Brief regering : Actuele ontwikkelingen in de uitvoering van de Wet op bijzondere medische verrichtingen
33 693 Evaluatie Wet op bijzondere medische verrichtingen (Wbmv)
Nr. 13 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 november 2025
In de medisch specialistische zorg zijn er medische verrichtingen die een bijzondere
positie innemen. Bijvoorbeeld omdat sprake is van hoog complexe zorg waarvan de toepassing
zeer specialistische en dus schaarse kennis en expertise vereist. Of omdat de behandeling
erg kostbaar is, omdat deze dure investeringen in de infrastructuur en medische apparatuur
vereist. Ook kunnen medische verrichtingen ethisch of maatschappelijk gezien gevoelig
liggen, bijvoorbeeld als het gaat om genetische diagnostiek. In al deze situaties
kan het wenselijk zijn de zorg te concentreren bij gespecialiseerde instellingen en
voorwaarden te stellen aan de toepassing in de praktijk, onder andere op het gebied
van kwaliteit. Dit kan via de Wet op bijzondere medische verrichtingen (Wmbv).
In deze brief staan de actuele ontwikkelingen in de uitvoering van de Wbmv centraal.
Ik geef eerst een toelichting op de doelstellingen en het wettelijke instrumentarium
van de Wbmv. Daarna ga ik in op de functie van de wet in het veranderende zorglandschap
en beschrijf ik hoe ik het advies van de Gezondheidsraad heb benut om het beleid en
de uitvoering van de Wbmv te verbeteren.1 Hiermee voldoe ik aan de toezegging van mijn ambtsvoorganger om een reactie te geven
op dit advies.2 Tot slot komen de actuele ontwikkelingen in de wet- en regelgeving en het toezicht
op de Wbmv aan bod. Over de voortgang van de bestuurlijke afspraken over de zorg voor
patiënten met een aangeboren hartafwijkingen ontvangt uw Kamer nog voor het Kerstreces
een aparte Kamerbrief.
Doelstellingen en instrumentarium van de Wbmv
De Wbmv is in werking getreden in 1997. Deze wet biedt een aantal instrumenten om
het aanbod van medische verrichtingen te reguleren, als dat nodig is om de kwaliteit,
doelmatigheid of het gepast gebruik van zorg te kunnen garanderen of als ethische
of maatschappelijke gevoeligheden spelen. De Wbmv is een juridisch zwaar middel en
heeft daarom een ultimum remedium functie in het stelsel. Dat wil zeggen dat de wet
in principe alleen wordt ingezet als andere sturingsinstrumenten ontoereikend zijn
en zonder overheidsinterventie ongewenste situaties dreigen te ontstaan.
De Wbmv biedt drie instrumenten waarmee ik als Minister sturing kan geven aan het
aanbod van medische verrichtingen:
1. een vergunningenstelsel,
2. een beleidsvisie met aanwijzingsbevoegdheid, en
3. een algeheel wettelijk verbod.
Er moeten zwaarwegende redenen zijn («gewichtige belangen») om het zorgaanbod via
het vergunningenstelsel te reguleren. Het Wbmv vergunningenstelsel heeft in de praktijk
de meeste impact op de organisatie van de medisch specialistische zorg. Zo geldt er
een vergunningplicht voor zeer complexe vormen van zorg, zoals bijzondere neurochirurgie,
protonentherapie, bijzondere interventies aan het hart (waaronder de interventies
bij patiënten met aangeboren hartafwijkingen), orgaantransplantaties, neonatale intensive
care en klinisch genetisch onderzoek en erfelijkheidsadvisering. Alleen instellingen
met een Wbmv-vergunning zijn bevoegd deze verrichtingen uit te voeren, voor andere
instellingen geldt een verbod. Een overzicht van alle vergunningplichtige verrichtingen
is bijgevoegd in bijlage 1.
De Wbmv biedt daarnaast de mogelijkheid een beleidsvisie kenbaar te maken ten aanzien
van bijzondere aspecten van medische verrichtingen en op basis daarvan aanwijzingen
te verlenen aan instellingen die voldoen aan de criteria die in die beleidsvisie zijn
gesteld. Deze aanwijzingsbevoegdheid geeft mij de mogelijkheid enige sturing of stimulans
te geven aan verrichtingen zonder direct het zware middel van het vergunningenstelsel
in te zetten. Er zijn op grond van de Wbmv aanwijzingen verleend aan bijvoorbeeld
expertisecentra voor zeldzame aandoeningen en centra voor hemofiliebehandelingen.
Ten slotte biedt de Wbmv de mogelijkheid de toepassing van een medische verrichting
in zijn geheel te verbieden. Dit algehele verbod is tot nu toe één keer ingezet, namelijk
voor de toepassing van xenotransplantatie, oftewel het in- of aanbrengen van levende
bestanddelen van dieren in of aan het menselijk lichaam.
In deze brief ga ik nader in op het vergunningenstelsel van de Wbmv. De andere twee
instrumenten blijven dus buiten beschouwing.
De functie van de Wbmv in het veranderende zorglandschap
In zowel het huidige als toekomstige zorglandschap zullen keuzes moeten worden gemaakt
welke instelling welke zorg kan leveren, vooral als het gaat om hoog complexe medische
zorg. Door verrichtingen te concentreren bij een beperkt aantal instellingen kunnen
de vereiste kennis en expertise meer centraal worden opgebouwd, wat bijdraagt aan
de kwaliteit van zorg. Ook geeft het zorgverleners meer mogelijkheden om complexe
behandelingen vaker uit te voeren, wat positief samenhangt met een verbetering in
kwaliteit. Ook hoeft op minder plekken te worden geïnvesteerd in dure infrastructuur
en medische apparatuur wat ten goede komt aan de doelmatigheid van zorg. Ten slotte
kan concentratie bijdragen aan de continuïteit van de zorg, door een meer optimale
inzet van zeer gespecialiseerd en daarmee vaak schaars personeel. De beschikbaarheid
van zorgprofessionals is één van de meest urgente knelpunten in de zorg, waarbij ik
concentratie zie als een deel van de oplossing.
Tegenwoordig wordt concentratie van zorg niet meer hoofdzakelijk van bovenaf geregeld,
maar komt deze veelal in samenwerking met het veld tot stand. Zo zijn in het Integraal
Zorgakkoord (IZA) afspraken gemaakt over de concentratie en spreiding van bepaalde
vormen van medisch specialistische zorg. Een van de afspraken gaat over het verhogen
van de volumenormen voor hoog complexe oncologische zorg en vaatchirurgie, oftewel
normen over hoe vaak zorgverleners en instellingen een behandeling jaarlijks minimaal
moeten uitvoeren. Ook worden normen gesteld aan de kwaliteit van de geleverde zorg.
Een hogere norm betekent meer praktijkervaring voor de zorgverlener en daarmee betere
zorg voor de patiënt.
Zoals mijn ambtsvoorganger in de visiebrief over de toekomstige organisatie van hoog
complexe medisch-specialistische zorg heeft aangegeven, zijn netwerkvorming en de
concentratie en spreiding van zorg cruciaal om de kwaliteit en toegankelijkheid van
medisch specialistische zorg overeind te houden.3 Het veld heeft een centrale rol in de beweging naar netwerkzorg, binnen een bredere
beweging van concentratie en spreiding van het zorglandschap. Zo worden de IZA-afspraken
over concentratie en spreiding binnen de oncologie en vaatchirurgie door de partijen
gezamenlijk uitgewerkt aan de Ronde Tafels Concentratie & Spreiding, onder regie van
het Zorginstituut Nederland (Zorginstituut). De rol van de overheid is hierbij vooral
coördinerend en dus een stuk minder sturend en directief dan bij wettelijke regulering
het geval zou zijn. De bestuurlijke werkwijze heeft als voordeel dat het eigenaarschap
bij het veld ligt. Ook bevordert het de netwerksamenwerking en geeft het veldpartijen
meer flexibiliteit om in te spelen op ontwikkelingen in de praktijk en wat er in de
regio nodig is. Regulering via de Wbmv is minder wendbaar en zet de praktijk in zekere
zin op slot. Ik ben dus voorstander van de bestuurlijke route die nu wordt gevolgd
bij de oncologie en vaatchirurgie, wat ook betekent dat ik terughoudend ben met wettelijke
regulering van bovenaf. Deze lijn wordt ook gesteund door partijen in het veld.
Dit neemt niet weg dat de Wbmv in het bestuurlijke samenspel tussen veld en overheid
nog steeds een functie heeft, als wettelijke stok achter de deur. Op die manier kan
de Wbmv worden ingezet zoals de wet oorspronkelijk is bedoeld, namelijk als ultimum
remedium ingeval zelfregulering vanuit het veld (nog) niet mogelijk is en de reguliere
vormen van kwaliteitswaarborging onvoldoende effectief zijn.
Het doelgericht inzetten van het vergunningenstelsel van de Wbmv als ultimum remedium
betekent dat ik kritisch kijk of het nodig is bepaalde medische verrichtingen wettelijk
te reguleren. Verrichtingen moeten dus alleen instromen in de Wbmv als dat echt nodig
is, waarbij het uitgangspunt is dat de overheidsinterventie in principe tijdelijk
is en een vergunningplicht wordt opgeheven als dat verantwoord mogelijk is. Dat wil
zeggen, een verrichting stroomt uit zodra de randvoorwaarden voor de kwaliteit, doelmatigheid
en gepast gebruik op orde zijn, of de ethische of maatschappelijke aspecten voldoende
zijn geadresseerd in bijvoorbeeld richtlijnen of protocollen.
Als ik kijk naar de huidige uitvoering van de Wbmv is dit uitgangspunt de afgelopen
jaren niet goed uit de verf gekomen. Verrichtingen zitten vaak jaren- of zelfs decennialang
onder een vergunningplicht, ook als de verrichting inmiddels tot de gangbare zorg
kan worden gerekend. Dit heeft er ook mee te maken dat vergunninghoudende instellingen
hun gevestigde positie verdedigen en zich sterk maken voor het behoud van een vergunningplicht,
ook als die niet langer nodig lijkt te zijn.
Om een voorbeeld te geven: de dotterbehandeling is allang niet nieuw meer en geldt
als een standaardbehandeling binnen de cardiologie. Ook voor het implanteren van een
interne cardioverter defibrillator (ICD) geldt dat de behandeling inmiddels gangbaar
is en wellicht niet langer als een «bijzondere medische verrichting» hoeft te worden
beschouwd, zoals bedoeld in de Wbmv. Ik vind het daarom zaak om te verkennen of verrichtingen
die inmiddels vrij standaard zijn, kunnen uitstromen uit de Wbmv. Ook omdat de Wbmv
de normale sturingsmechanismen van het stelsel buiten werking stelt, wat onder andere
de rol van zorgverzekeraars enorm beperkt. Binnen de Wbmv ligt immers vast welke ziekenhuizen
welke verrichtingen mogen bieden en tegen welke tarieven (vast of gemaximeerd). Zorgverzekeraars
kunnen via de zorgcontractering bijvoorbeeld nauwelijks sturen op de organisatie en
doelmatigheid van zorg.
Het passend inzetten van het vergunningenstelsel van de Wbmv betekent dat ik de huidige
verrichtingen periodiek tegen het licht wil houden om te (laten) beoordelen of de
vergunningplicht nog steeds nodig en passend is, en of de vergunningvereisten nog
voldoende aansluiten bij de praktijk. Hiermee geef ik uitvoering aan één van de aanbevelingen
uit het advies van de Gezondheidsraad. Uitstroom is overigens niet voor alle verrichtingen
een mogelijk of wenselijk eindperspectief. Zeer complexe verrichtingen of verrichtingen
die ethisch of maatschappelijk gevoelig liggen zullen mogelijk ook op lange termijn
onder de Wbmv blijven. Dat neemt niet weg dat het goed is de bestaande verrichtingen
periodiek onder de loep te nemen en te bekijken of de vergunningplicht nog nodig is,
en zo ja binnen welke randvoorwaarden.
Ik vind het belangrijk om veldpartijen en ook zorgverzekeraars goed bij deze evaluaties
te betrekken. Op het moment dat verrichtingen uitstromen zullen zorgverzekeraars immers
een meer sturende rol moeten innemen, wat van hen de nodige voorbereiding vraagt.
Ik zal me hierin ook laten adviseren door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)
en – indien nodig – door de Gezondheidsraad (GR). Ook wil ik de mogelijkheid openhouden
dat ik mij in voorkomende gevallen door andere deskundigen laat adviseren.
In het vervolg van deze Kamerbrief zal ik een aantal uitvoeringsaspecten van het vergunningenstelsel
van de Wbmv schetsen en aangeven welke aanpassingen hierin mede op basis van het GR
advies zijn gedaan.
Ontwikkelingen in beleid en praktijk van de Wbmv
In wettelijke evaluaties van de Wbmv is eerder geconstateerd dat de beleidsdoelstellingen
van het vergunningenstelsel van de Wbmv, de eerdergenoemde gewichtige belangen, in
de wetstekst vrij globaal zijn omschreven. Dit maakt de vergunningplicht van de Wbmv
breed toepasbaar, maar heeft als nadeel dat de wet beperkte houvast biedt bij het
maken van keuzes over de in- en uitstroom van medische verrichtingen. De doelstellingen
en criteria van het vergunningenstelsel van de Wbmv zijn in de loop van de tijd uitgewerkt
in beleidsbrieven en in ministeriële regelingen. Daarmee is het uitvoeringsbeleid
verder geconcretiseerd, maar ook enigszins versnipperd geraakt.
Zorgvuldigere afwegingen bij beslissingen over in- en uitstroom
Om beslissingen over de in- en uitstroom van verrichtingen meer te structureren, maak
ik gebruik van het afwegingskader dat de GR in het kader van zijn advies heeft opgesteld
(bijlage 2). Dit afwegingskader bestaat uit een set met richtinggevende vragen over
bijvoorbeeld de effectiviteit en veiligheid van een behandeling, de kosten van de
benodigde infrastructuur, medische apparatuur en zorg, de indicatiestelling, de vereiste
multidisciplinaire samenwerking, de beschikbaarheid van schaarse kennis en expertise
en medisch-ethische aspecten. Daarnaast wordt gekeken naar de behandelvolumes en de
mate van complexiteit van een verrichting. Concentratie ligt immers meer voor de hand
voor verrichtingen die relatief weinig voorkomen (laagvolume), maar wel hoog complex
zijn. Door zorg te concentreren, breng je gespecialiseerde kennis en expertise bij
elkaar. Zorgprofessionals hebben dan meer gelegenheid om hun kennis verder te ontwikkelen
en ervaring op te doen met het behandelen van patiënten met complexe aandoeningen.
Dit vermindert het risico op complicaties en leidt tot betere behandeluitkomsten voor
patiënten.
Het afwegingskader zorgt voor een meer uniforme en consistente beoordeling van verrichtingen,
doordat verrichtingen steeds aan dezelfde criteria worden getoetst. Het afwegingskader
is echter geen rigide beslismodel, maar een hulpmiddel om de besluitvorming te structureren.
De vragen kunnen niet eenvoudig met «ja» of «nee» worden beantwoord, maar vragen een
inhoudelijke onderbouwing. Gezien de diversiteit van de verrichtingen die nu onder
een vergunningplicht van de Wbmv vallen, zullen de overwegingen om (niet langer) te
reguleren van geval tot geval verschillen. Het is van belang de criteria in samenhang
te beoordelen, waarbij de relatieve weging van criteria per verrichting kan verschillen.
In de ministeriële regeling waarin een vergunningplicht voor een bepaalde medische
verrichting wordt geïntroduceerd of voortgezet, zal worden gespecificeerd welke criteria
doorslaggevend zijn geweest om de betreffende verrichting te reguleren.4 Hiermee voldoe ik aan de aanbeveling daartoe van de GR. Die criteria zullen ook de
basis vormen om te bepalen wanneer de verrichting kan uitstromen naar de reguliere
zorg. De besluitvorming over in- en uitstroom blijft in die zin maatwerk, maar wel
gestoeld op een uniform afwegingskader.
Als de conclusie is dat een verrichting kan uitstromen, zal de overgang naar de reguliere
zorg zorgvuldig worden begeleid, zoals de GR ook heeft geadviseerd. De Wbmv voorziet
al in een startmeldingsplicht, die nieuwe aanbieders van de betreffende verrichting
verplicht om zich te melden bij de IGJ voordat zij starten met de zorgverlening. Deze
startmeldingsplicht geldt in de eerste twee jaar nadat de vergunningplicht is opgeheven.
De IGJ houdt hiermee zicht op ontwikkelingen binnen het vakgebied en kan aan de voorkant
controleren of die nieuwe aanbieders voldoen aan de geldende kwaliteitseisen. Naast
de startmeldingsplicht zal met de IGJ, het Zorginstituut, zorgverzekeraars en met
de betrokken veldpartijen worden gekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn om
de uitstroom van een verrichting goed te laten verlopen. Zorgvuldigheid staat hierbij
altijd voorop.
Betere betrokkenheid veldpartijen
Het uitvoeringsproces van de Wbmv kent verschillende fasen, namelijk:
1. signalering van veelbelovende ontwikkelingen in de wetenschap en de praktijk,
2. instroom van een nieuwe verrichting via een ministeriële regeling,
3. de vergunningverlening aan individuele instellingen,
4. tussentijdse evaluaties van verrichtingen, en
5. uitstroom van een verrichting naar de reguliere zorg.
Dit is schematisch weergegeven in de bijgevoegde infographic (bijlage 3). In zowel
de fasen van signalering en instroom als bij tussentijdse evaluaties en keuzes over
uitstroom is het belangrijk dat medische beroepsverenigingen en brancheorganisaties,
patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars inbreng kunnen geven. Hun betrokkenheid
is nodig voor een goede inhoudelijke onderbouwing en draagvlak voor de besluitvorming.
Hiermee volg ik een van de aanbevelingen van de GR.
De betrokkenheid van veldpartijen begint al bij de signalering van verrichtingen.
Medische beroepsverenigingen en brancheorganisaties hebben immers goed zicht op relevante
ontwikkelingen in de wetenschap en praktijk van de medisch specialistische zorg. Zij
kunnen innovaties in diagnostiek en behandeling bij het Ministerie van VWS onder de
aandacht brengen en signaleren als er redenen zijn deze wettelijk te reguleren. Ook
de IGJ en het Zorginstituut, evenals wetenschappelijke adviesraden, vervullen een
rol in het signaleren van medisch wetenschappelijke innovaties die vanwege de kwaliteit,
doelmatigheid, het gepast gebruik of ethische aspecten om speciale aandacht vragen.
Signalen komen dus op verschillende manieren bij het Ministerie van VWS op de radar.
Veldpartijen weten het Ministerie van VWS hierin goed te vinden. Ik zie daarom geen
reden om de aanbeveling van de GR om een aparte signaleringsfunctie in te richten
voor de Wbmv over te nemen.
De inbreng vanuit het veld is ook belangrijk bij de oordeelsvorming over mogelijke
instroom van verrichtingen en bij het opstellen van ministeriële regelingen. In een
ministeriële regeling wordt gespecificeerd welke criteria doorslaggevend zijn («gewichtige
belangen») om een vergunningplicht in te stellen, welke doelstellingen met de regulering
worden nagestreefd, hoeveel vergunningen beschikbaar zijn en aan welke voorwaarden
instellingen moeten voldoen om een vergunning te verkrijgen. De inhoudelijke kennis
en deskundigheid van met name medische beroepsverenigingen, de IGJ en het Zorginstituut
is nodig om de juiste voorwaarden te stellen aan de kwaliteit, doelmatigheid en het
gepast gebruik van zorg, die ook werkbaar zijn in de praktijk.
In- en uitstroom volgens het afwegingskader
Verrichtingen die nu onder de vergunningplicht van de Wbmv vallen, zullen in lijn
met het advies van de GR periodiek worden geëvalueerd. Het doel van tussentijdse evaluaties
is om te beoordelen of de vergunningplicht nog steeds nodig is en zo ja, of de regelgeving
nog voldoende aansluit op de zorgpraktijk of dat deze moet worden geactualiseerd.
Bij deze evaluaties worden, waar nodig, ook medische beroepsverenigingen en brancheorganisaties,
patiëntenorganisaties, zorgverzekeraars, de IGJ, het Zorginstituut en de Nederlandse
Zorgautoriteit (NZa) betrokken. Recent zijn twee bestaande ministeriële regelingen
geëvalueerd en geactualiseerd, namelijk de Regeling bijzondere neurochirurgie5 en de Regeling orgaantransplantaties6. In de volgende paragraaf ga ik hier inhoudelijk op in.
De laatste fase in het uitvoeringsproces gaat over de mogelijke uitstroom van verrichtingen.
De GR heeft in zijn advies benadrukt dat het wettelijk reguleren van verrichtingen
in principe tijdelijk moet zijn. Dit betekent dat het eindperspectief is dat een vergunningplicht
op enig moment wordt beëindigd, al zijn er situaties denkbaar waarin uitstroom ook
op langere termijn niet mogelijk of wenselijk is (zoals zeer complexe verrichtingen
of verrichtingen die ethisch of maatschappelijk gevoelig liggen). Bij een evaluatie
zal per geval worden bekeken of uitstroom van een verrichting mogelijk is en binnen
welke randvoorwaarden.
Actualisatie Regelingen bijzondere neurochirurgie en orgaantransplantaties
Eerder dit jaar zijn twee bestaande ministeriële regelingen geactualiseerd, namelijk
de Regeling bijzondere neurochirurgie en de Regeling orgaantransplantaties. Bij deze
actualisaties is gekeken of de vergunningplicht in de huidige vorm moet worden voortgezet,
of de behoefteraming nog toereikend is en of de vergunningsvoorwaarden bijgesteld
moeten worden vanwege ontwikkelingen in de zorgpraktijk. Medische beroepsverenigingen
en brancheorganisaties, patiëntenorganisaties, het Zorginstituut Nederland en de IGJ
zijn betrokken bij deze actualisaties en hebben inbreng kunnen geven op conceptversies
van de ministeriële regelingen. De actualisatie heeft in beide regelingen geleid tot
enkele wijzigingen in de begripsdefinities, de looptijd van de vergunningen en de
voorwaarden voor gegevensuitwisseling.
In de Regeling bijzondere neurochirurgie is daarnaast een deelvergunningplicht opgenomen
voor kinderneurochirurgie, met als doel de concentratie die vanuit het veld al is
ontstaan in de regelgeving te borgen. Het verantwoord uitvoeren van bijzondere neurochirurgie
bij kinderen en jongeren met zeldzame of complexe hersenaandoeningen stelt hoge eisen
aan de infrastructuur van een instelling, de kennis en vaardigheden van de neurochirurg,
en de deskundigheid van alle betrokken zorgverleners op het gebied van kinderneurologie,
kindergeneeskunde, anesthesiologie, kinder-IC en psychosociale hulpverlening. De neurochirurgen
dienen bovendien gespecialiseerd zijn in het behandelen van kinderen met aangeboren
of verworven hersenaandoeningen.
Op grond van de regeling zijn de zeven universitair medische centra bevoegd bijzondere
neurochirurgie interventies bij kinderen en jongeren uit te voeren. De neurochirurgische
centra die niet beschikken over een deelvergunning voor kinderneurochirurgie mogen
nog wel basis-kinderneurochirurgische zorg bieden. Ook acute neurochirurgische zorg
mag in alle neurochirurgische centra worden geboden, omdat snel levensreddend handelen
bepalend kan zijn voor de overlevingskansen van een patiënt.
Uitbreiding Wbmv handhavingsinstrumentarium voor de IGJ
Als ik kijk naar het handhavingsinstrumentarium dat de IGJ heeft op grond van de Wbmv
constateer ik dat dit nu redelijk beperkt is. Op dit moment is het zo dat de IGJ de
Minister van VWS kan adviseren een vergunning in te trekken als de vergunninghoudende
instelling niet voldoet aan de geldende voorwaarden en voorschriften. Het intrekken
van een vergunning is echter niet in alle gevallen haalbaar of gewenst. Als het bijvoorbeeld
gaat om hoog complexe en gespecialiseerde zorg die geconcentreerd is bij een klein
aantal instellingen, kan dit een (te) grote impact hebben op de toegankelijkheid van
de zorg voor patiënten. Bovendien is het IGJ-toezicht in beginsel gericht op het verbeteren
van de situatie bij de instelling, niet op het definitief beëindigen van de patiëntenzorg.
Er kunnen natuurlijk situaties zijn waarin het intrekken van een vergunning noodzakelijk
is, maar in veel gevallen is het een te zware maatregel die niet bijdraagt aan leren
en verbeteren. Ik ben daarom voornemens het Wbmv handhavingsinstrumentarium uit te
breiden met de mogelijkheid van een last onder dwangsom. Dit geeft de IGJ de mogelijkheid
om een bestuursrechtelijke herstelsanctie op te leggen als een instelling de vergunningsvoorwaarden
of voorschriften niet naleeft en verbetering uitblijft. Ik laat het, gezien de demissionaire
status van het kabinet, aan mijn opvolger om te komen met een wetswijziging op dit
punt.
Tot slot
Alles overziend ben ik van mening dat de Wbmv nog steeds een onmisbare rol vervult
in het Nederlands zorgstelsel. De Wbmv biedt met het vergunningstelsel een belangrijk
instrument waarmee ik als Minister kan sturen op de inrichting van het zorglandschap.
Bijvoorbeeld door hoog complexe medische zorg te concentreren als dat nodig is vanuit
het oogpunt van kwaliteit, doelmatigheid, gepast gebruik of ethische of maatschappelijke
overwegingen. Tegelijkertijd is de Wbmv een juridisch zwaar instrument die ik zorgvuldig
wil inzetten. Het instellen van een vergunningplicht grijpt immers sterk in op de
beschikbaarheid en toegankelijkheid van de zorg voor patiënten en raakt ook de positie
en belangen van zorginstellingen en zorgprofessionals.
Ik vind het belangrijk om het vergunningstelsel van de Wbmv passend in te zetten en
het veld goed te betrekken in iedere fase van het uitvoeringsproces. De uitvoering
van de wet moet vorm krijgen in nauwe samenwerking en afstemming met het veld. De
inbreng van veldpartijen is bijvoorbeeld nodig bij het periodiek evalueren van verrichtingen
en bij het bepalen van de doelstellingen, voorwaarden en beoordelingscriteria in ministeriële
regelingen. Door het wettelijk instrumentarium gericht in te zetten en het veld goed
bij de uitvoering te betrekken wint de Wbmv aan kracht. Daarmee blijft deze wet een
waardevol instrument om – waar nodig – sturing te geven aan de inrichting van het
Nederlandse zorglandschap.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J.A. Bruijn
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport