Brief regering : Geannoteerde Agenda Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december 2025
21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken
Nr. 806 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 november 2025
Op 1 december aanstaande vindt de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid plaats
te Brussel. Hierbij zend ik u de Geannoteerde Agenda voor deze Raad toe. Conform de
vastgestelde afspraken informeer ik uw Kamer middels de Geannoteerde Agenda tevens
over de voortgang van de onderhandelingen inzake de herziening van de Coördinatieverordening
Sociale Zekerheid. Ook informeer ik uw Kamer over ontwikkelingen in de onderhandelingen
over de EU-talentenpool, en stuur ik uw Kamer een afschrift van het Nederlandse non-paper
over de Europese anti-armoedestrategie.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M.L.J. Paul
GEANNOTEERDE AGENDA FORMELE RAAD WERKGELEGENHEID EN SOCIAAL BELEID (WSB) 1 december
2025
In deze Geannoteerde Agenda treft u aan:
• De kwartaalrapportage t.a.v. de herziening van Coördinatieverordening Sociale Zekerheid
(COM(2016) 815);
• Informatie over het recent bereikte voorlopig politiek akkoord over de Verordening
oprichting EU-Talentenpool (COM(2023) 716);
• Informatie over de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december;
• Informatie over een Nederlands non-paper over de Europese anti-armoedestrategie.
Kwartaalrapportage: herziening Coördinatieverordening Sociale Zekerheid (883/2004)
Sinds 2016 wordt onderhandeld over de herziening van Verordening 883/2004 betreffende
de coördinatie van sociale zekerheidssystemen (hierna: het herzieningsvoorstel). Na
een terugblik volgt hieronder de laatste stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen
over dit herzieningsvoorstel. Het onderwerp staat niet geagendeerd voor de Raad van
1 december 2025.
Achtergrond en terugblik trilogen
Elke lidstaat heeft zijn eigen socialezekerheidsstelsel met unieke kenmerken en regelingen.
Verordening 883/2004 heeft als doel om deze nationale stelsels te coördineren, zodat
mensen geen socialezekerheidsrechten verliezen of bijvoorbeeld dubbel verzekerd zijn
wanneer zij gebruik maken van hun recht op vrij verkeer binnen de EU.
In zowel 2019 als 2021 werd een voorlopig politiek akkoord tussen het Voorzitterschap
van de Raad, dat namens de lidstaten onderhandelde, en het Europees Parlement binnen
de Raad verworpen. Nederland heeft beide voorlopige akkoorden niet gesteund vanwege
bezwaren bij de voorgestelde verruiming van de exportmogelijkheden in het werkloosheidshoofdstuk
van het herzieningsvoorstel.
Nederland vindt dat de beoogde modernisering van de Verordening niet wordt bereikt
met het huidige herzieningsvoorstel en heeft daarom opgeroepen tot een reflectieperiode.
Vanaf de introductie van het herzieningsvoorstel in 2016 hebben er namelijk fundamentele
veranderingen plaatsgevonden op de arbeidsmarkt. Voorbeelden daarvan zijn de toegenomen
digitalisering van het arbeidsdomein en een toename in het hybride werken. Ter ondersteuning
van deze oproep heeft Nederland dit jaar een non-paper opgesteld met een eerste inventarisatie
van verbeterpunten en suggesties voor vervolgstappen die richting kunnen geven aan
een toekomstig voorstel.1
Stand van zaken
De laatste triloog vond plaats onder Pools Voorzitterschap in de eerste helft van
dit jaar. Onder het huidige Deense Voorzitterschap hebben er geen onderhandelingen
plaatsgevonden op dit dossier. Ook in de komende maanden, tot aan de jaarwisseling,
worden onder het Deense Voorzitterschap geen ontwikkelingen verwacht.
In aanloop naar publicatie van het Commissiewerkprogramma 2026 heeft een groep van
dertien lidstaten opgeroepen om het herzieningsvoorstel op de wetgevingsagenda te
laten staan. De Commissie heeft gelet op de brede steun gehoor gegeven aan deze oproep.
De verwachting is dat de onderhandelingen zullen worden voortgezet onder het Cypriotisch
Voorzitterschap, dat in januari 2026 van start gaat.
Nederland zal haar bestaande zorgen bij het huidige herzieningsvoorstel blijven benadrukken
en zich blijven inzetten voor de benodigde modernisering van de coördinatie van sociale
zekerheidsstelsels in de Unie.
Ter informatie: voorlopig politiek akkoord Verordening oprichting EU-talentenpool
(COM/2023/716)
Graag informeer ik uw Kamer, mede namens de Minister van Asiel en Migratie, over relevante
ontwikkelingen en de Nederlandse positiebepaling ten aanzien van het voorstel van
de Europese Commissie voor een Verordening ter oprichting van een EU-talentenpool2. De afgelopen maanden is tussen het Deense EU-Voorzitterschap en het Europees Parlement
onderhandeld in de triloogfase. Op dinsdag 18 november bereiken de onderhandelende
partijen naar verwachting een voorlopig politiek akkoord. Het Voorzitterschap beoogt
eind november het voorlopig politiek akkoord ter stemming voor te leggen in het Coreper-II.
Over het voorstel wordt met gekwalificeerde meerderheid gestemd. Indien de gekwalificeerde
meerderheid wordt bereikt, zal het akkoord als hamerstuk kunnen worden aangenomen
op een eerstvolgende Formele Raad. Het kabinet is voornemens om zich te onthouden
van stemming op het bereikte akkoord (vergezeld van een stemverklaring) en zal zijn
positie in het hiernavolgende toelichten.
Op 15 november 2023 publiceerde de Commissie in het kader van het talentmobiliteitspakket
een Verordening voor de oprichting van een EU-talentenpool. Het voorstel heeft tot
doel de algehele aantrekkelijkheid van de EU te vergroten door het opzetten van een
EU-breed IT-platform dat openstaat voor derdelanders die in de EU willen werken en
voor werkgevers die niet in staat zijn om binnenlands of binnen de EU het talent te
vinden dat ze nodig hebben. De uiteindelijke deelname van lidstaten aan de EU-talentenpool
is vrijwillig.
De kabinetsinzet is in het BNC-fiche uiteengezet.3 Het uitgangspunt in de beoordeling van het voorstel is dat het kabinet arbeidsmigratie
niet ziet als een structurele oplossing voor de tekorten op de arbeidsmarkt. Het kabinet
heeft zich er tijdens de onderhandelingen voor ingezet om van de EU-Talentenpool een
goed functionerend instrument te maken voor de lidstaten die besluiten deel te nemen,
met uitgebreide aandacht voor het voorkomen van misstanden en uitbuiting van arbeidsmigranten.
Een aantal onderdelen van de Nederlandse inzet is meegenomen in het voorlopig politiek
akkoord.
De lidstaten behouden flexibiliteit in hun deelname aan het instrument, en behouden
volledige zeggenschap over de inrichting van hun nationale immigratieprocedures. Er
wordt een verbinding gelegd tussen de EU-talentenpool en andere Europese initiatieven,
zoals de EU-talentpartnerschappen. De compromistekst heeft aandacht voor de administratieve
lasten voor de uitvoeringsorganisaties. Daarnaast heeft het kabinet ervoor gepleit
dat op het platform specifieke informatie over de rechten en plichten van derdelanders
verplicht wordt aangeboden. Ook deze inzet is overgenomen in de compromistekst. De
informatie wordt waar mogelijk gebaseerd op bestaande bronnen en middels automatisering
verstrekt om administratieve lasten te beperken.
Aan belangrijke onderdelen van de Nederlandse inzet, in het bijzonder het tegengaan
van oneigenlijke detachering van via de Talentpool geworven derdelanders, is echter
in het voorlopig politiek akkoord niet (volledig) tegemoetgekomen. Dit was overigens
ook al de situatie ten tijde van het bereiken van de Raadspositie, waarbij Nederland
zich heeft onthouden van stemming4. Het blijft op grond van de compromistekst mogelijk dat derdelanders die via het
online portaal worden gerekruteerd na werving op grond van het vrij verkeer van diensten
onmiddellijk kunnen worden gedetacheerd naar een andere (niet-deelnemende) lidstaat.
Oneigenlijke detachering van via de Talentpool geworven derdelanders is dus niet uitgesloten
in de compromistekst. Het onmiddellijk detacheren van derdelanders naar een andere
lidstaat is een bestaande praktijk die zich ook los van de Talentpool voordoet. Ook
buiten de onderhandelingen over de EU-talentenpool is het tegengaan van oneigenlijke
detachering een belangrijke prioriteit voor Nederland. Het kabinet zet actief in op
een verheldering van het juridisch kader rond de detachering van derdelanders.5
Gelet op de weging van de Nederlandse belangen op het vlak van het voorkomen van misstanden
en oneigenlijke detachering van (met name) derdelanders, migratiesamenwerking en partnerschappen
met landen van buiten de Unie, het krachtenveld en het uiteindelijke doel en reikwijdte
van de Verordening, is het kabinet voornemens om zich te onthouden van stemming. Het
kabinet is voornemens om bij de onthouding een stemverklaring af te geven, waarmee
het kabinet aandacht wil vragen voor de benodigde verheldering van het juridisch kader
rond de detachering van derdelanders.
Op basis van een analyse van het krachtenveld is het de verwachting dat een ruime
meerderheid van de lidstaten in zal stemmen met het voorziene onderhandelingsresultaat
uit de triloog. Het Europees Parlement zal ook nog moeten instemmen met het voorlopig
politiek akkoord. De EU-talentenpool wordt naar verwachting in 2028 operationeel.
In aanloop naar de inwerkingtreding in 2028 zal een volgend kabinet een besluit moeten
nemen over deelname aan het instrument. Ook is het mogelijk om nog te besluiten tot
deelname nadat de EU-talentenpool al in werking is getreden.
Informatie over de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december
In het nu volgende informeer ik u over de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal
Beleid, 1 december 2025, waaraan ik voornemens ben deel te nemen. De Formele Raad
vindt plaats in Brussel.
Agendapunt: algemene oriëntatie Verordening aanpassing van het Europees Globaliseringsfonds
(COM(2025)140)
Doel Raadsbehandeling
Bereiken van een algemene oriëntatie voor de herziening van de verordening.
Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen
Het Europees Globaliseringsfonds (hierna: EGF) is in 2007 opgericht om steun te verlenen
aan werknemers die werkloos zijn geworden door grote structurele veranderingen als
gevolg van globalisering en van wie gedwongen ontslagen een significant negatief effect
hebben op de regionale of lokale economie. De Europese Commissie heeft een herziening
van dit fonds voorgesteld met als doel de groep die ondersteuning kan krijgen te verbreden
en sneller te kunnen acteren. Het idee hierachter is om werkgevers de mogelijkheid
te bieden om niet alleen bij reeds toegepast massaontslag werknemers te ondersteunen
richting ander werk, maar ook die ondersteuning te bieden bij aangekondigde en voorziene
massaontslagen.
De algemene oriëntatie wordt ter stemming voorgelegd in het Coreper-overleg van 19 november.
De EGF-verordening maakt geen afzonderlijk onderdeel uit van het MFK-voorstel voor
de periode 2028–2034. Dit betekent dat een eventuele instemming met deze herziening
van toepassing zal zijn tot eind 2027.
Inzet Nederland
Ik ben voornemens namens Nederland in te stemmen met de algemene oriëntatie op basis
van de laatst beschikbare compromistekst.
In het BNC-fiche6 lichtte het kabinet toe positief te zijn over het eerder inzetten van instrumenten
om werknemers te ondersteunen voordat baanverliezen plaatsvinden. Het oordeel rondom
de rechtsgrondslag en subsidiariteit was positief. Het kabinet plaatste echter kanttekeningen
bij de toets op proportionaliteit. De inzet van Nederland heeft zich dan ook onder
andere gericht op het verduidelijken van definitiekwesties om de praktische uitwerking
uitvoerbaar te houden. In het bijzonder heeft Nederland zich ingezet om voorziene
bijkomende administratieve lasten en de financiële risico’s die bij het aangepast
proces kwamen kijken te beperken. De voorliggende algemene oriëntatie bevat aanpassingen
die tegemoet komen aan deze aandachtspunten. Zo is de verplichting om een aparte autoriteit
op te richten geschrapt en zijn de financiële risico’s voor lidstaten verder beperkt.
Ook krijgen lidstaten de mogelijkheid om een toets uit te voeren voordat een aanvraag
naar de Commissie wordt doorgezet en wordt de Commissie verplicht rekening te houden
met dat nationale oordeel. Met deze aanpassingen sluit het compromis aan bij de Nederlandse
inzet.
Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement
De verwachting is dat een meerderheid van de lidstaten met de algemene oriëntatie
kan instemmen.
Agendapunt: algemene oriëntatie wijziging Richtlijn ten behoeve van grenswaarden voor
gevaarlijke stoffen (COM(2025) 418)
Doel Raadsbehandeling
Bereiken van een algemene oriëntatie voor het Richtlijnvoorstel.
Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen
Op 18 juli 2025 publiceerde de Europese Commissie een pakket met daarin een zesde
wijziging van Richtlijn 2004/37/EG. Deze wijziging betreft de bescherming van werknemers
tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene, mutagene of reprotoxische agentia
op het werk (CMRD). De Commissie stelt regelmatig wijzigingsvoorstellen voor deze
Richtlijn voor, waarbij de reikwijdte wordt uitgebreid en nieuwe grenswaarden worden
geïntroduceerd.
Het initiële voorstel voorzag in Europese grenswaarden voor kobalt en chemische verbindingen
van kobalt, polycyclische aromatische koolwaterstoffen, 1,4-dioxane, en het opnemen
van lasrook als mengsel in de CMRD. Over de inhoud van het wijzigingsvoorstel en de
kabinetsappreciatie heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd via het BNC-fiche7.
De afgelopen maanden vonden onder leiding van het Deense voorzitterschap onderhandelingen
plaats tussen de lidstaten over een gezamenlijke Raadspositie. Op 19 november zal
het Deense Voorzitterschap het richtlijnvoorstel in het Coreper-overleg agenderen
voor een algemene oriëntatie. Als het voorstel daar op een gekwalificeerde meerderheid
kan rekenen, wordt het ter instemming doorgeleid naar de Formele Raad. In voorbereiding
op het Coreper-overleg van 19 november besprak de Raadswerkgroep Sociale Vraagstukken
het CMRD 6-voorstel, dat grenswaarden voor gevaarlijke stoffen op de werkvloer vaststelt.
Tijdens deze ingelaste werkgroep stond specifiek de stof isopreen centraal. Enkele
lidstaten hadden eerder de stilteprocedure doorbroken om isopreen alsnog in het voorstel
opgenomen te krijgen. Het kabinet steunt deze opname, omdat het ontbreken van een
wettelijke grenswaarde voor isopreen voor bedrijven in Nederland betekent dat zij
zelf een bedrijfsgrenswaarde moeten onderzoeken en vaststellen. Dit brengt meer administratieve
lasten met zich mee dan het implementeren van een algemene, wettelijke waarde die
bijdraagt aan een Europees gelijk speelveld.
Een grote meerderheid van de lidstaten steunde uiteindelijk de opname van isopreen,
waarna het Voorzitterschap concludeerde dat de stof in de Raadspositie zou worden
opgenomen.
Inzet Nederland
Ik ben voornemens namens Nederland in te stemmen met de algemene oriëntatie op basis
van de laatst beschikbare compromistekst.
Zoals uiteengezet in het BNC-fiche onderschrijft het kabinet de doelstelling van dit
pakket: het verbeteren van de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling
aan carcinogene, mutagene of reprotoxische stoffen.
De afgelopen jaren heeft Nederland, samen met andere lidstaten, herhaaldelijk gepleit
voor een substantiële uitbreiding van het aantal stoffen met grenswaarden in de Europese
richtlijnen8. Stoffen zoals kobalt, polycyclische aromatische koolwaterstoffen, 1,4-dioxane en
lasrook brengen grote gezondheidsrisico’s met zich mee, waartegen werknemers beschermd
moeten worden. Het kabinet verwelkomt de ambitie van de Commissie om met dit voorstel
ziekte door blootstelling aan gevaarlijke stoffen op de werkvloer beter te kunnen
voorkomen. Het kabinet steunt de voorgestelde grenswaarden van de Commissie, die deels
strenger zijn dan de huidige nationale waarden. Deze actualisatie sluit aan bij de
stand van de wetenschap en de voorgestelde waarden worden haalbaar geacht door sociale
partners op EU-niveau.
Een belangrijk punt voor Nederland, zoals verwoord in het BNC-fiche, is dat het voorstel
bijdraagt aan een gelijker speelveld in Europa. Lidstaten moeten de Europees vastgestelde
grenswaarden implementeren en mogen geen hogere (zwakkere) waarden handhaven. Hoewel
lidstaten indien gewenst strengere nationale grenswaarden kunnen invoeren, zullen
de verschillen tussen lidstaten hierdoor wel afnemen. De bandbreedte voor afwijking
wordt verkleind, wat de zekerheid vergroot dat er voor elk van de kankerverwekkende
stoffen uit dit voorstel een vaste definitie en handhaafbare blootstellingswaarde
geldt in alle lidstaten.
Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement
Binnen de Raad is een grote meerderheid van de lidstaten, waaronder Nederland, positief
over de laatste compromistekst. Een aantal lidstaten pleit nog wel voor een langere
implementatietijd van de wijziging van de Richtlijn. Daarnaast hebben enkele lidstaten
nog geen definitieve positie ingenomen.
Het Europees Parlement (EP) heeft tot nu toe nog geen standpunt bepaald. Pas wanneer
zowel de Raad als het EP hun positie hebben vastgesteld, kunnen triloogonderhandelingen
starten om tot een definitief akkoord tussen alle partijen te komen.
Agendapunt: voortgangsrapportage EU-Richtlijnvoorstel Gelijke behandeling buiten arbeid
(COM(2008) 426)
Doel Raadsbehandeling
Presentatie van de voortgangsrapportage over de onderhandelingen over het Richtlijnvoorstel.
Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen
Het Deens Voorzitterschap agendeert een voortgangsrapportage over het Richtlijnvoorstel.
Het Richtlijnvoorstel stamt uit 2008 en ligt, ondanks meerdere pogingen om tot een
akkoord te komen, vanwege de vereiste unanimiteit in de Raad vast door een blokkade
van enkele lidstaten. De afgelopen periode heeft het Voorzitterschap gepoogd om te
achterhalen welke stappen nodig zijn om de resterende lidstaten die nog niet in konden
stemmen te overtuigen van instemming.
Inzet Nederland
Dit dossier valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties. Nederland heeft vrijwel alle onderwerpen in de richtlijn
al door middel van nationale wetgeving geregeld. Sinds Nederland in 2016 het VN-verdrag
handicap heeft geratificeerd en tegelijk de Wet gelijke behandeling op grond van handicap
of chronische ziekte (Wgbh/cz) heeft uitgebreid, worden voor Nederland geen verstrekkende
gevolgen meer verwacht, indien er een akkoord zou worden bereikt over de richtlijn
in de huidige vorm. Tegelijkertijd gaat er een belangrijke signaalwerking uit van
aanname van deze richtlijn. De richtlijn helpt om discriminatie op grond van godsdienst
of levensovertuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid tegen te gaan. Het
kabinet is dan ook overtuigd van de toegevoegde waarde van deze richtlijn. Dit voorstel
heeft symbolisch veel waarde omdat het een belangrijk gat in het EU-acquis dicht ten
aanzien van antidiscriminatiewetgeving. Het kabinet hecht grote waarde aan de bescherming
van fundamentele rechten, waaronder het recht op gelijke behandeling. Het kabinet
blijft daarom voorstander van het Richtlijnvoorstel en roept op tot spoedige aanname.
Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement
Op dit moment is de vereiste unanimiteit in de Raad buiten bereik. Een aantal lidstaten
heeft aangegeven vanwege politieke voorbehouden (nog) niet in te kunnen stemmen met
het Richtlijnvoorstel. Het Europees Parlement heeft krachtens het Verdrag (artikel
19 van het Werkingsverdrag van de Unie) het recht van instemming nadat de Raad een
algemene oriëntatie heeft bereikt.
Agendapunt: Beleidsdebat leveren op vereenvoudiging, implementatie en handhaving op
het gebied van sociaal - en werkgelegenheidsbeleid.
Doel Raadsbehandeling
Het Deens Voorzitterschap beoogt een gedachtewisseling te houden over vereenvoudiging,
implementatie en handhaving op het terrein van sociaal - en werkgelegenheidsbeleid.
Inhoud/achtergrond
Een discussiedocument ten behoeve van de gedachtewisseling is ten tijde van het opstellen
van deze Geannoteerde Agenda nog niet beschikbaar.
Inzet Nederland
Europese regels bieden bescherming en dragen bij aan eerlijke concurrentie en een
gelijk speelveld. Tegelijkertijd kunnen deze regels voor ondernemers, burgers en toezichthouders
ook complex en kostbaar zijn. Het kabinet steunt daarom de ambitie van de Europese
Commissie om regeldruk terug te dringen, evenals de urgentie ervan, zonder de gerelateerde
beleidsdoelstellingen en het beschermingsniveau van werkenden te ondermijnen. Het
kabinet neemt deze weging ook mee bij de beoordeling van nieuwe voorstellen van de
Commissie. Op nationaal niveau is het uitgangspunt van het kabinet dat Europese regels
zo lastenluw mogelijk worden geïmplementeerd.
In de Raad zal ik aandacht vragen voor het belang van lastenluwe en waar mogelijk
uniforme implementatie van Europese regels in het sociale - en werkgelegenheidsdomein
ter bevordering van het gelijke speelveld. Intensievere uitwisseling tussen lidstaten
over goede praktijken rond en ervaringen met de implementatie van Europese wetgeving
kan hieraan bijdragen. Daarnaast dient de Raad tijdens onderhandelingen over EU-voorstellen
voortdurend aandacht te hebben voor de gevolgen van de bepalingen uit EU-Richtlijnen
voor de regeldruk en administratieve lasten. In het verlengde hiervan zal ik in de
Raad aandacht vragen voor het belang van effectieve handhaving op de naleving van
regels in het sociale en werkgelegenheidsdomein. Uitvoerbare regels en effectieve
handhaving gaan immers hand in hand om de bescherming van werkenden en eerlijke concurrentie
te waarborgen. Daarom zet het kabinet ook in op versterking van het mandaat van de
Europese Arbeidsautoriteit.
Agendapunt: Beleidsdebat Europees Semester 2026
Doel Raadsbehandeling
Het Deens Voorzitterschap beoogt een beleidsdebat te houden over het Europees Semester.
Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen
Het Europees Semester is het jaarlijkse proces waarin EU-lidstaten hun economisch,
arbeidsmarkt- en begrotingsbeleid coördineren. Een discussiedocument ten behoeve van
het beleidsdebat is ten tijde van het opstellen van deze Geannoteerde Agenda nog niet
beschikbaar. Het is mogelijk dat het Deens Voorzitterschap vooruitblikt op de semester
cyclus in 2026.
De oorsprong van het Europees Semester ligt in het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie en de afspraken die daarin zijn gemaakt over het economisch beleid
en het werkgelegenheidsbeleid.
Inzet Nederland
Het kabinet hecht waarde aan het Europees Semester, omdat het een kader biedt om het
financieel-economische en sociale beleid van lidstaten te versterken en zo ook bijdraagt
aan het functioneren en de stabiliteit van de Unie. Een sterke en stabiele Europese
Unie, met sterke lidstaten die duurzame en opwaartse sociaaleconomische convergentie
en financiële stabiliteit nastreven, is voor Nederland van groot belang als open economie.
Daarbij hecht het kabinet aan het behouden van de focus van het Semester op economisch,
begrotings- en werkgelegenheidsbeleid.
Agendapunt: aanname kernboodschappen over van het Sociaal Beschermingscomité over
de implementatie van de aanbeveling van de Raad over een toereikend minimuminkomen
en het waarborgen van actieve inclusie in alle EU-lidstaten
Doel Raadsbehandeling
Aanname van de kernboodschappen van het Sociaal Beschermingscomité (Social Protection
Committee, SPC).
Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen
Het SPC en de Europese Commissie hebben gezamenlijk een rapport opgesteld over de
implementatie van de aanbeveling van de Raad over een toereikend minimuminkomen en
het waarborgen van actieve inclusie in alle EU-lidstaten9. Deze aanbeveling stamt uit 2023. In de kernboodschappen benoemt de SPC:
• Het belang van een adequaat niveau van minimuminkomensondersteuning bij het bestrijden
van armoede en sociale uitsluiting.
• Geen enkele lidstaat voldoet op dit moment volledig aan alle bepalingen in de aanbeveling.
• Lidstaten bewegen op verschillende snelheden, in sommige lidstaten is het niveau van
het minimuminkomen nog niet toereikend, in andere zijn er nog gaten in dekking en
niet-gebruik waardoor niet iedereen in aanmerking komt voor ondersteuning.
• Verder dienen lidstaten meer werk te maken van het bevorderen van participatie en
inclusie, door onder meer werk meer lonend te maken.
• De SPC roept lidstaten op om werk te maken van de geïdentificeerde uitdagingen om
het EU-doel om het aantal mensen met risico op armoede en sociale uitsluiting te verlagen
met minstens 15 miljoen in 2030. In dit verband wordt ook verwezen naar de door de
Commissie aangekondigde EU anti-armoede strategie, die naar verwachting in 2026 zal
worden gepubliceerd.
In 2028 wordt een nieuw rapport verwacht.
Inzet Nederland
Het kabinet kan zich goed vinden in de kernboodschappen en kan hiermee instemmen.
Het kabinet zet zich in voor het vergroten van de bestaanszekerheid van mensen. Het
kabinet vindt dat de opstap naar werk de beste weg uit armoede is en daarom (meer)
werken meer moet lonen. Het kabinet werkt daarnaast aan verdere vereenvoudiging van
de inkomensondersteuning.
Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement
Naar verwachting kunnen alle lidstaten instemmen met deze kernboodschappen. Er is
geen rol voor het Europees Parlement.
Agendapunt: aanname kernboodschappen over implementatie van het actieplan inzake tekorten
aan arbeidskrachten en vaardigheden in de EU
Doel Raadsbehandeling
Aanname van de kernboodschappen van het Werkgelegenheidscomité (Employment Committee,
EMCO) en het Sociaal Beschermingscomité (Social Protection Committee, SPC).
Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen
Het Actieplan inzake tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden in de EU10 is op 20 maart 2024 door de Commissie gepubliceerd. Het Actieplan heeft als doel
om structurele tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden in de EU aan te pakken
door samenwerking tussen lidstaten, sociale partners en instellingen te versterken.
Het actieplan onderstreept dat tekorten niet met één instrument op te lossen zijn,
maar een geïntegreerde aanpak vereisen die sociale inclusie, mobiliteit, innovatie
en samenwerking tussen lidstaten combineert. Het actieplan identificeert vijf hoofdsporen:
1. Het activeren van ondervertegenwoordigde groepen op de arbeidsmarkt;
2. Investeren in vaardigheden, training en onderwijs;
3. Verbeteren van arbeidsomstandigheden;
4. Bevorderen van eerlijke mobiliteit binnen de EU; en
5. Aantrekken van talent van buiten de EU.
De kernboodschappen onderstrepen dat het adresseren van tekorten aan arbeidskrachten
en vaardigheden in de EU van belang is voor de versterking van het concurrentievermogen.
De comités constateren dat de meeste lidstaten initiatieven hebben gemeld die in lijn
zijn met de hoofdsporen tot actie uit het Actieplan. Tegelijkertijd wordt benadrukt
dat aanvullende maatregelen en tripartiete samenwerking nodig blijft om tekorten op
de arbeidsmarkt te adresseren.
Inzet Nederland
Het kabinet herkent zich in de kernboodschappen en onderschrijft het belang van een
arbeidsmarkt waarin vraag en aanbod van arbeidskrachten en vaardigheden op elkaar
is afgestemd. Gedurende het opstellen van de kernboodschappen heeft het kabinet aandacht
gevraagd voor het activeren van onbenut arbeidspotentieel en het belang van eerlijke
arbeidsmobiliteit. Deze inzet komt goed terug in de kernboodschappen, en ik ben daarom
voornemens in te stemmen.
Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement
Naar verwachting kunnen alle lidstaten instemmen met deze kernboodschappen. Er is
geen rol voor het Europees Parlement.
Agendapunt: aanname van kernboodschappen van het Werkgelegenheidscomité en het Sociaal
Beschermingscomité over de implementatie van de Raadsaanbeveling rond het waarborgen
van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit
Doel Raadsbehandeling
Aanname van zowel overkoepelende als landspecifieke kernboodschappen van het Werkgelegenheidscomité
(Employment Committee, EMCO) en het Sociaal Beschermingscomité (Social Protection
Committee, SPC) over de implementatie van de Raadsaanbeveling rond het waarborgen
van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit.
Inhoud/achtergrond
De kernboodschappen stellen dat lidstaten op verschillende terreinen relevante stappen
hebben gezet in het kader van een rechtvaardige groene transitie, in lijn met de Raadsaanbeveling
uit 2022.11 Alle lidstaten zetten in op actief arbeidsmarktbeleid om werknemers in banen die
worden geraakt door de groene transitie te ondersteunen, o.a. via van-werk-naar-werk
beleid, re-integratie en LLO. Hierin is versterking van de betrokkenheid van sociale
partners essentieel gebleken. Sommige lidstaten hebben hervormingen in het belastingstelsel
doorgevoerd om de meest kwetsbare groepen in de groene transitie te ondersteunen en
groenere productiemodellen voor het bedrijfsleven te stimuleren. Ook hebben veel lidstaten
stappen gezet tegen energiearmoede, via energietoeslagen en belastingverlichting voor
energie-efficiënte investeringen. De overkoepelende conclusie is dat een beweging
richting een meer integrale beleidsaanpak nodig is om een rechtvaardige transitie
waar te maken.
Middels reguliere updates van het Integraal Nationaal Energie en Klimaatplan (INEK)
van Nederland blijft het kabinet de Tweede Kamer informeren over de hoofdlijnen van
het klimaat- en energiebeleid in Nederland voor de jaren 2021–2030.12
Inzet Nederland
Specifiek over Nederland zijn de kernboodschappen onder andere positief over het LLO-beleid
en de ondersteuning van het mkb in de groene transitie. Voortbouwend hierop wordt
onder meer aanbevolen om nog meer in te zetten op toegang tot training voor kwetsbare
groepen. Ook wordt geopperd dat Nederland zou kunnen verkennen of verdere risico-mitigerende
en risico-overdragende oplossingen voor klimaat gerelateerde schade voor groepen in
een kwetsbare positie en het mkb mogelijk zijn.
Nederland kan instemmen met de kernboodschappen. Nederland voert op verschillende
terreinen beleid om de groene transitie rechtvaardig te laten verlopen, in aansluiting
op de beleidsinitiatieven die de Commissie schetst. Zo zet het kabinet in op versterking
van «groene» skills en aanpak van tekorten die raken aan de energietransitie via het
Actieplan Groene en Digitale banen. Ook zijn sectorale ontwikkelpaden ontwikkeld,
gericht op instroom in maatschappelijk cruciale sectoren zoals de energiesector. Verder
werkt het kabinet aan hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur, waarbij de ondersteuning
aan werkzoekenden en werkgevers integraal beschikbaar wordt in regionale Werkcentra.
Om gericht energiearmoede te verminderen bij kwetsbare groepen aan de onderkant van
de inkomensverdeling zet het kabinet in op de oprichting van een publiek energiefonds.
Hiervoor worden middelen ingezet uit het Sociaal klimaatfonds. Ook zijn er verschillende
programma’s en subsidies om het mkb gericht te ondersteunen in de groene transitie.
Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement
Naar verwachting kunnen alle lidstaten instemmen met deze kernboodschappen. Er is
geen rol voor het Europees Parlement.
Agendapunt: Aanname opinie van het Werkgelegenheidscomité over het verbeteren van
de reikwijdte en relevantie van datacollectie rond sociale dialoog op EU en nationaal
niveau
Doel Raadsbehandeling
Aanname van een opinie van het Werkgelegenheidscomité (Employment Committee, EMCO)
over het verbeteren van de reikwijdte en relevantie van datacollectie rond sociale
dialoog op EU en nationaal niveau.
Inhoud/achtergrond
De opinie beschrijft het belang van verbetering van de datavergelijkbaarheid rond
sociale dialoog en biedt een lijst met belangrijke indicatoren voor het monitoren
van de sociale dialoog. Naast kwantitatieve indicatoren als de CAO-dekkingsgraad,
vakbondsdichtheid en dichtheid van werkgevers organisaties, zijn kwalitatieve indicatoren
van belang voor het meten van de voortgang op de Raadsaanbeveling, bijvoorbeeld in
het kader van de onafhankelijkheid van vakbonden en werkgeversorganisaties. Dit draagt
bij aan betere monitoring van de Raadsaanbeveling uit 2023 over versterking van de
sociale dialoog binnen de EU13, in een context van dalend vakbondslidmaatschap en de opkomst van nieuwe vormen van
werk in lidstaten. Lidstaten worden aangemoedigd om in nauwe samenwerking met sociale
partners en OESO hun datavergaring te versterken. Het Werkgelegenheidscomité benadrukt
dat bestaande databronnen reeds veel relevante informatie bieden en dataverbetering
bereikt kan worden zonder significante verhoging van administratieve lasten voor lidstaten.
Inzet Nederland
Het kabinet kan instemmen met de opinie en hecht waarde aan een sterke monitoring
en verbeterde datacollectie rond sociale dialoog in de EU. Het kabinet benadrukt daarbij
het belang van het beperkt houden van administratieve lasten.
Agendapunt: Raadsconclusies over het toekomstige Europese plan voor betaalbare huisvesting
Doel Raadsbehandeling
Aanname van Raadsconclusies
Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen
Het Deense Voorzitterschap heeft de concept-Raadsconclusies (hierna: Raadsconclusies)
gepresenteerd met het doel richting te geven aan het European Affordable Housing Plan,
dat de Commissie naar verwachting op 16 december presenteert. De Raadsconclusies benadrukken
dat huisvesting een nationale bevoegdheid is, maar erkennen dat Europese initiatieven
kunnen bijdragen aan het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen.
De conclusies gaan in op vier thematische sporen: 1) financiering: hoe bestaande EU-instrumenten
te gebruiken en nationale inspanningen te ondersteunen, 2) bouw en duurzaamheid: hoe
te bouwen en te renoveren, 3) planning: waar te bouwen en 4) sociale inclusie: hoe
sociaal inclusieve en diverse steden en wijken te bevorderen, en toegang tot betaalbare
huisvesting te stimuleren.
Inzet Nederland
Dit dossier valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening. Nederland kan instemmen met de Raadsconclusies. Ons land
kampt, net als veel andere lidstaten, met een groot woningtekort en stijgende huizenprijzen.
Het kabinet onderschrijft daarom de hoofdboodschap van de tekst, die is gericht op
betaalbare, duurzame en toegankelijke huisvesting voor iedereen.
Belangrijk uitgangspunt is dat huisvesting primair een nationale bevoegdheid blijft
en dat EU-activiteiten aanvullend en ondersteunend zijn. Tegelijkertijd erkent het
kabinet de meerwaarde van een gecoördineerde Europese aanpak bij gedeelde uitdagingen,
bijvoorbeeld op het gebied van innovatie, financiering en het oplossen van regelgevende
knelpunten. De borging van subsidiariteit en beleidsruimte komt in de Raadsconclusies
goed terug.
Verder wordt de nadruk op betere benutting van EU-instrumenten, circulair bouwen,
versnelling van vergunningen en kennisuitwisseling tussen lidstaten verwelkomd. Nederland
draagt hier al aan bij via het door ons opgerichte en gefinancierde European Housing
Policy Network, dat twee keer per jaar bijeenkomt om inzichten en goede praktijken
te delen.
In het bijzonder is het kabinet positief over de oproep aan de Commissie om, in het
kader van de vereenvoudigingsagenda, te kijken hoe financiering, planning, vergunningverlening,
bouw en renovatie eenvoudiger en efficiënter kunnen worden ingericht. Dit sluit goed
aan bij de nationale inzet14 en bij de conclusies van de Europese Raad van 23 oktober, waarin de koppeling tussen
huisvesting en versimpeling nadrukkelijk is onderstreept.15
Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement
Naar verwachting kunnen alle lidstaten instemmen met de Raadsconclusies. Er is geen
rol voor het Europees Parlement.
Ter informatie: non-paper Europese Anti-Armoedestrategie
De Europese Commissie is voornemens om in het tweede kwartaal van 2026 een Europese
Anti-Armoedestrategie (EAAS) te publiceren. Met de EAAS wil de Commissie bijdragen
aan de implementatie van de Europese Pijler van Sociale Rechten, en lidstaten helpen
om het EU 2030-doel op armoedebestrijding te halen. Het EU 2030-doel stelt dat het
aantal mensen binnen de EU dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting in 2030
met ten minste 15 miljoen moet zijn verminderd, waaronder 5 miljoen kinderen16.
Ter ondersteuning en beïnvloeding van de ontwikkeling van de EAAS heeft het kabinet
een non-paper opgesteld dat voortbouwt op het Nationaal Programma Armoede en Schulden.
In het non-paper zet het kabinet erop in dat de volgende punten terugkomen in de Europese
strategie: 1) hanteer een geïntegreerde aanpak; 2) geef prioriteit aan preventie;
3) besteed aandacht aan armoede tussen generaties; en 4) moedig lidstaten aan om «ervaringsdeskundigen»
te betrekken bij het beleidsvormingsproces. Ook benadrukt het kabinet dat armoedebeleid
primair een nationale competentie is, dat de EAAS-lidstaten moet ondersteunen bij
het maken van nationaal beleid en niet moet leiden tot extra administratieve lasten.
Het non-paper is in de bijlage van deze Geannoteerde Agenda gevoegd, in lijn met de
geldende EU-informatieafspraken.
Indieners
-
Indiener
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.