Brief regering : Beleidsreactie verkenning naar de kosten van criminele carrières van adolescenten
28 741 Jeugdcriminaliteit
28 684 Naar een veiliger samenleving
Nr. 132 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 november 2025
Met deze brief informeer ik u over de uitkomsten van het verkennende onderzoek «Jong
op het verkeerde pad», dat in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum
(WODC) is uitgevoegd door Atlas Research. Dit onderzoek biedt waardevolle inzichten
in de omvang en verdeling van maatschappelijke kosten die voortvloeien uit criminele
carrières van adolescenten. Naast een weergave van de belangrijkste bevindingen uit
het onderzoek geef ik mijn reactie hierop.
Wanneer adolescenten strafbare feiten plegen, overstijgen de gevolgen vaak de directe
schade van het delict zelf. Crimineel gedrag leidt tot diverse maatschappelijke kosten,
variërend van (im)materiële schade bij slachtoffers tot uitgaven voor opsporing, vervolging,
berechting en bestraffing. Bovendien zijn er op langere termijn effecten zoals een
verminderde arbeidsmarktpositie van daders.
Om zicht te krijgen op de omvang en verdeling van deze maatschappelijke kosten analyseerden
de onderzoekers de CBS-data van circa 500.000 Nederlandse adolescenten die in de periode
2008 tot 2011 de basisschool verlieten. Ze onderzochten of deze adolescenten in de
periode na de basisschool (gemiddeld overeenkomend met de leeftijd van 12 tot en met
23 jaar) in aanraking kwamen met justitie, zoals verdacht worden van een misdrijf,
vervolging, berechting en bestraffing. Op grond van eerder onderzoek en recente cijfers
uit Criminaliteit en rechtshandhaving schatten de onderzoekers vervolgens de maatschappelijke
kosten die voortvloeien uit de diverse waargenomen «criminele carrières» van de gevolgde
adolescenten.
Bevindingen onderzoek
De meeste adolescenten (87% van de in totaal 513.148 adolescenten in het onderzoek)
werden tijdens de volgperiode niet verdacht van een misdrijf. De adolescenten die
wel verdacht werden, zijn ingedeeld in vijf clusters van «typerende» criminele carrières.
Typerende criminele carrières
De meeste adolescenten die in aanraking komen met politie en justitie plegen incidenteel
criminaliteit, variërend van één tot twee verdenkingen. Er wordt onderscheid gemaakt
tussen adolescenten die al voor hun achttiende verdacht worden van een misdrijf (5,3%
van de adolescenten) en de adolescenten die tussen hun achttiende en drieëntwintigste
verdacht worden van een misdrijf (3,3%). Daarna volgt een cluster waarin adolescenten
aan het einde van de adolescente periode (t/m 23 jaar oud) van twee misdrijven verdacht
zijn geweest (1,8%). Je kunt stellen dat er voor deze adolescenten geen sprake is
van een echte «criminele carrière», gezien het beperkte aantal verdenkingen.
1,5% van de adolescenten heeft een criminele carrière waarin ze over het algemeen
drie tot vijf keer verdacht zijn geweest van een misdrijf. Wat hierbij opvalt, is
dat de tijd tot de eerste verdenking in grote mate vergelijkbaar is met de adolescenten
die van slechts twee misdrijven verdacht worden, maar dat de verdenkingen zich daarna
in snel tempo opvolgen.
Het laatste cluster wordt gevormd door de adolescenten (1,0%) met de «zwaarste» criminele
loopbanen. Aan het einde van de volgperiode zijn alle adolescenten in deze groep minimaal
zes keer, maar veelal veel vaker, verdacht geweest van een misdrijf. Het gemiddeld
aantal verdenkingen ligt aan het einde van de adolescente periode op bijna dertien.
De meeste criminele carrières worden gekenmerkt door een vergelijkbaar criminaliteitspatroon.
Het verschil zit vooral in de frequentie en timing van het crimineel gedrag in de
adolescente periode, niet in het type misdrijven waarvan de adolescenten verdacht
zijn geweest. Gemiddeld betreft ongeveer 40% van alle verdenkingen tijdens de adolescente
periode een vermogensmisdrijf. Daarna komen misdrijven in de categorie «Vernieling,
lichte agressie en openbare orde» het vaakst voor (gemiddeld 20% van de verdenkingen),
gevolgd door geweldsmisdrijven (gemiddeld 16% van de verdenkingen). Een uitzondering
hierop is het cluster waarin de eerste (en doorgaans enige) verdenking van een misdrijf
plaatsvindt na achttienjarige leeftijd, hierin komen verkeersmisdrijven (32%) en drugsmisdrijven
(8,9%) relatief vaak voor ten opzichte van de overige clusters.
Geschatte maatschappelijke kosten
Het rapport geeft een inschatting van de maatschappelijke kosten die verbonden zijn
aan crimineel gedrag van de onderzochte groep adolescenten. De onderzoekers schatten
de totale maatschappelijke kosten tijdens de volgperiode1 op 10,3 miljard euro (prijspeil 2022).2 Het grootste deel van deze kosten, meer dan de helft (55%), wordt gedragen door slachtoffers
en hun naasten. Dit is een grove inschatting, waarbij niet is gecorrigeerd voor uitkeringen
door verzekeringen of schadevergoedingen door daders. Daarnaast bestaat circa 30%
uit reactiekosten van de overheid, zoals opsporing, vervolging en berechting en bestraffing.
Er is ook sprake van opportuniteitskosten voor de daders. Criminele carrières verlagen
de kans op een startkwalificatie en verhogen de kans op een laag inkomen. Vooral adolescenten
met meerdere verdenkingen of vroege betrokkenheid bij criminaliteit ondervinden deze
gevolgen.
De maatschappelijke kosten nemen logischerwijs toe naarmate een adolescent meer verdenkingen
heeft. Er lijkt een kantelpunt te zijn tussen de tweede en vierde verdenking tijdens
de adolescente periode, waarna zowel maatschappelijke als opportuniteitskosten sterk
oplopen. Ook valt op dat de groep met zware criminele carrières (meer dan 6 verdenkingen,
1% van de adolescenten) voor een disproportioneel groot deel van de maatschappelijke
kosten van adolescente criminaliteit zorgt, namelijk ruim 44% van het totaal.
Tot slot is naar verwachting sprake van indirecte kosten voor de maatschappij, onder
andere door lagere belastinginkomsten, grotere uitkeringsafhankelijkheid en meer gebruik
van sociale voorzieningen. Deze indirecte kosten zijn niet meegenomen in het onderzoek.
Het is belangrijk om te benadrukken dat het onderzoek een verkennend karakter heeft
en daarom indicatieve inzichten biedt in de maatschappelijke kosten van criminele
carrières van adolescenten. De resultaten zijn sterk afhankelijk van (noodzakelijke)
aannames, methodologische keuzes en beperkingen in de data. De bevindingen dienen
niet als precieze kwantitatieve voorspelling of sluitende kostencalculatie te worden
opgevat, maar geven inschattingen en bandbreedtes van de maatschappelijke en opportuniteitskosten
van crimineel gedrag tijdens de adolescente periode.
Beleidsreactie
Allereerst wil ik benadrukken dat de meeste jongeren en adolescenten niet in aanraking
komen met politie en justitie, zoals ook uit dit onderzoek blijkt. Zij volgen onderwijs,
ontwikkelen zich positief en dragen bij aan de samenleving. Ook is de geregistreerde
jeugdcriminaliteit in Nederland de afgelopen twee decennia fors afgenomen. Ten opzichte
van de piekjaren in 2006–2008 is in 2023 sprake van meer dan een halvering in de aantallen
jeugdige verdachten en strafrechtelijke daders.3 Tegelijkertijd laat dit onderzoek zien dat een kleine groep jongeren wel op een crimineel
pad terechtkomt, met grote maatschappelijke en persoonlijke gevolgen. Daar ligt een
belangrijke opgave.
De bevindingen uit het onderzoek onderstrepen het belang van dadergerichte criminaliteitspreventie
om te voorkomen dat kinderen, jongeren en adolescenten in aanraking komen met criminaliteit
en daarin (verder) afglijden naar een persistente criminele carrière.
Dit belang bleek eerder uit diverse recidiveonderzoeken door het WODC en het onderzoek
naar de criminele carrières van daders van High Impact Crimes.4, 5 Mede op basis van die onderzoeken is met de aanpak van High Impact Crimes (de HIC-aanpak)
ingezet op het voorkomen van (herhaald) daderschap. Om te voorkomen dat jonge kinderen
met criminaliteit in aanraking komen en daarin doorgroeien is eerder onder andere
de effectieve interventie Alleen jij bepaalt wie je bent (AJB) ontwikkeld, en wordt
momenteel gewerkt aan Integrale Toeleiding naar Arbeid (IPTA). Deze kennis en ervaring
heeft een plek gekregen binnen het programma Preventie met Gezag (PmG). De doelstelling
van PmG is het voorkomen dat jongeren in aanraking komen met, verder afglijden of
doorgroeien in (ondermijnende en georganiseerde) jeugdcriminaliteit.6 Het voorliggende onderzoek benadrukt dit belang. Ik zie verschillende aanknopingspunten
om het preventieve beleid voor jeugdcriminaliteit verder voort te zetten en te versterken.
Kostenperspectief
De geschatte maatschappelijke kosten van in totaal 10,3 miljard laten zien hoe groot
de (financiële) schade is die criminele carrières van adolescenten veroorzaken. Zoals
gezegd betreft dit een grove schatting, maar deze kosten maken duidelijk hoeveel er
te winnen valt als effectieve, preventieve interventies erin slagen om jongeren van
een crimineel pad af te houden, of weer op het juiste pad te brengen. Het onderstreept
dat gerichte investeringen in preventie substantieel kunnen bijdragen aan het beperken
van maatschappelijke kosten op de langere termijn.
Vroegsignalering en voorkomen recidive
Het onderzoek laat zien dat jongeren die al voor het verlaten van de basisschool in
aanraking komen met politie of justitie tot 15 keer vaker voorkomen in de groep met
de zwaarste criminele carrières (zes verdenkingen of meer). Ook factoren zoals opgroeien
in een eenoudergezin, lage sociaaleconomische status en lage cito-score of schooladvies,
gaan relatief vaak samen met crimineel gedrag in de adolescentie. Dit komt overeen
met de risicofactoren uit eerder wetenschappelijk onderzoek.7
Er lijkt daarnaast een kantelpunt te zijn tussen de tweede en vierde verdenking tijdens
de adolescente periode, waarna de maatschappelijke kosten sterk oplopen. De kans dat
een adolescent die drie jaar na het verlaten van het basisonderwijs al tweemaal verdacht
is, nog vaker zal worden verdacht van een misdrijf is zeer groot. Hetzelfde geldt
voor een adolescent die in een tijdsspanne van twee of drie jaar van meerdere misdrijven
wordt verdacht. Interventies rond dit moment kunnen efficiënt zijn gezien de oplopende
kosten bij zwaardere criminele carrières. Ook wordt geconstateerd dat 1% van de jongeren
(7,6% van de jongeren die verdacht worden van een misdrijf) verantwoordelijk is voor
44% van de maatschappelijke kosten.
Deze bevindingen onderstrepen in mijn ogen het belang van vroegtijdig ingrijpen om
te voorkomen dat jongeren (verder) afglijden naar een persistente criminele carrière.
Het benadrukt mijns inziens specifiek het belang van gerichte preventieve maatregelen
ter preventie van recidive. Dit sluit aan bij de bevindingen uit de eerdergenoemde
onderzoeken.
Het onderzoek bevestigt wat mij betreft daarmee de noodzaak om te focussen op dadergerichte
secundaire en met name dadergerichte tertiaire preventie, ten opzichte van primaire
preventie. Primaire dadergerichte preventie richt zich op alle jongeren, wat betekent
dat bij het overgrote deel van de doelgroep geen of nauwelijks risicofactoren voor
delinquent gedrag aanwezig zullen zijn. Zoals ook uit het onderzoek blijkt, komt een
groot deel van deze jongeren (87%) nooit in aanraking met politie of justitie. Het
is belangrijk om de middelen gericht in te zetten, te voorkomen dat er te breed ingegrepen
wordt, en dus met name te focussen op de groepen die risico lopen (verder) af te glijden
in de criminaliteit, zoals dat met secundaire en tertiaire preventie het geval is.
Secundaire dadergerichte preventie is gericht op jongeren die een groter risico lopen
om in de criminaliteit te belanden, bijvoorbeeld vanwege schooluitval of problemen
thuis. Hiermee wordt dus gerichter ingezet op die groep die risico loopt om af te
glijden in de criminaliteit. Dit gebeurt bijvoorbeeld met de interventie IPTA. Tertiaire
dadergerichte preventie betreft jongeren die al in aanraking zijn gekomen met politie
of justitie en bij wie recidive moet worden voorkomen. Hierop wordt bijvoorbeeld vanuit
de HIC-aanpak en inmiddels ook meerdere PmG-gemeenten ingezet door de Re-integratieofficier.8 De inzet op deze vormen van preventie vereist dat de doelgroep en (onderliggende)
problematiek goed in beeld is, zodat hier gericht en met passende interventies op
kan worden ingezet. Hiervoor spelen domeinoverstijgende samenwerking en gegevensuitwisseling
tussen de verschillende betrokken partijen zoals gemeenten, onderwijs, politie en
jeugdzorg een cruciale rol.
Ik zie dit ook in relatie tot het Landelijk Kwaliteitskader Effectieve Jeugdinterventies
(KEI), dat stelt dat interventies idealiter gebaseerd zijn op de inzet op bekende
risicofactoren en beschermende factoren.9 Daarnaast wordt in het KEI ook opgemerkt dat primaire preventie in de vorm van bijvoorbeeld
universele voorlichting vaak niet effectief is en zelfs averechts kan werken.
Aanpak van vermogensdelicten
Het onderzoek maakt duidelijk dat de dadergerichte preventie vooral effect kan sorteren
bij het tegengaan van vermogensdelicten. Vermogensdelicten blijken in veel gevallen
een instapdelict naar een bredere criminele carrière, en ook bij daaropvolgende verdenkingen
voeren vermogensdelicten de boventoon.
Er lopen al verschillende trajecten op de aanpak van vermogensdelicten in algemene
zin. Zo geldt voor winkeldiefstal dat er in 2025 in samenwerking tussen publieke en
private partners een plan van aanpak is opgesteld.10 Het plan omvat onder andere meer zicht op de problematiek (waaronder jongeren als
daders), een gebiedsgerichte aanpak en verbeterde strafrechtelijke dan wel civielrechtelijke
afhandeling. Adolescenten die vermogensdelicten plegen, kunnen ook bij de helingaanpak
in het vizier komen. Deze aanpak is echter niet specifiek gericht op de doelgroep
adolescenten, maar ziet op het frustreren van de afzetmarkt voor ontvreemde goederen,
het verhogen van de pakkans en retourneren van de eigendommen naar de slachtoffers,
ongeacht de leeftijd van de heler. Ik zal verkennen of de bevindingen uit het onderzoek
mogelijk aanleiding geven om bij de aanpak en preventie van (bepaalde type) vermogensdelicten
extra aandacht te besteden aan deze specifieke doelgroep.
Domeinoverstijgende aanpak
Het onderzoek laat duidelijk zien dat jeugdcriminaliteit geen op zichzelf staand vraagstuk
binnen het veiligheidsdomein is, maar sterk verweven is met het sociaal domein, onderwijs
en werk. Het is al bekend dat vroegtijdig schoolverlaten een van de belangrijkste
risicofactoren voor jeugdcriminaliteit is. Het huidige onderzoek laat daarnaast zien
dat criminele carrières verband houden met de arbeidsmarkt en de schoolcarrière. Zo
hebben jongeren met een criminele carrière minder vaak een startkwalificatie en vaker
een laag inkomen dan vergelijkbare jongeren zonder criminele voorgeschiedenis. Ik
haalde al het belang van domeinoverstijgend samenwerken aan als het gaat om gerichte
preventieve inzet op de juiste doelgroep. Ook om de voedingsbodem en de maatschappelijke
gevolgen van jeugdcriminaliteit aan te pakken is deze samenwerking van groot belang.
Dit is geen opgave die er breed ligt. Ik zal me hier daarom samen met mijn collega’s
van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport blijvend
voor inzetten.
Slot
Het inzicht in de kosten van criminele carrières van adolescenten draagt bij aan het
beleid gericht op de preventie van jeugdcriminaliteit en de doorontwikkeling daarvan.
Het benadrukt de nut en noodzaak van preventie van jeugdcriminaliteit in algemene
zin. Door een beter begrip over welke criminele carrières onder jongeren de grootste
financiële impact hebben en hoe dit criminele pad er uitziet, kan het preventiebeleid
effectiever worden ingestoken. Daarnaast bevestigt het onderzoek hoe belangrijk het
is dat ik mij met andere ministeries en partners inzet op de (door)ontwikkeling van
kansrijke en bewezen effectieve interventies ter voorkoming van (herhaald) daderschap
en slachtofferschap. Ik zal de opgedane kennis uit dit onderzoek delen met gemeenten
binnen het programma Preventie met Gezag en daarbuiten, met andere betrokken (justitie)partners
en met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
zodat zij deze inzichten ook kunnen toepassen in hun (lokale) beleid en uitvoeringspraktijk.
Hiermee versterken we de kennisbasis waarop landelijk en lokaal preventiebeleid wordt
gebaseerd. Zo zetten we ons gezamenlijk in om zoveel mogelijk jongeren op het rechte
pad te houden of daar op terug te brengen, en hun kansen op een mooie toekomst te
vergroten.
De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid