Brief regering : Kabinetsreactie WODC onderzoeksrapport over evaluatie Wet homologatie onderhands akkoord
35 249 Wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot homologatie van een onderhands akkoord (Wet homologatie onderhands akkoord)
Nr. 28 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 november 2025
Op 1 januari 2021 is de Wet homologatie onderhands akkoord (hierna: WHOA) in werking
getreden. De WHOA strekt ertoe het reorganiserend vermogen te versterken van ondernemingen
die vanwege een te zware schuldenlast insolvent dreigen te raken, maar wel beschikken
over levensvatbare bedrijfsactiviteiten. Daartoe voorziet de WHOA in de mogelijkheid
voor de schuldenaar of een herstructureringsdeskundige om een onderhands akkoord door
de rechter te laten goedkeuren («homologeren»), waardoor aan dat akkoord ook schuldeisers
en/of aandeelhouders zijn gebonden die niet met het aangeboden akkoord hebben ingestemd.
Van deze mogelijkheid kan ook gebruik worden gemaakt indien een onderneming niet meer
levensvatbaar is en een gecontroleerde afwikkeling buiten faillissement leidt tot
een beter resultaat dan een afwikkeling binnen faillissement.
Bij de totstandkoming van de WHOA is vastgelegd dat de wet binnen drie jaar geëvalueerd
wordt, waarbij de doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk worden besproken.
Deze evaluatie is neergelegd in een onderzoek dat in opdracht van het WODC is uitgevoerd
door de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit van Leiden. Het onderzoek is
in december 2023 afgerond en op 22 januari 2024 aan uw Kamer aangeboden.1 Bij die gelegenheid heeft de toenmalige Staatssecretaris Rechtsbescherming aangegeven
dat de regering op een later moment zal ingaan op het onderzoek en een reactie zal
geven op de bevindingen. Met de nu voorliggende brief wordt hieraan gevolg gegeven.
Het onderzoek en de belangrijkste bevindingen
Het onderzoek
Het onderzoek richtte zich in de kern op de volgende vragen:
• In hoeverre heeft de WHOA haar doelen bereikt?
• Is het wettelijk instrumentarium zoals neergelegd in de WHOA op de voorgenomen wijze
ingezet?
• Zijn er elementen van de WHOA die anders werken dan beoogd?
• Behoeven onderdelen van de WHOA bijstelling?
Voor de beantwoording van deze vragen is door de onderzoekers gebruik gemaakt van
verschillende onderzoeksmethoden. Allereerst is een reconstructie gemaakt van de precieze
doelstelling van de WHOA en welke middelen moeten bijdragen aan het bewerkstelligen
van deze doelen. Ten tweede heeft een jurisprudentieonderzoek plaatsgevonden, waarbij
uitspraken tussen 1 januari 2021 tot en met 1 juli 2023 met betrekking tot de WHOA
zijn geanalyseerd. Ten derde hebben verschillende expertbijeenkomsten plaatsgevonden.
Ten vierde zijn diepgaande casusstudies gedaan naar een vijftal WHOA-trajecten op
basis van dossiers en interviews met betrokkenen. Tot slot is een enquête uitgezet
onder verschillende stakeholdersgroepen (waaronder de advocatuur, rechterlijke macht
en de wetenschap) met als doel het in kaart brengen van ervaringen met de WHOA.
Conclusies
De onderzoekers komen tot de voornaamste conclusie dat de WHOA in het algemeen de
doelstelling heeft bereikt om het reorganiserend vermogen van levensvatbare ondernemingen
te versterken. Daarmee werkt de WHOA grotendeels als beoogd en naar behoren. Ook concluderen
de onderzoekers dat het wettelijk instrumentarium in de praktijk op de voorgenomen
wijze wordt ingezet. Daarbij maken de onderzoekers wel de aantekening dat de WHOA
minder goed toepasbaar lijkt voor het midden- en kleinbedrijf (hierna: MKB), meer
specifiek de kleinere onderneming.2 Hiervoor geven de onderzoekers als verklaring dat de kosten van een WHOA-procedure
voor deze ondernemingen een knelpunt kunnen zijn. Daarnaast geven de onderzoekers
aan dat de WHOA bij het MKB weinig bekend lijkt. De onderzoekers concluderen verder
dat de wetsevaluatie relatief vroeg komt. Zij geven hierbij aan dat de kans bestaat
dat bepaalde knelpunten nog niet voldoende uitgekristalliseerd zijn en dat de praktijk
op sommige punten nog haar weg moet vinden, zoals omtrent de invulling van de rol
en taakopvatting van de herstructureringsdeskundige en observator. Hierna wordt verder
ingaan op het onderzoek en geef ik een eerste reactie.
Appreciatie en vervolgstappen
Ik heb met veel belangstelling kennis genomen van het onderzoek. Het betreft een grondig
onderzoek dat veel waardevolle informatie bevat over het functioneren van de WHOA.
Hiervoor spreek ik mijn waardering uit.
Uit het onderzoek komt naar voren dat de WHOA in zijn algemeenheid goed functioneert.
Dit stemt mij tot tevredenheid. De onderzoekers signaleren echter ook dat de WHOA
minder goed toepasbaar is voor MKB-ondernemingen en dan met name voor de kleinere
ondernemingen. De onderzoekers concluderen dat dit komt door de hoge kosten die gepaard
gaan met een WHOA-procedure. Ook is sprake van onbekendheid van het MKB met de WHOA.
Met het oog hierop is reeds in de Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie
2025 een wijziging van de Wet griffierechten burgerlijke zaken opgenomen om dit knelpunt
aan te pakken. Meer specifiek wordt in de wet het griffierecht, dat wordt geheven
voor verzoeken tot homologatie of verzoeken tot afwijzing van homologatie, ingedeeld
in de laagste categorie griffierechten. Hierdoor wordt het griffierecht substantieel
verlaagd. Daarnaast wordt onder deze wet verrekening van griffierechten mogelijk bij
het doen van meerdere verzoeken in het kader van de WHOA. Hierdoor is maar één keer
griffierecht verschuldigd ingeval meerdere verzoeken worden gedaan in dezelfde WHOA-procedure.
Deze herziening van het griffierecht is doorgevoerd op 1 juli jl.3
Daarnaast wil ik werken aan meer bekendheid van de WHOA bij MKB-ondernemingen. Ik
treed hierover in overleg met de Minister van Economische Zaken om gezamenlijk te
kijken wat hiervoor de beste manier is. Ook aan de behoefte van de rechtbanken om
digitale zittingen te houden, om meer regie te hebben in de aanloop naar de homologatiezitting,
wordt al gewerkt. Ik heb een wetsvoorstel in voorbereiding waarmee het ook in WHOA-procedures
mogelijk wordt om zittingen langs digitale weg te laten verlopen.4
Verder zal ik verschillende partijen uit de praktijk raadplegen met als doel om aanbevelingen
en inzichten op te halen om de WHOA beter bereikbaar te maken voor MKB-ondernemingen
en meer specifiek het kleinbedrijf. Dit zal ik doen door een breed toegankelijke consultatie
open te stellen. In het kader van deze consultatie worden, mede op basis van het evaluatierapport,
aan met name de rechtspraktijk een aantal concrete vragen voorgelegd. Eén daarvan
betreft de vraag in hoeverre de observator eerder in de procedure kan worden benoemd,
zonder daarbij de benodigde snelheid van de WHOA-procedure uit het oog te verliezen.
Een deel van de respondenten uit het evaluatieonderzoek geeft namelijk aan te vinden
dat de observator te laat in de procedure wordt benoemd. Tot slot wil ik in de consultatie
de vraag opnemen hoe de praktijk zich heeft ontwikkeld ten aanzien van (bank)garantie
onder de WHOA, aangezien het evaluatieonderzoek aanleiding biedt tot nadere beschouwing
van de uitwerking van de bankgarantie onder de WHOA.
Uit het onderzoek volgt verder dat de wijze waarop de WHOA werkt, zich op verschillende
punten nog moet uitkristalliseren in de (rechts)praktijk. Daarbij geven zij aan dat
de praktijk onder meer nadere invulling krijgt door de rechtspraak over de WHOA, maar
dat het beeld – drie jaar na invoering van de wet – nog verre van volledig is. De
onderzoekers doen op enkele punten aanbevelingen om een en ander te verduidelijken
in wetgeving. Hierbij geven de onderzoekers op verschillende punten echter ook aan
dat de praktijk reeds met oplossingen is gekomen, zoals bij de afkondiging van de
afkoelingsperiode. Daarnaast geven de onderzoekers aan dat – en ik deel die visie –
op sommige punten, zoals bij de taakomschrijving van herstructureringsdeskundige of
observator, de praktijk goed in staat is hieraan zelf invulling te geven, bijvoorbeeld
door hierover een en ander op te nemen in praktijkregels. Op diverse punten geven
de onderzoekers ook aan dat de WHOA zich in jurisprudentie moet uitkristalliseren.
Het recht heeft aldus de tijd nodig om zich op deze punten te ontwikkelen. Deze ontwikkelingen
zal ik met belangstelling volgen.
Gezien voorgaande en het feit dat de wetsevaluatie relatief vroeg na de inwerkingtreding
heeft plaatsgevonden en het recht aldus tijd nodig heeft zich verder in de (rechts)praktijk
te ontwikkelen en uit te kristalliseren, zie ik op dit moment geen aanleiding om de
wet te wijzigen. Ik zal de ontwikkeling van WHOA, mede gelet op de voorgestelde verlaging
van de griffierechten voor MKB-ondernemingen en de aanstaande consultatie, met belangstelling
blijven volgen. In de bijlage ga ik meer in detail in op de specifieke aanbevelingen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid