Brief regering : Heruitgave Ruimte voor Zeespiegelstijging
36 800 J Vaststelling van de begrotingsstaat van het Deltafonds voor het jaar 2026
Nr. 5
BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 november 2025
Met deze brief wordt een geactualiseerde versie aangeboden van het rapport Ruimte
voor Zeespiegelstijging, over verschillende alternatieve denkrichtingen voor de lange
termijn. Er wordt een nieuwe versie van dit rapport gepubliceerd omdat een vierde
denkrichting, genaamd Meegroeien, is uitgewerkt. De resultaten zijn ook verwerkt in het rapport dat de Kamer eerder
ontving. De resultaten van het rapport Meegroeien worden op 13 november gepubliceerd
en gepresenteerd op het Deltacongres.
Achtergrond
Sinds 2019 onderzoekt het Kennisprogramma Zeespiegelstijging (KP ZSS) hoe Nederland
veilig en leefbaar kan blijven bij een zeespiegelstijging tot 5 meter. Daarbij wordt
onder andere gekeken wat een dergelijke zeespiegelstijging betekent voor de huidige
aanpak van waterveiligheid en de zoetwatervoorziening en welke andere strategieën
denkbaar zijn.
In november 2023 ontving de Kamer de tussenbalans1 van het KP ZSS als afronding van de eerste fase. Hierin is met name onderzoek gedaan
naar de effecten van zeespiegelstijging op onze waterkeringen, de invloed van verzilting
op de beschikbaarheid van zoetwater en de volhoudbaarheid van de huidige aanpak.
In maart 20242 heeft de Kamer ook het rapport Ruimte voor Zeespiegelstijging ontvangen, waarin een
beschrijving en conclusies over verschillende alternatieve denkrichtingen zijn opgenomen.
Deze zijn verkend voor extreme, lange termijn scenario’s met twee en vijf meter zeespiegelstijging.
Deze verkenningen zijn gedaan door drie breed samengestelde consortia van kennisinstellingen,
bedrijfsleven, de Topsector Water en Maritiem, ngo’s en overheden.
Uit deze tussenresultaten is gebleken dat de waterveiligheid in dat extreme geval
zowel met de huidige aanpak als op andere manieren (Beschermen, Meebewegen, Zeewaarts)
technisch gerealiseerd kan worden. Dit is vanzelfsprekend niet eenvoudig: het vraagt
een grote inspanning, kost veel materiaal en middelen en kan grote impact hebben op
de leefomgeving. Daarnaast is duidelijk dat door zeespiegelstijging verzilting in
zowel oppervlaktewater als in de kustgebieden op termijn toeneemt. Deze extra verzilting
komt bovenop de steeds vaker beperkte beschikbaarheid van zoetwater in droge zomers.
Verschillende denkrichtingen hebben invloed op de mate van verzilting, maar omdat
de basis van het probleem ligt in een beperkte aanvoer, biedt geen enkele denkrichting
een oplossing waarmee ook in de toekomst voor alle bestaande functies voldoende zoetwater
beschikbaar is.
Extra denkrichting «Meegroeien» en actualisatie rapport Ruimte voor Zeespiegelstijging
Voor het voorkomen van overstromingen is in de uitwerking van de denkrichtingen in
de eerste fase vooral uitgegaan van dijken en kunstwerken, met daarbij de aantekening
dat dit mogelijk ook zou kunnen met nature based maatregelen. Een nieuw consortium heeft verkend op welke wijze natuurlijke processen
en een robuust ecosysteem kunnen bijdragen aan een veilig en leefbaar Nederland bij
twee tot vijf meter zeespiegelstijging. Dit heeft geleid tot de uitwerking van een
vierde denkrichting Meegroeien.
Er zijn een aantal verschillende bouwstenen onderzocht. De uitwerking laat zien dat
Meegroeien onder voorwaarden haalbaar en uitvoerbaar is3. De meest kansrijke bouwstenen zijn verschillende varianten van «meegroeilandschappen»,
waarbij dijken in combinatie met meegroeiende voorlanden zorgen voor de waterveiligheid.
Uiteindelijk wordt hierbij niet alleen voldaan aan de norm voor de waterkering, maar
is ook sprake van een reductie van de gevolgen in geval een kering toch bezwijkt.
Een dergelijk landschap vraagt naast ruimte, beschikbaarheid van sediment en dynamiek
ook tijd. De effectiviteit van deze bouwstenen vraagt dus om het tijdig inzetten ervan.
Zover is het echter nog niet. De rapportage die u hierbij ontvangt brengt de voornaamste
resultaten bijeen van alle uitgewerkte denkrichtingen voor de lange termijn. Het biedt
inzicht in een breed palet aan mogelijkheden voor de toekomst. Over de maatschappelijke
haalbaarheid van (een combinatie van) deze denkrichtingen kunnen en hoeven nu nog
geen uitspraken gedaan te worden. Ze zijn in deze fase bedoeld als versterking van
de kennisbasis voor later te maken keuzes.
Vervolg
De resultaten van de denkrichting Meegroeien worden, net als die van de andere denkrichtingen,
meegenomen in het eindrapport van het kennisprogramma dat in het tweede kwartaal van
2026 gepubliceerd zal worden. Hierin is ook aandacht voor een eerste beeld van effecten
op functies, de volgorde van keuzes die op termijn op ons afkomen en wat we nu moeten
doen om ook in de verdere toekomst goed om te kunnen gaan met de stijgende zeespiegel.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
R. Tieman
BIJLAGE: VOORNAAMSTE BEVINDINGEN EN REFLECTIES
Achtergrond Kennisprogramma Zeespiegelstijging
De stijgende zeespiegel zorgt voor hogere waterstanden tegen onze dijken, duinen,
dammen en stormvloedkeringen en maakt het afvoeren van de grote hoeveelheden water
uit Rijn en Maas steeds lastiger. Daarnaast leidt zeespiegelstijging tot een toename
van verzilting; het verder doordringen van zout water in de lage delen van onze delta.
Met het KP ZSS kijkt het Ministerie van IenW samen met het Deltaprogramma ver vooruit,
zodat tijdig alle informatie beschikbaar komt om keuzes te kunnen maken om Nederland
ook in de verre toekomst veilig en leefbaar te houden. Maar ook om te voorkomen dat
de voor de toekomst noodzakelijke (beslis)ruimte beperkt wordt.
Lange termijn denkrichtingen: Achtergrond en aanpak
Naast onderzoek naar de houdbaarheid van het huidige beleid (Tussenbalans) zijn er
nu vier lange termijn denkrichtingen verkend voor scenario’s van extreme zeespiegelstijging
bij 2 en 5 meter. De eerste drie denkrichtingen Beschermen, Zeewaarts en Meebewegen
waren reeds eerder gepubliceerd. Daar is nu de vierde denkrichting Meegroeien aan
toegevoegd. De denkrichtingen kenmerken zich als volgt:
1. Meebewegen
We passen het landgebruik en de samenleving zoveel mogelijk aan de gevolgen van zeespiegelstijging
aan. We kiezen vooral voor maatregelen die de gevolgen van overstromingen beperken.
Denk bijvoorbeeld aan verhoogd of drijvend bouwen, zouttolerante landbouw en verschuiving
van investeringen naar hoog-Nederland.
2. Beschermen
We continueren het huidige waterbeheer met voornamelijk waterbouwkundige middelen,
zoals dijkversterkingen, stormvloedkeringen, zandsuppleties, sluizen, stuwen, gemalen
en pompen en daarbij kiezen we voor afsluitbare of altijd gesloten riviermondingen.
3. Zeewaarts
We beperken complexe maatregelen in en langs de riviermondingen door een groot meer
voor de kust aan te leggen, voor het bergen van hoge rivierafvoeren en het verminderen
van verzilting.
4. Meegroeien
We gebruiken waar dat kansrijk is de natuurlijke dynamiek van water en sediment om
zand en slib in te vangen, zodat de overgang van zee naar land meegroeit met de zeespiegelstijging
en bijdraagt aan de veiligheid en leefbaarheid. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van
waterbouwkundige maatregelen.
De eerste drie denkrichtingen zijn gebaseerd op de fundamenteel verschillende richtingen
die het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en Deltares onderscheiden.
De laatste denkrichting is toegevoegd om antwoord te geven op de vraag of, en zo ja
hoe, natuurlijke processen en een robuust ecosysteem kunnen bijdragen aan waterveiligheid
en zoetwatervoorziening, ook bij extreme zeespiegelstijging.
Consortia, kernteams en hackathons
Per denkrichting is een consortium gevormd van ingenieursbureaus, kennisinstellingen,
overheden, beheerders, ngo’s, ecologen en ontwerpers, met alle deskundigheid die voor
de betreffende denkrichting nodig was. Zij zijn samen aan het werk gegaan met gemeenschappelijke
financiering door de Topsector Water & Maritiem, het Ministerie van Infrastructuur
en Water en het Deltaprogramma en met bijdragen in natura (capaciteit) van alle deelnemende
partijen. Aan het consortium «Meegroeien» hebben ook het Ministerie van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Wereld Natuur Fonds financieel bijgedragen.
Door middel van het organiseren van hackathons is het aantal betrokken deskundigen
per denkrichting nog groter. Toch is het belangrijk te benadrukken dat de studies
nog maar een eerste concretiseringsslag geven. Ze vormen de aanzet naar meer en specifiekere
onderzoeken. Zo zal er in de loop van de tijd steeds nieuwe waardevolle en noodzakelijke
informatie bij komen, in het bijzonder over de effecten op andere functies. Desalniettemin
geven ze nu al een goede eerste indruk van de technische, fysische en ruimtelijke
haalbaarheid van verschillende denkrichtingen.
Uitgangspunten
Alle vier de consortia hebben de uitwerking van hun denkrichting gericht op de extreme
scenario’s van 2 en 5 meter zeespiegelstijging in respectievelijk het jaar 2200 en
het jaar 2300. Achterliggende gedachte is dat een denkrichting die haalbaar is bij
dat zeer extreme scenario, zeker haalbaar is bij een scenario waarin de zeespiegelstijging
minder snel gaat. De consortia hebben de bouwstenen binnen de denkrichting getoetst
aan doelstellingen voor waterveiligheid en zoetwater. Voor de uitwerking van Meegroeien
is ook getoetst op herstel en behoud van een robuust ecosysteem, omdat een dergelijke
robuustheid een voorwaarde is om langdurig gebruik te kunnen maken van natuurlijke
processen.
Veiligheid en leefbaarheid bij zeespiegelstijging: een aantal overall conclusies
Op basis van de vier denkrichtingen kunnen een aantal overall uitspraken worden gedaan.
Veel van deze uitspraken zijn al opgenomen in de eerste versie van het rapport Ruimte
voor Zeespiegelstijging en blijken ook te gelden voor de denkrichting Meegroeien,
met daarbij enkele aanvullingen:
• De resultaten laten zien dat Nederland veilig en leefbaar kan blijven tot een zeespiegelstijging
van 5 meter, in ieder geval met de denkrichtingen Beschermen, Zeewaarts en Meegroeien.
Voor Meebewegen is verdere verdieping nodig om dit te kunnen concluderen. In alle
gevallen zijn de gevolgen groot: de aanleg en het onderhoud van watergerelateerde
infrastructuur en landschappen zullen grote inspanning vragen, voor de benodigde maatregelen
is veel ruimte nodig en het huidige landgebruik en gebruiksfuncties zullen moeten
veranderen. De nieuwe omstandigheden hebben zeker grote effecten op onder andere natuurwaarden,
waterkwaliteit, landbouw, woningbouw, scheepvaart en regionale watersystemen.
• Het is essentieel dat Nederland genoeg verdienvermogen houdt om klimaatadaptatie in
het hele land te bekostigen; dit betekent dat gebieden waar het economisch verdienpotentieel
hoog is zo lang mogelijk beschermd blijven tegen overstromingen. Voor de Randstad
is dit in de eerste fase onderzocht. De meest effectieve strategie voor de bescherming
blijkt het versterken van de bestaande waterkeringen rond deze regio. Het gericht
verschuiven van dit verdienvermogen naar hoger gelegen regio’s is aanzienlijk duurder
en moeilijk te organiseren.
• Een belangrijk vraagstuk is hoe we bij verdergaande zeespiegelstijging het rivierwater
van Rijn en Maas veilig en snel naar zee kunnen afvoeren. Hier komen de meest ingrijpende
onderdelen van de vier denkrichtingen uit voort, zoals omvangrijke pompcomplexen en
peilstijgingen. Over dit vraagstuk zijn op landelijk niveau bepalende systeemkeuzes
nodig, onder meer over de afvoerverdeling van de Rijntakken, een open of gesloten
Rijnmond, het al dan niet bergen van rivierwater in de zuidwestelijke delta en een
eventueel kustmeer. Deze systeemkeuzes hebben verstrekkende gevolgen en vragen gedegen
onderbouwing. Het onderzoek hiervoor moet tijdig starten.
• In alle denkrichtingen wordt het in stand houden van de zandige kust en de duinen
door middel van zandsuppleties voortgezet (zacht waar het kan, hard waar het moet),
waarbij vorm en omvang enigszins verschillen. Beschikbaarheid van voldoende zand voor
de suppleties is in alle denkrichtingen een essentiële voorwaarde.
• Ook is in alle denkrichtingen vastgesteld dat dijken een essentiële bouwsteen blijven.
Alle denkrichtingen bieden in meer of mindere mate mogelijkheden om dijken «nature
based» vorm te geven, waarbij de effecten van een «nature based» vorm variëren van
het minder verstoren van de natuurlijk dynamiek en het ecosysteem tot het zelfs versterken
hiervan.
• Nederland moet op termijn met minder zoetwater zien te leven. Door de combinatie van
zeespiegelstijging en andere gevolgen van klimaatverandering neemt de zoetwaterbeschikbaarheid
af. Regionale aanpassingen aan verziltende omstandigheden zijn in alle onderzochte
denkrichtingen onontkoombaar. Het bestrijden van verzilting met bijvoorbeeld zoet-zoutscheidingen
bij sluizen is een geen-spijt-maatregel die nu al voordeel kan opleveren.
Vervolgonderzoek
Uit deze eerste uitwerking van de denkrichtingen volgt geen compleet beeld van de
gevolgen voor andere functies en voor de maatschappij als geheel. Wel is duidelijk
dat de gevolgen van de verschillende uitwerkingen groot zijn. Het ligt voor de hand
dat uiteindelijk bouwstenen van de verschillende denkrichtingen gecombineerd zullen
worden om een goede invulling te geven aan veiligheid en leefbaarheid van de toekomst.
Welke bouwstenen dat zijn, zal deels bepaald worden door systeemkeuzes op nationale
schaal en zal deels afhankelijk zijn van de regionale en lokale situatie. Vervolgonderzoeken,
zeker naar doorwerking op andere functies, zijn nodig om op lange termijn weloverwogen
keuzes te kunnen maken en ook om vooruitlopend daarop verstandig te kunnen investeren.
Toepassing van de resultaten
De onderzoeken laten zien dat alle toekomstige denkrichtingen ruimte vragen: ruimte
voor de winning van Noordzeezand voor kustonderhoud, voor het afvoeren en bergen van
water, voor sterkere waterkeringen, meegroeilandschappen en hogere waterpeilen. Nu
ruimte hiervoor vrijhouden, biedt toekomstige generaties de mogelijkheid om de noodzakelijke
keuzes te maken Daar is wel concretere, gebiedsgerichte kennis voor nodig: over de
locaties, manieren om de ruimte vrij te houden, de gevolgen daarvan en de termijn
waarop betreffende ruimte nodig is.
Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging gebruikt de resultaten van dit onderzoek voor
het in beeld brengen van de momenten waarop belangrijke systeemkeuzes nodig zijn,
welke verschillende richtingen dan gevolgd kunnen worden en welke acties nodig zijn
om opties voor de toekomst open te houden. De resultaten hiervan zijn ook input voor
de herijking van het Deltaprogramma in 2026 en voor beleidstrajecten over deze onderwerpen.
Indieners
R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat