Brief regering : WODC Rapport over anti-institutionalisme in Nederland
29 754 Terrorismebestrijding
30 821
Nationale Veiligheid
Nr. 770
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 november 2025
Hierbij bied ik uw Kamer de uitkomsten van het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (hierna: WODC) «Anti-institutionalisme in Nederland Exploratieve overzichtsstudie
van gedachtegoed, organisatie, voedingsbodems, risico’s en bestaande handelingsperspectieven»
aan.
Het WODC heeft, op verzoek van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid
(hierna: NCTV), verkennend onderzoek laten uitvoeren door het Verweij-Jonker Instituut,
in samenwerking met Radar Advies en Textgain, naar anti-institutioneel extremisme
in Nederland. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Six Dijkstra
(NSC) waarin is verzocht om een onafhankelijk onderzoek uit te laten voeren naar de
oorzaken van anti-institutioneel gedachtegoed.1
Het onderzoek richt zich op de kenmerken, voedingsbodems en impact van anti-institutionele
bewegingen die in Nederland actief zijn; de mogelijke risico’s voor de democratische
rechtsorde; en de mate waarin en de omstandigheden waaronder er in Nederlandse anti-institutionele
bewegingen bereidheid bestaat tot het plegen van geweld. Daarnaast gaat het onderzoek
in op handelingsperspectieven voor beleidsmakers, gemeenten, politie en handhavers.
Hierbij wordt gekeken naar zowel de omgang met mensen met anti-institutionele overtuigingen,
alsook handvatten ter versterking van de maatschappelijke en institutionele weerbaarheid
tegen anti-institutioneel extremisme.2
Bevindingen
In het onderzoek wordt beschreven dat de doelgroep divers is en dat aanhangers van
anti-institutioneel extremistisch gedachtegoed veelal mannen zijn van 40 jaar en ouder,
woonachtig in ruraal Nederland. De meeste mensen die het anti-institutionele gedachtegoed
aanhangen zijn geen lid van gewelddadige netwerken, maar voelen zich miskend of vastgelopen
in het systeem. De manier waarop uiting wordt gegeven aan het gedachtegoed varieert
sterk. Personen die radicaliseren binnen het anti-institutionele gedachtegoed kunnen
overgaan tot gewelddadig gedrag, maar dit komt beperkt voor. Eerdere ervaringen met
geweld en wanhoop of gevoelens van uitzichtloosheid door persoonlijke problemen, in
combinatie met frustraties over de overheid en instituties, kunnen de geweldsbereidheid
verhogen. Vanwege de diffuse doelgroep en een breed palet aan persoonlijke grieven
die ten grondslag (kunnen) liggen aan het aanhangen van het gedachtegoed, belanden
signalen van radicalisering in verschillende beleidsdomeinen. Domeinoverstijgende
samenwerking is daarom cruciaal bij de signalering, preventie en aanpak van radicalisering
binnen het anti-institutionele gedachtegoed.
Aanbevelingen en beleidsreactie
In het rapport worden veertien handelingsperspectieven geschetst die zijn gericht
op een breed publiek, van lokale professionals tot het Rijk, binnen het sociaal, zorg-
en veiligheidsdomein. Grofweg kunnen deze handelingsperspectieven worden vertaald
in vier gecategoriseerde aanbevelingen.
Aanbeveling 1: Het op rijksniveau faciliteren van uitwisseling en bovenlokale coördinatie
van de aanpak.
Vanwege het brede scala aan uitingsvormen van het anti-institutionele gedachtegoed
en het diverse en diffuse karakter van de doelgroep, zijn er veel verschillende professionals
die in aanraking komen met deze groep. De onderzoekers wijzen erop dat dit vraagt
om overzicht van de instanties en organisaties met een rol of wettelijke taak. Daarnaast
wordt geadviseerd om het thema helder te positioneren binnen de landelijke overheid
en interdepartementale coördinatie op de aanpak te voeren.
Beleidsreactie
Er zijn meerdere departementen van de rijksoverheid, allen vanuit een eigen taakstelling,
betrokken bij het voorkomen en tegengaan van anti-institutioneel extremisme. Hierbij
gaat ook aandacht uit naar interdepartementale afstemming en het regionaal overstijgend
uitwisselen van uitdagingen en good practices in de aanpak. Het Ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) is het coördinerende beleidsdepartement
op de rechtsstatelijke en maatschappelijke aspecten van dit thema. De kern van de
inzet is ondersteuning van decentraal bestuur en professionele organisaties bij het
herkennen van en omgaan met anti-institutionele tendensen. Dit doen zij onder andere
door het ontwikkelen en delen van kennis over de beweging en het vergroten van vakmanschap
bij het omgaan met mensen die zich soeverein3 verklaren, zodat signalen vroegtijdig onderkend kunnen worden en hierop kan worden
geacteerd.4 Ook wordt ingezet op signalering van sociale problematiek en het verbeteren van
de verbinding met de overheid.
Op verzoek van BZK heeft de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (hierna: ESS – onderdeel
van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, hierna: SZW) onlangs samen
met BZK een landelijke bijeenkomst met bestuurders georganiseerd over de anti-institutionele
tendensen. Hierbij waren verschillende uitvoeringsorganisaties, gemeenten en departementen
aanwezig. Het doel was om de ervaringen en kennis vanuit diverse perspectieven op
dit thema met elkaar te delen en om te bespreken wat hierop verder nodig is. Een tweede
bijeenkomst volgt in het voorjaar van 2026.
Veruit de meeste personen die het anti-institutionele gedachtegoed aanhangen hebben
geen gewelddadige intenties en zijn er niet moedwillig op uit om de democratische
rechtsorde te ondermijnen. Een deel van de mensen houdt zich echter niet aan Nederlandse
wet- of regelgeving en een kleine groep is bereid tot gewelddadige activiteiten of
activiteiten die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Anti-institutioneel extremisme
raakt aan meerdere domeinen. Dit vraagt om een brede aanpak en er bestaat dan ook
een nauwe samenwerking met andere ministeries en landelijke partners zoals de politie,
het Openbaar Ministerie en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna:
AIVD). De rollen van de diverse organisaties die betrokken zijn bij de lokale aanpak
van anti-institutioneel extremisme, zijn beschreven in de handreiking over de lokale
aanpak5, de wet Gegevensverwerking Persoonsgerichte Aanpak Radicalisering en Terroristische
Activiteiten, en de memorie van toelichting op deze wet. Het reeds bestaande overzicht
in de handreiking over de lokale aanpak van organisaties die een rol kunnen spelen
in het tegengaan van extremisme, zal worden aangevuld met voor anti-institutioneel
extremisme relevante organisaties, bijvoorbeeld als onderdeel van het signaleringsnetwerk.
Voor anti-institutioneel extremisme zijn aanvullende organisaties zoals woningcorporaties
interessant om hierin te betrekken.
Aanbeveling 2: Het trainen en vergroten van bewustwording van ambtenaren en lokale
professionals die in direct contact staan met deze doelgroep.
In het onderzoek wordt gewezen op het belang van kennis over de ideologie, belemmerende
factoren voor geweldsbereidheid, de achtergrond en persoonlijke omstandigheden van
het individu, en de rol van psychosociale problematiek. Daarnaast zijn vaardigheden
zoals empathische gespreksvoering en omgaan met complotdenken en agressie of intimidatie
essentieel. Voor een passende aanpak is het belangrijk dat professionals herkennen
of mensen anti-institutioneel extremistisch gedachtegoed aanhangen en uitdragen vanuit
persoonlijke problematiek (zoals financiële of psychosociale problemen), of vanuit
een ideologische overtuiging.
Beleidsreactie
Het delen van kennis, bevorderen van bewustwording en trainen van vaardigheden vormt
een belangrijk onderdeel van de aanpak om (gewelddadig) extremisme tegen te gaan.
Het stelt professionals in staat om signalen tijdig te onderkennen en met deze doelgroep
om te gaan. Bij anti-institutioneel extremisme is het, gezien de diffuse doelgroep,
van belang om deze kennisbevordering bij een divers palet aan professies (bijvoorbeeld
deurwaarders, schuldhulpverleners en woningconsulenten) en met extra aandacht voor
rurale gemeenten in te zetten.
Om het vraagstuk domeinoverstijgend te benaderen heeft BZK, ten behoeve van kennisbevordering,
onderzoeken laten uitvoeren vanuit religiewetenschappelijk en sociologisch perspectief.6 Daarnaast faciliteren de NCTV en BZK trainingen voor lokale bestuurders en professionals
bij het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR). Hier worden trainingen
aangeboden over het fenomeen, waarin aandacht is voor de belemmerende factoren voor
geweldsbereidheid binnen de ideologie. Ook worden er trainingen aangeboden over gesprekstechnieken,
contact maken en weerbaarheid ten aanzien van intimidatie en agressie. Daarnaast worden
er kennisproducten en handreikingen ontwikkeld door gemeenten, samenwerkingsverbanden,
onderwijsinstellingen en de overheid, en worden er op regionaal en nationaal niveau
good practices uitgewisseld.7 De NCTV zal kennisbevordering met betrekking tot de diverse substromingen binnen
het anti-institutioneel extremisme voortzetten en stimuleren. Ook verleent de ESS,
in opdracht van BZK, ondersteuning aan gemeenten bij hun aanpak op anti-institutionele
tendensen. Hiertoe organiseert de ESS kennis- en leerbijeenkomsten voor gemeenten
en professionals uit het sociaal domein in verschillende regio’s in het land om de
bewustwording, kennis en netwerkvorming op anti-institutionele tendensen te versterken.
Het recent verschenen WODC-onderzoek «Radicalisering en psychosociale problematiek:
Beter begrijpen, beter ingrijpen»8, toont aan dat het van belang is om rekening te houden met onder andere psychopathologie
en psychologische behoeften in het radicaliseringsproces. De aanbeveling om oog te
hebben voor de rol van psychosociale problematiek zal opvolging vinden in het bredere
zorg- en veiligheidstraject, waar tevens ingezet wordt op kennisontwikkeling ten aanzien
van dit thema.
Aanbeveling 3: Gemeenten en lokale partners moeten tot een preventieve, integrale
lokale aanpak van radicalisering en extremisme komen.
Dit fenomeen vraagt bij uitstek om domeinoverstijgende samenwerking waarbij het sociaal,
zorg- en veiligheidsdomein betrokken worden en de bevoegdheden van partners helder
zijn. Daarnaast dient de signaleringsstructuur aangescherpt te worden om een breder
spectrum aan signalen te kunnen herkennen en is bestuurlijke aandacht voor anti-institutioneel
extremisme belangrijk.
Beleidsreactie
Gemeenten spelen een belangrijke rol in de brede aanpak waar het gaat om de inzet
op beschermende factoren, het herkennen van signalen van anti-institutioneel extremisme
en het weer in verbinding komen met deze doelgroep.
De ESS ondersteunt gemeenten in de preventieve lokale aanpak op radicalisering. BZK
heeft de ESS in staat gesteld om ontwikkelingen rondom anti-institutionele tendensen
hierin mee te nemen. De ESS versterkt daarnaast ook de regionale samenwerking van
gemeenten op de brede preventieve lokale aanpak van radicalisering. Om het lokale
beleid op de preventieve aanpak op radicalisering en extremisme te versterken, zal
de ESS in de advisering «bouwstenen» voor beleid aandragen. Het gaat om interventies
gericht op beschermende factoren9 die gemeenten binnen bepaalde domeinen, zoals het onderwijs- of sociaal domein, kunnen
inzetten.
Daar waar er sprake is van signalen van radicalisering, is er de lokale aanpak radicalisering,
extremisme en terrorisme. Deze aanpak brengt lokale partners uit het sociaal, zorg-
en veiligheidsdomein samen om preventieve en repressieve interventies in te zetten
om radicalisering tegen te gaan. Gemeenten worden ondersteund in het opzetten en bestendigen
van deze lokale aanpak door kennisproducten zoals de handreiking lokale aanpak, de
inzet van lokaal adviseurs van de NCTV en de verstrekking van Versterkingsgelden.
Hierbij zullen ontwikkelingen die specifiek zijn voor dit fenomeen, zoals beschreven
in het onderzoek, worden meegenomen. Te denken valt aan het uitbreiden van signaleringstructuren
met nieuwe partners zoals woningcorporaties of de gemeentelijke belastingafdeling,
om signalen van anti-institutioneel extremisme te onderkennen.
Op 1 juli 2025 is de wet Gegevensverwerking Persoonsgerichte Aanpak Radicalisering
en Terroristische Activiteiten in werking getreden. Deze wet geeft een wettelijke
basis aan een fundamenteel onderdeel van de lokale aanpak, de persoonsgerichte aanpak
radicalisering (PGA-R), en beschrijft de rollen en bevoegdheden van de vaste partners
binnen de PGA-R. Aanvullend kunnen incidenteel deelnemers aansluiten op basis van
hun deskundigheid of betrokkenheid bij de casus. Denk hierbij aan zorg-, welzijns-
of onderwijsinstellingen, partijen uit het veiligheidsdomein of deskundigen van een
kennisinstituut die expertise aandragen.
Aanbeveling 4: Het vergroten van veerkracht en maatschappelijke weerbaarheid.
Om ontvankelijkheid voor anti-institutioneel extremistisch gedachtegoed te verkleinen
is het gemakkelijker om beschermende factoren te versterken dan risicofactoren te
verzachten. Maatschappelijke betrokkenheid, veerkracht, vertrouwen in de overheid
en weerbaarheid tegen onder andere complottheorieën zijn belangrijke beschermende
factoren. Er wordt aanbevolen om een overkoepelend «caleidoscopisch» model te ontwikkelen
gericht op veerkracht tegen anti-institutioneel extremisme. Een dergelijk model beschrijft
het individu, de risicofactoren in de omgeving van het individu, de thema’s voor beschermende
programma’s en de waarden waarop deze programma’s gebaseerd zijn. Naast herstel van
vertrouwen in de overheid is het belangrijk om te investeren in maatschappelijke weerbaarheid,
democratische burgerschapsvorming en weerbaarheid tegen complottheorieën.
Beleidsreactie
Preventie begint bij het versterken van veerkracht en weerbaarheid in de samenleving
als geheel. Door breed in te zetten op deze basis, worden beschermende factoren vergroot
en omstandigheden die kunnen leiden tot onder andere radicalisering verkleind. Deze
brede aanpak raakt aan de inzet van meerdere departementen en sluit aan bij programma’s
die gericht zijn op welzijn, samenleven en democratisch burgerschap, ook al hebben
die niet specifiek het voorkomen van radicalisering als doel.
SZW draagt, binnen het eigen domein, bij aan het versterken van veerkracht en weerbaarheid
in de samenleving, met als doel het bevorderen van maatschappelijke samenhang en sociale
stabiliteit. Dit gebeurt onder meer via de Actieagenda Integratie en Open en Vrije
Samenleving, waarin wordt samengewerkt met gemeenten, maatschappelijke organisaties
en professionals om de weerbaarheid van gemeenschappen te vergroten en gevoelens van
vervreemding en uitsluiting te verkleinen. Deze inzet is preventief van aard en gericht
op het versterken van verbinding en vertrouwen binnen de samenleving.
Voor gemeenten is preventie ook niet uitsluitend een taak van het veiligheidsdomein,
maar hangt het juist nauw samen met het sociaal domein, onderwijs, zorg en andere
maatschappelijke programma’s – zoals het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid
(NPLV), de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC’s) en Preventie met Gezag.
BZK heeft de regie op de rechtsstatelijk en maatschappelijke dimensie van de opgave
rondom anti-institutionele tendensen, zoals de inzet op burgerschap, invloed en zeggenschap,
waarbij zij maatschappelijke initiatieven ondersteunen via fonds ZOZ.10
Tot slot
Om anti-institutioneel extremisme effectief aan te pakken, is een brede aanpak noodzakelijk.
Het vraagt zowel om preventie en het zoeken naar verbinding, alsook om normeren en
het stellen van grenzen. Ook is het van belang om de aanpak van anti-institutioneel
extremisme niet enkel als veiligheidsvraagstuk te benaderen, omdat de preventieve
kansen juist liggen binnen het sociaal en zorgdomein.
Ik zal de aanbevelingen van het onderzoek onder de aandacht brengen van de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Staatssecretaris Participatie en
Integratie en de zorg- en veiligheidspartners, om hun bewustwording op dit thema te
vergroten en aandacht te vragen voor de aanbevelingen die bij hen liggen.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten
Indieners
-
Indiener
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid