Brief regering : Beleidsreactie op CTIVD-rapporten nr. 81 en nr. 82
29 924 Toezichtsverslagen AIVD en MIVD
Nr. 288
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN MINISTER VAN
DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 november 2025
Inleiding
Op 26 oktober 2023 zijn twee personen aangehouden op verdenking van het bezit en naar
buiten brengen van staatsgeheime informatie. Aan de aanhouding lag een ambtsbericht
van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) ten grondslag, om dreiging
tegen de nationale veiligheid weg te nemen. Betrokkenen hadden beschikking over deze
staatsgeheime informatie in het kader van hun werkzaamheden voor de Nationaal Coördinator
Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). Dit is aanleiding geweest voor het instellen
van verschillende onderzoeken, waaronder een onafhankelijk onderzoek van de Auditdienst
Rijk (ADR) naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en bij de politie.
Dat onderzoek is op 13 december 2024 aan uw kamer aangeboden door de Minister van
Justitie en Veiligheid (JenV) (Kamerstuk 36 600 VI, nr. 123).
Daarnaast heeft de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten
(CTIVD) onderzoek gedaan naar het handelen van de AIVD in relatie tot de verdenking
van het lekken van staatsgeheimen door de genoemde medewerkers. In een separaat rapport
heeft de CTIVD ook gekeken naar de aspecten hiervan die tevens betrekking hebben op
de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD).
Het onderzoek richtte zich op drie aspecten:
1. De uitvoering van veiligheidsonderzoeken door de AIVD op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken
(Wvo);
2. de invulling van de zorgplicht door de AIVD en de MIVD in verband met het verstrekken
van staatsgeheime informatie aan de NCTV;
3. de uitvoering van de taak als NSA door de AIVD met betrekking tot internationaal gerubriceerde
informatie.
Met deze brief bieden wij de rapporten nr. 81 en nr. 82 van de CTIVD aan uw Kamer
aan. Omdat een deel van het rapport een staatsgeheim karakter heeft, bevat dit rapport
een geheime bijlage, die, gevoegd met een staatsgeheime beleidsreactie, is aangeboden
aan de Commissie Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (CIVD) van de Tweede Kamer.
Wij zijn de CTIVD erkentelijk voor het gedegen onderzoek en de waardevolle aanbevelingen.
Wij nemen, met enkele nuances die in deze brief worden toegelicht, alle aanbevelingen
van de CTIVD over.
Voor de aanbevelingen die geen staatsgeheim karakter hebben, geven wij in de bijlage
bij deze brief aan wat de stand van zaken is van de implementatie. Hierbij merken
wij op dat de CTIVD het onderzoek afbakent tot de situatie zoals deze was ten tijde
van de onderzochte gebeurtenissen. Dit betekent dat maatregelen die de AIVD en MIVD
reeds zelf hadden getroffen naar aanleiding van de NCTV-casus niet door de CTIVD zijn
meegenomen in het onderzoek. De AIVD en de MIVD hebben na het bekend worden van de
feiten in de NCTV-casus en een interne evaluatie proactief meerdere wijzigingen doorgevoerd
in hun werkwijze. Veel aanbevelingen die terugkomen in het rapport zien op al doorgevoerde
veranderingen. Dit past bij diensten die voortdurend aan interne evaluatie doen om
zo een betere werkwijze te bekrachtigen. Zoals uit de bijlage blijkt, is de implementatie
van een groot deel van de aanbevelingen inmiddels al ver gevorderd.
Bevindingen CTIVD
Ten aanzien van de AIVD
Uit rapport nr. 81 blijkt dat de AIVD op onderdelen onvoldoende invulling heeft gegeven
aan de uitvoering van zijn taken. De rode draad in het onderzoek is dat de AIVD zijn
taken beter kan vervullen wanneer in zijn processen doorlopend aandacht is voor informatie-uitwisseling
tussen verschillende onderdelen. Op zichzelf is compartimentering tussen verschillende
onderdelen van de AIVD een belangrijke waarborg voor de zorgvuldige omgang met gegevens.
Compartimentering moet echter niet onnodig in de weg staan aan informatie- uitwisseling,
indien en voor zover de informatie noodzakelijk is voor de goede taakuitvoering van
een ander organisatieonderdeel.
De CTIVD concludeert dat de AIVD op onderdelen onzorgvuldig dan wel onrechtmatig heeft
gehandeld. Deze conclusies worden in de afzonderlijke hoofdstukken beschreven. Kort
samengevat zijn deze conclusies als volgt:
• Het beleid en de werkwijze ten aanzien van veiligheidsonderzoeken kennen tekortkomingen
in de interne informatie-uitwisseling, de beoordeling van persoonlijke gedragingen
en het instellen van periodieke en herhaalonderzoeken.
• De veiligheidsonderzoeken van 2015, 2018 en 2020 zijn conform wet- en regelgeving
uitgevoerd. Het veiligheidsonderzoek van 2005 is onzorgvuldig verlopen.
• De AIVD heeft op onderdelen onvoldoende voldaan aan de wettelijke zorgplicht omtrent
geheimhouding.
• De AIVD heeft onrechtmatig persoonsgegevens gedeeld met de NCTV.
• De AIVD heeft onvoldoende invulling gegeven aan de NSA-taak.
De CTIVD benadrukt in het rapport dat het voorgaande niet als zodanig betekent dat
de AIVD de gebeurtenissen in de NCTV-casus had kunnen voorkomen. De AIVD is voor de
beveiliging van zijn gerubriceerde informatie immers medeafhankelijk van partners
in het hele stelsel van informatiebeveiliging en de integriteit van personen die met
deze informatie werken, aldus de CTIVD.
Wij onderschrijven dit laatste punt, waarbij wij nog het volgende benoemen.
Het belang van contra-inlichtingenonderzoek
Dat veiligheidsonderzoeken worden uitgevoerd naar personen op vertrouwensfuncties,
en dat deze zorgvuldig plaatsvinden, is van groot belang, evenals de zorgvuldige bescherming
van staatsgeheime gegevens. Tegelijkertijd zullen maatregelen die hierin voorzien
nooit volledige zekerheid geven dat mensen die beroepshalve toegang hebben tot staatsgeheime
gegevens daar zorgvuldig mee omgaan, en zullen via deze maatregelen geen inlichtingenoperaties
tegen Nederland worden onderkend. Dit kan uitsluitend door spionageactiviteiten van
buitenlandse diensten actief tegen te gaan. Alleen op die manier kan de nationale
veiligheid voldoende worden beschermd.
In de onderhavige casus heeft Contra-inlichtingen (CI-)onderzoek geleid tot een ambtsbericht
van de AIVD aan het Openbaar Ministerie (OM) dat ten grondslag lag aan de aanhouding
van de desbetreffende personen. Daarmee is deze specifieke CI-dreiging weggenomen.
CI-onderzoeken zijn in zijn algemeenheid echter vaak uitdagende onderzoeken die veel
geduld vergen. De uitdaging is dat agenten van buitenlandse diensten vaak zeer professioneel
en veiligheidsbewust zijn en dat er dus lange periodes van inzet op een individu zijn
waarin geen concrete resultaten kunnen worden aangetoond. Omdat de opbrengst van een
bijzondere bevoegdheid in de periode waarvoor de toestemming is verleend één van de
elementen is die wordt betrokken bij de proportionaliteitstoets, kan dit gebrek aan
opbrengst er bij dit soort onderzoeken in zijn algemeenheid toe leiden dat verlenging
van de inzet na verloop van tijd niet meer rechtmatig wordt bevonden, en het onderzoek
stil moet worden gelegd.
Deze problematiek wordt meegenomen in de algehele systematiek van (de toetsing van)
toestemmingsverzoeken in de herziening van de Wiv 2017, waarover wij u informeerden
in onze brief van 17 juni 2025 (Kamerstuk 34 588, nr. 94). Bij dit proces zijn de CTIVD en de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB)
betrokken.
Ten aanzien van de MIVD
Uit rapport nr. 82 blijkt dat de MIVD op onderdelen onvoldoende heeft voldaan aan
de zorgplicht voor de geheimhouding van gegevens die daarvoor in aanmerking komen.
De CTIVD heeft hieromtrent twee onzorgvuldigheden geconstateerd. Bij de MIVD zijn
geen onrechtmatigheden geconstateerd.
De CTIVD benadrukt in het rapport dat het voorgaande niet als zodanig betekent dat
de MIVD de gebeurtenissen in de NCTV-casus had kunnen voorkomen. De MIVD is voor de
beveiliging van zijn gerubriceerde informatie immers medeafhankelijk van partners
in het hele stelsel van informatiebeveiliging en de integriteit van personen die met
deze informatie werken, aldus de CTIVD.
Opvolging aanbevelingen
Voor de 19 aanbevelingen die geen staatsgeheim karakter hebben, geven wij in de bijlage
bij deze brief aan wat de stand van zaken is van de implementatie. Daarnaast deed
de CTIVD twee staatsgeheime aanbevelingen, waarop wordt ingegaan in de brief die is
verzonden aan de CIVD.
In algemene zin merken wij nog het volgende op over de opvolging van de aanbevelingen.
Ten aanzien van de AIVD
Naar aanleiding van een interne evaluatie kort na de NCTV-casus heeft de AIVD in veel
gevallen reeds zelfstandig maatregelen getroffen die tegemoet komen aan de aanbevelingen
van de CTIVD. Alle aanbevelingen van de CTIVD uit het rapport t.b.v. de AIVD onderschrijven
wij en nemen wij over, met enkele nuances die worden toegelicht in de bijlage.
Veel van de aanbevelingen van de CTIVD zien op het doorlopend aandacht hebben voor
informatie-uitwisseling tussen verschillende onderdelen van de AIVD. Een belangrijke
conclusie van de CTIVD is dat compartimentering tussen verschillende onderdelen van
de AIVD een belangrijke waarborg voor de zorgvuldige omgang met gegevens is, maar
dat dit niet in de weg moet staan aan informatie- uitwisseling, indien en voor zover
de informatie noodzakelijk is voor de goede taakuitvoering van een ander organisatieonderdeel.
Daarmee benoemt de CTIVD een inherente spanning in de manier waarop inlichtingendiensten
met informatie omgaan. De door de AIVD getroffen maatregelen zullen er aan bijdragen
dat hierin een betere balans wordt getroffen.
Ten aanzien van de MIVD
Naar aanleiding van een interne evaluatie kort na de NCTV-casus heeft de MIVD in veel
gevallen reeds zelfstandig maatregelen getroffen die tegemoet komen aan de aanbevelingen
van de CTIVD. Alle aanbevelingen van de CTIVD uit het rapport t.b.v. de MIVD onderschrijven
wij en nemen wij over.
Zo wordt er thans kritischer gekeken naar de inhoud en ontvangers van gedeelde gegevens,
wordt het veiligheidsbewustzijn en de meldingsbereidheid van de medewerkers verhoogd
en is men volop bezig met het opstellen van richtlijnen en beleid om nog beter te
voldoen aan de vereisten die voorvloeien uit de zorgplicht.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
De Minister van Defensie,
R.P. Brekelmans
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Mede ondertekenaar
R.P. Brekelmans, minister van Defensie