Brief regering : Voortgang programma Ruimte voor Economie
34 682 Nationale Omgevingsvisie
33 043
Groene economische groei in Nederland (Green Deal)
Nr. 231
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 november 2025
Hierbij bied ik u de tweede voortgangsbrief van het nationaal programma Ruimte voor
Economie1 aan. Met deze voortgangsbrief informeer ik u over de stand van zaken over de ontwikkelingen
en diverse maatregelen van dit programma. Specifiek zal ik ingaan op de mogelijk aanpassing
van de Wet Bedrijveninvesteringszone (Wet BIZ), conform de toezegging van mijn voorganger
in het commissiedebat Midden- en kleinbedrijf op 20 maart 20252. Daarnaast ga ik in op de concrete acties en interbestuurlijke samenwerking voortgekomen
uit het nationaal programma en de ruimtelijk economische visie (REV)3. Verder schets ik de onderzoeken die onderbouwing bieden voor de REV en de relatie
met de Ontwerp-Nota Ruimte4.
Ruimte voor ondernemen belangrijke basis
Een aantrekkelijk ondernemingsklimaat vraagt om voldoende plek om te werken, te innoveren
en te groeien – op bedrijventerreinen, in havens, industriegebieden en op campussen.
Het benutten van deze ruimte is een integrale opgave: we moeten economische ontwikkeling,
de diverse ruimtevragers en onze leefomgeving in balans brengen.
Om in Nederland een goed ondernemingsklimaat te garanderen, is ruimte een belangrijke
pijler. Sterker nog: zonder ruimte stokt de economische dynamiek, kunnen we onze maatschappelijke
opgaven niet aan en zijn we niet voldoende bestand tegen uitdagingen die geopolitiek
gezien op ons afkomen. De uitdagingen van onze leefomgeving hebben steeds meer impact
op het bedrijfsleven. Of het nu gaat om stikstof, netcongestie, water, milieuruimte
en de fysieke ruimte voor bedrijven. We zien dat de druk op ruimte toeneemt. Door
grote vraagstukken, zoals onder andere woningbouw en energietransitie, kunnen bedrijven
nog verder in de knel komen en ontbreekt het aan zekerheid om te investeren in (duurzame)
economische activiteiten en productiviteit.
Verlies van elke hectare aan bedrijvigheid is er één teveel. Momenteel verdwijnen
er nog steeds bedrijventerreinen, terwijl de vraag naar ruimte voor economische activiteiten
juist groeit. Het ruimtegebruik beweegt immers mee met de bevolkingsgroei en autonome
ontwikkelingen van de Nederlandse economie en faciliteert het bijbehorende voorzieningenniveau,
waaronder, winkels en energie-infrastructuur. Op basis van prognoses over de vraag
naar ruimte voor reguliere bedrijventerreinen zou het huidige areaal moeten toenemen
met in ieder geval zo’n 6 tot 13,5%. Gelijktijdig droogt het beschikbare aanbod voor
economie volledig op: in 8 van de 12 provincies is de ruimte voor bedrijven in 2030
zo goed als uitverkocht5. Groei van de ruimte voor economie is nodig om onze sociale en economische stabiliteit
te waarborgen en weerbaar te blijven.
Acties
Samen met ondernemers, medeoverheden en maatschappelijke partners bouwen we aan een
Nederland waar wonen, werken en leven hand in hand gaan. Met het programma Ruimte
voor de Economie en de REV richt het kabinet zich op het zorgvuldig omgaan met de
ruimte voor economie en het behoud van vitale bedrijvigheid op bedrijventerreinen.
Om dit te bereiken zijn er in het kader van het nationaal programma verschillende
acties uitgezet:
Pilot Meerjarenprogramma Bovenregionale Samenwerking Techbrandpunten
De deeptechsector behoort tot de meest innovatieve en snelgroeiende sectoren van Nederland
en vormt een cruciale pijler onder onze economie. Bedrijven die actief zijn op het
snijvlak van technologische ontwikkeling en industriële toepassing worden gezien als
strategisch belangrijk. Om te zorgen dat innovatieve (deep)tech-bedrijven hun groeiambities
binnen Nederland kunnen realiseren, is de pilot: «Meerjarenprogramma bovenregionale samenwerking technologiebrand-punten» opgestart. Dit vierjarige programma biedt bedrijven, die in hun eigen regio niet
verder kunnen groeien, de mogelijkheid om elders in Nederland een passende vestigingsplek
te vinden. Hierbij wordt de dienstverlening die de NFIA nu biedt aan buitenlandse
bedrijven, ook toegepast op Nederlandse bedrijven. De NFIA werkt hier samen met de
ROM’s in een taskforce om deze bovenregionale samenwerking vorm te geven. De bestaande
systemen en structuren worden hiervoor op een nieuwe manier ingezet. De taskforce
is recentelijk van start gegaan en de eerste resultaten worden in de loop van 2026
verwacht.
Praktijkuitwisseling tussen gemeenten: Community of Practice
Volgens het principe van de omgevingswet geldt «decentraal, tenzij». Gemeenten spelen
daarmee een nadrukkelijke rol het ruimtelijk-economisch beleid. Met de invoering van
de Omgevingswet krijgen zij tot 1 januari 2032 de tijd om hun bestemmingsplannen en
andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar één integraal omgevingsplan.
De handreiking «Ruimte voor economie»6 ondersteunt gemeenten en provincies bij het inzetten van het instrumentarium van
de Omgevingswet voor economische opgaven. Voor een praktische doorvertaling naar gemeentelijk
en regionaal beleid ontbreekt het nog aan concrete praktijkervaring. Tot op heden
is er beperkt aandacht geweest voor het ontwikkelen van een «omgevingsprogramma werken», terwijl dit een waardevol instrument kan zijn binnen de nieuwe wet. Om deze praktijkervaring
op te bouwen en te delen, start een «Community of Practice». Hierin wisselen minimaal vijf gemeenten verspreid over Nederland gedurende een
jaar kennis en ervaringen uit over de ontwikkeling van een omgevingsprogramma «ruimte voor economie». De ervaringen en lessen uit deze «Community of Practice» zullen worden gebundeld in een ervaringsnotitie, die als inspiratie en leidraad
kan dienen voor andere gemeenten en regio’s
Beter benutten: pilots toekomstbestendige bedrijventerreinen
Om economische veerkracht te behouden in een tijd van transities en schaarse ruimte,
is het van belang voldoende ruimte te bieden aan diverse en productieve bedrijven
en sectoren. Het beter benutten van bedrijventerreinen is een complexe uitdaging,
maar juist daarin ligt de sleutel voor efficiëntere inzet van werklocaties voor maatschappelijke
opgaven. Omgekeerd bieden maatschappelijke opgaven ook kansen om bedrijventerreinen
beter te benutten. Dit vraagt om een gezamenlijk inzet en dus investeringen van overheid
en bedrijfsleven. Om te experimenteren met een integrale aanpak, waar een ondernemersgerichte
aanpak zorgt voor koppelkansen op maatschappelijke thema’s, faciliteert het Rijk één
pilot per provincie. In een constructieve samenwerking kunnen we met provincies in
2026 aan de slag met de eerste pilotbedrijventerreinen. Daarvoor is dit najaar via
een decentralisatie-uitkering de eerste uitkering aan die provincies gedaan. Dit bouwt
voort op de eerdere startsubsidie toekomstbestendige bedrijventerreinen, die via de
zogenoemde CDOKE regeling (= Capaciteit Decentrale Overheden voor Klimaat- en Energiebeleid)
in 2024 is verstrekt7.
Een integrale aanpak richting bedrijventerreinen vraagt om actie op Rijksniveau. Daarom
wordt sinds het uitbrengen van het RLi-advies «Samen werken aan duurzame bedrijventerreinen» afstemming gevonden met andere departementen die voor diverse opgaven ondernemers
op bedrijventerreinen bereiken. Met I&W, VRO, LVVN en KGG werkt EZ aan een integrale
aanpak. Hoewel dit nog in de kinderschoenen staat is het mooi om te vermelden dat
het Programma Verduurzaming Bedrijventerreinen (opdrachtgever VRO) nu ook kennispartner
is voor Duurzame Mobiliteit van het Ministerie van I&W. Een efficiënt instrument voor
meerdere doelen die dezelfde doelgroep hebben. Ook voor het stimuleringsprogramma
energiehubs wordt naar eenzelfde constructie gekeken.
Voortgang Wet op de bedrijveninvesteringszones (BIZ)
Sinds de invoering van de BIZ in 2015 (de experimenten wet startte in 2011) hebben
ondernemers de mogelijkheid om gezamenlijk te investeren in de verbetering van de
directe bedrijfsomgeving. De wet maakt het mogelijk om, met instemming van een meerderheid
van de ondernemers, via een gemeentelijke verordening een belasting op te leggen waarmee
gewerkt kan worden aan veiligheid, uitstraling en economische vitaliteit in winkelgebieden
en op bedrijventerreinen. De BIZ is uitgegroeid tot een effectief instrument voor
publiek-private samenwerking.
Uit de praktijk blijkt echter dat het opstarten, verlengen en uitvoeren van een BIZ
vaak als complex, administratief en tijdrovend wordt ervaren. Vanwege de beperkte
looptijd en strikte draagvlakeisen is de huidige Wet BIZ voor veel ondernemers te
bezwarend. Het opstarten of verlengen van een BIZ vereist een uitgebreide formele
procedure, inclusief draagvlakmeting, stemronde en gemeentelijke besluitvorming. Dit
vraagt veel voorbereidingstijd, afstemming met ondernemers en intensief contact met
de gemeente. Vooral op bedrijventerreinen waar de organisatiegraad laag is, ontbreekt
vaak de structuur om dit goed te organiseren. Hierdoor wordt er op bedrijventerreinen
momenteel nauwelijks gebruikgemaakt van de BIZ; slechts 20% van de terreinen is georganiseerd,
en slechts 3,4% maakt daadwerkelijk gebruik van een BIZ8.
Tegelijkertijd spelen bedrijventerreinen een belangrijke rol in het realiseren van
grote maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie, de circulaire economie
en digitalisering. Deze opgaven vragen om collectieve investeringen en afstemming
tussen bedrijven en overheden. De BIZ biedt hiervoor juist grote kansen. Diverse belangenorganisaties,
waaronder VNO-NCW en INretail en meerdere grote gemeenten, hebben daarom aangedrongen
op verbetering van de wet.
Om beter aan te sluiten bij de praktijk, wordt nu onder meer onderzocht of de maximale
looptijd van een BIZ kan worden verlengd van vijf naar tien jaar. Dit biedt ruimte
voor langjarige investeringen en vermindert de administratieve lasten voor ondernemers
en gemeenten. Daarnaast wordt bekeken of een BIZ zonder nieuwe draagvlakmeting kan
worden voortgezet, zolang de BIZ ongewijzigd blijft. Bij meer dan 20% bezwaar blijft
een tussentijdse draagvlakmeting mogelijk, zoals ook nu al in de wet is opgenomen.
Ook worden enkele technische verbeteringen voorgesteld.
De verkenning naar mogelijkheden om de administratieve lasten van de wet te verlagen
loopt. Ik streef ernaar in het eerste kwartaal van 2026 de internetconsultatie te
starten. Daarnaast start ik het tweede kwartaal, samen met gemeenten, provincies en
VNO-NCW, een communicatiecampagne om de bekendheid van de BIZ te vergroten. Zo informeren
we ondernemers en gemeenten beter over de mogelijkheden van dit instrument en de lessen
uit bestaande BIZ-en. Daarbij betrekken we ook kennis en expertise over andere instrumenten
die op lokaal niveau kunnen worden ingezet, zoals het instrument van het Ondernemersfonds
(voorbeeld Leiden, Utrecht e.a.).
Ook het Rijk zelf speelt hierin een rol. Tijdens het Commissiedebat Midden- en kleinbedrijf
op 20 maart 2025 kwam de vraag op of het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) bereid is deel
te nemen aan een nieuw op te richten BIZ in Rijkswijk. Inmiddels is duidelijk dat
het RVB positief heeft gereageerd op deelname aan een BIZ op deze locatie. Daarmee
benadrukt ook het RVB het publieke belang dat een BIZ kan dienen aan een veilige,
schone en duurzame werkomgeving.
Tot slot, goed om te vermelden is dat de BIZ niet het enige instrument is voor collectieve
investeringen op bedrijventerreinen. Ook het ondernemersfonds is een bewezen middel,
daarbij is de mate van samenwerking tussen ondernemers (organisatiegraad) van net
zo groot belang als bij een BIZ is. Het eerdergenoemde Programma Verduurzaming Bedrijventerreinen
maakt daar in alle 12 provincies werk van en de jaarlijkse monitor van de SPUK bedrijfsmatig
vastgoed (VRO) laat een behoorlijke stijging zien van het aantal «georganiseerde»
bedrijventerreinen.
Een dynamische en diverse economie als fundament voor de toekomst
Ruimtelijke Economische Visie als basis voor Ontwerp-Nota Ruimte
Met de REV, die uw Kamer in juni heeft ontvangen, richt het kabinet zich op het bieden
van voldoende ruimte voor een dynamische en weerbare economie. Dit doen we door de
ruimtelijke randvoorwaarden te borgen waarbinnen de economie zich kan ontwikkelen.
We koesteren bedrijventerreinen en hebben extra aandacht voor bedrijventerreinen met
unieke kenmerken, zoals milieuzonering, grootschalig en water- en kade gebonden terreinen
en terreinen met een goede multimodale bereikbaarheid. Hierbij kiezen we voor het
verduurzamen van bedrijventerreinen en beter benutten van de bestaande (milieu)ruimte.
Deze uitgangspunten zijn overgenomen in de Ontwerp-Nota Ruimte. Daarmee is het belang
van de ruimtelijk economische opgave nadrukkelijker onderdeel geworden van de integrale
ruimtelijke afweging. Met de Ontwerp-Nota Ruimte zijn expliciete keuzes opgenomen
om ruimte voor economie, inclusief de energie intensieve industrie, beter te beschermen,
te benutten, te compenseren en strategisch uit te breiden. Daarnaast is er oog voor
regionale verschillen en aandacht voor een sterkere samenhang tussen woningbouw, werken
en bereikbaarheid. Tot slot is het in de context van lokale gebiedsontwikkeling nodig
om zorgvuldig om te gaan met ruimte voor economie en moet vitale bedrijvigheid op
bedrijventerreinen behouden blijven.
Gezamenlijk sturen op ruimte
Interbestuurlijke samenwerking: Bestuurlijk Overleg Economie, Regio en Ruimte
In het najaar van 2024 is een bestuurlijke werkconferentie georganiseerd9. Daar werd de urgentie voor het thema Ruimte voor Economie door alle belanghebbenden
onderschreven en is besloten om een gestructureerde aanpak van (interbestuurlijke)
samenwerking via een bestuurlijk overleg Economie, Regio en Ruimte en een uitvoeringsagenda
vast te leggen. Op 8 mei vond daarom het eerste Bestuurlijk Overleg Economie, Regio
en Ruimte plaats. Daar zijn onder andere de sturingsprincipes van de REV vastgesteld
en is afspraak gemaakt om de pilots toekomstbestendige bedrijventerreinen via een
zogenoemde decentralisatie uitkering uit te voeren. Verder is er afgesproken dat met
alle deelnemende partijen wordt samengewerkt aan de uitwerking van een gezamenlijke
uitvoeringsagenda «Ruimte voor Economie». Het bestuurlijk overleg zal halfjaarlijks
worden georganiseerd.
Uitvoeringsagenda Ruimte voor Economie
De uitvoeringsagenda Ruimte voor Economie wordt ingezet als hulpmiddel en richtlijn
om de gezamenlijke opgaven integraal en interbestuurlijk tot uitvoering te brengen.
Doelstellingen worden vertaald in acties, maatregelen, aanvullend instrumentarium
(indien nodig) en bestuurlijke afspraken. Met aandacht voor rollen, verantwoordelijkheden
en bevoegdheden. Deze agenda wordt gezamenlijk uitgewerkt door EZ en decentrale overheden,
met betrokkenheid van I&W, KGG, VRO en VNO-NCW/MKB-Nederland. En uiteraard in goede
aansluiting op en afstemming met lopende trajecten en bestaande bestuurlijke overleggen.
Ruimtelijke opgaven in beeld
Campusonderzoek: campussen prominente plek in omgevingsbeleid Rijk
Campussen zijn belangrijke plekken voor het verdienvermogen van Nederland. Het zijn
locaties met hoogwaardige vestigingsmogelijkheden voor kennisintensieve bedrijvigheid
en toonaangevende kennisinstellingen. Bovendien bieden campussen verschillende typen
ontmoetingsplekken, gericht op het stimuleren van open innovatie. Dit bevordert snelle
kennisdeling tussen verschillende partijen en daarmee de valorisatie van kennis.
Het campusonderzoek «Ruimtelijke opgaven campussen» in opdracht van EZ uitgevoerd door TwynstraGudde biedt inzicht in de ruimtelijke
opgaven die spelen bij Nederlandse campussen. Dit is een vervolg op de kwantitatieve
actualisatie van de periodieke campusinventarisatie10 die in 2023 heeft plaatsgevonden en naar uw Kamer is gezonden.
Uit het onderzoek blijkt dat op de negentien onderzochte campussen strategisch met
de schaarse ruimte wordt omgaan. Naast voldoende fysieke ruimte zijn ook randvoorwaarden
zoals netcapaciteit en bereikbaarheid van groot belang evenals meer mogelijkheden
voor publiek-private samenwerking en financiering wat betreft startuphuisvesting en
gedeelde onderzoeksfaciliteiten.
Het onderzoek heeft ertoe geleid dat in de Ontwerp-Nota Ruimte campussen zijn aangemerkt
als belangrijke brandpunten in onderzoeks- en innovatie-ecosystemen. Alle campussen
– zowel de volwassen campussen als die in de groeifase of ontwikkelfase – zullen hierdoor
een prominente plek krijgen in het omgevingsbeleid van het Rijk.
Goede woon-werkbalans bij (grootschalige) woningbouwontwikkelingen
Er is terecht veel aandacht voor het bouwen van (betaalbare) woningen, maar de samenhang
met werk blijft een belangrijk punt. Een integrale aanpak van wonen, werken en bereikbaarheid
leidt tot completere steden, snellere realisatie van woningbouw en een kortere pendel
van wonen naar werken en daardoor efficiëntere benutting van de mobiliteitsinfrastructuur,
waaronder het openbaar vervoer.
In veel steden vindt een transformatie plaats van werklocaties naar gemengde woon-werkgebieden.
Dit proces is complex en kapitaalintensief, omdat er in veel gevallen economisch gezien
vitale en/of kritische bedrijven verplaatst moeten worden. In veel regio’s is er bovendien
een groot tekort aan (direct) geschikte alternatieve ruimte voor deze bedrijven in
de nabije omgeving.
Zoals eerder aangegeven zet het kabinet met de REV en de Ontwerp-Nota Ruimte daarom
in op het beter beschermen en beter benutten van deze bedrijfslocaties. Om te voorkomen
dat woningbouw ten koste gaat van bestaande vitale werkgelegenheid is in opdracht
van EZ en in samenwerking met VRO en I&W de verkenning «Financieel-economische omgang met bedrijvigheid in grootschalige woningbouwgebieden» door Rebel en Fakton uitgevoerd. Dit onderzoek heeft als doel om een goede balans
te vinden tussen het behouden van (betaalbare) bedrijfsruimte en het realiseren van
urgente woningbouwopgaven. Het verplaatsen van bedrijven brengt substantiële (maatschappelijke)
kosten met zich mee. Om te kunnen bepalen of het beschikbaar stellen van onder andere
Rijkssubsidies economisch en maatschappelijk verantwoord is, wordt in dit onderzoek
een doelmatigheidstoets geïntroduceerd. Hierbij wordt de betreffende verplaatsing
beoordeeld op de prijs per m2 kavel, waarbij een bandbreedte van € 1.300–1.400 aan maximale kosten wordt gehanteerd.
In het afweegkader voor de grootschalige woningbouwgebieden is dit najaar al gebruikgemaakt
van deze toets. Daarnaast moet worden beoordeeld of er (voldoende) compensatieruimte
beschikbaar is gesteld om bedrijven een geschikt alternatief te kunnen bieden. Deze
toets versterkt de bescherming van bedrijfslocaties en waarborgt zo de ruimte voor
onze economie.
Onderzoek «Ruimte voor circulaire economie op bedrijventerreinen11»
De transitie naar circulaire economie leidt tot een toenemende ruimte vraag op bedrijventerreinen.
Onderzoek van STEC Groep en CE Delft, in opdracht van EZ en I&W, laat zien dat deze
ruimtevraag komende decennia sterkt groeit, terwijl aanbod van geschikte locaties
beperkt blijft. Vooral kade-en watergebonden terreinen en locaties met een hoge milieu
categorie zijn schaars. Het onderzoek onderschrijft daarmee eerdergenoemde urgentie
om bestaande bedrijventerreinen te beschermen en beter te benutten en tegelijk tijdig
te investeren in nieuwe locaties vanwege de lange planprocedures.
Economische perspectief op «clusteren» van grootschalige bedrijvigheid
In de landelijke beleidslijn «Grip op grootschalige bedrijfsvestigingen12» (Grip) hebben het Rijk en de provincies eind 2023 afspraken gemaakt over sturing
op grootschalige bedrijfsvestigingen, met aandacht voor de balans tussen de economische
en maatschappelijke waarde van deze vestigingen en het ruimtebeslag, de ruimtelijke
kwaliteit en effecten op de leefomgeving. Ter verdieping heeft EZ, samen met VRO en
I&W, Buck Consultants International onderzoek laten doen naar het economisch perspectief
op clustering van grootschalige bedrijvigheid13. Dit onderzoek benadrukt het belang van grootschalige vestigen voor de Nederlandse
economie en het functioneren van regionale ecosystemen. Tegelijk waarschuwt het onderzoek
dat te vergaande, centraal opgelegde clustering kan leiden tot economische inefficiënties.
Regionale verschillen en bestaande economische netwerken moeten daarom leidend zijn
bij de locatiekeuzes en programmering van grootschalige bedrijvigheid.
Tot slot
Nu de REV is doorvertaald in de Ontwerp-Nota Ruimte, wordt er nu onder leiding van
EZ gewerkt aan een interbestuurlijke uitvoeringsagenda «Ruimte voor Economie». Deze
is van de overheden die samen verantwoordelijk zijn voor die ruimtelijk economische
inrichting van Nederland. De Rijksinzet in die uitvoeringsagenda vormt de actualisatie
van het Nationaal Programma Ruimte voor Economie.
Het streven is om in het najaar 2026 het programma ruimte voor economie 2.0 aan uw
Kamer te presenteren.
De Minister van Economische Zaken,
V.P.G. Karremans
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken