Brief regering : Voortgang moties 'moeilijk objectiveerbare' aandoeningen
26 448 Structuur van de uitvoering werk en inkomen (SUWI)
Nr. 856
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 november 2025
Het Nederlandse stelsel voor ziekte en arbeidsongeschiktheid zorgt voor (inkomens)ondersteuning
voor mensen die niet meer (volledig) kunnen werken. Een deel van deze mensen heeft
een ziekte of arbeidsbeperking die minder zichtbaar is of waarvan de oorzaak en het
verloop vaak lastig is om vast te stellen. Bijvoorbeeld het chronische-vermoeidheidssyndroom
(ME/CVS), post-COVID, fibromyalgie, langdurige klachten bij Lyme of het Q-koortsvermoeidheidssyndroom
(QVS). Mensen die een van deze ziektes hebben, kunnen hier veel last van hebben, ook
in de twee jaar voordat zij de WIA aanvragen. Daarom is het belangrijk voor hen dat
hun ziekte voldoende erkend wordt. Door het karakter van deze aandoeningen, ervaren
werknemers dat verzekeringsartsen soms te wisselend omgaan met deze aandoeningen bij
de sociaal-medische beoordeling.
Als iemand een WIA aanvraagt, onderzoekt een verzekeringsarts wat deze persoon nog
wel en niet kan met diens ervaren belemmeringen en beperkingen. Omdat de beoordeling
mensenwerk is, kunnen er verschillen tussen beoordelingen optreden. Dit wordt ook
wel interdoktervariatie genoemd. Naarmate een aandoening moeilijker medisch objectiveerbaar
is, richtlijnen ontbreken en het lastiger is te bepalen in welke mate een aandoening
leidt tot beperkingen in iemands belastbaarheid, kan de interdoktervariatie groter
worden dan de bedoeling is. Het is onwenselijk dat de beoordeling van «moeilijk objectiveerbare»
aandoeningen1 te veel af kan hangen van welke arts de patiënt voor zich heeft. Daarom voeren we,
in samenwerking met professionals en patiënten, verschillende acties uit om ervoor
te zorgen dat de interdoktervariatie tot een minimum beperkt kan worden.
De acties worden samen met UWV en de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde
(NVVG) uitgevoerd. Zij hebben verschillende rollen en verantwoordelijkheden. De NVVG
is de wetenschappelijke beroepsvereniging voor verzekeringsartsen, zowel in publieke
als private dienst. Daarom is de NVVG betrokken bij de acties die gaan om de kennisontwikkeling
van verzekeringsartsen over ziektes in relatie tot arbeidsbelastbaarheid en re-integratiemogelijkheden.
Bijvoorbeeld post-COVID en ME/CVS. Hiervoor ontwikkelt de NVVG richtlijnen. UWV voert
onder andere de WIA uit. Hiervoor verrichten verzekeringsartsen van UWV de sociaal-medische
beoordelingen van WIA-aanvragen.
Daarom is UWV betrokken bij de acties die bijdragen aan de kwaliteit van de WIA-beoordeling.
Hiervoor ontwikkelt UWV onder andere werkafspraken en (na)scholing voor verzekeringsartsen
op basis van richtlijnen die de NVVG ontwikkelt. Verder voert UWV onderzoek uit naar
de kwaliteit van de WIA-beoordelingen. UWV en de NVVG zijn beiden aan zet om de verschillende
acties uit te voeren. Het Ministerie van SZW ondersteunt hen hierbij.
Uw Kamer heeft meerdere moties ingediend over dit onderwerp. In april 2024 is uw Kamer
met een brief geïnformeerd over de uitvoering van deze moties.2 De brief die voor u ligt, informeert u over wat er de afgelopen tijd verder gedaan
is met de uitvoering van de moties. Ook komt de brief tegemoet aan de toezegging aan
het lid Van Kent (SP) tijdens het debat over de problemen bij UWV van 16 april jl.
over het informeren van uw Kamer over de stand van zaken rondom «moeilijk objectiveerbare»
aandoeningen.
Expertbijeenkomsten met betrokkenen
In juli 2024, september 2024 en juni 2025 heeft het Ministerie van SZW bijeenkomsten
georganiseerd over «moeilijk objectiveerbare» aandoeningen. Dit naar aanleiding van
een motie van het lid Van Kent (SP).3 Patiënten- en belangenorganisaties namen hieraan deel. Andere deelnemers waren UWV,
de NVVG, de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB), werkgevers-
en werknemersorganisaties, de Ministeries van SZW en VWS en individuele professionals
(verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen en bedrijfsartsen). Door met verschillende
betrokkenen samen te komen, was het mogelijk om verschillen in (de uitleg van) begrippen
weg te nemen. Ook is in deze bijeenkomsten een lijst met acties opgesteld die de komende
tijd uitgevoerd zullen worden. Verder zijn er geen besluiten genomen tijdens deze
bijeenkomsten. Bij de uitvoering van de acties moet wel rekening worden gehouden met
de beschikbare capaciteit bij de NVVG, UWV en SZW, waaronder het tekort aan verzekeringsartsen.
Niet alle acties kunnen tegelijk uitgevoerd worden. De specifieke actiepunten die
zijn geformuleerd, zullen in het vervolg van deze brief aan de orde komen.
Moties
De motie van het lid Van Kent (SP)4 verzoekt de regering om in samenwerking met betrokken partijen tot een protocol te
komen waarbij «moeilijk objectiveerbare» ziektes door het UWV worden erkend en serieus
genomen. Naar aanleiding van deze motie heeft het Ministerie van SZW in samenwerking
met UWV en de NVVG de eerdergenoemde bijeenkomsten georganiseerd. In de voorbereiding
naar deze bijeenkomsten hebben zij afgesproken om, samen met betrokkenen, te bepalen
welke acties er in gang gezet kunnen worden. Daarbij is rekening gehouden met capaciteit.
Niet alle acties kunnen tegelijkertijd uitgevoerd worden. In die zin is er dus niet
één protocol ontwikkeld, maar vormen deze acties samen een werkwijze die ervoor zorgt
dat «moeilijk objectiveerbare» aandoeningen voldoende aandacht krijgen in de beoordeling
van een WIA-aanvraag. Bovendien voeren UWV en NVVG de meeste acties afzonderlijk van
elkaar uit.
In de eerste bijeenkomst is met betrokkenen gesproken over de problemen waar mensen
met «moeilijk objectiveerbare» aandoeningen tegenaan lopen.
Daarna is geïnventariseerd wat er gedaan kan worden om de WIA-beoordeling van deze
mensen te verbeteren. Hieruit zijn verschillende acties gekomen. Zo ontwikkelt de
NVVG met financiële steun van SZW een handreiking en ankercasuïstiek5 voor post-COVID. Een eerste conceptversie van de handreiking zal eind 2025 worden
gedeeld met mensen die hierop mee kunnen lezen. Onder andere patiëntenverenigingen
zijn gevraagd om feedback te geven. Als het eerste concept van de handreiking af is,
gaat de NVVG aan de slag met de ankercasuïstiek. Patiëntenverenigingen zullen hier
ook feedback op kunnen geven. Deze ankercasuïstiek zal naar verwachting in de tweede
helft van 2026 opgeleverd worden. Beide producten vormen input voor een multidisciplinaire
richtlijn voor post-COVID. De NVVG zal deze ontwikkelen en zoekt hiervoor de samenwerking
met de NVAB en andere betrokkenen. De NVAB heeft al eerder een leidraad voor bedrijfsartsen
opgesteld. De ontwikkeling van de richtlijn zal naar verwachting medio 2026 kunnen
beginnen.
Ook wil de NVVG op termijn ankercasuïstiek ontwikkelen voor langdurige klachten bij
Lyme en fibromyalgie. Hierbij worden de patiëntenverenigingen ook betrokken. Verder
ontwikkelt de Federatie Medisch Specialisten (FMS) een multidisciplinaire richtlijn
ME/CVS. Deze wordt naar verwachting in mei 2026 gepubliceerd. Ook hier zijn patiëntenverenigingen
bij betrokken. Ten slotte is de NVVG bezig met het actualiseren van de standaard onderzoeksmethoden.
Dit is een ziekte-overstijgende standaard. Een projectgroep is momenteel bezig om
een planning en projectvoorstel uit te werken.
Het ontwikkelen van deze producten kost tijd. Ook zijn er andere belemmeringen. Door
drukte in de uitvoering kan het lastig zijn om voldoende werkgroepsleden te werven.
Ook is er methodologische ondersteuning nodig om deze producten te ontwikkelen. Specifiek
voor post-COVID is het zo dat er nog weinig wetenschappelijke kennis beschikbaar is.
Ook kan het moeilijk zijn om consensus te bereiken over de ankercasuïstiek, omdat
artsen hier soms verschillende opvattingen over hebben.
Met het delen van deze informatie wordt invulling gegeven aan de betreffende motie.
Als er bijzondere ontwikkelingen zijn, zal uw Kamer hierover geïnformeerd worden.
De motie Ceder (CU) en Van Kent (SP)6 verzoekt de regering om zich in te zetten voor een betere expertise van verzekeringsartsen
en arbeidsdeskundigen op het gebied van minder zichtbare arbeidsbeperkingen. De producten
die hierboven beschreven worden, dragen hieraan bij. Verder heeft UWV in oktober 2024
een symposium «COVID & postinfectieuze ziektebeelden» georganiseerd. Verzekeringsartsen
en sociaal-medisch verpleegkundigen konden zich zo bijscholen over post-COVID. De
Stichting Long COVID en C-support waren betrokken bij dit symposium. Tachtig tot negentig
procent van de (verzekerings)artsen heeft deze scholing gevolgd. Deze scholing draagt
bij aan de verplichte herregistratie voor medisch specialisten.
Ook heeft UWV een kwaliteitsonderzoek uitgevoerd naar beoordelingen van aanvragers
van een WIA-uitkering die post-COVID hebben. Hiermee krijgt UWV meer inzicht in de
kwaliteit van deze beoordelingen. Patiëntenverenigingen hebben feedback kunnen geven
op de onderzoeksopzet en de uitkomsten. Het onderzoek wordt in twee delen gepubliceerd
op de website van UWV. Het eerste deel wordt in november gepubliceerd. In december
volgt een tweede deel, waarin UWV ingaat op de regionale verschillen. Als het onderzoek
relevante uitkomsten oplevert, zal uw Kamer hierover geïnformeerd worden. Verder gaat
UWV een kwaliteitsonderzoek uitvoeren naar beoordelingen waarbij ME/CVS een rol speelt.
Hier is de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid bij betrokken. De resultaten van
dit onderzoek worden in het eerste kwartaal van 2026 verwacht.
UWV heeft dit jaar de standaard «Duurbelastbaarheid in arbeid» verrijkt met de wetenschappelijke
inzichten uit het promotieonderzoek van een verzekeringsarts. Verder loopt er op dit
moment literatuuronderzoek naar de duurbelastbaarheid in arbeid. Afhankelijk van de
resultaten van dit onderzoek kijkt UWV of en zo ja, hoe de standaard geactualiseerd
moet worden. Dit is een stap om de standaard verder te onderbouwen en mogelijk te
vernieuwen. Ook heeft UWV een memo over de uniforme beoordeling van duurzaamheid bij
post-COVID ontwikkeld. Dit in afwachting van de handreiking post-COVID die de NVVG
ontwikkelt, die leidend zal zijn.7 De standaard «Duurbelastbaarheid» en het memo helpen verzekeringsartsen om een goede
inschatting te maken van de duurbelastbaarheid en prognose van mensen met minder zichtbare
aandoeningen, en specifiek post-COVID.
Verder is UWV bezig om de kwaliteitscyclus te verbeteren. Onderdeel hiervan is de
MOK (meting operationele kwaliteit).8 Deze verbetering geldt voor alle ziektebeelden. Ook zal UWV vanaf dit najaar jaarlijks
overleg voeren met patiëntenverenigingen om ontwikkelingen te delen. Hiervoor wordt
gezamenlijk besloten welke onderwerpen besproken zullen worden. Tijdens deze bijeenkomsten
zal UWV de voortgang over de geformuleerde actiepunten uit de overleggen met patiëntenverenigingen
delen. Het Ministerie van SZW sluit aan bij het eerste overleg, dat eind 2025 gepland
is.
De cliënt staat centraal bij de sociaal-medische beoordeling. Naast het onderzoek
gebruikt de verzekeringsarts vragenlijsten om feiten te verzamelen. Er lopen twee
promotieonderzoeken om te onderzoeken welke vragenlijsten het beste gebruikt kunnen
worden. UWV wil de vragenlijsten graag inbouwen in het rapportage-systeem. Ook is
er de wens om de vragenlijsten vooraf naar de cliënt te sturen, zodat de cliënt niet
alle informatie tijdens het spreekuur hoeft de delen, maar ook vooraf al input voor
de beoordeling kan geven.
In veel gevallen worden klachten die te maken hebben met post-COVID overigens wel
voldoende erkend. Uit cijfers van UWV blijkt namelijk dat ruim 85% van de mensen met
post-COVID die een WIA-aanvraag indient, deze ook toegekend krijgt vanwege gedeeltelijke
of volledige arbeidsongeschiktheid.
Het lid Agema (PVV) heeft een motie9 ingediend om de leidraad voor herstel en re-integratie van werknemers met post-COVID
meer bekendheid te geven. De NVAB brengt deze leidraad onder de aandacht op haar website.10 Verzekerings- en bedrijfsartsen kunnen ook deelnemen aan trainingen van de Netherlands
School of Public and Occupational Health (NSPOH) waarin deze leidraad aan de orde
komt. Vaak nemen ook arboverpleegkundigen hieraan deel. Deze trainingen, die momenteel
twee keer per jaar worden gehouden, worden nog steeds goed bezocht. Verder heeft de
NVAB de leidraad gepresenteerd op het eerdergenoemde symposium over post-COVID in
oktober 2024.
Afgelopen voorjaar hebben de leden Saris (NSC) en Ceder (CU) een motie11 ingediend. Hierin verzoeken zij de regering een onderzoek uit te laten voeren naar
onder andere regionale verschillen bij UWV in de sociaal-medische beoordelingen waarbij
post-COVID een rol speelt. Zoals eerder genoemd, heeft UWV een kwaliteitsonderzoek
naar post-COVID uitgevoerd. Het tweede deel van dit onderzoek, dat in december gepubliceerd
wordt, is een verdieping in de regionale verschillen rondom post-COVID.
De effecten van post-COVID op de WIA-instroom zijn zichtbaar in de data die UWV verzamelt.
UWV ziet dat er vanaf november 2024 minder mensen als gevolg van post-COVID de WIA
instromen. Dit komt doordat meer mensen immuniteit tegen COVID hebben ontwikkeld en
nieuwere varianten van het virus minder ziekmakend zijn.
Ten slotte vraagt de motie om in het onderzoek aandacht te besteden aan de scholingsmogelijkheden
en de bestaande richtlijnen voor post-COVID. Zoals eerder in deze brief is aangegeven,
wordt er nu aan verschillende nieuwe en bestaande producten over post-COVID gewerkt.
Ook kunnen verzekeringsartsen deelnemen aan trainingen van de NSPOH. Deze ontwikkelingen
zorgen ervoor dat het kennisniveau over post-COVID van verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen
en verpleegkundigen wordt verhoogd.
Andere ontwikkelingen
Werkbezoek Expertisecentrum post-COVID
Het is belangrijk om verhalen te horen van de mensen om wie het gaat. Daarom heeft
het Expertisecentrum voor post-COVID van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC)
afgelopen augustus een werkbezoek voor het Ministerie van SZW georganiseerd. Hier
is onder andere gesproken met mensen die zelf post-COVID hebben. Tijdens het bezoek
werd aangegeven dat een deel van deze mensen graag wil werken binnen de mogelijkheden
die zij nog hebben. Er was echter ook aandacht voor post-COVID-patiënten die niet
of nauwelijks meer kunnen werken. Patiëntenverenigingen vroegen hierbij aandacht voor
de beoordeling van de aanvraag van een WIA-uitkering. Een deel van de mensen met post-COVID
ervaart hierbij een gebrek aan kennis en erkenning van professionals. Ook gaven zij
aan dat mensen met post-COVID juist meer rust hebben om aan hun herstel te werken
als zij een WIA-uitkering krijgen die voldoende is om in hun levensonderhoud te voorzien.
Tussenuitspraken Centrale Raad van Beroep over ME/CVS
Op 17 juli 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) drie tussenuitspraken gedaan.
Het ging om zaken die mensen met ME/CVS hebben aangespannen tegen UWV.12 De CRvB oordeelde dat UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van deze personen onvoldoende
heeft onderbouwd en een nieuw besluit moet nemen op de drie WIA-aanvragen. Hierbij
moet UWV gebruik maken van het oordeel van een deskundige die op verzoek van de CRvB
heeft gerapporteerd in deze zaak. Inmiddels heeft UWV de drie zaken opnieuw bekeken
en voldaan aan de tussenuitspraken. Hiermee zijn de drie zaken inhoudelijk afgedaan.
De uitspraken kunnen kan ook invloed hebben op WIA-aanvragen waar ME/CVS een rol bij
speelt en die nog geen formele rechtskracht hebben verkregen. Dit zijn aanvragen waarop
UWV nog een besluit moet nemen en besluiten waar nog bezwaar of beroep tegen openstaat.
De uitspraken van de CRvB hebben in beginsel geen invloed op besluiten die al wel
definitief zijn. Mensen die een definitief besluit hebben gekregen, kunnen wel een
herzieningsverzoek bij UWV indienen.13
Tot slot
De verwachting is dat de geformuleerde acties eraan bijdragen dat de kennis van «moeilijk
objectiveerbare» aandoeningen onder professionals verbetert. Hierdoor neemt de interdoktervariatie
in de beoordeling van deze aandoeningen af, wat ten goede komt aan de WIA-beoordeling
van mensen. Dit geldt niet alleen voor de nu bekende aandoeningen, maar ook wanneer
er in de toekomst mogelijk nieuwe ziektes komen. Het Ministerie van SZW houdt regie
op de acties die zijn geformuleerd in samenwerking met de patiëntenverenigingen.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M.L.J. Paul
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid