Brief regering : Derde voortgangsbrief discriminatie en racisme 2025
30 950 Racisme en Discriminatie
Nr. 503
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 november 2025
Tijdens het commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten van 29 januari
2025 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer toegezegd om tweemaandelijks een brief te
sturen over de voortgang en implementatie van dossiers met betrekking tot discriminatie
en racisme op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Hierbij ontvangt u de derde voortgangsbrief van 2025 met inhoudelijke updates over
gedane toezeggingen.
1. Wetgeving
Versterking stelsel ADV’s
Het Ministerie van BZK werkt op dit moment aan een conceptwetsvoorstel ter uitwerking
van de hoofdlijnennotitie over de versterking van het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen
(ADV’s).1 Zoals ik uw Kamer heb gemeld in het commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten
van 11 september 2025, streef ik ernaar om het conceptwetsvoorstel voor het einde
van het jaar open te stellen voor de internetconsultatie. Het conceptwetsvoorstel
zal op dat moment ook voor advies en uitvoeringstoetsen worden voorgelegd aan verschillende
organisaties, waaronder de VNG.
Het conceptwetsvoorstel zal op een aantal punten nadere keuzes maken ten opzichte
van de hoofdlijnennotitie. Ten eerste is in overleg met de VNG bezien of gemeenten
een nieuwe wettelijke taak kunnen krijgen voor ontwikkelen van lokaal antidiscriminatiebeleid.
De conclusie hiervan is dat een expliciete nieuwe wettelijke taak niet uitvoerbaar
is voor gemeenten. Dit neemt niet weg dat veel gemeenten op eigen initiatief lokaal
antidiscriminatiebeleid voeren. Dat zal in het nieuwe stelsel niet anders zijn. Om
de aansluiting van gemeenten in het nieuwe stelsel te bewerkstelligen, zullen in het
conceptwetsvoorstel verschillende maatregelen worden voorgesteld.
Daarnaast zal de planning van het wetgevingstraject worden bijgesteld. Het ligt –
onder meer vanwege de formele stappen in het wetgevingsproces – niet meer voor de
hand dat de nieuwe wetgeving per 1 januari 2027 in werking zal kunnen treden, zoals
beoogd was in de hoofdlijnennotitie. In de brief over de internetconsultatie van het
conceptwetsvoorstel, die mijn ambtsvoorganger al heeft toegezegd, zal ik een bijgestelde
planning van de voorzienbare stappen opnemen. In de nieuwe planning zal bijvoorbeeld
rekening worden gehouden met de jaarlijkse begrotingscyclus van gemeenten en ADV’s
en de systematiek van het Gemeentefonds. Ook zal rekening moeten worden gehouden met
een aantal maanden voorbereidingstijd voor het werkveld en gemeenten tussen publicatie
en inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving, zoals voorgeschreven in de Aanwijzingen
voor de regelgeving. Het streven is om de wetgeving medio 2027 gereed te hebben voor
publicatie.
Invoering gelijke behandelingswetgeving op Caribisch Nederland
Het wetsvoorstel «Bescherming tegen discriminatie op de BES»2 is op 7 oktober 2025 aangenomen door de Eerste Kamer en zal op 1 januari 2026 in
werking treden. De voorbereiding van de uitvoeringsregelgeving (een AMvB en een ministeriële
regeling) liggen tevens op schema. Wat de uitvoeringsregelgeving betreft wordt ook
gestreefd naar inwerkingtreding op 1 januari 2026.
2. Institutionele discriminatie en risicoprofilering
Staatscommissie: voortgangsrapport Gelijkheidsplicht publieke sector
Op 4 september heeft de staatscommissie tegen discriminatie en racisme haar vierde
voorgangsrapport uitgebracht: «Gelijkheidsplicht Publieke Sector (GPS) – Naar wettelijke
verankering van een proactieve aanpak van discriminatie door de overheid». De staatscommissie
pleit daarin voor een plicht voor overheidsinstanties om bij hun taakuitoefening altijd
rekening te houden met gelijkheid. De staatscommissie onderzocht hoe dat in andere
landen werkt, zoals in het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar zo’n wettelijke plicht
al bestaat. Voor Nederland presenteert de staatscommissie drie mogelijke varianten
van zo’n wettelijke plicht. Deze varianten lopen op in ambitie en juridische verplichtingen.
De staatscommissie adviseert om te beginnen met een wettelijke basis voor de gelijkheidsplicht,
om vervolgens via een groeipad stapsgewijs toe te werken naar een duurzaam en robuust
systeem voor verantwoording en toezicht. Tegelijk roept zij overheidsinstanties op
om niet te wachten op wetgeving, maar nu al actief aan de slag te gaan met de door
haar ontwikkelde discriminatietoets voor publieke dienstverleners.
Uw Kamer heeft een motie van het lid Ceder (CU) en White (GroenLinks-PvdA)3 aangenomen om de mogelijkheden voor het invoeren van een wettelijke gelijkheidsplicht
voor de publieke sector in beeld te brengen en plannen te maken voor invoering hiervan,
en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren. Naar aanleiding
daarvan heeft mijn ambtsvoorganger tijdens het tweeminutendebat Slavernijverleden
van 3 juli 2025 toegezegd uw Kamer voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het
Ministerie van BZK een eerste reactie te geven op het rapport met daarin een planning
en proces. Dat doe ik in deze brief.
Ik heb met interesse kennisgenomen van het uitvoerige onderzoek dat de staatscommissie
heeft gedaan. Het voorstel tot het invoeren van een gelijkheidsplicht is veelomvattend
en raakt aan de gehele overheid. De komende tijd tot aan de zomer van 2026 wil ik
gebruiken voor gesprekken met verschillende overheidsorganisaties om de uitvoerbaarheid
en wenselijkheid van een gelijkheidsplicht verder te onderzoeken. Waar mogelijk, zal
ik proberen daarvoor aan te sluiten bij de gesprekken die de staatscommissie daar
zelf ook al over voert. Ik zal u hierover voor de zomer van 2026 informeren. Ik zal
daarbij ook stilstaan bij de voor- en nadelen van de drie door de staatscommissie
voorgestelde varianten, met aandacht voor uitvoerbaarheid, impact en juridische/ bestuurlijke
inbedding.
In de tussentijd werk ik aan direct toepasbare maatregelen, waaronder de versteviging
van de discriminatietoets in de handreiking constitutionele toetsing als onderdeel
van het Beleidskompas. Daarnaast kom ik nog dit jaar met een reactie op het rapport
van de staatscommissie over de Discriminatietoets Publieke Dienstverleners die ik
op 3 november jongstleden samen met de voorzitter van de staatscommissie heb gelanceerd.
Ik zal u daarin informeren op welke wijze er vervolg wordt gegeven aan de discriminatietoets,
een nuttig instrument waar de gehele overheid nu al mee aan de slag kan en op termijn
in samenhang kan worden bezien met de gelijkheidsplicht, zodat racisme en discriminatie
door de overheid effectief kunnen worden voorkomen en bestreden.
3. Bescherming tegen discriminatie op de BES-eilanden
De bescherming tegen discriminatie op Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt met het
hierboven genoemde wetsvoorstel (Bescherming tegen discriminatie op de BES4) vanaf 1 januari 2026 wezenlijk versterkt.
Een belangrijke stap is de invoering van de lokale, Caribische stichting, de Stichting
voor rechtshulp en gelijke behandeling Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze stichting
heeft tot doel een gecombineerde voorziening op elk eiland voor gratis rechtshulp
en hulp bij discriminatie (ADV-BES) in te richten en is op 13 oktober 2025 opgericht.
De nieuwe directeur-bestuurder is inmiddels gestart met de voorbereiding van de dienstverlening
die zo spoedig mogelijk na 1 januari 2026 zal starten. De start van de dienstverlening
zorgt voor de komst van een voorziening, een loket, waar de eilanden grote behoefte
aan hebben en waartoe vele partijen, zoals de gezaghebbers, de Nationale ombudsman,
het College voor de Rechten van de Mens (het College) en de Nationaal Coördinator
tegen Discriminatie en Racisme (NCDR), toe hebben opgeroepen.
De oordelende bevoegdheid van het College wordt met het genoemde wetsvoorstel uitgebreid
naar Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het College heeft twee plaatsvervangende leden
uit de regio aangesteld voor de behandeling van Caribische verzoeken Het College zal
op 1 januari 2026 van start kunnen gaan met haar nieuwe oordelende taak.
4. Moties en toezeggingen
Toezegging overleg ANBO-PCOB en het Ministerie van BZK en SZW
Op 19 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de
ouderenbond ANBO-PCOB en vertegenwoordigers van het Ministerie van BZK en SZW. Aanleiding
voor dit gesprek was de toezegging die mijn voorganger heeft gedaan om met ANBO-PCOB
in gesprek te gaan over de resultaten van een onderzoek naar ouderendiscriminatie
dat de bond in november 2024 had uitgevoerd.5De resultaten van het onderzoek en de achtergronden van verschillende vormen van leeftijdsonderscheid
zijn tijdens dit gesprek aan de orde gekomen. ANBO-PCOB is gewezen op juridische mogelijkheden
om ervaren leeftijdsdiscriminatie voor te leggen aan het College voor de Rechten van
de Mens of aan een ADV. In het gesprek is aangegeven dat de aanpak van leeftijdsdiscriminatie
onderdeel is van de brede aanpak van discriminatie op alle gronden. Met ANBO-PCOB
is afgesproken om over dit onderwerp in gesprek te blijven. Hiermee doe ik de toezegging
gestand.
Toezegging informeren over de verkenning naar het gebruik van gevoelige persoonsgegevens
om ongelijke behandeling door algoritmen op te sporen
Het lid Van Nispen (SP) heeft tijdens het commissiedebat Discriminatie, racisme en
mensenrechten van 11 september jl. verzocht om duidelijkheid te geven over de mogelijkheden
voor het gebruik van gevoelige persoonsgegevens om discriminatie en ongelijke behandeling
op te sporen in algoritmen die door overheden worden gebruikt. Het lid Van Nispen
signaleert dat er bij gemeenten onduidelijkheid bestaat over de vraag of dit op basis
van de AVG is toegestaan en dat overheden weinig gebruik zouden maken van de gevoelige
gegevens waarover het CBS beschikt. Dat deze onduidelijkheid bestaat is mij bekend.
Ook is mij bekend dat in de afgelopen jaren verschillende overheidsorganisaties een
of meerdere algoritmische processen hebben onderzocht of laten onderzoeken op mogelijke
vooringenomenheid of indirect onderscheid door middel van koppeling aan gegevens van
het CBS. Dit gebeurt dus wel, maar ik onderken de noodzaak om te verduidelijken wat
op dit gebied wel en niet wettelijk is toegestaan. De AI-verordening biedt in beperkte
gevallen en onder strikte voorwaarden een wettelijke grondslag hiervoor, maar het
is nog de vraag of deze mogelijkheid voldoende toereikend is om algoritmen gedegen
en periodiek te kunnen onderzoeken op mogelijke vooringenomenheid en discriminatie.6
Ik heb tijdens het debat aangegeven dat mijn departement momenteel een verkenning
doet naar dit vraagstuk, onder meer middels een datadialoog met overheden, burgers,
maatschappelijke organisaties en experts en door gesprekken met overheidsorganisaties
over hun werkwijzen en behoeften op dit vlak. Op basis van deze verkenning zal ik
bepalen wat er verder nodig en wenselijk is. Ik streef ernaar uw Kamer voor de zomer
van 2026 te informeren over de inzichten die in de verkenning zijn opgedaan.
Toezegging in gesprek met de Minister van JenV over hatecrimes gericht tegen Nederlanders
met een migratieachtergrond, de vervolging daarvan en de rol van politie en justitie
hierin
Tijdens het commissiedebat heeft het lid Bamenga (D66) zijn zorgen geuit over de toename
van hatecrimes, discriminatie en geweld tegen Nederlanders met een migratieachtergrond
uit extreemrechtse hoek, en de normalisering van dit geweld zolang deze incidenten
straffeloos zouden blijven. Deze straffeloosheid vormt volgens hem een serieuze bedreiging
voor de samenleving, het vertrouwen in de rechtstaat en de toepassing van mensenrechten.
Het lid Bamenga heeft mij gevraagd wat ik als Minister van BZK ga doen tegen deze
toename van hatecrimes uit extreemrechtse hoek, en gevraagd naar de mogelijkheden
voor eerherstel en excuses voor slachtoffers door de Minister van JenV.
Op 1 juli 2025 is het voorstel van wet van de leden Timmermans en Bikker tot wijziging
van het Wetboek van Strafrecht in verband met de invoering van het discriminatoir
aspect als strafverzwaringsgrond in werking getreden.7 Dit betekent dat wanneer een strafbaar feit wordt gepleegd met een discriminatoir
motief, het strafmaximum met een derde kan worden verhoogd. Ik verwelkom deze ontwikkeling
en heb de hoop dat vervolging van hatecrimes in de toekomst tot zwaardere veroordelingen
zal leiden.
Daarnaast heb ik, omdat hatecrimes uit extreemrechtse hoek op het terrein van de Minister
van JenV ligt, toegezegd in gesprek te gaan over de rol van politie en justitie hierin.
Dit gesprek zal op korte termijn plaatsvinden.
In de volgende voortgangsbrief zal ik uw Kamer informeren over de uitkomst van het
gesprek.
Motie van het lid Rajkowski (VVD)8
en motie van het lid van Baarle (DENK)9
over een Rijksbrede Klachtencommissie
De Rijksbrede Klachtencommissie is per 30 juni 2025 opgericht. De Kamer zal binnen
6 maanden na de start worden geïnformeerd over de eerste resultaten, inclusief het
aantal meldingen en de genomen vervolgstappen.
Motie van het lid Van Baarle (DENK)10
over een Catshuissessie met Moslimjongeren
Naar aanleiding van de motie van het lid Van Baarle (DENK) en het rapport «Toekomstverwachtingen
van Moslimjongeren in Nederland»11, heeft er op 26 augustus 2025 een Catshuissessie plaatsgevonden. Tijdens deze sessie
is een delegatie van Nederlandse moslimjongeren en experts in gesprek gegaan met de
Minister-President, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de
Staatssecretaris Participatie en Integratie en de Staatssecretaris Funderend Onderwijs
en Emancipatie. Centraal stond het gebrek aan vertrouwen van moslims in de Nederlandse
politiek, de grondslagen daarvan en welke bouwstenen bij zouden kunnen dragen aan
herstel. Experts boden inzicht in de mechanismes van vertrouwen tussen burgers en
overheid, met specifieke aandacht voor het herstel van vertrouwen van Nederlandse
moslims. Gedurende de sessie deelden de aanwezige jongeren, al dan niet namens een
organisatie of zichzelf, hun blik op- en ervaringen met de moslimdiscriminatie die
vandaag de dag in Nederland voorkomt. Zij gaven onder andere aan behoefte te hebben
aan het actief betrekken van moslims bij de totstandkoming van beleid. Het kabinet
heeft tijdens de Catshuissessie onderstreept dat maatregelen alleen waarde hebben
als zij daadwerkelijk effect sorteren. Niet alle generieke maatregelen zijn passend
voor alle vraagstukken. Bepaalde vraagstukken vragen, vanwege hun karakter, om specifieke
maatregelen. Daarbij moet niet uit het oog verloren worden dat deze ook bij dienen
te dragen aan het bevorderen van het vertrouwen van islamitische gemeenschappen in
de overheid. Het kabinet hecht aan de kracht van de dialoog en heeft naar aanleiding
van de Catshuissessie toegezegd halfjaarlijks interdepartementale bestuurlijke overleggen
te voeren over moslimdiscriminatie met moslimgemeenschappen in brede zin. De vormgeving
daarvan wordt interdepartementaal opgepakt.
5. Overig
Online discriminatie
Op 4 juli 2025 ontving u het plan van aanpak tegen online discriminatie. Het plan
van aanpak is tijdens het commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten van
11 september jl. besproken. Ondertussen werk ik aan de uitvoering van de beleidslijnen
uit het plan van aanpak. Zo is er een bijeenkomst geweest waarbij met maatschappelijke
partners is gesproken over de invulling van de maatregelen uit het plan. Ook worden
stappen gezet ten aanzien van het verbeteren van de registratie van online discriminatie,
het versterken van de meldvoorzieningen en het verbeteren van slachtofferondersteuning.
Publiekscommunicatie meldingsbereidheid voor ervaren discriminatie
Mijn voorganger heeft in de voortgangsbrief van juli jl. uw Kamer geïnformeerd over
de publiekscommunicatie ten behoeve van de meldingsbereidheid voor ervaren discriminatie.
Hiervoor moet verplicht een campagnetoets voor worden doorlopen. De beoogde afronding
van deze toets zal eind november zal plaatsvinden.
Met het voorgaande heb ik u inzicht willen geven in de stand van zaken van mijn concrete
aanpak tegen discriminatie en de gezette stappen. Ook in deze demissionaire periode
zet ik, net als de andere bij dit onderwerp betrokken bewindspersonen, het werk aan
deze maatschappelijke opgave onverminderd voort.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties