Brief regering : Reactie op de jaarverslagen 2024 van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman
36 747 Jaarverslag van de Nationale ombudsman, de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman over 2024
Nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 november 2025
Introductie
Met deze brief reageer ik namens het demissionaire kabinet op het Jaarverslag 2024
van de Nationale ombudsman en van de Kinderombudsman1. Deze reactie geef ik mede namens de Minister voor Asiel en Migratie, de Staatssecretaris
Jeugd, Preventie en Sport en de staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De Minister van Defensie is in de Veteranennota 2024–2025 en tijdens het Notaoverleg
van 16 juni 2025 uitvoerig ingegaan op de onderwerpen die genoemd zijn in het jaarverslag
van de Veteranenombudsman. Daarnaast is in twee brieven gereageerd op de rapporten
Erken mijn zorgen (2024) en Tijdig, transparant en toegewijd (2025). Defensie onderhoudt
structureel overleg met de Veteranenombudsman over lopende thema’s.
De ombudsmannen vervullen een essentiële functie binnen onze democratische rechtsstaat.
Zij bieden burgers een onafhankelijk aanspreekpunt wanneer de overheid tekortschiet,
en geven daarmee niet alleen stem aan individuele ervaringen, maar ook richting aan
structurele verbeteringen. Hun werk dwingt het openbaar bestuur tot reflectie, en
draagt bij aan een overheid die leert, bijstuurt en recht doet. Het kabinet is dan
ook dankbaar voor de rol en het werk van de ombudsmannen.
De opbouw van deze brief is als volgt. Ik reageer op de aanbevelingen voor elk van
de thema’s uit de Ombudsagenda in het jaarverslag en op het werk van de ombudsmannen
voor Caribisch Nederland, en behandel vervolgens de onderwerpen die in het jaarverslag
van de Kinderombudsman aan de orde komen, mede namens de Staatssecretaris Jeugd, Preventie
en Sport. In het Nationale ombudsman-gedeelte worden ook onderwerpen behandeld die
zowel volwassenen als kinderen raken, zoals asiel en dakloosheid of participatie van
de zijlijn. Ik begin met enkele algemene reflecties op de signalen en bevindingen.
Boodschap ombudsmannen: Zet de burger centraal
Het jaarverslag laat zien dat er nog steeds situaties zijn waarin het perspectief
van de burger onvoldoende centraal staat. En dat juist in een tijd waarin het vertrouwen
in instituties niet vanzelfsprekend is. De signalen uit het verslag onderstrepen dat
de menselijke maat geen abstract begrip mag zijn, maar concreet moet doorwerken in
beleid én uitvoering.
De centrale oproep van de ombudsmannen is duidelijk: een rechtsstaat beschermt zichzelf
niet. Zij signaleren dat politieke ambities en wetgevingsplannen te vaak niet samengaan
met een realistische doordenking van uitvoering, financiering en het perspectief van
burgers. Te vaak ontstaat daarmee volgens de ombudsmannen een kloof tussen wat de
overheid belooft en wat zij waarmaakt. Het jaarverslag laat zien dat deze kloof geen
incident is, maar een terugkerend patroon dat zich uit in beleid, wetgeving én uitvoering.
Dat is schadelijk, zeker voor mensen die al in een kwetsbare positie verkeren, en
ondermijnt het vertrouwen dat de samenleving in de overheid stelt.
Ik onderschrijf de oproep van de ombudsmannen dat het daadwerkelijk oplossen van problemen
in de samenleving voorop dient te staan. Bij al het overheidshandelen, of het nu gaat
om bijvoorbeeld het maken van beleid en wetten of de uitvoering daarvan, is het essentieel
goed te luisteren. Naar burgers, in het bijzonder kinderen, naar uitvoeringsorganisaties,
en naar signalen van instituties die waken over de kwaliteit van onze rechtsstaat.
Deze signalen moeten serieus genomen worden. De overheid dient daarop helder aan te
geven wat wel en niet kan worden waargemaakt en waarom. Als iets wordt beloofd, dan
alleen als randvoorwaarden zoals goede uitvoerbaarheid en financiering haalbaar zijn.
Dat is een kwestie van politieke verantwoordelijkheid én bestuurlijke betrouwbaarheid.
De voorbeelden die de ombudsmannen aandragen – van het leerlingenvervoer of hersteltrajecten
tot specifieker Lotte’s verhaal omschreven in het voorwoord van het jaarverslag –
illustreren hoe abstract beleid kan botsen met het alledaagse leven van mensen. De
menselijke maat moet leidend zijn. Dit betekent onder meer dat we onevenredige hardheden
in wetgeving, beleid en uitvoering moeten aanpakken en dat de menselijke maat in de
dagelijkse praktijk wordt versterkt, o.a. met het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie
Awb en het bevorderen van ambtelijk vakmanschap. Dit is juist belangrijk waar spanning
ontstaat tussen beloftes, regels en realiteit. Een overheid die het goede doet, ook
als niemand kijkt. Dat moet het uitgangspunt zijn. Daarin past een cultuur van erkennen,
herstellen en leren. Erkennen van de gevolgen door nalatig of foutief handelen van
de overheid, en dat zo adequaat en zorgvuldig mogelijk herstellen, met de behoefte
van de betrokkenen centraal.
Het jaarverslag van de ombudsmannen biedt daarvoor een belangrijke spiegel en een
reeks concrete aanbevelingen. In het vervolg van deze brief ga ik per thema in op
de signalen en voorstellen van de ombudsmannen.
Thema 1: fundamentele rechten
Als je je huis moet verlaten
Het beeld dat geschetst is door de ombudsmannen dat bij een ingrijpend traject als
sloop/nieuwbouw er tijdige en goede betrokkenheid van de bewoners, waaronder kinderen,
geborgd moet worden, wordt herkent. In de schriftelijke reactie op het rapport Als je je huis moet verlaten (2024) heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) toegezegd in
gesprek te blijven met Aedes en de Woonbond over het bevorderen van goede betrokkenheid
van bewoners, onder wie kinderen, bij dit soort trajecten. Dit heeft zich onder meer
geuit in het opnemen van het Nationale Sloop- en Renovatiestatuut in de herijkte Nationale
prestatieafspraken die zijn gemaakt met de VNG en met Aedes. Het Nationaal Sloop-
en Renovatiestatuut zal eind 2026 worden geëvalueerd. In de evaluatie, en een daarop
volgende wijziging, zal ook het punt van de goede betrokkenheid van kinderen worden
meegenomen. De uitkomsten van deze evaluatie zullen met de Kamer worden gedeeld.
Dakloosheid
Zoals de ombudsmannen terecht aankaarten klopt het dat het oplossen van dakloosheid
om een integrale en gecoördineerde aanpak vraagt. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid
Eerst een Thuis, gepubliceerd eind 20222, is dan ook een gezamenlijke inspanning van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (VWS), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en VRO om dakloosheid te verminderen
en te beëindigen. De coördinatie en uitvoering gebeurt in samenwerking met diverse
partners, zoals gemeenten, maatschappelijke organisaties en ervaringsdeskundigen.
Zo geeft het Jongerenpanel de Derde Kamer, dat bestaat uit jongeren die zelf dakloos
zijn of zijn geweest, de Staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorg
gevraagd en ongevraagd advies rond de aanpak van jongerendakloosheid.
Veel gemeenten, zorgpartijen, corporaties en belangenbehartigers zijn, ondanks de
uitdagingen, aan de slag met het actieplan. Er is brede consensus over het feit dat
dakloosheid vooral opgelost wordt met huisvesting en preventie, in plaats van maatschappelijke
opvang. Maar dat leidt op dit moment nog niet tot daadwerkelijke afname van het aantal
dakloze mensen. Zo’n grote systeemverandering bewerkstelligen kost tijd. Daarnaast
maken externe factoren versnelling lastig. Denk bijvoorbeeld aan de aanhoudende krapte
op de woningmarkt en inflatie; die maken dat gemeenten acute problemen van inwoners
moeten oplossen. Er is begrip voor de complexe realiteit waar gemeenten zich in bevinden,
maar het kabinet blijft hen oproepen het voorkómen en terugdringen van dakloosheid
hoog op de regionale politieke agenda te houden. Het wetsvoorstel Versterking regie
op de volkshuisvesting en het wetsvoorstel Participatiewet in balans zullen daarbij
op een positieve manier bijdragen aan het terugdringen van dakloosheid3. Onderdeel van het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting is bijvoorbeeld
dat gemeenten na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel een urgentieregeling op moeten
stellen waarbij zij een aantal specifieke groepen, waaronder jongeren die uit de residentiële
jeugdzorg stromen, met voorrang moeten huisvesten.
Zoals aangegeven in de voortgangsrapportage van december 2024 over de aanpak dakloosheid
aan de Kamer4, wordt onderzocht in hoeverre de ambities en doelstellingen van het actieplan dakloosheid
gerealiseerd worden, zowel landelijk als lokaal. De resultaten van dit onderzoek zullen
niet alleen de benodigde informatie geven over waar aanpassingen nodig zijn, maar
geven bovendien invulling aan de motie van het Kamerlid Westerveld5. Het onderzoek is gestart in januari 2025 en zal naar verwachting eind dit jaar gereed
zijn en met de Kamer worden gedeeld.
Blind vertrouwen
Op 12 november 2024 heeft de Nationale ombudsman zijn rapport Blind vertrouwen? gepubliceerd. Op 18 november heeft de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV),
mede namens de Minister van Defensie (Def), de beleidsreactie op het rapport naar
de kamer gestuurd.
Zoals ook benoemd in de beleidsreactie is internationale samenwerking onmisbaar in
een tijd waarin de dreigingen groot zijn. Informatie-uitwisseling vormt hier een cruciaal
onderdeel van. De Ministers onderschrijven de opvatting van de Nationale ombudsman
dat het proces rondom registraties en signaleringen en de (internationale) uitwisseling
van informatie in het kader van de aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme
(CTER) zorgvuldig moet verlopen. Het gaat over gevoelige processen met potentieel
grote gevolgen voor burgers. Er moet scherp op gelet worden dat we hier als overheid
zorgvuldig mee omgaan, daarom goed dat daar ook door een partij als de Nationale ombudsman
naar is gekeken. De Ministers hebben aangegeven zich te herkennen in de algemene strekking
van het rapport, tegelijkertijd onderschrijven zij niet alle formuleringen in het
rapport. Hierover is ook nader contact geweest tussen de Minister van JenV en de Nationale
ombudsman.
Naar aanleiding van het rapport van de Nationale ombudsman hebben de Minister van
JenV en Def, respectievelijk, de politie en de Koninklijke Marechaussee (KMar) gevraagd
om het werkproces verder aan te scherpen. De instanties dienen uitdrukkelijker te
expliciteren hoe een signalering of informatie-uitwisseling met het buitenland impact
kan hebben op het leven van burgers. Dit zorgt voor een nadrukkelijkere afweging of
de maatregel proportioneel is. Dit draagt bij aan een betere toetsbaarheid van de
afwegingen van de overheid.
Ook is er een handreiking voor inzage verzoeken bij vermoedens van (onterechte) signaleringen
in het kader van terrorisme gepubliceerd. Deze handreiking gaat in op welke wijze
burgers, per (mogelijke betrokken) instantie, inzage kunnen krijgen in de gegevens
die een desbetreffende instantie over hem of haar heeft verwerkt. Ook gaat deze handreiking
in op hoe een verzoek tot rectificatie/verwijdering van deze gegevens kan worden gedaan.
Naar aanleiding van de conclusie van de Nationale ombudsman dat het onafhankelijke
en structurele toezicht te mager is georganiseerd is er door de Minister van JenV
toegezegd om samen met de betrokken instanties en relevante toezichthouders te verkennen
of, en zo ja hoe, toezicht op de registraties en signaleringen van de betrokken instanties
versterkt moet worden. Dat wordt nu zorgvuldig in kaart gebracht. Naar aanleiding
van de uitkomsten van de verkenning wordt beoordeeld of de huidige inrichting van
toezicht voldoende is of moet worden versterkt. Zoals aangegeven in het eerste halfjaarbericht
van de politie loopt deze verkenning nog en zullen de uitkomsten hiervan worden opgenomen
in het tweede halfjaarbericht politie.
Grensoverschrijdende controles
De KMar werkt op de luchthaven Athene samen met de Griekse autoriteiten en de luchtvaartmaatschappijen
met als doel om illegale migratie tegen te gaan. Na een niet-gegrond verklaarde klacht
over etnisch profileren adviseerde de Nationale ombudsman aan de KMar, in hun rapport
Grensoverschrijdende controles (2024), om vanuit de deskundigheid van de collega’s trainingen voor het Griekse grondpersoneel
te verzorgen. Net als in eerdere jaren heeft er in mei 2025 een aantal succesvolle
documentcontroletrainingen plaatsgevonden die bijdragen aan de professionaliteit van
het Griekse grondpersoneel. Daarnaast is aanbevolen om duidelijke instructies te geven
aan KMar medewerkers met betrekking tot zowel de klachtenprocedure als de legitimatieverplichting.
Daarom worden nu in de voorlichting en in de werkinstructie voor KMar collega’s de
klachtenprocedure en legitimatieverplichting benadrukt.
Behoorlijk bestuur en waardigheid in de asielopvang
Door een hoge capaciteitsdruk op het opvangsysteem is het in recente jaren niet mogelijk
geweest om alle asielzoekers opvang op reguliere opvanglocaties (azc’s) te kunnen
bieden. De inzet van noodopvang is noodzakelijk geweest. Het rapport De crisis voorbij
6 (2023) geeft een kritisch beeld van de gevolgen hiervan.
Het kabinet zet zich er voor in om zo veel mogelijk reguliere opvangplekken te realiseren
en noodopvanglocaties uit te faseren. Dit gebeurt onder andere door in te zetten op
realisatie van de opgaven uit de verdeelbesluiten van de Wet gemeentelijke taak asielopvang.
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) kan onder voorwaarden van opzegbaarheid
van contracten en/of omklapbaarheid naar huisvesting structurele en meerjarige afspraken
maken met gemeenten over reguliere opvanglocaties.
Eveneens zet het kabinet in op maatregelen die de instroom beperken en de uitstroom
van statushouders bevorderen. Deze dienen de druk op het opvangsysteem helpen afnemen.
Denk respectievelijk aan de asielnoodmaatregelenwet, het tweestatusstelsel en de aangekondigde
maatregelen uit het samenhangend pakket.
Gezinnen met kinderen en kwetsbare groepen worden zo min en kort mogelijk op noodopvanglocaties
opgevangen. Niet elke noodopvanglocatie schiet echter tekort in de geschiktheid voor
opvang van kinderen. Om meer inzicht te krijgen in de situatie van kinderen in de
asielopvang heeft het COA dit jaar een kwantitatieve verkenning uitgevoerd. Hiermee
is in kaart gebracht in welke mate locaties voldoen aan de standaarden om kinderen
op te vangen en wat nodig is om verbeteringen te realiseren. Over de resultaten en
vervolgstappen is de Tweede Kamer op 19 september 2025 geïnformeerd7. De inventarisatie is voor veel opvanglocaties aanleiding om kritisch te kijken op
welke punten het nodig is om verbeteringen aan te brengen. Om hier goed zicht op te
houden vindt de komende maanden afstemming plaats met de verschillende opvanglocaties.
In april/mei 2026 houdt het COA opnieuw een inventarisatie onder alle locaties om
blijvend zicht te houden op de kwaliteit van de opvang.
Ingrijpen tijdens opvangdruk Ter Apel 2022
In het jaar 2022 stond de opvang in het aanmeldcentrum in Ter Apel onder hoge druk
waardoor niet iedere asielzoeker toegang had tot de benodigde voorzieningen. Hierop
besloten burgers via particuliere acties hulp te bieden en o.a. kampeermiddelen zoals
tenten uit te delen. Zo ontstond een tentenkamp buiten het azc. Om veiligheidsredenen
diende dit kamp te worden ontruimd. Dit ook in het belang van de vreemdelingen zelf.
Hierbij zijn ook door burgers uitgedeelde kampeermiddelen in beslag genomen. Het ombudsmanrapport8
Verboden hulp te bieden? Een onderzoek naar de positie van burgers die hulp boden
toen de overheid tekortschoot (2024) over deze situatie heeft waardevolle lessen opgeleverd over de onderbouwing van,
en communicatie rondom dergelijk ingrijpen.
Het onderstreept het belang van ketenbrede samenwerking om ook in tijden van hoge
druk op de asielketen opvang te kunnen bieden aan hen die daar recht op hebben. Beperking
van instroom en tijdige doorplaatsing door voldoende algehele doorstroom zijn hiervoor
van groot belang. Tevens wordt er groot belang gehecht aan het vinden van extra aanmeldfaciliteit
om de druk op Ter Apel te ontlasten. Het kabinet is de gemeente Westerwolde erkentelijk
voor haar grote inspanningen en onderhoudt doorlopend contact over het behoud van
leefbaar- en beheersbaarheid. Het aanpakken en voorkomen van overlast heeft daarin
bijzondere aandacht.
Thema 2: armoede
Hoe eerder hoe beter
In het rapport Hoe eerder, hoe beter (2024) heeft de Nationale ombudsman onderzocht hoe gemeenten de wettelijke taak van vroegsignalering
uitvoeren en welke knelpunten gemeenten en inwoners in de praktijk ervaren. Hij concludeert
dat met het tijdig signaleren van schulden erger kan worden voorkomen, maar dat in
de uitvoering van vroegsignalering nog veel winst valt te behalen.
Naar aanleiding van het rapport van de Nationale ombudsman heeft het vorige kabinet
verbetermaatregelen aangekondigd9. Inmiddels heeft een wetsevaluatie van de vroegsignalering plaatsgevonden, in reactie
waarop het kabinet deze verbetermaatregelen gezamenlijk met gemeenten en vastelastenpartners
verder heeft uitgewerkt en via bestuurlijke afspraken met concrete doelstellingen
wil bekrachtigen10.
Thema 3: participatie en invloed
Participatie vanaf de zijlijn
In november 2024 brachten de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman hun derde onderzoek
uit naar participatie en invloed van burgers in de drie decentralisaties. In dit derde
onderzoek (het rapport Participatie vanaf de zijlijn, 2024) werd gefocust op de ruimte die ouders en jongeren ervaren om invloed te hebben binnen
de jeugdwet. Het rapport geeft belangrijke aanbevelingen over het versterken over
de ondersteuning van lokale jongerenraden.
De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport werkt met de Nationale Jeugdraad (NJR)
aan een nationale jeugdstrategie, een langetermijnvisie op thema’s die jongeren van
12 tot 29 jaar raken. Hierin wordt ook vastgelegd hoe jongeren betekenisvol kunnen
participeren.
Ook de andere aanbevelingen over het toegankelijker maken van de klachtenprocedure
voor ouders en jeugdigen worden ter harte genomen. Het klachtrecht in het jeugddomein
is een belangrijke vorm van rechtsbescherming voor jeugdigen en/of ouders. Ook is
het van belang dat organisaties in het jeugddomein leren van klachten ter verbetering
van de kwaliteit van hulp en ondersteuning aan jeugdigen. Daarom heeft VWS in samenwerking
met JenV in het najaar van 2024 een onderzoek uitgezet naar het klachtrecht in het
jeugddomein, met als doel te bezien wat er in uitvoering of wetgeving verbeterd kan
worden. Het onderzoeksbureau Andersson Elffers Felix (AEF) is begin 2025 gestart.
De uitkomsten van het onderzoek worden na de zomer verwacht. Parallel hieraan wordt
een kinderrechtentoets uitgevoerd bij dit thema, aangezien het van belang is dat de
belangen van kinderen goed in beeld zijn bij het verbeteren van het klachtrecht.
Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking
getreden. Deze wet zet gemeenten aan opnieuw na te denken over participatie en de
afspraken hierover vast te leggen in een participatieverordening. Hierbij is het ook
van belang dat gemeenten nadenken over de invulling van betekenisvolle kinder- en
jongerenparticipatie. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) ondersteunt gemeenten met de inrichting van betekenisvolle jongerenparticipatie,
onder andere via jongerenraden, met de Handreiking Kinder- en Jongerenparticipatie,
en versterkt de regionale participatie van jongeren door hun behoeften in kaart te
brengen, netwerken van jonge dorpsbewoners op te bouwen en initiatieven te ondersteunen
die hen betrekken bij hun leefomgeving. Via extra middelen voor organisaties als de
Landelijke Vereniging voor Kleine Kernen (LVKK) en Tienskip leren jongeren hoe zij
hun stem lokaal kunnen laten horen en zelf verandering in gang kunnen zetten.
Thema 4: toegang tot voorzieningen
Leven met Q-koorts
In het rapport Leven met Q-koorts. 15 jaar na de epidemie, hoe is het nu? (2024) vraagt de Nationale ombudsman aandacht voor de herkenning en erkenning van het ziektebeeld
en de impact ervan op de patiënten. De Nationale ombudsman constateert dat er zowel
bij zorgprofessionals, verzekeraars als gemeenten onvoldoende kennis is van Q-koorts
en bewustwording van de bijzondere verantwoordelijkheid voor deze groep patiënten.
De overheid erkent dat Q-koorts nog steeds aanzienlijke fysieke, emotionele en financiële
gevolgen heeft voor patiënten, en dat niet alle zorg en welzijnsorganisaties het ziektebeeld
en de gevolgen ervan herkennen en erkennen. Er wordt dan ook ingezet op scholing van
professionals, zoals huisartsen, UWV-artsen en gemeentemedewerkers, zodat patiënten
direct goed worden geholpen.
Daarom is ook aan Stichting Q-support gevraagd om hun activiteiten meer te gaan richten
op deze professionals. Tevens hebben zij een handreiking opgesteld voor gemeenten
over Post-Acuut Infectie Syndroom (PAIS).
Daarnaast is per september Cathalijne Dortmans aangesteld als Q-koorts ambassadeur
die onder andere de verbinding met de gemeenten zal gaan maken om te komen tot een
betere toegang tot en versterking van voorzieningen.
Verder geeft de Nationale ombudsman aan om te investeren in kennis en expertise over
Q-koorts en benadrukt hij het belang van een gespecialiseerd expertisecentrum, waar
patiënten terechtkunnen. Op dit moment lopen er via ZonMw onderzoeksprogramma’s voor
post-covid en ME/CVS. De uitkomsten van deze onderzoeken zullen ook ten goede komen
aan kennis over Q-koorts. Dit geldt eveneens voor de kennis die nu wordt opgedaan
in de post-covid expertisecentra.
Tot slot vraagt de Nationale ombudsman opnieuw om excuses te maken aan deze groep.
Zoals eerder aangegeven erkent de overheid de situatie van de q-koorts patiënten en
vindt het zeer vervelend dat Q-koorts patiënten nog steeds te kampen hebben met de
gevolgen van hun ziekte. Het aanbieden van excuses wordt echter nog steeds niet op
hun plaats geacht aangezien het tijdens de epidemie heeft gehandeld op basis van de
toen beschikbare kennis en adviezen van experts. Met een financiële tegemoetkoming
van € 15.000,– voor patiënten en nabestaanden is er geprobeerd hun leed financieel
tegemoet te komen. Daarnaast blijft het toegewijd aan het verbeteren van de levenskwaliteit
van alle betrokkenen en de erkenning en herkenning van hun situatie.
Burgerperspectief in hersteltrajecten
Het rapport Herstel bieden: een vak apart (2023) concludeert dat de overheid te vaak reactief en bureaucratisch handelt en de behoeften
van gedupeerden niet genoeg centraal stelt bij het invullen van de structuur en werkwijze
in hersteltrajecten. Daarnaast stelt het rapport dat de overheid te weinig leert van
opgedane kennis en ervaring bij eerdere hersteltrajecten.
Naar aanleiding van de aanbevelingen van dit rapport is het programma Erkenning &
Herstel gestart. Het programma ziet toe op de ondersteuning van ambtenaren (en de
politiek) bij het geven van een passende reactie aan burgers die in de knel dreigen
te raken of al gedupeerd zijn én die op de overheid moeten kunnen rekenen. Zo draagt
het programma bij aan de bredere beweging binnen de rijksoverheid die onder meer het
ambtelijk vakmanschap vergroot.
De belangrijkste doelen van het programma zijn: 1) leren van eerdere hersteltrajecten
voor lopende en toekomstige trajecten, zodat bij lopende en toekomstige trajecten
weloverwogen beslissingen kunnen worden genomen over óf en zo ja, hoe herstel moet
worden geboden. 2) Erkenning staat centraal in het werk van ambtenaren. 3) Het organiseren
van niet vrijblijvende feedback loops, waarbij lessen van herstelopgaven teruggebracht
worden richting politiek, beleid en uitvoering, gericht zowel op structurele verbeteringen
in het systeem, als op houding en gedrag.
Proactieve dienstverlening
Gezamenlijk met publieke dienstverleners, medeoverheden en departementen is een traject
gestart om te komen tot een visie op overheidsbrede proactieve dienstverlening. Met
het perspectief van burgers en ondernemers als uitgangspunt. Zodat nog beter en gezamenlijk
invulling kan worden gegeven aan de te zetten stappen op het gebied van proactieve
dienstverlening. Vanuit de visie worden de concrete ambities en overheidsbrede strategie
vastgesteld en eind 2025 opgeleverd. Daarnaast werken we via levensgebeurtenissen
aan het meer proactief aanreiken van informatie en dienstverlening, bijvoorbeeld bij
de levensgebeurtenis 18 jaar worden.
Toegang tot de digitale overheid
De Nationale ombudsman gaat in zijn jaarverslag 2024 in op de acties die hij ondernomen
heeft naar aanleiding van zijn rapport DigiD helpt niet mee11
(2023). In de brief van 16 mei jl. over Digitaal Vertegenwoordigen12 heeft de vorige Staatssecretaris van Digitalisering en Koninkrijksrelaties uiteengezet
waarom het tijd kost om wettelijk vertegenwoordigers digitale toegang te geven tot
overheidsdienstverlening en welke acties BZK onderneemt om deze digitale toegang te
realiseren.
Ontoegankelijkheid Tijdelijk Noodfonds Energie
Het kabinet erkent de zorgen van de Nationale ombudsman over de toegankelijkheid van
het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) en neemt deze serieus. Het totale beschikbare
bedrag vroeg om het maken van keuzes in de uitvoering. Het hebben van een DigiD was
voorwaardelijk voor het indienen van een aanvraag, aangezien inkomensgegevens verzameld
moeten worden van de aanvrager. Het belang dat het aanvraagproces ook voor mensen
die digitaal minder vaardig zijn of in een financieel kwetsbare positie zitten toegankelijk
moet zijn, wordt onderschreven. Om die reden, is er door zowel TNE als het Ministerie
van SZW veel aandacht besteed aan het aanvraagproces en aanvullende ondersteuning.
SZW heeft middels een subsidie aan Nederlandse Schuldhulproute (NSR) extra hulp beschikbaar
gesteld voor mensen die minder digitaal vaardig zijn.
Thema 5: leefbaarheid
Vervolg gaswinning Groningen
In januari 2025 heeft de Staatssecretaris van BZK zijn beleidsbrief «Versterken» gestuurd13. Voortbouwend op Nij Begun14 (de kabinetsreactie op de parlementaire enquête commissie), de adviezen van de commissie Van Geel15 en adviezen van de Nationale ombudsman, is de inzet om de uitvoering te bevorderen
en mensgerichter te maken. Snelheid en kwaliteit worden met elkaar in balans gebracht,
dit gebeurt aan de hand van vier leidende principes. Deze zijn dat de overheid: 1)
niemand vergeet, zeker de zwaarst getroffen en complexe gevallen niet; 2) proactief,
doelmatig en rechtmatig te werk gaat; 3) luistert én handelt en 4) de veiligheid centraal
blijft stellen. Concreet betreft dit bijvoorbeeld het structureel vastleggen van afspraken
met bewoners, inclusief akkoord van de bewoner en het intensiveren van het persoonlijk
contact met de bewoner. De Dorpenaanpak is recent geëvalueerd16, met de betrokken partijen wordt gesproken over de aanbevelingen die hieruit voortkomen.
Hierbij worden ook de aanbevelingen uit «Erkenning en herstel, een vak apart» betrokken.
Vervolg overstromingen Limburg
Naar aanleiding van de wateroverlast in juli 2021 zijn er verschillende maatregelen
getroffen om gedupeerden te helpen. De laatste maatregel, die in dit verband is genomen,
betreft de beleidsregel «financiële nood als gevolg van de wateroverlast juli 2021».
Op basis hiervan kon een financiële tegemoetkoming worden verstrekt aan particulieren
die hun dubbele woonlasten of herstelkosten van de gebruiksfunctie van hun woning
niet konden betalen of hier een schuld of lening voor zijn aangegaan. Deze beleidsregel
is op 1 september 2024 in werking getreden tot 1 maart van dit jaar. Op verschillende
wijzen is lokaal aandacht gevraagd voor deze beleidsregel. Bij het opstellen hiervan
is vertrouwen in de burger als vertrekpunt genomen. Daarnaast is zoveel mogelijk maatwerk
geleverd om recht te doen aan de specifieke situatie van gedupeerden en om hen zo
goed mogelijk te kunnen helpen. Desgewenst is de aanvrager gedurende het proces –
juist omdat er al sprake is van een moeilijke situatie – begeleid en zoveel mogelijk
ontzorgd door een zaakbegeleider. De uitvoerder van de beleidsregel heeft voorzien
in een klachtenprocedure. Er was een klachtenformulier beschikbaar via de website.
De Tweede Kamer zal in kwartaal 4 van 2025 worden bericht over de uitvoering van deze
beleidsregel.
Vervolg warmtetransitie
Na publicatie van zijn rapport Een warme transitie? (2023), presenteerde de Nationale ombudsman dit rapport in 2024 in een webinar voor gemeenten
die werken aan de warmtetransitie. Hij deed dit samen met twee gemeenten en een expert
op het gebied van laaggeletterdheid. Voorts voerde BZK en daarna VRO meerdere beleidswijzigingen
door, die de warmtetransitie toegankelijker en inclusiever maken voor burgers. Zo
werden de leenmogelijkheden voor het warmtefonds uitgebreid en kunnen gemeenten in
bepaalde situaties de Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE)
aanvragen voor woningeigenaren. Ook worden initiatieven ondersteund die de energietransitie
toegankelijk moeten maken voor bewoners zoals verbeterjehuis.nl, energiehulpnetwerk.nl,
en de Lokale Energiearmoede Aanpak (www.wijzijnlea.nl).
Op dit moment wordt uitgewerkt hoe lokale initiatieven meer als één loket kunnen gaan
werken, onder de noemer «Energiehuis».
Omgevingswet
Zoals de Nationale ombudsman in zijn jaarverslag concludeert is het een jaar na inwerkingtreding
van de Omgevingswet nog te vroeg om conclusies te trekken over eventuele knelpunten
waar burgers tegenaan (kunnen) lopen bij de nieuwe systematiek en werkwijzen. Dit
is in lijn is met de conclusie die eerder door de onafhankelijke Evaluatiecommissie
Omgevingswet werd getrokken17. Dit is deels te verklaren vanwege het overgangsrecht en de tijd die de overheden
nog hebben om alles op orde te brengen. De Nationale ombudsman noemt twee onderwerpen
die in 2025 gevolgd gaan worden, namelijk: participatie en gebruikersvriendelijkheid.
Ten aanzien van participatie stimuleert de Omgevingswet vroegtijdige betrokkenheid
van belanghebbenden, zowel bij planvorming door overheden als bij initiatieven van
particulieren. Voor participatie door overheden, zoals bij het opstellen van de omgevingsvisie
of bij de wijziging van het omgevingsplan, gelden verschillende regels rondom participatie,
zoals een kennisgeving van het voornemen en een motiveringsplicht na het vaststellen
van het desbetreffende omgevingsinstrument. Voor het instrument omgevingsvergunning
geldt alleen een aanvraagvereiste. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt
de initiatiefnemer gevraagd of er aan participatie is gedaan en zo ja, hoe de initiatiefnemer
dat heeft gedaan en wat de resultaten waren.
Uit de eerste monitor Werking Omgevingswet over 2024 blijkt dat de meeste provincies
en gemeenten inmiddels participatiebeleid hebben met een bijbehorende handreiking
en dat bij het merendeel van de onderzochte omgevingsvisies het gevolgde participatieproces
wordt beschreven18. Het vergroten van de gebruikersvriendelijkheid van het Digitaal Stelsel Omgevingswet
(DSO) en in het bijzonder het Omgevingsloket heeft de aandacht. De Nationale ombudsman
constateert ook dat wordt ingezet op de verbetering van de gebruikersvriendelijkheid.
Dit laat zien dat de aanpak ter verbetering van de gebruikersvriendelijkheid langzaam
zijn vruchten begint af te werpen19.
Tot slot blijft er vanuit het Rijk de komende jaren, in samenspraak met de (inter)bestuurlijke
partijen, aandacht voor het leren werken met en in de geest voor de Omgevingswet en
de bijbehorende aandacht voor de dienstverlening en gebruikersvriendelijkheid voor
burgers.
Caribisch Nederland
Over Caribisch Nederland heeft de Nationale ombudsman de afgelopen jaren een aantal
rapporten uitgebracht met aanbevelingen gericht op armoedebestrijding, klachtbehandeling
en ondersteuning van kwetsbare groepen. In het rapport Caribische kinderen van de rekening (2022) stond armoede onder alleenstaande ouders centraal. In het rapport De eindjes aan elkaar knopen (2023) beschreef de Nationale ombudsman wat de gevolgen zijn van armoede binnen een gezin.
Belangrijke aanbevelingen hiertoe gaan onder andere over een integralere aanpak, specifieke
aandacht voor kinderen, toegankelijke hulpverlening en betere voorzieningen. Ook pleitte
de Nationale ombudsman voor een sociaal minimum dat aansluit bij de reële kosten van
levensonderhoud. In de kabinetsreacties van 2 februari 202420, 6 december 202421 en 3 juli 202522, zet het kabinet uiteen hoe deze aanbevelingen zijn opgevolgd.
Kinderombudsman
Mede namens de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport reageer ik op het jaarverslag
van de Kinderombudsman. De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport dankt de Kinderombudsman
voor haar werk en de goede samenwerking. Het is van belang om de naleving van kinderrechten
in Europees en Caribisch Nederland te blijven bevorderen. De Kinderombudsman geeft
belangrijke adviezen over verschillende onderwerpen die het leven van kinderen en
jongeren raken en waarmee het welzijn en de ontwikkeling van kinderen ondersteund
kunnen worden.
De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport deelt de oproep van de Kinderombudsman
om het perspectief van kinderen te blijven betrekken bij wetgeving, beleid en individuele
besluiten. Om kinderen en jongeren tussen de 12 en 29 jaar structureel te betrekken
bij het beleid dat hen aangaat wordt de nationale jeugdstrategie ontwikkeld. Ondertussen
hebben ruim 12.000 kinderen en jongeren input gegeven voor deze strategie. Op 4 september
2025 presenteerde de Nationale Jeugdraad het ontwerp voor deze nationale jeugdstrategie23.
Om ook kinderen onder de 12 jaar te betrekken vindt jaarlijks de kinderrechtenconferentie
plaats. Tijdens dit evenement krijgen kinderen van verschillende basisscholen uit
Nederland de kans om met elkaar in gesprek te gaan over kinderrechten in Nederland
en gezamenlijk aanbevelingen te formuleren aan beleidsmakers en kinderrechtenorganisaties.
Tijdens de jaarlijkse kinderrechtendialoog gaan beleidsmakers en kinderrechtenorganisaties
in gesprek met de kinderen en met elkaar over de opvolging van deze aanbevelingen.
Daarnaast leren meerdere ministeries van trajecten waarin samengewerkt wordt met kinderen,
zoals bij de jongerenraad Digitalisering van UNICEF en het Ministerie van BZK, de
gesprekken over kinderarmoede vanuit SZW en bij het wetstraject versterking rechtsbescherming
in de jeugdbescherming bij JenV.
Kinderrechtentoets
De participatietrajecten met kinderen volgen deels ook vanuit de sterke oproep vanuit
de Kinderombudsman om een kinderrechtentoets toe te passen bij alle wet- en regelgeving.
Met een kinderrechtentoets kan inzichtelijk gemaakt geworden welke impact voorgenomen
wet- of regelgeving heeft op kinderrechten. Kinderparticipatie is hierbij een randvoorwaarde.
De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport dankt de Kinderombudsvrouw voor het
ontwikkelen van de kinderrechtentoets. Momenteel worden bij verschillende trajecten
binnen VWS en JenV pilots uitgevoerd waarbij de uitvoerbaarheid van de kinderrechtentoets
wordt verkend. Hierbij wordt nauw samengewerkt met de Kinderombudsman.
Jeugdzorg
De Kinderombudsman heeft in 2024 diverse malen aandacht gevraagd voor het bieden van
goede jeugdzorg. Het kabinet begrijpt de zorgen van de Kinderombudsman. Met verschillende
partijen wordt gewerkt aan de Hervormingsagenda Jeugd met als doel dat jongeren weerbaar
opgroeien, kinderen en gezinnen in kwetsbare situaties tijdig passende hulp ontvangen
en het stelsel houdbaar is voor de toekomst. Specifiek voor gesloten jeugdhulp zijn
nadere bestuurlijke afspraken gemaakt medio 2024 en is een programmateam aangesteld
om landelijk regie te voeren op de transformatie en gemeenten en aanbieders te ondersteunen.
De adviezen van de Kinderombudsman worden meegenomen in de verdere uitwerking en implementatie
van de Hervormingsagenda, bijvoorbeeld ten aanzien van het wetsvoorstel reikwijdte.
Onderwijs
De Kinderombudsman geeft aan dat de ambitie voor inclusief onderwijs, zoals opgenomen
in het beleidskader van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW):
Met elkaar voor alle kinderen en jongeren: werken aan een inclusieve leeromgeving24, te vrijblijvend is. Inclusief onderwijs zou als verplichting in overheidsbeleid
moeten worden opgenomen, zo luidt haar oproep. Momenteel wordt, mede op verzoek van
de door de Kamer aangenomen motie Van Meenen25, uitgewerkt hoe inclusief onderwijs in wet- en regelgeving geborgd kan worden op
een manier die recht doet aan internationale verdragen26. Zoals toegezegd wordt de Tweede Kamer aan het eind van dit jaar (2025) nader geïnformeerd
over de contouren van de benodigde wetgeving.
Leerlingenvervoer
De aandacht die Kinderombudsman vraagt voor het leerlingenvervoer wordt erkent. In
de reactiebrief aan de Kinderombudsman heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap laten weten dat de focus moet liggen op de kwaliteit van leerlingenvervoer27. Ook is het leerlingenvervoer uitvoerig met de onderwijscommissie aan bod gekomen
tijdens het debat passend onderwijs van 21 mei jl. De Staatssecretaris van OCW heeft
in dit debat toegezegd om over het leerlingenvervoer in gesprek te gaan met de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG), Leerlingenbelang Voortgezet Onderwijs (LBVSO) en
Ouders & Onderwijs. Dit sluit aan bij de aandacht die de Kinderombudsman geeft om
het perspectief van kinderen (in dit geval: leerlingen) mee te nemen in het beleid.
Onderdeel van dit gesprek zal zijn om te verkennen wat iedereen vanuit zijn rol en
verantwoordelijkheid extra kan doen. Dat geldt ook voor OCW als opdrachtgever aan
gemeenten via de onderwijswetten. Daarbij wordt ook de opbrengst van een door LBVSO
en Ouders & Onderwijs georganiseerde brainstorm meegenomen. Daarnaast wordt er gewerkt
aan de verbeteragenda doelgroepenvervoer, met aandacht voor onder meer toezicht en
integraal aanbesteden door gemeenten. De Kamer wordt hier dit jaar verder over geïnformeerd.
Thuiszitters
De Kinderombudsman heeft in een brief haar zorgen geuit over de situatie van thuiszittende
kinderen en jongeren. De Kinderombudsman constateert dat rondom deze groep problemen
blijft bestaan, ondanks verschillende inspanningen van verschillende partijen. Zij
vraagt daarom om urgentie voor deze problematiek en benadrukt dat het belang van het
kind voorop moet staan, in overeenstemming met het Kinderrechtenverdrag. Ook vraagt
zij om concrete maatregelen te nemen tegen thuiszitten en doet in dat kader een aantal
voorstellen.
Het terugdringen van het aantal thuiszittende kinderen en jongeren is heel belangrijk.
Daarom is dit thema een van de zeven prioriteiten binnen de Verbeteraanpak passend onderwijs28. In 2022 is eveneens een aangescherpte verzuimaanpak aangekondigd en deze wordt uitgevoerd.
Met deze aanpak wordt er ingezet op maatregelen waar scholen direct mee aan de slag
kunnen, maar ook voor de lange termijn zet het kabinet stappen. Om een inzichtelijke
belangenafweging bij ieder kind dat dreigt vast te lopen in het onderwijssysteem te
borgen, is daarnaast hoorrecht voor leerlingen over hun ontwikkelingsperspectief wettelijk
vastgelegd. Ook wordt er ingezet op het terugdringen van wachtlijsten in het gespecialiseerd
onderwijs. In de kamerbrief passend onderwijs is nader toegelicht hoe we deze spiraal
doorbreken29.
Sociale veiligheid op scholen
Het kabinet is het met de Kinderombudsman eens dat alle leerlingen zich vrij en veilig
moeten voelen op school. Veel leerlingen voelen zich veilig, maar dat geldt helaas
niet voor iedere leerling. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt er
bijgedragen aan een veilig schoolklimaat. Dat doen we met maatregelen gericht op goed
zicht, evaluatie en ondersteuning en begeleiding. De Kinderombudsman heeft in reactie
op het wetsvoorstel aangegeven positief te zijn over veel van de maatregelen. De Kinderombudsman
benadrukte daarbij het belang van de onafhankelijke positie van leerlingen. Daarnaast
bracht de Kinderombudsman het rapport In eenzaamheid gepest (2022) opnieuw onder de aandacht. Hierin wordt onder andere gepleit voor aandacht voor discriminatie
en het zorgen voor mogelijkheden voor leerlingen om over pesten te praten.
Door scholen in het wetsvoorstel te verplichten om zowel een interne als externe vertrouwenspersoon
aan te wijzen is er altijd een plek op school waar kinderen gehoord worden. Ten aanzien
van het tegengaan van pesten wordt de verplichte leerlingmonitor uitgebreid. Het wetsvoorstel
is in juni 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd.
Verder heeft de Inspectie van het Onderwijs haar toezicht op sociale veiligheid geïntensiveerd.
Ook heeft het Ministerie van OCW opdracht gegeven voor een actieonderzoek dat concrete
handvatten voor onderwijsprofessionals oplevert waarmee zij discriminatie en racisme
beter kunnen herkennen en voorkomen. Tot slot ondersteunt stichting School & Veiligheid
scholen bij het vormgeven van een positief en veilig pedagogisch klimaat op school.
Omgang grootouders
Het kabinet waardeert de aandacht die de Kinderombudsman heeft voor het belang van
het kind als het gaat om de omgang met de grootouders. Het wetsvoorstel om de drempel
te verlagen voor omgang met grootouders is in juni 2024 behandeld in de Tweede Kamer.
Voorafgaand aan de behandeling adviseerde de Kinderombudsman dat het recht op omgang
alleen mag worden vastgesteld als dit in het belang van het kind is. Conform deze
inbreng is er een amendement van het lid van Dijk (SGP) aangenomen. Met het amendement
komt bij een omgangsverzoek het belang van het kind meer nadrukkelijk voorop te staan.
De rechter wijst het verzoek tot omgang af als dit niet in het belang van het kind
is.
Hiermee is een nieuwe, ruimere mogelijkheid geïntroduceerd tot het ontzeggen van omgang
voor personen die in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind, maar geen
ouder of biologisch ouder zijn. Ook als het kind bezwaar maakt tegen de omgang, wordt
het verzoek afgewezen. Dit geldt ook voor een kind, jonger dan twaalf jaar dat in
staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Dit (gewijzigde) wetsvoorstel
moet nog worden behandeld in de Eerste Kamer30.
Kinderrechten online
Het kabinet is verheugd dat de Kinderombudsvrouw aandacht heeft voor de online wereld
van kinderen. Niet alleen vanwege haar inzet in de Tweede Kamer, maar ook door het
betrekken van de online wereld in de tweejaarlijkse monitor, waarvan de resultaten
zijn gepubliceerd in het rapport Als je het ons vraagt (2024).
Het beschermen van kinderrechten in de digitale wereld is een gecompliceerd vraagstuk.
Problemen variëren sterk. Niet alleen bijvoorbeeld schadelijke content maar ook het
risico van gevaarlijke contacten of kinderarbeid. En dit zijn slechts enkele thema’s.
Hoe zorgen we voor een digitale wereld die veilig is voor kinderen en waarin hun rechten
zijn geborgd? Er zijn daarover al in 2023 en 2024 brieven aan de Tweede Kamer gestuurd,
beleid gemaakt en uitgevoerd. Zo is er een Code kinderrechten online ontwikkeld en
een kinderrechten impact assessment. Deze laatste is toegepast op drie social media
platforms.
Mede door signalen vanuit de Tweede Kamer heeft de Staatssecretaris van BZK, als coördinerend
bewindspersoon online kinderrechten, de Kamer op 4 september geïnformeerd over de
strategie kinderrechten online31. Deze is tot stand gekomen in samenspraak met partners uit beleid, praktijk, toezicht,
het maatschappelijk middenveld, wetenschap en industrie.
Duidelijk is dat het gaat om een gezamenlijke verantwoordelijkheid; ouders en opvoeders
horen daarbij. Op vrijwel alle thema’s waar risico’s worden gezien, vragen ouders
om handvatten. Die komen er met de publiekscampagne die na de zomer van start is gegaan
en waarin ook de recent gepubliceerde richtlijn gezond schermgebruik is meegenomen.
Ook het betrekken van kinderen is belangrijk; beleid wordt effectiever wanneer we
kinderen aan het woord laten. Daarom is er gestart met de Jongerenraad Digitalisering,
die ook in het parlementaire jaar 2025–2026 weer periodiek zal worden geconsulteerd.
Als je het ons vraagt
In 2024 bracht de Kinderombudsman haar tweejaarlijkse onderzoek Als je het ons vraagt uit, waarbij ze veel kinderen en jongeren vraagt naar hun ervaringen. Waardevol aan
deze editie was de ervaringen van kinderen en jongeren in zowel de offline als de
online wereld. De Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport en de Minister van
OCW hebben op 27 maart 2025 een uitgebreide reactie op dit rapport gestuurd aan de
Kinderombudsman en danken haar wederom voor dit waardevolle onderzoek.
Ouders zijn onvervangbaar
De Kinderombudsman heeft op 10 juli 2024 een rapport uitgebracht over de gevolgen
van een scheiding voor kinderen, volgens kinderen zelf32. Het kabinet is de Kinderombudsman erkentelijk voor de aandacht die zij vraagt voor
het centraal stellen van het belang van kinderen bij alle, vaak lastige beslissingen
die ouders moeten maken als zij uit elkaar gaan. Het rapport bevestigt dat de negatieve
impact op kinderen bij een scheiding van de ouders groot is. Het kabinet heeft hier
nadrukkelijk aandacht voor en heeft de afgelopen jaren op verschillende manieren gewerkt
aan verbeteringen en het ontwikkelen van specifieke deskundigheid, hulp en ondersteuning
aan kind en ouders bij een scheiding. In het najaar van 2025 zal de Kamer nader geïnformeerd
worden over de resultaten hiervan.
Tot slot
Bij de uiteenlopende thema’s die in de jaarverslagen aan bod komen, blijkt telkens
weer dat de ombudsmannen zich onvermoeibaar inzetten om de afstand tussen burger en
overheid te overbruggen. Hun werk reikt verder dan het opstellen van rapporten: het
omvat luisteren zonder vooroordeel, doorvragen waar anderen stoppen, en vasthouden
tot er beweging ontstaat in beleid en uitvoering. Daarmee brengen zij niet alleen
individuele verhalen onder de aandacht, maar leggen zij ook patronen bloot die vragen
om structurele verbetering.
Het is precies deze combinatie van betrokkenheid en vasthoudendheid die hun aanbevelingen
zoveel gewicht geeft. De ombudsmannen laten zien dat een overheid pas echt dienstbaar
is wanneer zij de menselijke maat als uitgangspunt neemt, ook als dat betekent dat
regels of routines moeten wijken. Het kabinet waardeert deze inzet en ziet in hun
werk een blijvende stimulans om rechtvaardigheid niet alleen te beloven, maar ook
te realiseren. Het kabinet is de ombudsmannen zeer dankbaar.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties