarbij hebben.
Dit vraagt om een nauwe afstemming van communicatie-uitingen met veldpartijen waarin
niet alleen informatie wordt gedeeld, maar waarbij de dialoog met scholen en feedback
vanuit hen actief worden gestimuleerd.
5. Monitoring: Tijdens de implementatiefase wordt zicht gehouden op de effecten van het geactualiseerde
curriculum op de onderwijspraktijk. De nadruk ligt op het lerende karakter: met het
ophalen van ervaringen en informatie wordt de ondersteuning aan scholen verbeterd.
De komende jaren wordt door OCW, SLO en andere ondersteuningspartners op basis van
deze vijf lijnen gerichte ondersteuning geboden aan scholen. Deze ondersteuning start
in het voorjaar van 2026 met als aftrap de OCW Dichtbij conferenties, die in het teken
staan van de curriculumimplementatie. De onderwijscoördinatoren van OCW zullen ook
een bijdrage leveren aan deze implementatie. Dat doen zij bijvoorbeeld in de vorm
van begeleide leernetwerken waarin de focus ligt op de basisvaardigheden in relatie
tot de curriculumimplementatie.
Om scholen voldoende tijd te geven om de nieuwe kerndoelen integraal en in samenhang
te implementeren, start vanaf 2031 het handhavend toezicht op de kerndoelen. Vanaf
dat moment wordt van alle scholen verwacht dat zij met de nieuwe kerndoelen werken.
Tot die tijd is er het overgangsrecht en wordt scholen de keuze geboden om met de
oude of nieuwe kerndoelen te werken.
Pijler 2: Beter zicht op de basisvaardigheden
Om de basisvaardigheden van hun leerlingen te verbeteren, is het noodzakelijk dat
leraren weten hoe leerlingen ervoor staan en wat leerlingen nodig hebben. Op landelijk
niveau geldt hetzelfde en moet er dus goed zicht zijn op de prestaties van leerlingen
op de basisvaardigheden en de bijbehorende trends. Om die reden is met de komst van
het Masterplan ingezet op het verbeteren van het zicht op de leerprestaties van leerlingen.
Zo verschijnt sinds 2023 jaarlijks de Monitor basisvaardigheden.
Monitor basisvaardigheden 2025: landelijk zicht op de prestaties
Bij deze brief ontvangt u de Monitor basisvaardigheden 2025. De Monitor geeft aan
de hand van verschillende bronnen een landelijk beeld van de leerprestaties op het
gebied van de basisvaardigheden in het funderend onderwijs.
Primair onderwijs: stabiliteit en hoopvolle signalen
De ontwikkeling van de prestaties van leerlingen in het po kunnen we gedetailleerd
van jaar op jaar volgen aan de hand van de analyses door het Nationaal Cohortonderzoek
Onderwijs (NCO) van leerlingvolgsysteemtoetsen van groep 3 tot en met 7. Daaruit blijkt
dat de leerprestaties in de meeste gevallen relatief stabiel zijn. Leerlingen uit
groep 3, 4 en 5 laten vooruitgang zien wat betreft begrijpend lezen. Groep 3-leerlingen
scoren inmiddels zelfs beter dan vóór corona, met name bij begrijpend lezen en spelling.
De vooruitgang van de leerprestaties in groep 3 begon in schooljaar 2021–2022 en zet
ook dit jaar door. Dat geeft vertrouwen dat de verbetering van leerprestaties is ingezet.
We zien ook dat in groep 7 het percentage leerlingen dat voor rekenen streefniveau
1S beheerst licht stijgt. Dat is goed om te zien, omdat we weten – en de Inspectie
heeft daar ook al vaker op gewezen – dat met name het percentage leerlingen dat bij
het verlaten van de basisschool het meer geavanceerde rekenniveau 1S beheerst al jaren
te laag is. Het beeld is niet alleen maar positief. In groep 5 blijven de leerprestaties
voor spelling en rekenen juist nog wat achter ten opzichte van pre-corona. Toch hebben
de vaardigheidsniveaus in het po zich, na de coronapandemie, over het algemeen goed
hersteld.
Onderbouw voortgezet onderwijs: dalende prestaties, maar ook enkele lichtpuntjes
Waar de ontwikkelingen in het po positief stemmen, is het beeld vanuit het vo anders.
In de onderbouw zet de daling van de leerprestaties voor Nederlands leesvaardigheid
en woordenschat ook dit jaar door. De vaardigheidsniveaus liggen fors lager dan voor
corona. Ook voor rekenen-wiskunde zijn de leerprestaties van onderbouwleerlingen sinds
de coronapandemie fors gedaald, maar deze daling is minder uniform en over het algemeen
minder sterk dan bij Nederlands. Dit blijkt uit onderzoek van Stichting Cito, op basis
van leerlingvolgsysteemdata.
Als we de leerprestaties van dit jaar vergelijken met die van vorig jaar, zien we
voor leerjaar 2 en 3 op sommige schoolsoorten wel de eerste tekenen van stabilisatie
of lichte afname van de daling ten opzichte van vorig schooljaar. Zo behaalden havo-
en vwo-leerlingen in schooljaar 2024–2025 aan het eind van de tweede en derde klas
vrijwel dezelfde vaardigheidsscore voor Nederlands woordenschat als vorig jaar. Dit
is een positief signaal: in schooljaar 2023–2024 was nog een consistente daling te
zien ten opzichte van het schooljaar daarvoor. Ook voor rekenen-wiskunde zien we,
ten opzichte van vorig schooljaar, voor de onderbouw van het vwo en de tweede en derde
klas van de havo voorzichtige tekenen van vooruitgang.
Voor zowel leesvaardigheid als rekenen-wiskunde zijn de uitdagingen – voor wat betreft
het behalen van referentieniveau 2F – het grootst op het vmbo. Daarom is er vanuit
het Masterplan extra aandacht voor deze doelgroep en zal bekeken worden of de ondersteuning
die het programma aan scholen biedt specifiek voor het vmbo moet worden opgeschaald.
Reflectie op de eindexamencijfers 2025
Gedurende de coronapandemie (2020, 2021 en 2022) lagen de slagingspercentages vanwege
de extra examenmaatregelen veel hoger dan normaal, er golden aangepaste exameneisen
en een aangepaste normering. Om de ontwikkeling van de prestaties van leerlingen aan
het eind van het vo toch goed te kunnen beoordelen voert het College voor Toetsen
en Examens (CvTE) verschillende analyses uit die de examenresultaten van de nodige
context voorzien.
Zo lijken de prestaties op de centrale eindexamens (CE) van 2025 op het eerste oog
voor Nederlands en wiskunde achteruit te zijn gegaan ten opzichte van vorig jaar.
Bij sommige examens is er daadwerkelijk slechter gepresteerd dan in 2024. Maar niet
voor alle examens geldt dat een gemiddeld lager CE-cijfer in 2025 een lagere vaardigheid
betekent dan in 2024. Het CvTE heeft namelijk de prestatie-eis voor sommige examens
aangescherpt in 2025. In onderstaand kader wordt een en ander uitgebreid toegelicht
alsook bij de motie Kisteman waarop ik hieronder inga. Het CvTE onderzoekt jaarlijks
hoe het vaardigheidsniveau van eindexamenkandidaten zich verhoudt tot het niveau van
vóór de coronapandemie (2019).8 Uit dit onderzoek komt naar voren dat het gemiddelde vaardigheidsniveau voor het
cluster wiskunde in 2025 lager is dan pre-corona. Voor Nederlands konden de analyses
dit jaar om onderzoekstechnische redenen niet plaatsvinden.
Aangepaste prestatie-eis centrale examens
Om de cijfers van leerlingen op hun centrale examens te kunnen vaststellen, wordt
er ieder jaar gewerkt met een normering. De normering van de CE’s heeft als doel om
de prestatie-eis, waaraan leerlingen minimaal moeten voldoen om een voldoende te halen,
van jaar op jaar te handhaven. In september werd uw Kamer geïnformeerd dat het CvTE
heeft geconstateerd dat door de tijdelijk aangepaste normeringssystematiek in de coronajaren
de prestatie-eis van het centraal examen voor sommige vakken te laag is komen te liggen.9 In het najaar van 2024 heeft het CvTE daarom een peiling uitgevoerd onder leraren,
toetsdeskundigen en vaststellingscommissies over de prestatie-eis voor hun examen.
Mede op basis van deze informatie werd door het CvTE geconcludeerd dat de prestatie-eis
voor de meeste examens op een goed niveau ligt, en vergelijkbaar is met de prestatie-eis
die voor corona gold. Maar er waren ook examens waarvoor de prestatie-eis in 2025
moest worden opgehoogd. Het CvTE licht in een document op hun website, aanvullend
op de informatie over de normering, de aanpassingen op de prestatie-eisen nader toe.10 Enkele voorbeelden van de samenhang tussen de prestatie-eis aanpassingen en de gemiddelde
CE-cijfers zijn als volgt:
• Bij Nederlands havo lagen de CE-cijfers in 2025 lager dan in 2024. Maar doordat de
prestatie-eis in 2025 hoger lag dan in 2024, zijn havisten vergeleken met vorig jaar
niet minder vaardig geworden.
• Ook bij wiskunde A + B vwo zijn de CE-cijfers in 2025 een stuk lager dan in 2024.
Waar de daling bij wiskunde A direct kan worden gerelateerd aan de verhoging van de
prestatie-eis, is de daling bij wiskunde B groter dan op basis van de prestatie-eis
aanpassing had kunnen worden voorspeld. Vwo-leerlingen zijn dus minder vaardig geworden
bij wiskunde B.
• Bij wiskunde A havo is er geen aanpassing geweest in de prestatie-eis. Maar het gemiddelde
CE-cijfer ligt hier lager dan in 2024. Dit betekent dat er sprake is van een afname
in de vaardigheid.
Motie Kisteman over resultaten centrale examens
Met de motie van het lid Kisteman (VVD) wordt de regering verzocht te onderzoeken
(i) waarom het aantal geslaagden jaarlijks gelijk blijft terwijl de leesvaardigheid
afneemt, en (ii) welke invloed de N-term heeft op de niveaudaling en de uitslagen
op centrale examens, en de Kamer over de uitkomsten zo snel mogelijk te informeren.11 Hieronder ga ik in op beide verzoeken in de motie.
Indicatoren die de onderwijsprestaties, zoals leesvaardigheid, in het funderend onderwijs
meten laten soms verschillende resultaten zien. Leesvaardigheid is een onderdeel van
de PISA-toets. De resultaten uit 2022 laten zien dat de leesvaardigheid van Nederlandse
jongeren op 15-jarige leeftijd sterk is gedaald. Leesvaardigheid is ook een belangrijk
onderdeel van het centraal examen Nederlands. De examens, die dus op een later moment
in de schoolloopbaan plaatsvinden dan de afname van PISA, laten gemiddeld genomen
geen sterke daling zien. Het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) heeft
in kaart gebracht welke redenen daaraan ten grondslag kunnen liggen.
Een vaak genoemde verklaring betreft de impact van motivatie. De PISA-toets betreft
een «low stakes» toets: voor een leerling zijn er geen consequenties verbonden aan
de uitkomst. Van de centrale examens hangt juist heel veel af. Leerlingen zijn hierdoor
extra gemotiveerd om een goede prestatie neer te zetten. Ook leraren zijn gemotiveerder
en steken veel tijd in het voorbereiden van hun leerlingen op de «high stakes» toetsen.
Ook kunnen verschillen in de manier waarop vaardigheden worden getoetst een rol spelen:
de inhoud die in PISA wordt getoetst is anders dan de stof die in de eindexamens aan
bod komt. PISA toetst simpelweg niet hetzelfde als de inhoud van het Nederlandse curriculum.
Het curriculum en het eindexamen zijn vanzelfsprekend sterk op elkaar afgestemd, wat
bij PISA – dat uitgaat van een internationaal kader – niet het geval is. Ook het leerjaar
op het moment van afname kan een rol spelen. De PISA-toets wordt afgenomen op 15-jarige
leeftijd; leerlingen die eindexamen doen zijn vaak wat ouder. Het NRO zal in 2026
verder onderzoek verrichten naar dit vraagstuk.
Het tweede verzoek uit de motie betrof de invloed van de normering van de examens.
Het CvTE is verantwoordelijk voor de normering van de centrale examens. De normering
is erop gericht de prestatie-eis van jaar op jaar te handhaven. Met de zogenaamde
N-term wordt er gecompenseerd voor de verschillen in moeilijkheid tussen centrale
examens uit verschillende jaren. Als veel leerlingen een toets slecht hebben gemaakt,
kan dat komen doordat ze een relatief moeilijk examen hebben gemaakt. In dat geval
gaat de N-term omhoog. Maar als het examen niet moeilijker was, kan het ook zijn dat
de leerlingen minder vaardig zijn geworden. De N-term gaat dan niet omhoog.
Hierboven werd toegelicht dat gedurende de coronaperiode de normering tijdelijk moest
worden aangepast, waardoor de prestatie-eis wat is gaan schuiven. In het genoemde
nieuwsbericht voor leraren wordt uitgelegd hoe de aanpassingen van de prestatie-eis
van het CE in 2024 en 2025 tot stand zijn gekomen. Deskundigen gaven voor de meeste
examens aan dat de prestatie-eis al op de juiste hoogte lag en dus niet aangepast
hoefde te worden. Er zijn ook examens waar de prestatie-eis omhoog is gegaan, maar
er zijn ook enkele examens waarvoor de prestatie-eis juist iets omlaag is gegaan.
De komende jaren blijft er gemonitord worden. Hiermee zorgt het CvTE ervoor dat de
prestatie-eis op de juiste hoogte stil komt te liggen en goed aansluit op het onderwijs
en de leerlingen.
Meer zicht en betere data voor scholen
Naast het landelijk zicht op de prestaties van leerlingen is het ook van belang dat
scholen goed zicht hebben op de prestaties van hun leerlingen. Met een goed zicht
zijn schoolteams beter in staat om onderwijs aan te bieden dat aansluit op wat leerlingen
nodig hebben. Binnen een evidence-informed werkwijze is schooleigen data over de leerlingen
een belangrijk aspect. Om die reden is hierin vanuit het Masterplan ook geïnvesteerd.
Zo kunnen alle scholen gebruik maken van de schoolrapportages van het Nationaal Cohortonderzoek
Onderwijs (NCO) over prestaties, doorstroom en vervolgsucces. Daarnaast kunnen scholen
in het po zich ook aanmelden voor de leergroeirapportages van NCO, waarbij ook de
data uit het leerlingvolgsysteem wordt meegenomen in de rapportage op schoolniveau.
Inmiddels doet bijna 75 procent van de po-scholen hieraan mee. Dat is een grote groei
ten opzichte van 2022, toen dit percentage rond de 50 procent lag. In deze rapportage
kunnen scholen ook zien hoe zij het doen ten opzichte van vergelijkbare scholen.
In de voortgangsbrief van dit voorjaar werd al geconstateerd dat ruim 80 procent van
de vo-scholen gebruikmaakt van een leerlingvolgsysteem met gestandaardiseerde toetsen.
Dat is opvallend, want in het vo is geen sprake van een verplichting, zoals in het
po. Uit onderzoek blijkt wel dat vo-scholen de informatie beter zouden kunnen benutten.
Daarom wordt er, samen met de VO-raad, gewerkt aan een richtlijn voor scholen.
Ook in de toekomst zal er worden geïnvesteerd in onderzoek en data. Bijvoorbeeld door
het NCO te financieren, door de uitbreiding van de nationale peilingsonderzoeken van
de Inspectie en door deelname aan belangrijke internationale onderzoeken zoals PISA.
Vorig schooljaar hebben Nederlandse scholen en leerlingen weer meegedaan aan PISA.
De uitkomsten van PISA-2025 worden in het najaar van 2026 verwacht.
In het voorjaar van 2026 verschijnt de International Early Learning and Child Wellbeing Study (IELS), waar Nederland dit jaar voor het eerst aan meedoet. IELS is een internationaal
vergelijkend onderzoek, ontwikkeld door de OESO, dat de beginnende geletterdheid,
rekenvaardigheden, executieve functies en sociaal-emotionele ontwikkeling van vijfjarigen
in kaart brengt. Dit zijn factoren die voorspellend zijn voor het succes in de verdere
schoolloopbaan. Om de leerprestaties te verbeteren is het van cruciaal belang om de
brede ontwikkeling van het jonge kind te stimuleren. Hierbij gaat het dus niet alleen
om het vroeg beginnen met taal en rekenen. Als Masterplan helpen we scholen dan ook
om op basis van kennis en onderzoek het bredere onderwijs aan deze doelgroep zo vorm
te geven dat kinderen optimaal tot bloei kunnen komen.
Pijler 3: Breder gebruik van bewezen effectieve aanpakken
Bij het verbeteren van de basisvaardigheden is het belangrijk dat scholen gebruik
maken van bewezen effectieve aanpakken en methoden en dat zij evidence-informed werken.
Daarbij combineren scholen wetenschappelijke kennis met eigen data en praktijkkennis.
Zo maken ze inzichten uit de wetenschap toepasbaar voor de specifieke context van
de school. Het Ministerie van OCW zet breed in op het bevorderen van evidence-informed
werken in het onderwijs. Het is een grote uitdaging om samen met het onderwijs de
slag te maken naar een situatie waarin evidence-informed werken op school normaal
is. Leerlingen verdienen nu eenmaal het beste onderwijs. De afgelopen periode zijn
daarin weer goede stappen gezet.
Start van het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs
Op 1 januari 2026 start het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO). De komst van
het NKO is een mijlpaal in het verder ontwikkelen en verstevigen van de kennisinfrastructuur
voor heel het onderwijs. Het biedt aan alle sectoren in het onderwijs een sterke kennisbasis
en zal scholen helpen om het evidence-informed werken naar een hoger niveau te tillen.
Leraren en schoolleiders kunnen bij het NKO terecht voor toegankelijke, betrouwbare
en onafhankelijke kennis over effectieve lesaanpakken en wetenschappelijk onderbouwde
manieren om te professionaliseren en doorlopend het onderwijsproces te verbeteren.
De komende jaren zal het NKO samen met het veld de grootste vraagstukken uit het onderwijs
bestuderen, oppakken en verbeteren.
Directe ondersteuning van evidence-informed werken door OCW
Vanuit het Masterplan worden scholen op verschillende manieren gestimuleerd om evidence-informed
te werken. Deze initiatieven zijn gericht op alle scholen, of zij nu subsidie ontvangen
of niet. Zo organiseert OCW jaarlijks een aantal regionale conferenties onder de noemer
OCW Dichtbij om scholen te inspireren, informeren en te verbinden. Niet alleen onderzoekers,
maar ook scholen krijgen als podiumschool de gelegenheid om te vertellen hoe zij hun
vraagstukken aanpakken. In het voorjaar van 2025 namen bijna 1.700 onderwijsprofessionals
deel aan deze conferenties, waarover zij uitermate positief waren. In het voorjaar
van 2026 zal een nieuwe serie OCW Dichtbij conferenties worden georganiseerd. Deze
serie zal in het teken staan van de curriculumimplementatie: aan de slag met het nieuwe
curriculum. Tijdens deze conferenties ontvangen schoolleiders en ook bestuurders,
ieder vanuit diens eigen rol, gerichte ondersteuning bij het implementeren van de
nieuwe kerndoelen.
Om scholen verder te inspireren op het gebied van evidence-informed werken organiseert
het Masterplan in schooljaar 2025–2026 een serie van vijf online masterclasses die
scholen live kunnen volgen. Tijdens deze masterclasses komt steeds zowel een wetenschapper
als een schoolleider aan het woord. Vanuit hun respectievelijke expertises belichten
zij onderwerpen zoals taalontwikkeling bij het jonge kind, het motiveren van vo-leerlingen
door middel van betekenisvol onderwijs en gespreid leiderschap. De masterclasses worden
zeer goed bekeken en positief gewaardeerd.
Via de website van het Masterplan worden regelmatig artikelen en inspiratievideo’s
gedeeld die scholen kunnen helpen op hun pad naar duurzaam evidence-informed onderwijs.
Ook is hier een interventiekaart te vinden met effectieve onderwijsinterventies, die
door scholen veelvuldig gebruikt en zeer positief gewaardeerd wordt.12 Ook buiten het Masterplan om werkt het ministerie, met onder andere het Nationaal
Groeifonds (NGF) programma Ontwikkelkracht, aan het versterken van een onderzoeks-
en verbetercultuur op scholen en aan de ontwikkeling van nieuwe kennis. Ontwikkelkracht
sluit met haar aanpak, met onder meer expertisescholen en co-creatielabs, naadloos
aan op het Masterplan en vice versa.
De expertisepunten: brug naar de schoolpraktijk
In het kader van het Masterplan zijn drie expertisepunten opgericht: voor burgerschap,
rekenen-wiskunde en digitale geletterdheid. De expertisepunten voorzien in een behoefte
van het onderwijsveld en slaan een brug tussen kennis en praktijk. De expertisepunten
brengen versnipperde kennis over het leergebied samen en zorgen voor de verspreiding
van die kennis. Ook kunnen scholen bij hen terecht met vragen. De expertisepunten
trekken waar mogelijk samen op. Per expertisepunt verschilt het hoe zij ondersteuning
bieden aan scholen en welke activiteiten zij precies ontplooien met de subsidie van
OCW. Dat kunnen conferenties en (netwerk)bijeenkomsten zijn zoals de conferentie «Onderwijs
meets onderzoek» over wiskundeangst, georganiseerd met steun van het Expertisepunt Rekenen-Wiskunde.
Of bijvoorbeeld een instrument waarmee scholen kunnen testen waar zij staan. Zo werd
de QuickScan Burgerschap door ruim 3.400 scholen ingevuld. Dit zijn mooie uitkomsten.
OCW verwacht dat er na afloop van de subsidies aan de expertisepunten voorlopig nog
behoefte blijft aan deze vorm van gespecialiseerde en directe ondersteuning, zeker
met het oog op de aankomende curriculumimplementatie. Een voor scholen herkenbare en toegankelijke ondersteuning lijkt de
komende jaren belangrijk. Op dit moment is OCW met een verkenning bezig waarin wordt
onderzocht hoe de expertisepunten, na het einde van de aan hen verstrekte subsidies,
het best ingericht kunnen worden. Daarbij speelt ook de vraag hoe de balans eruit
ziet tussen uniformiteit en eigenheid, want de behoeften van scholen verschillen per
leergebied. Mede in dat licht worden de drie bestaande expertisepunten in 2026 geëvalueerd
en wordt onderzocht wat de precieze behoefte van scholen is. In die verkenning wordt
ook gekeken naar de verhouding met het toekomstige NKO en met SLO. Over de inrichting
van een expertisepunt voor taal is door de Kennistafel Effectief Leesonderwijs onlangs
advies uitgebracht. Dit advies wordt betrokken in deze verkenning.
Evidence-informed werken als onderdeel van kwaliteitszorg
In het wetstraject deugdelijkheidseisen worden een aantal wettelijke eisen geconcretiseerd.
Eén daarvan is het stelsel van kwaliteitszorg. Op dit moment specificeert de wet niet
wat daarmee bedoeld wordt. Met de wetswijziging wordt evidence-informed werken wettelijk
vastgelegd als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg en daarmee stevig verankerd.
In de wet wordt vastgelegd dat het stelsel van kwaliteitszorg de onderdelen planmatig
en cyclisch werken, het bevorderen van een kwaliteitscultuur en het gebruikmaken van
kennis uit onderzoek of praktijk bevat. Daarmee wordt een lerende cultuur op alle
scholen bevorderd en uiteindelijk vanzelfsprekend. Dit komt de onderwijskwaliteit
en de basisvaardigheden natuurlijk ten goede. Het wetsvoorstel wordt medio 2026 met
uw Kamer gedeeld.
Betere kwaliteit leermiddelen
Om de prestaties voor de basisvaardigheden te verhogen wordt ook ingezet op een betere
kwaliteit van leermiddelen. In dat verband loopt een verkenning naar een kwaliteitsalliantie
leermiddelen. U ontvangt over het onderwerp leermiddelen apart een brief voor de begrotingsbehandeling.
In het eerste kwartaal van 2026 zal de Onderwijsraad advies uitbrengen over evidence-informed
onderwijs. Op verzoek van uw Kamer gaat de Onderwijsraad in op de kansen en risico’s
van sturing op evidence-informed werken in de onderwijspraktijk voor de kwaliteit
van onderwijs.
Pijler 4: Versterken van de taal- en leeromgeving
Niet alleen de school, maar ook de bredere leefomgeving speelt een centrale rol in
de ontwikkeling van leerlingen op het gebied van taalvaardigheid. Ook hier ligt een
grote opgave om de taalomgeving van leerlingen in brede zin te versterken.
De investering in de bibliotheek werpt vruchten af
Veel lezen leidt tot een betere taalontwikkeling, een grotere woordenschat en bredere
kennis over de wereld.13 Het is dus belangrijk om ervoor te zorgen dat leerlingen met plezier een boek openslaan.
Bibliotheken zijn expert op het gebied van leesbevordering en leesplezier. In de landelijke,
bewezen effectieve programma’s de Bibliotheek op school (dBos) en BoekStart in de
kinderopvang werken scholen en opvanginstellingen daarom samen met bibliotheken aan
het verhogen van de leesmotivatie van leerlingen.
In de periode 2023–2026 is in het kader van het Masterplan basisvaardigheden € 74 miljoen
geïnvesteerd in dBos en BoekStart. Dankzij deze subsidie is het aantal scholen en
kinderopvangvoorzieningen dat middels deze programma’s aan leesbevordering werkt sterk
gegroeid. Zo nam het aantal deelnemende po-scholen tussen 2023 en 2024 met 17 procent
toe. Voor het vo is dit zelfs 35 procent: een toename die, conform de subsidievoorwaarden,
grotendeels uit vmbo-scholen bestaat.14 Ook steeg het aantal kinderen en jongeren dat lid is van de bibliotheek mede als
gevolg van de investering in dBos – de ledenaantallen waren nooit eerder zo hoog.
Dat is in deze tijd van ontlezing een mooi en opvallend resultaat om trots op te zijn.
Vlak voor de zomer van 2025 is aangekondigd dat de tijdelijke subsidie voor dBos en
Boekstart wordt omgezet in structurele financiering.15 In 2027 is er € 38 miljoen beschikbaar vanuit de OCW-begroting; vanaf 2028 gaat het
jaarlijks om € 50 miljoen. Het geld zal vanaf 2027 worden verdeeld tussen scholen
(middels de gerichte bekostiging voor basisvaardigheden) en bibliotheken. Scholen
kunnen ervoor kiezen om (een deel van) de gerichte bekostiging te besteden aan dBos.
Bibliotheken moeten de structurele financiering inzetten om de samenwerking met het
funderend onderwijs en/of de pabo, het mbo en de kinderopvang (BoekStart) voort te
zetten.
Met deze structurele financiering wordt zodoende ingezet op blijvende versterking
van de taal- en leeromgeving en robuuste effecten op het leesgedrag en de leesvaardigheid
van leerlingen. Meer en beter lezen is immers niet alleen cruciaal voor de taalvaardigheid
van leerlingen, het draagt ook breder bij aan hun beheersing van de andere basisvaardigheden.
In die context zijn ook de resultaten van het Nationaal Media Onderzoek bemoedigend.16 Hieruit blijkt dat 85 procent van de basisschoolleerlingen voor hun plezier leest.
Onder leerlingen van 6 tot 9 jaar oud gaat het zelfs om 90 procent. Bovendien is de
verkoop van kinderboeken in 2024 gestegen.17 Bibliotheken leenden in datzelfde jaar ruim 30 miljoen kinderboeken uit.18
Pijler 5: Extra tijd en ruimte voor kwalitatief goede leraren
Iedere aanpak voor het versterken van de basisvaardigheden valt of staat met de leraar.
Het is van groot belang dat er voldoende en goede leraren voor de klas staan om de
plannen uit te voeren. Alleen met voldoende en goed toegeruste leraren en schoolleiders
heeft de aanpak voor basisvaardigheden immers kans van slagen. Daarom hebben deze
twee onderwerpen, basisvaardigheden en personeel, voor mij de hoogste prioriteit.19
Bij de start van het Masterplan is via het Onderwijsakkoord 2022 extra ruimte en tijd
gerealiseerd voor leraren om zich te professionaliseren op het punt van basisvaardigheden
en de curriculumherziening. Daarin zijn met de sociale partners in het po en vo afspraken
gemaakt over meer ruimte voor professionalisering op het gebied van basisvaardigheden
en de curriculumherziening. In het po maakt een schoolteam, als onderdeel van het
werkverdelingsplan, afspraken over het gebruik van deze middelen. In het vo krijgen
leraren jaarlijks zestien uur extra voor professionalisering op de basisvaardigheden,
bovenop de uren die zij al hadden voor professionalisering. Leraren en teams krijgen
zo de tijd om zich gericht te blijven ontwikkelen en bij te scholen. Op dit moment
wordt onderzocht hoe deze uren worden ingezet en wat daarvan het effect is.
De afgelopen jaren is er stevig geïnvesteerd in de positie van leraren en de aantrekkelijkheid
van het beroep. Zoals gebruikelijk ontvangt u binnenkort een Kamerbrief voortgang
Lerarenstrategie, waarin de relevante ontwikkelingen rondom het lerarenbeleid worden
toegelicht. Het is bemoedigend te zien dat recent, uit een internationale vergelijking,
naar voren kwam dat Nederlandse leraren opvallend positief zijn in vergelijking met
leraren in andere landen.20
Tot slot
De afgelopen drie jaar zijn er concrete stappen gezet die hoog nodig waren om de basisvaardigheden
van alle leerlingen in het funderend onderwijs duurzaam te kunnen verbeteren. Zo ligt
er een nieuw curriculum klaar en staat het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs in
de startblokken. Scholen die de subsidie Verbetering basisvaardigheden hebben ontvangen
zien de prestaties van hun leerlingen vooruitgaan en de expertise van hun schoolteam
toenemen. En met structurele bekostiging op komst kan het onderwijsveld toekomstbestendig
werken aan stevige basis voor alle leerlingen. Tegelijk ligt er nog een grote uitdaging
om de gewenste verbetering in basisvaardigheden te realiseren. Dat laat zien hoe belangrijk
het is om door te zetten wat is opgebouwd en om schoolleiders en leraren met structurele
middelen en koersvast beleid in staat te stellen het beste onderwijs te geven aan
hun leerlingen.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking
Indieners
-
Indiener
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap