Brief regering : Beleidsreactie op Inspectiebrieven rampenbestrijding en brandweerzorg Caribisch Nederland en GHOR en Inspectierapport bovenregionaal grootschalig en specialistisch brandweeroptreden
26 956 Beleidsnota Rampenbestrijding
29 517
Veiligheidsregio’s
Nr. 222
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 november 2025
Hierbij bied ik uw Kamer drie recent verschenen onderzoeken van de Inspectie Justitie
en Veiligheid (hierna: de Inspectie) binnen het domein van crisisbeheersing en brandweerzorg
aan, vergezeld van mijn beleidsreactie. Het betreft de brieven van de Inspectie aangaande
crisisbeheersing op Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de rol van Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie
in de Regio, en het rapport over grootschalig en specialistisch brandweeroptreden.
Beleidsreactie Crisisbeheersing op Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Met interesse heb ik kennis genomen van de brief gepubliceerd d.d. 24 november jl.1 over de stand van zaken betreffende de aanbevelingen die de Inspectie Justitie en
Veiligheid geformuleerd heeft in het rapport d.d. 30 mei 2023.2 In onderstaande alinea’s ga ik nader in op verschillende constateringen en nieuwe
aanbevelingen die de Inspectie doet in haar brief.
Crisisbeheersing
Allereerst ben ik verheugd dat de Inspectie in haar brief heeft kunnen constateren
dat mijn ministerie een sterkere invulling geeft aan de rol van stelselverantwoordelijke
voor crisisbeheersing en rampenbestrijding in Caribisch Nederland. Zoals eerder door
mijn voorganger aangegeven is het immers noodzakelijk dat er snel en zichtbaar stappen
worden gezet in de verdere versterking van de crisisbeheersing op Bonaire, Sint Eustatius
en Saba. Mijn ministerie is dan ook direct aan de slag gegaan met de opvolging van
de aanbevelingen die de Inspectie heeft gedaan in haar rapport d.d. 30 mei 2023 en
dankt de Inspectie voor de nieuwe aanbevelingen. De aanbevelingen zien vooral op het
versterken van de crisisorganisaties van Bonaire, Sint Eustatius en Saba3. We werken gezamenlijk hard aan het verder op orde krijgen van de basis. Daar haken
we zoveel als mogelijk ook aan op de huidige ontwikkelingen op het gebied van crisisbeheersing
in Europees Nederland. Dat vergt voortdurend keuzes maken.
De afgelopen jaren is de financiële bijdrage voor de kosten die voor de openbare lichamen
voortvloeien uit de organisatie van de rampenbestrijding, crisisbeheersing en rampenbestrijding
op grond van het Kostenbesluit BES verhoogd. Naast verschillende andere maatregelen
die in gang zijn gezet, wordt de Slachtoffer Informatie Systematiek geïmplementeerd,
wordt gewerkt aan het opstellen van een Koninkrijks Crisisplan Militaire Dreigingen
en voert het Knooppunt Coördinatie Rijk Regio (voorheen het Landelijk Operationeel
Coördinatiecentrum) haar taken ook uit voor Caribisch Nederland. Ik teken hierbij
aan dat – gelet op de beschikbare capaciteit en (financiële) middelen in Europees
Nederland en in combinatie met het absorptievermogen van de eilanden – er in voorkomend
geval prioriteiten keuzes moeten worden gemaakt. Dit doe ik in gezamenlijkheid met
de eilanden om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de lokale behoeften en beschikbare
capaciteit op de eilanden.
De Inspectie constateert dat de analyse van crisiscapaciteiten nog niet is afgerond,
terwijl dit in 2024 had moeten gebeuren. Bij het versterken van de crisisbeheersing
van de eilanden zetten we in op samenwerking met de landen binnen het Koninkrijk.
Hoewel dit veel oplevert – een stevig netwerk, afspraken over gezamenlijk opleiden,
trainen en oefenen, uitwisseling van kennis en expertise – ontstaat er daardoor soms
helaas ook vertraging. Ook het lopende onderzoek van onderzoeksbureau Crisisplan naar
crisiscapaciteiten op de zes eilanden gebeurt in samenwerking met de betrokken landen.
Het doel van dit onderzoek is in het kaart brengen van de beschikbare crisiscapaciteiten
in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Afronding hiervan is voorzien op korte termijn.
De personele capaciteit van de crisisorganisaties Bonaire, Sint Eustatius en Saba
maakt reeds onderdeel uit van de inventarisatie en analyse van crisiscapaciteiten,
zoals de Inspectie ook aanbeveelt. Om deze reden, en omdat wijzigingen in de onderzoeksopdracht
zullen leiden tot meer vertraging in het opleveren van de analyse, zie ik geen aanleiding
om de lopende opdracht naar crisiscapaciteiten te wijzigen. De eerste uitkomsten van
het onderzoek naar crisiscapaciteiten zijn tijdens de Week van de Crisisbeheersing
Caribische delen van het Koninkrijk gepresenteerd. Op basis van het uiteindelijke
rapport zal in overleg met de openbare lichamen en andere crisispartners worden bezien
of en welke maatregelen aanvullend nodig zijn en door wie deze gerealiseerd kunnen
worden. Hierbij zullen keuzes, ook in tijd, moeten worden gemaakt gelet op de beschikbaarheid
van financiële middelen en personele capaciteit. De Inspectie geeft in dit verband
aan dat er nog steeds geen normenkader is. Ik merk hiertoe op dat de uitkomsten van
de analyse van crisiscapaciteiten door onderzoeksbureau Crisisplan onder andere nodig
zijn om dit normenkader te realiseren. Ook zijn ontwikkelingen in Europees Nederland
in dit verband relevant.
Ten aanzien van de aanbeveling van de Inspectie om te komen tot een pool van functionarissen
merk ik op dat de pool van functionarissen onderdeel is van het samenwerkingsverband
«Caribbean Civil Protection Mechanism (CCPM)». Er is een Stuurgroep CCPM opgezet.
In deze Stuurgroep vindt besluitvorming plaats over bijvoorbeeld de ontwikkeling van
het CCPM, de pool van functionarissen als onderdeel hiervan en de beschikbare financiën.
Op dit moment wordt door het secretariaat van het CCPM gewerkt aan een roadmap voor de komende jaren. De eerste training vanuit het CCPM is eind van 2025 voorzien.
Aan de hand van de praktijk vindt steeds verbetering plaats van de opzet en werking
van het CCPM, waaronder de pool van functionarissen. Een mooi voorbeeld hiervan is
dat het aanvraagproces voor capaciteit behoorlijk wat tijd in beslag bleek te nemen.
Met behoud van de nodige waarborgen zijn er afspraken gemaakt om dit sneller te laten
verlopen. Een evaluatie van het CCPM, inclusief de pool van functionarissen, was reeds
voorzien medio 2027, zoals ook wordt aanbevolen door de Inspectie.
Voor de herziening van de Veiligheidswet BES beveelt de Inspectie aan om een tijdspad
te bepalen en te sturen op voortgang en implementatie. Het tijdspad voor de herziening
van de Wet Veiligheidsregio’s is hier echter leidend. In het kader van het principe
van «comply or explain» wordt gelijktijdig en in goede samenwerking met de openbare
lichamen bekeken of de wijzigingen in de Wet Veiligheidsregio’s ook moeten worden
doorgevoerd in de Veiligheidswet BES. Zo wordt met een wetsvoorstel twee wetten gewijzigd.
De eerste tranche wijzigingen van beide wetten is onlangs de consultatie afgerond.
In het wijzigingstraject zal ook worden bezien of er uit de evaluatie van de Veiligheidswet
BES nog openstaande zaken zijn die aanpassing van die wet vergen. De aanbeveling om
de uitkomsten van de capaciteitenanalyse mee te nemen in het proces van de wetswijziging
betrek ik in de overwegingen.
Het is de intentie om de actualisatie van het Handboek Crisisbeheersing Caribische
delen van het Koninkrijk uiterlijk begin volgend jaar af te ronden. Hierbij worden
niet alleen de openbare lichamen, maar uiteraard ook de Caribische Landen van het
Koninkrijk betrokken en de crisispartners in Europees Nederland. In de actualisatie
van het Handboek worden onder andere de rollen en verantwoordelijkheden en het bijstandsproces
verduidelijkt.
De aanbeveling van de Inspectie om zo actief mogelijk ondersteuning te bieden aan
de openbare lichamen ter versterking van de crisisbeheersing neem ik ter harte. Ik
ben mij er van bewust dat de eilanden kwetsbaar zijn, dat de capaciteit op eilanden
beperkt is en dat extra personele inzet verder kan bijdragen aan de versterking van
de crisisbeheersing. Wel zal moeten worden bezien op welke manier dit kan worden vorm
gegeven binnen de gegeven financiële kaders.
Brandweerzorg
Met tevredenheid concludeer ik dat de Inspectie onderschrijft dat in 2024 invulling
is gegeven aan haar aanbeveling inzake de ondersteuning aan de Openbare Lichamen bij
het opstellen van hun brandweerzorgplannen. De Inspectie concludeert dat de plannen
echter nog niet waren vastgesteld door het bestuurscollege. Hierbij kan ik melden
dat het brandweerzorgplan van Sint Eustatius inmiddels is vastgesteld en dat in het
Crisisplan van Sint Eustatius de operationele prestaties van de brandweer zijn vastgelegd
zoals is vereist in de Veiligheidswet BES. Ook de brandweerzorgplannen van Saba en
Bonaire zijn gereed en ingediend bij de openbare lichamen maar wachten nog op goedkeuring.
Het Openbaar Lichaam Saba wil samen met de hulpdiensten alle operationele prestaties
vastleggen, momenteel lopen deze gesprekken. Het Openbaar Lichaam Bonaire heeft de
intentie het plan nog dit jaar vast te stellen. Vanuit Brandweerkorps Caribisch Nederland
zullen vervolgens met de openbare lichamen gesprekken worden gevoerd over de wijze
waarop invulling kan worden gegeven aan het monitoren van de te ondernemen acties.
Ik neem de aanbeveling van de Inspectie in overweging om de ondersteuning aan de openbare
lichamen op het gebied van brandweerzorg, binnen de gegeven financiële kaders, zo
actief mogelijk vorm te geven.
De Inspectie geeft ten aanzien van de taak- en verantwoordelijkheidsverdeling in de
brandweerzorg tussen de openbare lichamen, Brandweerkorps Caribisch Nederland en de
korpsbeheerder aan dat nog steeds geen duidelijke scheiding en sluitende afspraken
zouden zijn gemaakt. De kern van de verdeling van de taken en verantwoordelijkheden
is echter vastgelegd in de Veiligheidswet BES. Zowel met de nieuwe gezagsdragers op
Sint Eustatius en Bonaire als met de gezagsdrager op Saba is het tonen van eigenaarschap
bij de openbare lichamen ten aanzien van de brandweerzorg een steeds terugkerend thema
in het beheeroverleg. Ik volg daarin graag de aanbeveling van de Inspectie om de (bestaande)
wettelijke taken en verantwoordelijkheden van de openbare lichamen, de korpsbeheerder
en Brandweerkorps Caribisch Nederland, na bespreking in het beheeroverleg, schriftelijk
nader uit te werken en dit vast te leggen zodat dit in de volgende beheeroverleggen
kan worden gemonitord.
Daar waar de openbare lichamen en crisispartners behoefte hebben aan een bredere rol
van Brandweerkorps Caribisch Nederland in de crisisbeheersing, volg ik als korpsbeheerder
de verdeling zoals die is vastgelegd in de Veiligheidswet BES waarbij het bestuurscollege
is belast met de brandweerzorg en zich daarbij bedient van het Brandweerkorps Caribisch
Nederland. Bij specifieke behoeften ben ik bereid te bezien wat mogelijk is binnen
de bestaande capaciteit en taken van Brandweerkorps Caribisch Nederland. Echter staat
ook bij Brandweerkorps Caribisch Nederland de capaciteit en financiering onder druk
en past terughoudendheid om taken buiten de gemaakte verantwoordelijkheidsverdeling
naar Brandweerkorps Caribisch Nederland toe te trekken.
Tot slot merk ik op dat er relatief weinig tijd zat tussen de publicatie van het Inspectierapport
d.d. 30 mei 2023 en de start van het vervolgonderzoek van de Inspectie in het najaar
van 2024. Met Bonaire, Sint Eustatius en Saba en andere crisispartners wordt hard
gewerkt aan de versterking van de crisisbeheersing in Caribisch Nederland en er worden
goede stappen gezet.
Beleidsreactie GHOR
Met interesse heb ik kennis genomen van de brief d.d. 9 september jl.4 waarin de Inspectie een nadere toelichting geeft op het verkennend onderzoek taakuitvoering
Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (verder: GHOR) en haar bevindingen
en conclusies deelt.
De Inspectie constateert op regionaal niveau dat de GHOR stappen heeft gezet, onder
meer in regionale planvorming en in aanwezigheid bij overleggen met zorgaanbieders
in het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (verder: ROAZ). Dit is in lijn met (voorgenomen)
ontwikkelingen in de «Contourennota versterking crisisbeheersing en brandweerzorg»5. Hierin is aangegeven dat ontwikkeling van het stelsel op het gebied van de opgeschaalde
geneeskunde gericht is op het opstellen van een zorgrisicoprofiel, het verhelderen
van taken en definities zoals de sturing en regie vanuit de GHOR als onderdeel van
de veiligheidsregio op de geneeskundige zorgketen tijdens rampen en crisis.
Op bestuurlijk, bovenregionaal en landelijk niveau ziet de Inspectie knel- en actiepunten,
zoals een onvoldoende informatiepositie en onduidelijkheid over de verdeling van taken
en bevoegdheden tussen de GHOR en (overleggremia van) zorgaanbieders. Ook worden landelijke
richtinggevende kaders over geneeskundige zorg in opgeschaalde situaties gemist. De
inspectie benoemt daarnaast als aanbeveling de taakverdeling tussen GHOR en het ROAZ
wettelijk vast te leggen om onduidelijkheid te voorkomen en de samenwerking te versterken.
De GHOR-organisaties moeten het bestuur van de veiligheidsregio beter informeren door
scenario’s te vertalen naar concrete capaciteitsbehoeften en eventuele knelpunten.
Deze aanbevelingen van dit verkennend onderzoek zal ik betrekken bij de tweede tranche
van de wijzing van de Wet Veiligheidsregio’s. De verduidelijking en versterking van
de positie van de GHOR zijn hierbij cruciaal omdat het belang van adequate geneeskundige
zorg bij rampen en ongevallen een publieke belang is dat om die reden ook publiekrechtelijk
geborgd is in deze wet. Op dit moment wordt gewerkt aan de totstandkoming van het
zorgrisicoprofiel om de voorbereiding te versterken en aan de verduidelijking van
de regie en sturing door de GHOR tijdens rampen/crisis. Ik zie de aanbevelingen van
de Inspectie dan ook als een bekrachtiging van het reeds inzette beleid en de voorgenomen
beleidsontwikkelingen.
Beleidsreactie Grootschalig en specialistisch brandweeroptreden
De Inspectie concludeert dat de brandweer structureel niet in staat is om op bovenregionaal
of landelijk niveau grote incidenten gezamenlijk effectief te bestrijden en dit terwijl
op dit gebied de brandweer de enige hulpverleningsorganisatie in Nederland is waarvan
dit verwacht wordt. Dit wordt in belangrijke mate veroorzaakt doordat het ontbreekt
aan een structurele gezamenlijke voorbereiding op het grootschalig en specialistisch
optreden van de brandweer.
Het resultaat is dat burgers nu bij grootschalige incidenten niet altijd op de best
mogelijke brandweerzorg kunnen rekenen en dat brandweermensen niet altijd kunnen vertrouwen
op bijstand vanuit de rest van het land. Ik vermeld daarbij expliciet dat dit op geen
enkele manier te wijten is aan de bereidheid van brandweermensen om burgers en collega’s
in nood bij te staan.
Grootschalig en specialistisch brandweeroptreden is een gezamenlijke opgave van de
25 besturen veiligheidsregio’s en mijzelf vanuit mijn wettelijke verantwoordelijkheid
voor het coördineren van bijstand en in algemene zin als stelselverantwoordelijke
voor het functioneren van het stelsel van crisisbeheersing en brandweerzorg. In de
Contourennota6 versterking crisisbeheersing en brandweerzorg is opgenomen dat «de brandweer van
de toekomst moet zijn voorbereid op nieuwe (grote) incidenten met impact buiten de
eigen veiligheidsregio.» Daarom is in dezelfde Contourennota opgenomen dat «de voorbereiding
en respons op bovenregionale en landelijke incidenten versterking behoeft.» Daartoe
is onder andere gestart met een landelijk dekkingsplan voor de brandweer, bedoeld
om te komen tot landelijke afstemming en werkwijzen. Ik constateer nu dat deze versterking
nog onvoldoende van de grond is gekomen.
De besturen van de Veiligheidsregio’s en ik achten deze situatie verontrustend. Hoewel
er al maatregelen waren genomen om verbetering aan te brengen in de bovenregionale
brandweerzorg, toont dit rapport aan dat deze onvoldoende zijn. Het is duidelijk dat
er regie op grootschalig en specialistisch optreden nodig is. Dit betreft een gezamenlijke
opgave van de veiligheidsregio’s en mijn ministerie waarbij ik afstemming met het
Veiligheidsberaad van groot belang vind.
In gezamenlijkheid met het Veiligheidsberaad wil ik in drie stappen voortvarend verbetering
aanbrengen om deze regie te realiseren:
1) Maatregelen voor verbetering zoeken en invoeren binnen de huidige bestuurlijke en
financiële kaders, onder andere door vóór het einde van de zomer een nulmeting te
maken van de landelijk beschikbare middelen en landelijke coördinatie op de brandweerinzet
in te voeren bij grootschalige incidenten;
2) Het uitvoeren van een analyse van de grootschalige risico’s waar de brandweer voor
kan worden gesteld en de daarbij gewenste respons qua eenheden, maar ook handelwijze,
uniformering van hulpmiddelen en andere facetten die het grootschalig optreden kunnen
belemmeren. De risicoanalyse wordt daarna getoetst aan de «nulmeting» uit stap 1;
3) Indien er een verschil blijkt te zijn tussen aanwezige en gewenste middelen om (alle)
risico’s af te dekken, vindt hier in deze stap bestuurlijke besluitvorming op plaats.
Het is immers onmogelijk om op alle risico’s volledig voorbereid te zijn.
Hoewel ik er vertrouwen in heb dat deze drie stappen tot verbetering zullen leiden,
sluit ik niet uit dat er méér maatregelen noodzakelijk blijken te zijn, die fundamentele
veranderingen in het stelsel en financiering van brandweerzorg vereisen. In het geval
dat deze noodzaak er zou blijken te zijn, laat ik als stelselverantwoordelijke daarvoor
middels een onderzoek opties ontwikkelen die ik dan met de besturen veiligheidsregio’s
en met uw Kamer zal bespreken. Over zowel de maatregelen op de korte als de lange
termijn zal ik u middels de reguliere cyclus van voortgangsbrieven aangaande Veiligheidsregio’s,
Crisisbeheersing en Meldkamer informeren, tenminste voor deze zomer.
Tot slot dank ik de Inspectie voor haar onderzoeken binnen het domein van brandweerzorg
& crisisbeheersing.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid