Brief regering : Verslag Eurogroep en Ecofinraad 12 en 13 november 2025
21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken
Nr. 2152
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 december 2025
Hierbij ontvangt U het verslag van de Eurogroep en de Ecofinraad van 12 en 13 november
in Brussel.
Verder informeer ik U in het verslag uw Kamer over een drietal andere zaken. Ten eerste
ga ik in op het akkoord over het crisisraamwerk voor banken. Ten tweede geef ik u
de stand van zaken over de onderhandelingen over Omnibus I over de Corporate Sustainability Reporting Directive. Tot slot ga ik in op de ontwikkelingen inzake de digitale euro.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Verslag van de Eurogroep en Ecofinraad 12 en 13 november 2025
Eurogroep in reguliere samenstelling
Macro-economische en begrotingsontwikkelingen
De Europese Commissie (de Commissie) lichtte toe dat op 17 november de Herfstraming
van de Commissie wordt gepubliceerd. Daaruit zal blijken dat de economische groei
in de eurozone doorzet, en dat deze hoger ligt dan waarvan werd uitgegaan in een eerdere
raming. De eurozone is weerbaar gebleken in de afgelopen periode. Daarbij zijn schuldratio’s
de afgelopen periode licht gedaald om naar verwachting komende jaren te stijgen, mede
in het licht van een toename in defensie-uitgaven. De Commissiebeoordeling van de
ontwerpbegrotingen volgen eind november. De Europese Centrale Bank (ECB) lichtte doet
dat de inflatie stabiel blijft rond 2% en dat inflatieverschillen tussen eurolanden
de afgelopen periode zijn afgenomen. Meerdere lidstaten gaven in de interventieronde
een toelichting bij lopende nationale begrotingsonderhandelingen en het economisch
beeld in hun land.
Uitdagingen van de eurozone in een veranderende mondiale context
Tijdens de bespreking werd stilgestaan bij de economische uitdagingen van de eurozone
en hoe productiviteitsgroei versterkt kan worden. Meerdere eurolanden, waaronder Nederland,
onderstreepten het belang van het versterken van de interne markt en het doorvoeren
van groeibevorderende hervormingen. Nederland benadrukte daarbij ook het belang van
stabiele overheidsfinanciën. Daarnaast was er aandacht voor het Europese concurrentievermogen
in relatie tot recente geopolitieke ontwikkelingen. Daarbij uitten meerdere eurolanden
zorgen over hoe de recente toename in handelsrestricties de Europese concurrentiepositie
zou kunnen schaden. Daarbij was met name aandacht voor de concurrentie van de Europese
economie ten opzichte van de Verenigde Staten en China, waaronder de gevolgen van
handelsverlegging van China naar de eurozone als gevolg van Amerikaanse tarieven vis-a-vis
Chinese importproducten.
Begrotingstoezicht in de Eurogroep
De Eurogroep wisselde van gedachten over de vraag op welke wijze de Eurogroep kan
worden versterkt in het begrotingstoezicht, op een manier die complementair is aan
de Ecofinraad. In de discussie werd voorgesteld dat naast de gebruikelijke bespreking
van ontwerpbegrotingen en de begrotingspositie van de eurozone en eurolanden, gesproken
kan worden over middellange- en langetermijnuitdagingen, zoals demografische ontwikkelingen,
aannames in begrotingsplannen en herprioritering van publieke uitgaven inclusief defensie.
De Commissie wees erop dat het van belang is dat er aandacht blijft voor tekorten
en publieke schulden.
Discussie over bankieren en de impact op de economie van de eurozone
Dit agendapunt (beschreven in de geannoteerde agenda) is komen te vervallen.
Overig
De Eurogroepvoorzitter lichtte toe dat de termijn van de Vice-President van de Europese
Centrale Bank (ECB) Luis de Guindos afloopt per mei 2026. Het streven is om in februari
als Eurogroep de aanbeveling voor een nieuwe Vice-President te doen aan de Raad van
de Europese Unie en de Europese Raad, die over de formele aanstelling besluit.
Eurogroep in inclusieve samenstelling
Update bankenunie inclusief rapportage over operationele aspecten
Op grond van een memorandum van overeenstemming tussen de Ecofinraad en de ECB neemt
de voorzitter van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism, SSM) twee keer per jaar deel aan de Eurogroep om van gedachten te wisselen. Daarnaast
is tijdens de Eurogroep van november 2016 afgesproken dat ook de voorzitter van de
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (Single Resolution Board, SRB) elk halfjaar een toelichting geeft over de werkzaamheden van de SRB, waaronder
de resolutieplanning en de opbouw van het gemeenschappelijk afwikkelfonds (Single Resolution Fund, SRF).
De voorzitter van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme, Claudia Buch, lichtte
toe dat de bankensector goed gekapitaliseerd is en weerbaar is gebleven, hoewel geopolitieke
ontwikkelingen blijven zorgen voor risico’s.1 Het banksysteem in de eurozone is sterker en veerkrachtiger geworden dankzij versterkte
regelgeving, toezicht en risicobeheer. In het tweede kwartaal van 2025 bedroeg de
CET1-ratio van banken 16%, wat wijst op solide kapitaalposities. Tegelijkertijd pleitte
de voorzitter van het SSM voor vereenvoudiging van het toezicht en voor hervormingen
om complexiteit te verminderen en de integratie van de interne markt te bevorderen.
Ook benadrukte zij dat sterk toezicht cruciaal blijft in een uitdagende macro-economische
omgeving. Verder onderstreepte de voorzitter dat de concurrentiekracht van banken
moet worden versterkt, vooral gezien de toenemende digitalisering.
De voorzitter van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad, Dominique Laboureix, lichtte
aan de hand van een rapport toe dat de afwikkelbaarheid van banken is verbeterd, waarbij
banken verdere stappen hebben gezet richting robuustere verliesabsorptie en bescherming
van depositohouders.2 De voorzitter van de SRB verwelkomde de aanpassing van het crisisraamwerk voor banken
(CMDI), waarvan hervormingen volgens de voorzitter cruciaal zijn om de financiële
stabiliteit te versterken. De voorzitter van de SRB benadrukte daarnaast dat een eenvoudiger,
beter voorspelbaar en goed geïntegreerd resolutiestelsel essentieel blijft om risico’s
tijdig aan te pakken. Tot slot onderstreepte hij dat verdere vooruitgang nodig is
om de bankenunie te voltooien en zo een veerkrachtig, goed functionerend Europees
bankwezen te waarborgen.
In hun interventies verwelkomden lidstaten het definitieve akkoord ten aanzien van
de herziening van het crisisraamwerk voor banken. De voorzitter van de Eurogroep concludeerde
dat in de Eurogroep gesproken zal worden over kosten die samenhangen met fragmentatie
van de bankenunie.
Toekomst van digitale financiering: de digitale euro en stablecoins
Dit agendapunt bood een brede gedachtewisseling over de toekomst van digitale financiering,
waaronder de digitale euro en stablecoins. De voorzitter van de Eurogroep gaf aan
dat er een balans moet zijn tussen de mate waarin het regelgevend kader voor stablecoins
de risico’s voldoende afdekt en tegelijkertijd voldoende ruimte laat voor innovatie.
De ECB stelde het nut van stablecoins in grensoverschrijdende betalingen te zien,
maar constateerde ook dat het betalingsverkeer in het eurogebied al goed geregeld
is. Meerdere lidstaten riepen op tot spoedige afronding van het wetgevingspakket voor
een digitale euro, waarbij de voorzitter van de Eurogroep de hoop uitsprak op een
akkoord voor het einde van het jaar. De voorzitter van de Eurogroep zag tevens rond
stablecoins nog sterk verschillende posities, wat volgens hem zou onderstrepen dat
nadere discussie gewenst is.
EU-EFTA bespreking
De Ministers van Financiën van de Europese Unie en de Ministers van Financiën van
de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (European Free Trade Association, EFTA) hielden hun jaarlijkse gedachtewisseling. Tot de EFTA-landen behoren IJsland,
Noorwegen, Liechtenstein en Zwitserland. Het agendaonderwerp van de bespreking was
het belang van open handel. Uit de interventies bleek een gedeeld beeld van belang
van vrijhandel en de zorgen over mondiale ontwikkelingen die de vrijhandel onder druk
zetten. De EFTA-landen uitten verder hun zorgen over een door EU voorgestelde handelsmaatregel
op ferrolegering (een grondstof voor roestvrijstaal), dat enkele EFTA-landen als exporteur
van ferrolegering zou kunnen raken.
Ecofinraad
Financiering Oekraïne (ontbijt)
De Ecofinraad sprak tijdens de ontbijtsessie over de financiering van Oekraïne. De
Commissie onderstreepte dat de financiële en militaire noden van Oekraïne hoog zijn
en dat het van belang is dat de EU spoedig een akkoord bereikt over financiering voor
in elk geval 2026 en 2027. De Commissie lichtte toe dat er meerdere opties mogelijk
zijn voor financiering van Oekraïne, waaronder bilaterale giften door lidstaten en
leningen van de EU met of zonder gebruik van de geïmmobiliseerde (bevroren) Russische
centrale banktegoeden. De Commissie lichtte toe belangrijke voordelen te zien van
het gebruik van de geïmmobiliseerde Russische centrale banktegoeden, omdat de herstelleningen
niet doorwerken in de schuldquotes van lidstaten en ook niet optellen bij de schuldenlast
van Oekraïne.
Een groot deel van de lidstaten sprak zich positief uit over herstelleningen op basis
van het gebruik van de geïmmobiliseerde centrale banktegoeden. Tegelijkertijd wezen
enkele lidstaten op financiële en juridische risico’s die mogelijk samenhangen met
deze financieringsconstructie zoals de noodzaak om het sanctieregime te kunnen doorrollen
om de onderliggende tegoeden bevroren te houden, waarbij zij onderstreepten dat deze
risico’s voldoende moeten worden afgedekt. Nederland riep op tot een spoedig wetgevingsvoorstel,
wees op het belang van een oplossing die bijdraagt aan schuldhoudbaarheid van Oekraïne,
het collectief dragen van risico’s door alle EU-lidstaten, betrokkenheid van G7-partners
en op het blijvend belang van hervormingen die voortbouwen op de ervaring met het
Oekraïneplan en de conditionaliteiten van het IMF.
Wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)
Tijdens het ontbijt vond ook een gedachtewisseling plaats over de wereldwijde minimumbelasting
(Pijler 2), gegeven de ontwikkelingen in het Inclusive Framework (IF) van de Organisatie
voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). In het IF wordt namelijk onderhandeld
over de wereldwijde minimumbelasting en hoe het Amerikaanse belastingsysteem hiernaast
kan bestaan («Side-by-Side»), mede omdat de VS al langer een eigen vorm van een minimumbelasting
kent. In de EU is de wereldwijde minimumbelasting geïmplementeerd via een EU-richtlijn
die is omgezet in nationale wetgeving.
Nederland benadrukte dat het van belang is om op korte termijn een akkoord te bereiken
in het IF om de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel
te waarborgen en zekerheid te creëren voor bedrijven. Daarbij is het essentieel om
oog te houden voor het behoud van een gelijk speelveld en het EU-concurrentievermogen.
Nederland benadrukte tevens dat het van belang is om recht te doen aan de internationale
afspraken over de wereldwijde minimumbelasting en daarbij de doelstellingen niet uit
het oog te verliezen. Een ondergrens voor belastingconcurrentie blijft relevant om
een nieuwe race naar de bodem te voorkomen en belastinginkomsten zeker te stellen,
juist in een context van bredere budgettaire lange termijn uitdagingen. Wat betreft
Pijler 2 is daarmee van belang voor het EU-concurrentievermogen wanneer in een zo
groot mogelijk internationaal verband afspraken worden gemaakt. Tot slot benadrukte
Nederland dat vereenvoudiging essentieel is voor het EU-concurrentievermogen.
Herziening van de richtlijn energiebelastingen
De Ecofinraad sprak over de herziening van de richtlijn energiebelastingen (ETD).
Het voorzitterschap had een nieuwe compromistekst voorbereid voor een beleidsdebat
om te verkennen of een akkoord op de Ecofinraad van december mogelijk zou zijn. In
het debat bleken de standpunten van de lidstaten nog steeds ver uit elkaar te liggen.
Eén lidstaat vond de klimaatambitie van de huidige tekst onvoldoende om te kunnen
instemmen. Meerdere lidstaten gaven aan de voorliggende compromistekst te kunnen steunen
met de kanttekening dat de klimaatambitie niet verder mag worden verlaagd. Een andere
groep lidstaten gaf juist aan de tekst te willen aanpassen en pleitte voor het schrappen
van de verplichte indexatie en tegen de verhoging van de minimumtarieven van in het
bijzonder aardgas en LPG ten opzichte van minima uit de bestaande richtlijn uit 2003.
Ook bleek er nog geen overeenstemming over de tekst over de luchtvaart en scheepvaart,
landbouw, commerciële diesel en de behandeling van groene waterstof.
De Commissie gaf aan teleurgesteld te zijn wat betreft het gebrek aan compromisbereidheid
van een aantal lidstaten. De conclusie van het voorzitterschap was dat zij onvoldoende
draagvlak ziet om nog een compromis te bereiken op de ETD en dat zij verder werk aan
het dossier zal staken.
Stand van zaken financiële diensten
De Commissie gaf een korte update over lopende wetgevingstrajecten.
Afschaffing vrijstellingsdrempel voor douanerechten
De Ecofinraad bereikte een politiek akkoord over het afschaffen van de vrijstelling
van invoerrechten voor zendingen uit derde landen met een waarde van niet meer dan
euro 150 (e-commerce). Dit is een belangrijke stap tegen de overvloed van pakketten
die direct vanuit, met name, China worden gestuurd aan Europese consumenten. De datum
van ingang is afhankelijk van de uitkomsten van de triloog over het nieuwe douanewetboek
(vooralsnog voorzien juli 2028). Daarbij wordt ook gesproken over een nieuwe EU-datahub.
Deze EU-datahub is nodig omdat de huidige IT-systemen van de lidstaten niet zijn ingericht
om invoerrechten te heffen en te innen op basis van de verschillende tarieven van
invoerrechten.
De Ecofinraad nam vervolgens met de Commissie een gemeenschappelijke verklaring aan
(26 lidstaten steunden, waarvan 1 onder voorwaarden), waarin wordt beschreven dat
de Raad en de Commissie een eenvoudige tijdelijke oplossing zullen ontwikkelen om
de vrijstelling al zo vroeg als mogelijk in 2026 te kunnen afschaffen. Er wordt hierbij
gedacht aan het tijdelijk implementeren van een vast tarief aan invoerrechten per
zending. Het voorstel zal in de Ecofinraad van december worden geagendeerd.
Vereenvoudiging wet- en regelgeving
Eurocommissarissen Dombrovskis en Albuquerque presenteerden hun jaarlijkse voortgangsverslag
over vereenvoudiging en handhaving.3 De jaarlijkse voortgangsverslagen zijn onderdeel van de inzet van de Commissie voor
betere regelgeving en vereenvoudiging van regelgeving om op die manier de EU op lange
termijn concurrerender te maken.
Economische impact oorlog in Oekraïne
De Commissie lichtte toe dat de EU op 13 november een laatste betaling heeft gedaan
onder de zogenoemde ERA-leningen, met een hoogte van EUR 4,1 miljard. Daarmee zijn
alle betalingen voltooid en is het volledige EU-aandeel in de ERA-leningen met een
hoogte van EUR 18,1 miljard aan Oekraïne uitgekeerd. De EU heeft haar aandeel in de
ERA-leningen eerder uitbetaald dan oorspronkelijk voorzien vanwege de grote financieringsnoden
van Oekraïne. Op 13 november vond eveneens een betaling onder de Oekraïnefaciliteit
plaats met een hoogte van EUR 1,8 miljard. De Commissie herhaalde het belang van spoedige
besluitvorming voor extra financiering voor het dekken van financieringstekort. De
Commissie lichtte verder toe dat het bij G7-partners zal blijven aandringen op het
naar voren halen van uitbetalingen onder de ERA-leningen, om zo aan de acute financieringsbehoefte
van Oekraïne tegemoet te komen. De Commissie ging tot slot in op de impact van het
sanctiebeleid. De Commissie ziet duidelijk effect van de maatregelen van de VS jegens
Rosneft en Lukoil en de implementatie van het 19de sanctiepakket door de EU.
Herstel- en Veerkrachtfaciliteit
De Raad stemde in met de aanpassing van de herstelplannen onder de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit
van Luxemburg, België, Estland, Kroatië, Slowakije en Roemenië. Uitbetalingen onder
de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit bedragen momenteel EUR 368 miljard, wat overeenkomt
met 57% van het totale bedrag. Tot nu toe is 63% van de totale subsidies en 49% van
de totale leningen uitgekeerd. Tegen het einde van dit jaar verwacht de Commissie
dat nog 27 miljard euro wordt uitgekeerd.
Jaarrapport van European Fiscal Board
De voorzitter van het Europees Begrotingscomité (European Fiscal Board, EFB) Pieter Hasekamp lichtte het jaarrapport toe4, waarvan de inhoud is beschreven in de geannoteerde agenda van deze Ecofinraad.5
Conclusies over EU-statistieken
De Raad stemde in met de conclusies over EU-statistieken, die voortbouwen op de prioriteiten
uit 2024 en aansluiten bij de EU-politieke agenda voor 2024–2029.6
Follow-up G20 en IMF bijeenkomsten
De Commissie gaf een korte terugkoppeling van de bijeenkomst van de Ministers van
Financiën en de gouverneurs van de centrale banken van de G20 op 15 en 16 oktober
2025.
Overig
Akkoord crisisraamwerk voor banken
Er is een akkoord bereikt over de herziening van het crisisraamwerk voor banken (crisis management and deposit insurance, CMDI). Een raadsakkoord was reeds gesloten onder het vorige (Poolse) voorzitterschap,
waarover uw Kamer in juli van dit jaar bent geïnformeerd.7 Onder het Deense voorzitterschap is het triloogakkoord verder technisch uitgewerkt.
Nederland heeft in Coreper van 12 november jl. aangegeven in te kunnen stemmen met
het bereikte akkoord, omdat de uitkomst past binnen de kaders van het BNC-fiche.8 Daarbij heeft Nederland samen met een groep lidstaten9 een schriftelijke stemverklaring afgegeven. Daarin werd benadrukt dat verdere stappen
ten aanzien van de bankenunie op een consensus gebaseerde manier moeten plaatsvinden.
Dit is een herhaling van de verklaring van de Eurogroep over de toekomst van de bankenunie
uit 2022.10
Stand van zaken onderhandelingen Omnibus I voor wat betreft CSRD
Op donderdag 13 november jl. stemde het Europees Parlement (EP) in met een positie
over Omnibus I. Eerder, op 14 oktober jl., stemde het EP nog tegen het innemen van
een dergelijke positie, zoals voorgesteld in het rapport van de Commissie Juridische
Zaken (JURI). Uiteindelijk is een meerderheid gevormd door European People’s Party
(EPP), European Conservatives and Reformists (ECR), Patriots for Europe (PfE) en Europe
of Sovereign Nations (ESN), waarna het JURI-rapport, aangevuld met ongeveer dertig
amendementen, is aangenomen.
De meest relevante wijzigingen ten aanzien van de CSRD (Corporate Sustainability Reporting
Directive) ten op zichte van het commissievoorstel zijn als volgt. De reikwijdte wordt
beperkt tot ondernemingen met gemiddeld meer dan 1.750 werknemers én een omzet van
meer dan 450 miljoen euro. Daardoor zullen minder ondernemingen verplicht zijn te
rapporteren op grond van de CSRD. Hiermee gaat de EP-positie verder dan zowel het
commissievoorstel (1.000 werknemers en óf meer dan 50 miljoen euro omzet óf meer dan
25 miljoen euro balanstotaal) als de raadspositie (1.000 werknemers en 450 miljoen
euro omzet). Daarnaast wijkt de positie van het EP voor de rapportagestandaarden af
van het Commissievoorstel. Het EP geeft, net als de Raad en in tegenstelling tot de
Europese Commissie, een nadere invulling aan de vereisten voor de versimpelde ESRS.
Het EP benadrukt dat waar mogelijk kwantitatieve informatie de voorkeur moet krijgen
boven kwalitatieve informatie. Op het gebied van standaarden voor de assurance van duurzaamheidsrapportages wijkt de positie van het EP af van het Commissievoorstel
en de Raadspositie. Het EP wil de assurancestandaarden behouden, in tegenstelling
tot de Europese Commissie en de Raad. Tot slot is, mede naar aanleiding van de kabinetsinzet,
in de raadspositie een vrijstelling opgenomen voor ondernemingen die nu rapporteren
maar in de toekomst buiten de reikwijdte van de CSRD zullen vallen. In de EP-positie
is geen vergelijkbare vrijstelling opgenomen. In dat licht zal ik mij blijven inzetten
om in de triloogfase voor deze ondernemingen een vrijstelling te regelen met als doel
om onnodige regeldruk te voorkomen.
Het Deense voorzitterschap streeft ernaar om nog voor het einde van dit jaar een akkoord
te bereiken. Ik zal u conform de gemaakte informatieafspraken blijven informeren over
het verdere verloop van de onderhandelingen.
Ontwikkelingen digitale euro
Zoals verzocht door de Kamer wordt u maandelijks geïnformeerd over de voortgang van
de onderhandelingen over een digitale euro. Onderstaand vindt u meer informatie over
de ontwikkelingen in de Raad, over het rapport van de rapporteur in het Europees Parlement
en over de volgende fase in de voorbereidingen door de Europese Centrale Bank.
Raadsonderhandelingen
Sinds september 2023 wordt er tussen lidstaten onderhandeld in de Raad over de wetsvoorstellen
van de Europese Commissie die een juridische basis vormen voor uitgifte van een digitale
euro door de Europese Centrale Bank. Het Deense voorzitterschap van de Raad heeft
de ambitie uitgesproken deze onderhandelingen nog dit kalenderjaar af te ronden en
tot een Raadspositie te komen. Zodoende is het tempo in de onderhandelingen opgevoerd:
er zijn drie raadswerkgroepen geweest sinds het vorige verslag van de Eurogroep/Ecofinraad.11
In meerdere raadswerkgroepen is gesproken over verschillende vraagstukken rond de
distributie van de digitale euro. Aan de orde was onder meer de vraag welke betaaldienstverleners
verplicht waren om cashdiensten aan te bieden voor de digitale euro. In de Raad was
er steun, waaronder van Nederland, om deze verplichtingen gelijk te trekken met bestaande
cashdienstverlening. Dit houdt in dat betaaldienstverleners die nu cashdiensten aanbieden
het mogelijk moeten maken dat consumenten en winkeliers digitale euro’s voor contant
geld kunnen omwisselen, en andersom. Ook heeft de Raad stilgestaan bij de rol van
Account Information Service Providers (AISPs) en Payment Initiation Service Providers (PISPs). Deze betaaldienstverleners met een beperkte vergunning mogen niet alle digitale-eurodiensten
aanbieden maar zouden mogelijk wel gebruik kunnen maken van de infrastructuur voor
beperkte digitale-eurodienstverlening. Dit levert risico’s op voor het gelijke speelveld
tussen verschillende betaaldienstverleners. Nederland heeft zich ervoor ingezet dat
alle verschillende soorten betaaldienstverleners een rol kunnen spelen in de digitale
euro infrastructuur, ook PISPs en AISPs.
Daarnaast is gesproken over de verplichtingen van banken en betaaldienstverleners
buiten de eurozone om digitale-eurodiensten aan consumenten binnen de eurozone aan
te bieden. Met het oog op een gelijk speelveld vonden veel lidstaten, waaronder Nederland,
dat deze aanbieders dit alleen zouden moet doen wanneer zij een significante aanwezigheid
hebben in eurozonelanden. Onder de lidstaten bestond brede steun om hiervoor drempelwaardes
uit te werken. In een latere raadswerkgroep is voorgesteld dat betaaldienstverleners
digitale-eurodiensten moeten bieden als ze meer dan 500.000 klanten in de eurozone
hebben óf als ze meer dan 5% van de inwoners van één eurozone-lidstaat van dienstverlening
voorzien.
Het kostenmodel was in twee raadswerkgroepen geagendeerd. Het kabinet zet zich ervoor
in dat winkeliers op de korte termijn voldoende bescherming krijgen tegen hogere transactiekosten
en dat banken en betaaldienstverleners op de middellange termijn een eerlijke vergoeding
krijgen voor de diensten die zij aanbieden, inclusief een redelijke winstmarge. Op
deze wijze probeert het kabinet een balans te vinden tussen de kosten voor banken
en betaaldienstverleners enerzijds en winkeliers anderzijds. Tijdens de raadswerkgroepen
zijn verschillende compromisvoorstellen besproken. Verschillende lidstaten, waaronder
Nederland, hebben willen voorkomen dat een compromis disproportionele gevolgen zou
hebben voor lidstaten met een efficiënt betalingsverkeer of met nationale kaartbetalingssystemen
die goedkoper zijn dan het eurozone-gemiddelde. Nederland heeft in dit kader aangegeven
het passend te vinden om in de eerste periode na invoering van een digitale euro gedifferentieerde
caps toe te staan, om rekening te houden met de bestaande verschillen en een disproportionele
stijging van vergoedingen voor winkeliers te voorkomen.
Tijdens de raadswerkgroep van 10 november jl. is een nieuw kostenmodel behandeld,
met een transitiefase van 5 jaar (te verlengen tot maximaal 10 jaar), gevolgd door
een kostenmodel voor de lange termijn. In de transitiefase geldt een gemiddeld eurozone-plafond,
tenzij de nationale transactiekosten statistisch significant lager zijn dan dit eurozone-plafond.
In dat geval geldt een nationaal plafond. Met dit voorstel wordt tijdelijk rekening
gehouden met de grote verschillen in transactiekosten tussen lidstaten. Dit beschermt
winkeliers in de eerste 5 á 10 jaar na uitgifte van de digitale euro. Hierna moet
een kostengebaseerd model in werking treden, dat tegemoetkomt aan de gemaakte kosten
van banken en betaaldienstverleners, inclusief een redelijke winstmarge. Hoewel Nederland
liever een tijdelijke nationale discretie had gezien om plafonds te bepalen die passen
bij de Nederlandse betaalinfrastructuur, komt dit compromis van het Deense voorzitterschap
goed overeen met de Nederlandse inzet. Het kabinet kan dit voorstel dan ook steunen.
Bij de raadswerkgroep van 30 oktober jl. is daarbij nog gesproken over de vaststelling
van aanhoudingslimieten, toegang tot mobiele apparaten ten behoeve van offline functionaliteiten
en privacy. Ten aanzien van aanhoudingslimieten zijn concrete tekstvoorstellen besproken
die het akkoord op hoofdlijnen in de Eurogroep, waarover uw Kamer eerder is geïnformeerd12, vertalen naar de digitale euro verordening. Nederland kon deze tekstvoorstellen
steunen. Voor het introduceren van offline functionaliteiten is nodig dat betaaldienstverleners
onder eerlijke voorwaarden toegang krijgen tot het secure environment13 in mobiele apparaten. In de Raad is gesproken over waarborgen die deze eerlijke toegang
bewerkstelligen. Het kabinet hecht veel waarde aan offline functionaliteiten voor
de digitale euro. Nederland kon de voorstellen voor deze eerlijke toegang dan ook
steunen. Als laatste zijn enkele resterende punten besproken ten aanzien van privacy
en weerbaarheid. Hierbij heeft Nederland benadrukt dat de digitale euro een zo hoog
mogelijk niveau van privacy moet hebben en moet bijdragen aan de weerbaarheid van
het Europese betalingsverkeer. Nederland sprak steun uit voor het merendeel van de
voorstellen die hieraan bijdragen.
Voortgang Europees Parlement
Op 3 november jl. publiceerde Fernando Navarette Rojas, rapporteur voor de digitale
euro in het Europees Parlement (EP), zijn conceptrapport.14 Dit rapport vormt het startschot voor de onderhandelingen over de voorstellen van
de Europese Commissie in het Europees Parlement. De rapporteur gaat ervan uit dat
het EP in mei 2026 een standpunt over het dossier zal innemen. Vervolgens kunnen de
triloogonderhandelingen met de Raad van start gaan, mits de Raad ook een akkoord heeft
bereikt in de raadsonderhandelingen over de voorstellen.
In het conceptrapport stelt de rapporteur van het EP aanzienlijke wijzigingen voor
ten opzichte van de conceptverordening. Zo wil de rapporteur in de eerste fase focussen
op de offline digitale euro, die hij noodzakelijk vindt voor de strategische autonomie
van het Europese betalingsverkeer.15 Voor wat betreft de online functionaliteiten ziet de rapporteur een conditionele
en trapsgewijze invoering voor zich. Deze online functionaliteiten zouden te veel
concurreren met private initiatieven voor pan-Europese betaalmethodes, zoals Wero,
en moeten volgens de rapporteur daarom alleen ingevoerd worden als de Europese Commissie
oordeelt dat deze private initiatieven in Europa onvoldoende van de grond komen. Het
conceptrapport dient als startpunt in de onderhandelingen. In de volgende fase zullen
andere leden van het EP amendementen kunnen indienen. De definitieve positie van het
EP zal dus nog moeten volgen. Hoewel Nederland veel waarde hecht aan de offline functionaliteiten
van de digitale euro, is het kabinet geen voorstander van een getrapte of voorwaardelijke
invoering van de online functionaliteiten. Een dergelijke aanpak creëert onzekerheid,
terwijl een succesvolle invoering juist vraagt om enkele jaren aan gedegen voorbereiding
door alle betrokken partijen, zowel binnen de ECB als in de sector. Daarnaast is het
kabinet van mening dat de digitale euro en private initiatieven, zoals Wero, goed
naast elkaar kunnen bestaan. Zo ziet het kabinet meerwaarde in een publiek initiatief,
bijvoorbeeld voor het realiseren van een publiek digitaal betaalmiddel dat de strategische
autonomie en weerbaarheid van het Europees betalingsverkeer waarborgt en concurrentie
stimuleert.
Verlenging voorbereidingsfase ECB
Op 30 oktober jl. kondigde de ECB aan de voorbereidingsfase met twee jaar te verlengen
tot en met oktober 2027.16 In deze nieuwe fase zal de ECB met nationale centrale banken de nodige infrastructuur
voor de invoering van de digitale euro gedeeltelijk bouwen, en deze infrastructuur
gaan testen. Hoewel het Eurosysteem zijn plannen afstemt op de verdere politieke besluitvorming,
heeft het wel alvast een inschatting gemaakt van de mogelijke projectkosten: de éénmalige
investeringskosten schat het Eurosysteem op EUR 1,3 mld., en bij invoering van de
digitale euro verwacht het Eurosysteem EUR 320 mln. aan jaarlijkse kosten. De verwachting
is dat deze kosten terugverdiend worden met seigniorage-inkomsten; de inkomsten van
de centrale bank die voortkomen uit het uitgeven en drukken van geld.
Afhankelijk van het verloop van de onderhandelingen in de Raad, het Europees Parlement
en de triloogfase, verwacht de ECB op zijn vroegst in 2029 technisch gereed te zijn
om de digitale euro uit te rollen. Of daadwerkelijk tot uitgifte wordt overgegaan
is en blijft onderdeel van het verdere politieke besluitvormingsproces.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën