Brief regering : Beleidsreactie en aanbieding van het onderzoek ‘de praktijk van de opsporing door basisteams van de politie’ van de Inspectie Justitie en Veiligheid
29 628 Politie
Nr. 1300
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 november 2025
De Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: Inspectie) heeft onderzoek gedaan naar
de praktijk van de opsporing door basisteams van de politie. Bij deze bied ik uw Kamer
dit onderzoek aan en geef ik mijn reactie erop.
Aanbevelingen van de Inspectie
De Inspectie doet de volgende aanbevelingen aan de portefeuillehouders opsporing,
intelligence en GGP (gebiedsgebonden politie) in de korpsleiding:
a) Bepaal op korte termijn intern en met elkaar het effect die de verbeterprogramma’s
Opsporing, Intelligence en GGP van de afgelopen acht jaar hebben gehad op de taakuitvoering
van de lokale opsporing in de basisteams. Bepaal ook hoe deze zich verhouden tot de
huidige verbeterprogramma’s en tot de strategische doelstellingen van de nationale
politie. Maak inzichtelijk wat van deze programma’s wel en niet op de werkvloer is
geïmplementeerd. Voorkom hiermee dat een verbeterprogramma nog niet goed is afgesloten
voordat het volgende wordt gelanceerd.
b) Kom daarna aansluitend voor medio 2026 met een gezamenlijke aanpak die ervoor moet
zorgen dat er toereikende (en voor basisteams via sturing en communicatie merkbare)
aandacht is voor lokale opsporing, zoals is beoogd in het inrichtingsplan van de Nationale
Politie en op de werkwijze zoals is aangegeven door het OM. Daarbij moet aandacht
zijn voor:
• Organisatie: een basisteam moet robuust zijn;
• Uitvoering: de richtlijnen voor de uitvoering zijn duidelijk en ondubbelzinnig; heterdaadzaken
gaan niet automatisch voor niet-heterdaadzaken;
• Samenwerking: er is een samenhangende taakuitvoering intern en er wordt samengewerkt
met externe partners; met specifieke aandacht voor de ondersteuning door de DR (districtsrecherche)
aan basisteams zoals beoogd in het Inrichtingsplan
• Informatiepositie: de informatiepositie is op orde;
• Toerusting: de basisteams en hun medewerkers zijn toegerust op de opsporing. Waarbij
wordt gerealiseerd dat ervaring en expertise tevens bij de recherche komen door de
beschikbare vacatureruimte ten volle in te zetten.
c) Heroverweeg (samen met ketenpartners) het uitgangspunt van het ontwerp-, inrichtings-
en realisatieplan dat basisteams uitsluitend zijn ingericht voor het bestrijden van
de VVC (veelvoorkomende criminaliteit) en geef aan wat deze heroverweging (concreet)
oplevert, bijvoorbeeld een stelselwijziging binnen het totale opsporingscluster.
Reactie
Om te beginnen dank ik de Inspectie voor de waardevolle bevindingen en conclusies
en de daaraan verbonden aanbevelingen. Ook wil ik mijn grote waardering uitspreken
voor de politiecollega’s die zich dag in dag uit inspannen voor de veiligheid in onze
wijken en buurten. Ik ben het met de Inspectie eens dat de opsporing in de basisteams
verbetering behoeft. De aanpak van criminaliteit in wijken en het verbeteren van de
opsporing in de basisteams zijn van groot belang, ook vanwege legitimiteit en het
vertrouwen van burgers in de politie. De korpschef heeft mij geïnformeerd over de
maatregelen die reeds in gang zijn gezet of worden voorbereid om de opsporing in de
basisteams te verbeteren en toekomstbestendig te maken, ook in lijn met de aanbevelingen
van de Inspectie. Ik ga daar in deze brief op in. De politie zal deze maatregelen,
in planvorm uitgewerkt, ook aan de Inspectie doen toekomen. Het onderzoek van de Inspectie
is een belangrijke impuls om wat reeds in gang is gezet met kracht verder op te pakken
en een stimulans om een aantal zaken op de agenda te zetten en te houden in relatie
tot de doorontwikkeling van het korps.
Alvorens inhoudelijk op de aanbevelingen te reageren, schets ik graag de context voor
de vervolgstappen.
Context
Concrete en ambitieuze stappen vooruit zijn hard nodig, en die worden gezet, maar
we moeten ook realisme betrachten. De politie heeft een grote opgave om politiemedewerkers
de organisatie binnen te halen en te behouden. Vanaf 2020 is gericht ingezet op het
verminderen van capaciteitsproblemen in de gebiedsgebonden politie. In de loop van
2024 is echter de druk op de capaciteit voor de opsporing, met name in de tactische
opsporing, duidelijk voelbaar geworden. Op dit moment is de onderbezetting in de opsporing
12% (ruim 1300 fte) en die in de gebiedsgebonden politie 6% (bijna 1300 fte). Beide
hebben impact op de opsporing in de basisteams. Oorzaken zijn (pensioen)uitstroom
en de krappe arbeidsmarkt. Dit terwijl de werklast voor basisteams hoog is, o.a. vanwege
demonstraties en betogingen en het grote aantal meldingen in verband met personen
met verward en onbegrepen gedrag. In het afgelopen jaar heeft met name ook de NAVO-top
veel extra politie-inzet gevraagd. Verder is het inherent aan ons politiebestel dat
de inzet van politie in de basisteams wordt bepaald door de burgemeester, als gezag
over de handhaving van de openbare orde, en de officier van justitie, als gezag over
de opsporing. Dat vraagt scherpe keuzes. Ik kom op deze aspecten later in deze brief
ook terug. Tot slot, en zoals uw Kamer weet, staat de politie bij dit alles voor een
grote financiële opgave. In 2026 worden de basisteams (gebiedsgebonden politie en
opsporing) daarbij ontzien. De meerjarige keuzes bij het op orde brengen van de politiebegroting
moeten in het licht van de financiële kaders zorgvuldig gewogen worden. Dit zal uiteraard
ook in overleg met de gezagen (regioburgemeesters, Openbaar Ministerie) gebeuren.
Reactie op de aanbevelingen
Hieronder ga ik in op de aanbevelingen van de Inspectie.
a) Lijn brengen in strategische koers en verbeterprogramma’s
Er zijn, in vervolg op eerdere verbeterprogramma’s en ook in lijn met de aanbevelingen
van de Inspectie, al diverse maatregelen en ontwikkelingen in gang gezet om de lokale
opsporing te verbeteren. Ik ga daar in het vervolg van deze brief, onder b, nader
op in. Het verbeteren van de lokale opsporing is een belangrijk onderdeel van de strategische
agenda 2025–2030 van de politie («Stevig staan in deze tijd»): dat geeft aan de ingezette
beweging extra nadruk en vaart en brengt ook de benodigde samenhang tussen verschillende
programma’s en portefeuilles. De strategische agenda stelt ook dat er meer balans
moet komen tussen de toenemende omvang van digitale criminaliteit en de inzet van
politie daarop en dat meer opsporen op het gebied van digitale criminaliteit noodzakelijk
is. Een belangrijke notie daarbij is dat digitale criminaliteit deels andere kenmerken
heeft dan de traditionele criminaliteit: het is op onderdelen ander werk dat minder
lokaal is geworteld dan traditionele criminaliteit. De korpschef laat de strategische
agenda uitwerken in integrale plannen. Vanzelfsprekend is daarbij sprake van afhankelijkheden
en van afstemming met andere organisaties. Ook is er voortdurend oog voor actuele
maatschappelijke, technologische of andere relevante ontwikkelingen en inzichten en
voor hun betekenis voor het politievak en de politieorganisatie. Zo kunnen ook aanbevelingen
uit onderzoek van bijvoorbeeld de Inspectie JenV of de Algemene Rekenkamer hierbij
worden betrokken.
b. Gezamenlijke aanpak voor de lokale opsporing
I. Uitvoering: sturing op de opsporing van veelvoorkomende criminaliteit in de basisteams
De capaciteit van de organisaties in de strafrechtketen is schaars en dat betekent
dat er altijd keuzes moeten worden gemaakt. Daarbij is het belangrijk dat de beschikbare
capaciteit vooral wordt ingezet voor de feiten die er het meest toe doen en waarbij
de inzet van het strafrecht en van strafrechtelijke vervolging daadwerkelijk verschil
kunnen maken. Het OM en de politie werken op dit moment geactualiseerde uitgangspunten
voor opportuniteit en selectiviteit uit, met als doel een goede instroom van zaken
bij veelvoorkomende criminaliteit te realiseren. Het handelingsperspectief voor zaken
die via een andere weg dan het strafrecht worden afgedaan heeft hierbij nadrukkelijk
ook de aandacht, zodat samen met partners kan worden gewerkt aan een betekenisvolle
intake en effectieve opvolging voor slachtoffers, verdachten en samenleving.
Parallel hieraan onderzoekt de politie op welke manier in de basisteams het best en
het meest efficiënt triage en coördinatie in de opsporing kan worden georganiseerd.
Onderzocht wordt de optie van een centraal punt per basisteam, waar consequent wordt
gewerkt met het kwaliteitsdashboard BOSZ,1 waar zicht is op de totale instroom van opsporingsonderzoeken en waarvandaan, op
basis van de bestaande kaders en later ook de geactualiseerde uitgangspunten, wordt
gestuurd op in- door- en uitstroom van zaken, op doorlooptijden en op de kwaliteit
van opsporingsonderzoeken. De functie van kwaliteitshulpofficier van justitie is inmiddels
in ieder basisteam ingericht. Voor deze functionarissen is in deze processen een belangrijke
rol voorzien.
Veelvoorkomende criminaliteit vindt steeds vaker gedigitaliseerd (of: online) plaats.
Daders van bijvoorbeeld bankhelpdeskfraude of andere vormen van oplichting maken lokaal
slachtoffers, maar acteren vaak nationaal of zelfs internationaal. Een aanpak vanuit
basisteams is daarmee niet in alle gevallen de meest logische of de beste. Daarom
wordt, in afstemming met de gezagen, gesproken over het verder ontwikkelen van een
bovenlokale aanpak. Vanuit het hoofdlijnenakkoord van het kabinet zijn middelen beschikbaar
gekomen om voorzieningen in te richten die voor een dergelijke aanpak nodig zijn.
Als het gaat over het maken van de juiste keuzes in schaarste ziet de Inspectie dat
het oppakken van relatief lichte heterdaadzaken (winkeldiefstal wordt als voorbeeld
genoemd) in de praktijk ten koste gaat van het oppakken van aangiftes van ernstiger
zaken. De Inspectie bepleit meer ruimte voor het maken van andere keuzes. Dit onderwerp
heeft reeds de aandacht en is onderwerp van gesprek tussen Openbaar Ministerie en
politie. Specifiek voor winkeldiefstal is de publiek-private samenwerking tussen private
partijen, politie en het OM verder besproken in het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing
van 10 november jl. Het gaat daarbij onder andere over de afhandeling van winkeldiefstal.
Ik informeer uw Kamer over enkele weken, in het tweede halfjaarbericht politie van
2025, over de voortgang.
II. Informatiepositie
De Inspectie beveelt aan dat de informatiepositie van de basisteams beter op orde
komt. Dat gaat zowel over zicht op zaken, als over intelligence. Wat betreft het eerste
constateert de Inspectie dat het kwaliteitsdashboard BOSZ weliswaar voorhanden is,
maar nog niet in alle basisteams consequent wordt gebruikt. In de paragraaf hierboven
heb ik beschreven hoe dat bij de ontwikkeling van centrale triage-punten een plek
moet krijgen. Vorig jaar is bij de politie het project BOSZ gestart dat ervoor heeft
gezorgd dat de systemen in alle eenheden zijn geschoond. Daarnaast wordt er volop
geïnvesteerd in opleiding, zodat er eenduidigheid ontstaat in de registraties voor
goed zicht en overzicht. In de regionale eenheden wordt doorlopend gewerkt aan de
verankering van de intelligenceorganisatie in de basisteams en districten, zodat die
steeds meer en beter over de benodigde veiligheidsbeelden kunnen beschikken. Politie
zal dit punt ook in de verdere ontwikkelingen op het gebied van intelligence meenemen.
III. Organisatie / samenwerking / het uitgangspunt dat basisteams uitsluitend zijn
ingericht voor de aanpak van veelvoorkomende criminaliteit
In reactie op de conclusie van de Inspectie dat de basisteams zich vandaag de dag
onvoldoende bezig kunnen houden met alle lokaal spelende criminaliteit kan ik in algemene
zin zeggen dat het criminaliteitsbeeld anno 2025 er anders uit ziet dan bij de start
van de nationale politie in 2012. In de praktijk beweegt de organisatie vanzelfsprekend
mee op nieuwe ontwikkelingen. Ik illustreer dat hieronder, onder andere met de werkwijze
van eenheidsbrede stuurploegen. Dat laat onverlet dat het moment kan komen waarop
organisatie of concepten geactualiseerd of vernieuwd moeten worden. Die denkslag is
een onderdeel van de (onder punt a ook genoemde) integrale uitwerking van de strategische
agenda van de politie. Daarbij zal opnieuw gekeken worden naar de inrichting van de
opsporing.
Criminaliteit manifesteert zich altijd lokaal, soms als ogenschijnlijk klein feit.
De achterliggende problemen zijn niet zelden bovenlokaal, regionaal of (inter)nationaal.
In principe is binnen de regionale eenheden de regionale recherche aangewezen voor
onderzoeken naar ondermijning en zware criminaliteit, de districtsrecherche voor onderzoeken
naar high impact crimes en de basisteams voor de opsporing van veelvoorkomende criminaliteit.
Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt in het inrichtingsplan van de nationale politie
dat de aanpak van criminaliteit plaats vindt op alle niveaus in de organisatie en
dat tussen deze niveaus sprake is van een samenhangende taakuitvoering. Dat betekent
dat er in de aanpak van zaken niet alleen keuzes moeten gemaakt in de reikwijdte van
zaken, maar ook welk onderdeel daarvoor het best is ingericht en uitgerust. Om vanuit
een breder zicht gerichter criminaliteitsproblemen aan te kunnen pakken, werken steeds
meer regionale eenheden met stuurploegen die eenheidsbrede keuzes maken voor de opsporing.
Dat maakt ook de samenwerking tussen de verschillende opsporingsniveaus in de eenheid
eenvoudiger en vanzelfsprekender. In die context kan bijvoorbeeld de keuze worden
gemaakt dat een basisteam onderzoek doet naar feiten die te maken hebben met zware
of georganiseerde criminaliteit. Bij zware criminaliteit en ondermijnende criminaliteit
is overigens de ambitie om steeds meer te gaan werken op probleem- of fenomeenniveau
en om daarbij te gaan sturen en werken vanuit actuele veiligheidsbeelden en (integrale)
interventiestrategieën. Bij dit «dynamisch sturen», waarbij OM en politie gezamenlijk
optrekken, kunnen strafrechtelijke interventies worden ingezet, maar ook interventies
van andere aard en door andere partners, zowel op landelijk, regionaal als lokaal
niveau. Bij de inzet van basisteams moeten altijd keuzes worden gemaakt in schaarste,
maar uiteraard is er in het gebiedsgebonden politiewerk (dus breder dan opsporing,
zoals hiervoor beschreven) aandacht voor ondermijning. Dit is ook een thema in veel
lokale veiligheidsplannen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het optreden bij incidenten,
signaleren van verdachte of verontrustende situaties (zoals bijvoorbeeld productielocaties
van drugs of jongeren die het risico lopen af te glijden in de georganiseerde misdaad)
en het doorgeven van die signalen aan de opsporing of aan externe partners (gemeente,
RIEC, etc.).
IV. Toerusting van de basisteams op de opsporing
De Inspectie concludeert dat er in basisteams niet genoeg ervaring en expertise is
op opsporing en dat dit een wissel trekt op de taakuitvoering. Zoals eerder in deze
brief al aangegeven zijn er veel vacatures, niet alleen in de gebiedsgebonden politie,
maar zeker ook in de tactische opsporing. Om die reden is directe instroom mogelijk
gemaakt van politiemedewerkers die gaan werken in de tactische opsporing.2 Dit start vanaf het tweede kwartaal 2026. Deze medewerkers, bijvoorbeeld afgestudeerde
HBO-ers, krijgen een opleiding van een aantal maanden en kunnen daarna specifieke
opsporingswerkzaamheden gaan uitvoeren in onder andere de basisteams. De politie geeft
aan dat voor deze functies veel belangstelling is. Deze route komt naast de basispolitieopleiding,
die medewerkers in de breedte opleidt voor het politiewerk. De klassen van de basispolitieopleiding
zitten overwegend vol en er komen veel afgestudeerden de eenheden binnen. Zij doorlopen,
onder begeleiding van collega’s uit de eenheid, een tweejarig ontwikkeltraject «van
start- naar vakbekwaam». Hierin is specifieke aandacht voor opsporing en digitalisering.
Dit traject is onlangs door de politie voor alle eenheden geüniformeerd. Na een paar
jaar werkervaring in de gebiedsgebonden politie kunnen deze medewerkers doorstromen
naar een functie in de tactische opsporing.3
Als het gaat om aanwezige vakkennis in de basisteams concludeert de Inspectie dat
die met name tekortschiet op het vlak van digitaal werken. Naast de formele opleidingen
is het leren en ontwikkelen in de beroepspraktijk onmisbaar. De politie zet in op
de professionalisering van de aanpak van gedigitaliseerde criminaliteit in het basisteam
en op het verder in werking brengen van de werkveldacademies. Binnen het vakspecialistisch
onderwijs worden opleidingen op het vlak van digitale opsporing en cybercrime aangeboden.
De werkveldacademies bieden een georganiseerde vorm van leren voor en door collega’s
aan en spelen daarbij in op actuele leerbehoeften in de praktijk. Vanuit het hoofdlijnenakkoord
van het kabinet zijn aan de politie substantiële middelen toegekend voor de versterking
van de digitale opsporing in de basisteams. Er wordt een landelijke voorziening opgericht
die de basisteams kan ondersteunen en daarnaast worden medewerkers in de basisteams
getraind en uitgerust met middelen voor digitale opsporing. De politie werkt nu en
in de komende jaren aan het realiseren daarvan.
c. Heroverweeg het uitgangspunt dat basisteams uitsluitend zijn ingericht voor de
aanpak van veelvoorkomende criminaliteit
Op deze aanbeveling ben ik op meerdere plaatsen in deze brief reeds ingegaan. Ik heb
aangegeven hoe de praktijk van samenwerking tussen verschillende opsporingsniveaus
zich ontwikkelt en benoemd dat bij de uitwerking van de strategische agenda gekeken
zal worden naar de inrichting van de opsporing (zie onder b-III). Op de aanpak van
gedigitaliseerde criminaliteit ben ik specifiek ingegaan in verband met de strategische
agenda van politie (onder a), met de ontwikkeling naar een bovenlokale aanpak (onder
b-I) en met de toerusting van de basisteams (onder b-IV).
Tot slot
De doorontwikkeling van de politieorganisatie en de besteding van de middelen uit
het hoofdlijnenakkoord is een belangrijk onderwerp van gesprek tussen mij en de korpschef.
Hierover informeer ik uw Kamer regulier via de halfjaarberichten politie. Wat betreft
de lokale opsporing gaat mijn aandacht met name uit naar de ontwikkeling van geactualiseerde
uitgangspunten voor opportuniteit en selectiviteit voor veelvoorkomende criminaliteit
en van triage en coördinatie in de basisteams. Over de voortgang op dat vlak zal ik
uw Kamer op de hoogte houden, middels halfjaarberichten politie of in mijn voortgangsbrieven
over de strafrechtketen.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid