Brief regering : Circulair textiel
32 852 Grondstoffenvoorzieningszekerheid
Nr. 394
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 november 2025
Een circulaire textielketen is van belang voor een schonere toekomst en een veerkrachtige
economie, waarin we slim omgaan met kostbare grondstoffen. Eind 2024 is het beleidsprogramma
circulair textiel 2025–2030 gepresenteerd en onlangs verscheen de actualisatie van
het Nationaal Programma Circulaire Economie.1 Met deze brief informeer ik de Kamer over de voortgang op het vlak van circulair
textiel aan de hand van de doelen uit het beleidsprogramma. Ook geef ik uitvoering
aan enkele moties en toezeggingen.2
1. Ontwikkelingen textielbeleid en Textielmonitor 2023
Het afgelopen jaar zijn er belangrijke stappen gezet op het gebied van circulair textiel.
Het nieuwe beleidsprogramma stelt concrete doelstellingen voor een volledig circulaire
textielsector in 2050. Er worden verschillende maatregelen genomen om circulariteit
in de keten te bevorderen, door het uitwerken van producteisen voor textiel onder
de Europese Ecodesign voor Duurzame Producten Verordening (ESPR) en ecomodulatie onder
de nationale uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) textiel. Met ecomodulatie
worden financiële prikkels ingebouwd in een UPV-systeem die producenten stimuleren
tot het maken van duurzamere producten. Ook wordt de UPV textiel uitgebreid voor de
inzameling van schoenen. Tot slot is de wel/niet lijst voor textielinzameling vernieuwd.3 Hierdoor wordt het makkelijker voor mensen om textielafval goed te scheiden en zo
hergebruik en hoogwaardige recycling beter mogelijk te maken.
Toch zien we ook een aantal zorgelijke ontwikkelingen dat het bevorderen van circulariteit
in de textielsector bemoeilijkt. Het aandeel goedkope (ultra) fast fashion producten
in de markt is enorm toegenomen en wordt gestuwd door e-commerce bedrijven van buiten
de EU, waar lagere milieunormen gelden. De aanhoudende stroom aan laagwaardig textiel
ondermijnt een gelijk speelveld voor Europese bedrijven en zorgt voor uitdagingen
in de tweedehands markt en bij het sorteren en recyclen van textiel. Door de trendgevoeligheid
van deze producten komt er ook in hoog tempo steeds meer textielafval bij, in een
sector waar al beperkt sprake is van een afzetmarkt voor recyclaat. De textielverwerkingssector
staat hierdoor onder grote druk. De cijfers uit de meest recente textielmonitor hieronder
weerspiegelen deze ontwikkelingen. Het is daarom positief dat de sector het initiatief
heeft genomen om een «Textieltafel» op te richten om gezamenlijk te komen tot oplossingen
voor de problemen in de inzamel-, sorteer- en recyclingketen. IenW neemt hieraan deel
en levert ondersteuning, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de motie Buijsse c.s.4
Textielmonitor beleidsprogramma 2023
Zoals in voorgaande jaren ontvangt de Kamer met deze brief ook de monitor van de doelen
uit het beleidsprogramma. De monitor laat zien dat er grote kansen liggen op het vlak
van circulair textiel. Tegelijk zorgt de groeiende productie en consumptie van kleding
en schoenen ervoor dat er meer textiel op de markt komt en dat zet de ambities onder
druk.
In plaats van een daling, zien we dat het aantal nieuw gekochte kledingstukken in
2023 is gestegen van 60,4 naar 61,8 stuks per persoon per jaar. Het aandeel duurzaam
en gerecycled materiaal in nieuwe artikelen is 12,1 procent. Met een doelstelling
van minimaal 50 procent in 2030 is er nog veel winst te behalen. In 2023 is het aandeel
tweedehands textiel weliswaar gestegen tot 10,5 procent, maar er is nog een weg te
gaan om de doelstelling van 25 procent in 2030 te bereiken. Deze groei wordt vooral
gestimuleerd door online tweedehands platforms, maar zal slechts beperkt toenemen
zolang er veel nieuwe kleding wordt verkocht. Ook groeit het aantal reparaties maar
beperkt. De lage prijs van nieuwe kleding en hoge reparatiekosten blijven belemmeringen
voor mensen om kleding te laten repareren.
De hoeveelheid textielafval per persoon lag met 11,6 kilogram nog boven de doelstelling
van maximaal 10 kilogram in 2030. Tegelijkertijd is het totale textielafval tussen
2018 en 2023 aanzienlijk gedaald, van 300 naar 200 kiloton. Deze daling is vooral
te danken aan een toename in hergebruik en de groei van de tweedehandsmarkt, waardoor
er minder textiel wordt weggegooid. Veranderingen in koop- en draaggedrag hebben hierbij
maar een beperkte impact.
2. Europees beleid
De complexe internationale textielketen vraagt om heldere afspraken en intensieve
samenwerking op Europees niveau. Nederland spant zich in voor ambitieuze Europese
regels om te komen tot de nodige systeemverandering in de textielketen. Hieronder
volgen de belangrijkste maatregelen.
Ecodesign voor Duurzame Producten Verordening (ESPR): producteisen voor textiel
Op 18 juli 2024 is de Ecodesignverordening voor Duurzame Producten (ESPR) officieel
in werking getreden. Deze kaderverordening maakt het mogelijk producteisen te stellen
aan de kwaliteit, duurzaamheid en recyclebaarheid. Producten die hier niet aan voldoen
worden geweerd van de Europese markt. De Europese Commissie werkt momenteel aan de
inhoudelijke eisen voor textiel en komt naar verwachting in 2027 met een voorstel.
Nederland bepleit onder andere een verplicht en ambitieus recyclaataandeel om de markt
voor gerecycled textiel aan te jagen en circulariteit te versterken. Onder de ESPR
wordt het vanaf 19 juli 2026 verboden voor grote bedrijven om onverkochte textiel
en schoenen te vernietigen. Voor middelgrote bedrijven geldt dit verbod vanaf 19 juli
2030. Het verbod moet verspilling tegengaan, bedrijven stimuleren vraag en aanbod
beter af te stemmen en overproductie voorkomen.
Herziening van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Kra): belonen van circulaire keuzes
In september dit jaar is de Europese herziening van de Kaderrichtlijn afvalstoffen
(Kra) aangenomen. De herziening zorgt voor een gelijk speelveld in Europa, omdat hiermee
alle Europese lidstaten verplicht worden om een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
(UPV) voor textiel in te voeren. Nederland heeft al sinds 2023 een UPV voor textiel.
Alle wijzigingen worden in de zomer van 2027 nationaal ingevoerd onder de UPV textiel
en treden dan uiterlijk in het voorjaar van 2028 in werking. Zo worden schoenen toegevoegd
aan de UPV textiel, komen er uitgebreidere informatie-eisen over hergebruik, reparatie
en milieu-impact van producten en worden er eisen gesteld aan de sortering van afgedankt
textiel. Producenten zullen ook moeten rapporteren over hoeveel tweedehands textiel
en textielafval zij exporteren.
Een andere belangrijke aanpassing is het verplichten van producenten om ecomodulatie
toe te passen op basis van de inhoudelijke eisen die onder de ESPR worden uitgewerkt.
Dit houdt in dat de bijdragen die producenten betalen aan de uitvoering van de UPV
gedifferentieerd worden op basis van verschillende circulaire criteria. Er kunnen
bijvoorbeeld eisen gesteld worden aan de levensduur van producten of een verplicht
percentage recyclaat. Een producent die producten op de markt brengt die lang meegaan,
hoeft dan minder bij te dragen dan een producent die producten verkoopt van lage kwaliteit.
Met ecomodulatie wordt circulair gedrag beloond en worden producenten gestimuleerd
om circulaire keuzes te maken bij het ontwerp van hun producten.
E-commerce handling fee: meer controle op de instroom
De aankoop van allerlei producten, waaronder kleding, gebeurt steeds vaker online.
In 2024 kwamen er via Nederland 1,1 miljard producten de Europese Unie in. In circa
30 procent van de instroom van kleine pakketten via Nederland gaat het om kledingstukken
die worden verkocht via niet-Europese e-commerce platforms. Handhavingsautoriteiten
en marktpartijen, waaronder Nederlandse sorteerbedrijven, textielrecyclers, kringloopwinkels
en (online) retailers geven aan dat deze kledingstukken, door de lage kwaliteit, niet
of nauwelijks geschikt zijn voor hergebruik of recycling.5 Ook vragen ze aandacht voor oneerlijke concurrentie en de producten die via deze
stroom de EU binnenkomen maar niet voldoen aan Europese productwetgeving op het vlak
van gezondheid, veiligheid en milieu.6
De Europese Commissie heeft op 5 februari een mededeling over e-commerce gepubliceerd,
met een brede aanpak om meer grip te krijgen op onveilige en niet-conforme producten
en zo een gelijk speelveld voor bedrijven te waarborgen.7 Eén van de maatregelen is afschaffing van de vrijstelling van douanerechten voor
kleine pakketten onder de € 150 en invoering van een «non-discriminatoire handling
fee» voor deze stroom. Omdat ultra fast fashion artikelen voornamelijk in de lage
prijscategorie vallen en via kleine pakketten worden geïmporteerd, draagt deze maatregel
bij aan het verminderen van de instroom aan ultra fast fashion artikelen in de markt.
Ook kan door het instellen van de «non-discriminatoire handling fee» de Douane worden gecompenseerd voor extra controlewerk en wordt
de handhaving op niet-conforme producten versterkt. Deze maatregel maakt deel uit
van de onderhandelingen over het nieuwe Douanewetboek van de Unie en gaat naar verwachting
eind 2026 in.
3. Aanpak ultra fast fashion
Met de motie van het lid Stoffer vraagt de Kamer om een actieplan met concrete maatregelen
voor een voortvarende aanpak van ultra fast fashion, waaronder gerichte handhaving
voor producten die niet voldoen aan producteisen en regelgeving in lijn met de Franse
ultra fast fashion-wet. Hierbij gaat het om maatregelen in aanvulling op lopende Europese
wetgevingstrajecten. Daarnaast wordt in de motie van het lid Teunissen gevraagd om
maatregelen, zoals verscherpt toezicht, te nemen op de inzameling van textiel door
fast fashion-bedrijven.
De moties sluiten goed aan bij de ingezette beleidskoers vanuit het beleidsprogramma
circulair textiel 2025–2030. Hieronder wordt ingegaan op de kansrijke maatregelen.
Deze worden geschetst aan de hand van de Franse wetgeving. Aansluitend wordt ingegaan
op gerichte handhaving op niet-conforme producten en handhaving op de inzameling van
textiel door fast fashion-bedrijven.
Actieplan ultra fast fashion
Om tot een circulaire textielketen te komen, is het noodzakelijk om het gebruik van
grondstoffen te verminderen. De opkomst van ultra fast fashion staat hier haaks op.
Het gaat om een verdienmodel waarbij consumenten online worden verleid om zo veel
mogelijk trendgevoelige kledingstukken te kopen. Hierbij gaat het steeds vaker om
textiel van lage kwaliteit met een korte levensduur, die tegen lage prijzen via niet-Europese e-commerce platforms wordt verkocht. Onderzoek van consumententoezichthouders
wijst uit dat daarbij marketingpraktijken worden toegepast die ondoordachte of onnodige
aankopen aanmoedigen, zoals nepkortingen, aftelklokken en bijna-uitverkocht meldingen.8 Dit verdienmodel ondermijnt een gelijk speelveld en ondernemers uit de Europese Unie
hebben veel last van de oneerlijke concurrentie. Ook zorgt de instroom van laagwaardig
textiel ervoor dat hergebruik en recycling onvoldoende van de grond kunnen komen.9
Context Franse wetgeving
In juni dit jaar heeft de Franse Senaat ingestemd met een nationale ultra fast fashion
wet. De wet is daarmee nog niet van kracht, maar in voorbereiding. Het voorstel wordt
nader uitgewerkt en de definitieve tekst moet nog worden vastgesteld. Het is op hoofdlijnen
bekend wat het wetsvoorstel inhoudt, maar het bevat verschillende elementen die via
decreten verder uitgewerkt moeten worden. De belangrijkste elementen uit de wet zijn:
− een nationale heffing op kleine pakketten van buiten de EU;
− een verbod op reclame van ultra fast fashion via traditionele media en influencer
marketing;
− boetes voor ultra fast fashion producten op basis van een ecoscore.
Hieronder wordt toegelicht in hoeverre vergelijkbare maatregelen nationaal mogelijk
zijn.
Heffing op kleine pakketten van buiten de EU
De Franse ultra fast fashion wet introduceert een nationale heffing op pakketten uit
niet-EU landen. Deze heffing moet gelden voor kleine e-commerce pakketten onder de
2 kilo en kan variëren tussen 2 en 4 euro per pakket.
Nederland is niet voornemens om een heffing in te stellen op kleine pakketten van
buiten de EU specifiek gericht op ultra fast fashion. Wel wordt momenteel door het
Ministerie van Financiën onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor nationale invoering
van een tijdelijke «non-discriminatoire handling fee» voor e-commerce, vooruitlopend
op de eerder vermelde Europese ontwikkelingen in het kader van het nieuwe Douanewetboek
van de Unie. Het Ministerie van Financiën heeft hierover advies aangevraagd bij de
Raad van State, na een besluit in de ministerraad op 14 november jl.10 Deze maatregel zal naar verwachting ook impact hebben op de instroom van ultra fast
fashion artikelen van buiten de EU.
Verbod op reclame van ultra fast fashion
Het Franse wetsvoorstel bevat een reclameverbod van ultra fast fashion voor zowel
traditionele als sociale media. Via een decreet wordt een juridische definitie van
ultra fast fashion uitgewerkt om te bepalen voor welke praktijken het verbod zal gelden.
De criteria die in het wetsvoorstel worden genoemd zijn het aantal referenties, het
aantal collecties, de prijs van producten en de milieu-impact van een product. Via
decreet worden ook de exacte getallen of drempels uitgewerkt.
Uit recent onderzoek blijkt dat een reclameverbod, als onderdeel van een breder maatregelenpakket,
een effectieve maatregel kan zijn om overconsumptie tegen te gaan.11 Ik ben echter geen voorstander van een reclameverbod. Reclameregulering is een inperking
van de vrijheid van meningsuiting en ik ben van mening dat deze alleen te rechtvaardigen
is met zwaarwegende redenen voor het algemeen belang, denk daarbij bijvoorbeeld aan
de volksgezondheid. Daarnaast is het ingewikkeld om tot de juridisch vereiste goede
afbakening te komen van ultra fast fashion. De maatregel kan daarbij zorgen voor extra
regeldruk, een ongelijk speelveld tussen lidstaten en vraagt om aanvullende handhavingscapaciteit
in een complexe e-commerce omgeving. Reclameregulering krijgt daarom op dit moment
geen vervolg.
Boetes voor ultra fast fashion op basis van een ecoscore
Met het wetsvoorstel wil Frankrijk een bonus-malussysteem invoeren op basis van de
milieuscore van producten. Bedrijven die producten verkopen met een hoge milieu-impact,
of die voldoen aan de definitie voor ultra fast fashion, moeten een boete betalen.
De exacte bedragen van de boete worden via een ministerieel besluit vastgelegd. De
opbrengsten van deze boetes worden gebruikt om bedrijven te belonen die producten
met een lage milieu-impact verkopen.
Het kabinet ondersteunt het principe om circulaire bedrijven te belonen. Dit past
ook in het uitgangspunt van de UPV dat de vervuiler betaalt. Onder de UPV textiel
is het vanaf 2027 verplicht om ecomodulatie toe te passen op basis van de producteisen
die onder de ESPR worden uitgewerkt. Hierdoor wordt het mogelijk om producenten te
belonen voor het toepassen van circulair design of het gebruik van recyclaat in textiel.
Lidstaten kunnen aanvullend op deze eisen, specifieke eisen voor tarieven opnemen
gericht op ultra fast fashion. Een voorbeeld hiervan is op basis van het aantal collecties
dat jaarlijks wordt geproduceerd.
Handhaving
De handhaving op textielproducten is in Nederland belegd bij verschillende toezichthouders.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de productveiligheid
van consumentenproducten, onder meer op onderdelen van de REACH-wetgeving die op textielproducten
van toepassing zijn. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ziet toe op de milieuaspecten
van producten en de UPV textiel. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) treedt op
bij misleidende claims of als er sprake is van oneerlijke handelspraktijken.
Handhaving niet-conforme producten
De motie van het lid Stoffer vraagt om gerichte handhaving op ultra fast fashion producten
die niet aan de Europese regels voldoen. De NVWA werkt jaarlijks mee aan handhavingsprojecten
van REACH-wetgeving op een breed scala van consumentenproducten. Deze projecten worden
uitgevoerd onder coördinatie van het Forum voor het uitwisselen van handhavingsinformatie
bij het Europees Agentschap voor Chemische stoffen (ECHA). Op basis van de resultaten
van recent onderzoek kan worden geconcludeerd dat in de categorie textiel beperkt
sprake is van non-conformiteit met REACH-wetgeving.12 Daarnaast is er in Nederland vanwege de grote pakkettenstroom en beperkte handhavingscapaciteit
sprake van relatief beperkt grenstoezicht op e-commerce stromen van buiten de EU.
Hierdoor kan niet met zekerheid vastgesteld worden in hoeverre ultra fast fashion
producten voldoen aan overige Europese productwetgeving. Op dit moment wordt in samenwerking
met het Ministerie van EZ, de Douane en handhavingsautoriteiten gewerkt aan het versterken
van de controles aan de grens.
In een recent rapport uit de ILT haar zorgen over de manier waarop fast fashion tweedehands
kleding van de markt verdringt en hoogwaardige recycling van textiel belemmert.13 De ILT geeft daarom in de komende periode prioriteit aan toezicht op wetgeving die
voor de kledingsector relevant is: de UPV textiel, de Europese Verordening Overbrenging
Afvalstoffen (EVOA) en de aankomende ontwerpeisen voor textiel onder de Ecodesign
voor Duurzame Producten Verordening (ESPR). Binnen deze instrumenten onderzoekt de
ILT manieren om de handhaving te versterken.
Handhaving inzameling textiel
Met de motie van het lid Teunissen verzoekt de Kamer om het toezicht op de inzameling
van textiel door fast-fashionbedrijven aan te scherpen.14 De aanleiding hiervoor was een uitzending van het programma Radar. Dat bedrijven
recycling van kleding actief stimuleren en faciliteren in winkels is een positieve
ontwikkeling. Hergebruik en recycling dragen bij aan het verkleinen van de milieu-impact
van de textielketen. In Nederland zijn producenten verantwoordelijk voor de inzameling,
hergebruik en recycling van het textiel dat ze op de markt brengen. Daarvoor gelden
sinds dit jaar doelstellingen waar producenten vanaf 2026 verslag over moeten uitbrengen.
Zoals eerder vermeld, houdt de ILT toezicht op textielinzameling en zal de handhaving
op textielwetgeving in de komende periode prioriteren. Daarbij onderzoekt de ILT mogelijkheden
om het toezicht op fast fashion aan te scherpen en om de risico’s op dumping van onbruikbare
tweedehands kleding in bestemmingslanden effectief te beperken.
In de uitzending van Radar gaat het om claims die worden gedaan over de inzameling
van textiel. Bedrijven die aan consumenten communiceren over een duurzame afhandeling
van ingezamelde textielproducten, moeten dit op een eerlijke, duidelijke en transparante
manier doen. De ACM ziet toe op misleidende duurzaamheidsclaims. In de ACM Leidraad
Duurzaamheidsclaims staat toegelicht aan welke eisen moet worden voldaan voor het
gebruik van duurzaamheidsclaims.15 Een belangrijk startpunt voor handhaving door de ACM is dat er een verband is tussen
de claim en de verkoop van producten of diensten aan consumenten. In het geval van
recycling is dat niet altijd zo. Wanneer dit verband wel kan worden vastgesteld, is
een verdere inhoudelijke toets nodig. Hierbij is het ten eerste van belang dat de
claim feitelijk onjuist is, of de consument misleidt of kan misleiden. Daarnaast moet
gekeken worden naar de context waarbinnen de claim wordt gedaan en in hoeverre de
claim de consument beïnvloedt om aankopen te doen. Op basis van de op dit moment beschikbare
informatie valt hier geen eenduidige conclusie over te trekken.
Samengevat wordt er in de komende periode gewerkt aan twee concrete maatregelen in
de aanpak van ultra fast fashion bovenop lopende Europese beleidswijzigingen. Dit
zijn het onderzoeken van de versnelde invoering van de «non-discriminatoire handling
fee» voor kleine pakketten van buiten de EU en het prioriteren van handhaving op textielwetgeving
door de ILT. Met deze maatregelen wordt uitvoering gegeven aan de moties van de leden
Stoffer en Teunissen.
4. Onderzoeken, moties en toezeggingen
Hieronder volgt een stand van zaken van de overige moties en toezeggingen op het vlak
van circulair textiel.
Rapportage UPV
Bij de beantwoording van Kamervragen over textielinzameling is toegezegd om in de
voortgang over het textielbeleid terug te komen op de verslagen van de UPV textiel.16 Over het jaar 2024 hebben producenten in augustus 2025 bij Rijkswaterstaat verslag
uitgebracht over de hoeveelheid in Nederland in de handel gebrachte textielproducten.
Per productcategorie komt dat afgerond uit op de volgende hoeveelheden:
Consumentenkleding
162 kton
Bedrijfskleding
9 kton
Huishoudtextiel voor particulier gebruik
95 kton
Huishoudtextiel voor bedrijfsmatig gebruik
3 kton
Totaal
269 kton
Deze hoeveelheden laten nog niet de volledige textielmarkt in Nederland zien, omdat
er ook producenten zijn die onder de UPV vallen maar zich nog niet hebben gemeld bij
de Rijkswaterstaat. Deze producenten voldoen daarmee niet aan hun wettelijke verplichtingen.
De ILT ziet erop toe in de handhaving dat ook deze producenten zich gaan melden. De
gerapporteerde hoeveelheden op de markt gebracht textiel kunnen daarom nog wijzigen
in de toekomst.
Dierenwelzijn in de textielsector
IenW heeft samen met het Ministerie van LVVN een onderzoek laten uitvoeren naar dierenwelzijn
in de textielsector, met specifieke aandacht voor het gebruik van angorawol, dons
van levend geplukte dieren en kangoeroeleer. Aanleiding voor dit onderzoek is de motie
van lid van Esch die oproept tot een plan om producten met bont, dons van levend geplukte
dieren, angorawol of kangoeroeleer uit Nederlandse winkels te weren.17 Aangezien op dit moment nog onvoldoende juridische en feitelijke onderbouwing bestaat
om een verkoopverbod te rechtvaardigen, gaat het onderzoekrapport in op de gevolgen
van het productieproces van deze materialen voor het dierenwelzijn en de houding van
de Nederlandse bevolking ten aanzien van deze materialen. Het rapport «Dierenwelzijn
in de textielsector» is bij deze brief gevoegd.
Het onderzoek laat zien dat de productie van angorawol, kangoeroeleer en dons van
levend geplukte dieren gepaard gaat met aanzienlijke risico’s voor het dierenwelzijn.
Voor kangoeroeleer geldt dat dit afkomstig is van commerciële jacht in Australië.
De bestaande regelgeving borgt het dierenwelzijn er slechts beperkt en het toezicht
is ontoereikend. Ook het «levend plukken» van eenden en ganzen gaat gepaard met ernstige
risico’s voor het dierenwelzijn. In de EU is dit dan ook verboden. Toch komt deze
praktijk in landen buiten de EU, met name in China, nog voor. Hoewel certificeringssystemen
zoals de Responsible Down Standard enige bescherming kunnen bieden, kennen zij beperkingen
in zowel toezicht als effectiviteit. Tot slot geldt ook dat bij de productie van angorawol
er sprake is van structurele dierenwelzijnsrisico’s, mede doordat China als grootste
producent geen wettelijke kaders hanteert om het dierenwelzijn te waarborgen en er
geen internationale richtlijnen zijn voor diervriendelijke productiemethoden. Naast
het literatuuronderzoek is ook een opiniepeiling uitgevoerd, waaruit blijkt dat Nederlanders
nauwelijks stilstaan bij de herkomst van de materialen. Tegelijk zorgt informatie
over het productieproces ervoor dat deze houding sterk verandert. Zo geeft 73 procent
van de ondervraagden aan het onacceptabel te vinden dat kleding wordt geproduceerd
waarvoor dieren pijn lijden. 72 procent staat na het verkrijgen van informatie negatief
tegenover het gebruik van angorawol, kangoeroeleer en dons in kleding.
Het onderzoek biedt aanknopingspunten voor beleid gericht op meer ketentransparantie,
betere consumentenvoorlichting en waar nodig regulering van verkoop en import van
materialen met ernstige dierenwelzijnsproblemen. De uitkomsten worden meegenomen in
verdere beleidsontwikkeling, waaronder op Europees niveau met het oog op een gelijk
speelveld.
Verplichte retourkosten
De Kamer heeft eerder aandacht gevraagd voor het terugdringen van retouren. IenW heeft
samen met het Ministerie van Economische Zaken onderzoek laten doen naar het effect
van verplichte retourkosten voor online verkochte kleding in Nederland. In het onderzoek
wordt geconcludeerd dat het transport als gevolg van retourzendingen nauwelijks van
invloed is op de milieu-impact van kleding. De productie heeft verreweg de grootste
impact. Ook blijkt dat door het invoeren van verplichte retourkosten het aantal retourzendingen
teruggedrongen kan worden met 15 procent. Als gevolg daarvan kan het aantal nieuw
geproduceerde items met 7 procent wordt gereduceerd, omdat er minder kleding wordt
besteld.
In totaal kan dit leiden tot een reductie van 7,3 procent aan broeikasgasemissies
ten opzichte van de huidige situatie. Als dit wordt vertaald naar aantallen kledingstukken
gaat het om 18 miljoen kledingstukken die jaarlijks niet geproduceerd hoeven te worden.
Het verplichten van retourkosten kan dus een effectieve beleidsmaatregel zijn om bestelgedrag
te beïnvloeden. Dit is nog meer het geval in combinatie met het verplichten van verzendkosten.
Dit kan niet op nationaal niveau worden geregeld. De Europese consumentenrichtlijn
legt het al dan niet rekenen van retourkosten namelijk binnen de keuzevrijheid van
de handelaar en staat aanvullende nationale wetgeving niet toe. Kortom, bedrijven
mogen zelf beslissen of zij retourkosten willen rekenen. In Nederland kiest circa
71% van de fashion e-commerce bedrijven om geen kosten in rekening te brengen voor
retourzendingen van online aangeschafte kledingstukken. Een verplichting tot het rekenen
van retourkosten zou op Europees niveau vastgelegd moeten worden en ligt binnen de
bevoegdheid van het Ministerie van Economische Zaken. Tegelijk roept een dergelijke
maatregel vragen op over uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid in een e-commerce omgeving,
onder andere in relatie tot een gelijk speelveld met spelers die niet in de EU zijn
gevestigd.
Tot slot
Met deze brief heb ik de Kamer geïnformeerd over de beleidsontwikkelingen op het vlak
van circulair textiel. We nemen noodzakelijke stappen om de kwaliteit van textielproducten
te verhogen en hergebruik, reparatie en de inzet van recyclaat in Europa te stimuleren.
De Kamer wordt over deze en andere inspanningen voor een circulaire textielketen op
de hoogte gehouden.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.A. Aartsen
Indieners
-
Indiener
A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat