Brief regering : Geannoteerde agenda OJCS-Raad 27 en 28 november 2025.
21 501-34 Raad voor Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport
Nr. 445
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 november 2025
Hierbij zend ik u, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
de geannoteerde agenda van de Onderwijs-, Jeugd-, Cultuur- en Sportraad (OJCS-Raad)
van 27 en 28 november 2025 in Brussel voor de onderdelen «onderwijs» en «cultuur».
Het onderwijsdeel van de Raad staat gepland op 27 november. Het cultuurdeel van de
Raad staat gepland voor 28 november. Ik zal aan beide onderdelen deelnemen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
G. Moes
GEANNOTEERDE AGENDA OJCS-RAAD 27 en 28 november 2025
Op het moment van schrijven zijn een aantal voorbereidende stukken nog niet met de
lidstaten gedeeld. Daarom zal voor deze onderdelen een algemene inzet worden gegeven.
Onderwijs – donderdag 27 november 2025
Voor onderwijs staat het volgende stuk ter vaststelling geagendeerd:
– Resolutie over de beoordeling van het strategisch raamwerk voor Europese samenwerking
op onderwijs en training ten behoeve van de Europese onderwijsruimte.
Het beleidsdebat zal gaan over:
– De rol van het mbo in concurrentievermogen en weerbaarheid.
Ook zal het Deense Voorzitterschap verslag doen van de onderhandelingen over het voorstel
voor een nieuw Erasmus+-programma.
Resolutie over de beoordeling van het strategisch raamwerk voor Europese samenwerking
op onderwijs en training ten behoeve van de Europese onderwijsruimte.
Inhoud
Met deze resolutie neemt de Raad positie in over de voortzetting en herijking van
het samenwerkingskader voor de tweede cyclus van de Europese Onderwijsruimte («European
Education Area», hierna EEA), tot het jaar 2030. Dit gebeurt naar aanleiding van een
op 30 juni jl. verschenen tussentijds evaluatierapport over de EEA.
In de resolutie roept de Raad op om het realiseren van de EEA als overkoepelende ambitie
van de Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding te behouden.
Hiermee neemt de Raad een andere positie in dan de Europese Commissie, die juist meer
focus op de dit jaar aangekondigde Vaardigheidsunie1 wil om juist dit initiatief tot het leidende overkoepelende samenwerkingskader te
maken. De overweging daarbij is dat onderwijsbeleid en samenwerking op dit gebied
een langere tijdshorizon kent en ook meer op individuele ontwikkeling is gericht,
terwijl de Vaardigheidsunie als doel heeft arbeidsmarkttekorten te helpen slechten
en daarmee bij te dragen aan het concurrentievermogen van de Europese Unie. Dit onderwerp
is eveneens teruggekomen in het beleidsdebat van de laatste OJCS-Raad op 12–13 mei
20252. Omdat dit een resolutie betreft gaat het om een standpunt van de Raad, zonder bindende
rechtsgevolgen.
Verder stelt de resolutie nieuwe inhoudelijke prioriteiten voor. Zo is de prioriteit
over het bevorderen van basisvaardigheden geconcretiseerd door middel van een aanpak
gericht op lezen, rekenen en wetenschap. De groene transitie is niet meer als losse
prioriteit bestempeld, maar aandacht hiervoor is wel opgenomen in de nieuwe prioriteit
over burgerschapsonderwijs en digitale vaardigheden.
De resolutie gaat ook in op de governance structuur van de EEA, in het bijzonder aangaande verschillende vaste overlegstructuren
die hieronder vallen, zoals de High-Level Group, DG-vergaderingen en werkgroepen. De resolutie roept op om binnen deze reeds bestaande
structuren in te zetten op verbetering, zoals het combineren van overlegstructuren
in het geval van overstijgende thema’s en betere verspreiding van samenwerkingsresultaten.
Tot slot stelt de resolutie ook enkele aangescherpte en nieuwe Europese streefdoelen
vast. De resolutie verwijst naar nieuwe streefdoelen voor topprestaties en ondermaatse
prestaties van 15-jarigen op het gebied van lezen, wiskunde en wetenschap. Daarnaast
worden er nieuwe streefdoelen geïntroduceerd voor het aandeel inschrijving voor STEM-opleidingen
(science, technology, engineering en mathematics) in zowel het mbo, hoger onderwijs als voor PhD-programma’s, inclusief een streefdoel
voor het aandeel vrouwelijke studenten. Tot slot noemt de resolutie een nieuw streefdoel
voor internationale aantrekkelijkheid. Dat betreft het aantal niet-Europese studenten
dat in Europa komt studeren. Met deze nieuwe streefdoelen wordt rekening gehouden
met recente ontwikkelingen en met nieuwe beleidsaccenten zoals focus op STEM, waartoe
recent ook in de Vaardigheidsunie is opgeroepen.
Inzet Nederland
In de eerder genoemde tussentijdse evaluatie is gebleken dat de EEA heeft bijdragen
aan verdere samenwerking tussen lidstaten op het gebied van onderwijs. Het kader heeft
lidstaten effectief ondersteund bij het onderbouwen en doorvoeren van nationale onderwijshervormingen.
In lijn met die conclusie heeft Nederland zich tijdens de onderhandeling in het onderwijscomité
ingezet op voortzetting van de EEA. Tegelijkertijd heeft Nederland aangegeven de ambities
van de Commissie zoals uiteengezet in de Vaardigheidsunie te steunen en dat de Vaardigheidsunie
en EEA elkaar vooral moeten aanvullen.
Ook wordt in de tussentijdse evaluatie geconcludeerd dat de uitdagingen die centraal
staan in de EEA relevant blijven. Daarom heeft Nederland tijdens de onderhandelingen
samen met andere lidstaten opgeroepen om de digitale en groene transitie als strategische
prioriteiten te behouden, of deze thema’s in ieder geval goed te borgen binnen de
andere prioriteiten. Nederland kan de uitkomst hiervan verwelkomen.
Voor wat betreft governance van de EEA was de Nederlandse inzet conform eerdere input
op de consultatie3. Dit is in lijn met de uitkomsten van de evaluatie, waarin wordt gesteld dat de huidige
governance-structuur bijdraagt aan een sterkere politieke sturing en strategischere
agendabepaling. Tegelijkertijd heeft Nederland aandacht gevraagd voor noodzakelijke
verbeteringen hierin. Dit betreft onder andere meer strategische diepgang, betere
communicatie, duidelijkheid over waar besluitvorming over de EEA plaatsvindt en meer
afstemming met verwante Europese onderwijs- en onderzoeksinitiatieven. Dit is in voldoende
mate in de voorliggende tekst opgenomen.
Voor wat betreft de Europese streefdoelen heeft Nederland zich ingezet voor realistische
doelen op het gebied van onderwijsprestaties. Hierbij is een duidelijke disclaimer
meegegeven dat deze de specifieke eigenschappen van nationale onderwijssystemen moeten
respecteren, en daarmee ook de autonomie van onderwijsinstellingen. Dit laatste is
ook met betrekking tot de Nederlandse terughoudendheid over de voorgestelde STEM-streefdoelen,
zoals ook opgenomen in het BNC-fiche over de Vaardigheidsunie4. Nederland heeft betoogd dat onderwijsinstellingen de autonomie hebben om hun STEM-onderwijsaanbod
aan te passen aan hun regionale ecosysteem. Een duidelijke disclaimer hierover is
opgenomen in de tekst en de streefdoelen voor onderwijsprestaties zijn in voldoende
mate bijgesteld zodat deze realistisch zijn. Het is belangrijk om hierbij te benadrukken
dat dit Europese en daarmee niet nationaal bindende streefdoelen zijn. De intentie
van de doelen is om richting te geven aan ambitieus Europees onderwijsbeleid en daarmee
ook als inspiratie te dienen voor nationaal beleid en eventuele nationale streefdoelen.
Beleidsdebat over de rol van het mbo in concurrentievermogen en weerbaarheid.
Inhoud
Op het moment van schrijven heeft het Deense voorzitterschap nog geen discussiedocument
voor dit beleidsdebat met de lidstaten gedeeld. Daarmee is nog niet duidelijk welke
richting dit beleidsdebat precies op gaat. Wel is de verwachting dat de input van
de lidstaten een bijdrage levert aan de aankomende mbo-strategie van de Europese Commissie.
De Commissie zal dit voorstel waarschijnlijk in het voorjaar van 2026 publiceren.
Uw Kamer zal t.z.t. via een BNC-fiche over de inzet van het kabinet op de hoogte worden
gebracht. Wel zijn de volgende discussievragen voor het beleidsdebat bekend:
– Hoe kunnen we mbo-opleidingen beter in lijn brengen met behoeften van de arbeidsmarkt
en tegelijkertijd zorgen voor inclusief onderwijs van hoge kwaliteit die mbo-studenten
voorziet van de nodige professionele en sociale vaardigheden?
– Hoe kunnen we niet alleen de aantrekkelijkheid, maar ook de genderbalans in het mbo
bevorderen, in het bijzonder voor wat betreft STEM-opleidingen?
Inzet Nederland
De discussievragen voor dit beleidsdebat komen voor een belangrijk deel overeen met
die van de informele bijeenkomst van onderwijsministers op 11 en 12 september jl.
in Denemarken. Om consistentie in de Nederlandse boodschap richting de Raad te houden
zal de inzet voor de aankomende OJCS-Raad op dit punt overeenkomen met deze eerdere
inzet5, die uit het BNC-fiche voor de Vaardigheidsunie6 en met het verslag van het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda7.
Zoals in de voorgaande geannoteerde agenda is toegelicht heeft de Commissie met de
Vaardigheidsunie een strategisch plan voorgesteld voor het gecoördineerd opbouwen
van vaardigheden voor kwalitatief hoogwaardige banen. Hiermee moeten tekorten aan
vaardigheden en mismatches op de arbeidsmarkt worden tegengegaan. De nieuwe Europese
strategie voor het mbo die hierin wordt aangekondigd moet de aantrekkelijkheid, excellentie,
kwaliteit en arbeidsmarktrelevantie van het mbo verbeteren.
Nederland verwelkomt deze recent toegenomen aandacht voor beroepsonderwijs en de aankondiging
van een strategie op dit gebied, als basis voor een innovatief, adaptief en krachtig
mbo. In de mededeling over de Vaardigheidsunie wordt de rol van het mbo in het verstevigen
van het concurrentievermogen van de EU benadrukt. In Nederland wordt al hard gewerkt
aan de aanpak van de arbeidsmarktkrapte, zoals beschreven in de kabinetsbrede brief
van 13 december 2024.8 De verbetering van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt speelt
hierin een belangrijke rol.
Nederland ondersteunt ook de aandacht voor basisvaardigheden en STEM onderwijs in
de mededeling over de Vaardigheidsunie. Nederland zal zich hier positief over uitspreken,
zolang deze maatregelen niet raken aan de nationale competentie op onderwijsgebied.
Nederland acht het van belang om aandacht te hebben voor ondervertegenwoordigde groepen
in STEM opleidingen en beroepen. Nederland zal hierbij verwijzen naar goede praktijkvoorbeelden,
zoals de programma’s Sterk Techniekonderwijs en Techkwadraat. Hierin is verplicht
bijzondere aandacht voor specifieke groepen, zoals vrouwen, zodat zij beter betrokken
zijn bij het mbo, in het bijzonder in meer technische opleidingen.
Ook staat Nederland positief tegenover de plannen van de Commissie om internationalisering
van het mbo te stimuleren omdat het van belang is dat mbo-studenten, net als hbo-
en wo-studenten, mogelijkheden hebben om internationale ervaring op te doen.
De recent aangenomen Herning-verklaring9 borduurt voort op het Kopenhagenproces gericht op de versterkte Europese samenwerking
op het gebied van beroepsonderwijs. Tussen 2026 en 2030 zetten de Europese lidstaten
zich op nationaal niveau in voor het versterken van de aantrekkelijkheid en kwaliteit
van het beroepsonderwijs. Hierbij wordt onder andere aandacht besteed aan het verbeteren
van leerwerkplekken en leren in de praktijk. Hiervoor is ook versterkte publiek-private
samenwerking nodig, wat weer onderdeel zal worden van de aangekondigde mbo-strategie.
Door jongeren en bedrijven gerichter te betrekken bij opleidingen in sectoren die
cruciaal zijn voor de groene en digitale transitie, zoals STEM-richtingen, draagt
de verklaring zo beter bij aan het concurrentievermogen van de EU. Nederland verwelkomt
deze inzet en zal de Commissie oproepen bestaande initiatieven voor te zetten, zoals
de Centres of Vocational Excellence, de ontwikkeling van leven lang ontwikkelen binnen
Erasmus+ en de uitwerking van de Vaardigheidsunie.
Update voortgang nieuw Erasmus+-programma
Inhoud
Op 16 juli jl. publiceerde de Europese Commissie haar voorstel voor het nieuwe Erasmus+-programma.
Hierin wil de Commissie de programma’s onder het huidige Erasmus+ en het Europees
Solidariteitskorps samenvoegen onder één programma Erasmus+ 2028–2034, om zodoende
het programma te versimpelen. Tijdens het Deense voorzitterschap van de Raad van de
EU is er een start gemaakt met de onderhandelingen over het Commissievoorstel.
Over het algemeen oordeelt de Raad positief over het voorstel, voornamelijk over het
feit dat Erasmus+ als ambitieus programma wordt voortgezet. Ook voor de versimpeling
en het samenvoegen van Erasmus+ en het Europees Solidariteitskorps is veel begrip
onder de lidstaten.
Aandachtspunten tijdens de onderhandelingen zijn op dit moment voornamelijk de invloed
van lidstaten bij besluitvorming over de jaarlijkse werkprogramma’s, de mate waarin
simplificatie en flexibiliteit ruimte laten voor een doelgericht programma voor alle
beleidsterreinen, de invloed van het voorgestelde op de structuur van Nationale Agentschapen
die aan het programma uitvoering geven en de manier waarop de onderdelen jeugd en
sport landen in het bredere voorstel. Er lijkt in de Raad veel overeenstemming te
zijn over deze zorgen.
Inzet Nederland
Omdat dit een verslag betreft zal Nederland voor dit onderdeel geen actieve inbreng
leveren.
Cultuur – vrijdag 28 november 2025
Voor cultuur staan de volgende stukken ter vaststelling geagendeerd:
– Raadsconclusies over de strategische rol van cultuur en cultureel erfgoed in het hooghouden
van Europese waarden en democratische weerbaarheid.
– Raadsconclusies over toegang tot betrouwbaar nieuws als onderdeel van het European
Democracy Shield.
Tijdens het beleidsdebat zal het gaan over:
– AgoraEU
Raadsconclusies over de strategische rol van cultuur en cultureel erfgoed in het hooghouden
van Europese waarden en democratische weerbaarheid.
Inhoud
Het Deense voorzitterschap heeft raadsconclusies opgesteld over de strategische rol
van cultuur en cultureel erfgoed in het hooghouden van Europese waarden en democratische
weerbaarheid. Zij stellen dat democratische samenlevingen worden gevormd door participerende
burgers en geven aan dat de rol van cultuur hierbij van fundamenteel belang is. De
verwachting is dat deze raadsconclusies daarmee zonder problemen worden aangenomen
in de OJCS-Raad.
Inzet Nederland
Nederland steunt deze raadsconclusies. Deze sluiten goed aan bij het Nederlandse beleid.
Tijdens de onderhandelingen heeft Nederland wel nog het belang van bibliotheken in
deze context benadrukt. Dit punt is door het voorzitterschap opgenomen in de voorliggende
tekst.
Raadsconclusies over toegang tot betrouwbaar nieuws als onderdeel van het European
Democracy Shield.
Inhoud
Het Deense voorzitterschap heeft deze concept-raadsconclusies opgesteld om het belang
van de toegang tot betrouwbaar nieuws voor de democratie te benadrukken. Tegelijk
kan deze toegang door diverse economische en (geo)politieke ontwikkelingen onder druk
komen te staan.
In de tekst worden de lidstaten en de Europese Commissie uitgenodigd om manieren te
overwegen om een gelijker speelveld te creëren tussen onlineplatforms en aanbieders
van mediadiensten, manieren om mediaprojecten in de hele EU te stimuleren, te onderzoeken
hoe prominentiemaatregelen het best kunnen worden ingezet om de zichtbaarheid en vindbaarheid
van media-aanbod te vergroten (zonder dat dit ten koste gaat van nationale bevoegdheden)
en ervoor te zorgen dat overwegingen ten aanzien van de bredere geopolitieke veiligheid
en digitaal beleid integraal onderdeel worden van het mediabeleid.
Er is over het algemeen breed draagvlak voor deze concept-raadsconclusies, maar het
is op het moment van schrijven nog niet duidelijk of de tekst door alle lidstaten
zal worden aangenomen en daarmee in de OJCS-Raad vastgesteld.
Inzet Nederland
Nederland ondersteunt de raadsconclusies. Deze sluiten goed aan bij staand Nederlands
beleid. Bij het opstellen van de raadsconclusies heeft Nederland het respect voor
redactionele onafhankelijkheid en het belang van de praktische uitvoerbaarheid en
van zelf- en co-regulering benadrukt.
Beleidsdebat over AgoraEU
Inhoud
Tijdens het beleidsdebat vraagt het voorzitterschap lidstaten in te gaan op het voorstel
van AgoraEU: de voortzetting van het huidige Creative Europe en Citizens, Equality,
Rights and Values (CERV) in één programma. Het exacte discussiedocument voor dit beleidsdebat
is nog niet bekend, wel heeft het voorzitterschap de volgende discussievragen met
de lidstaten gedeeld:
– Hoe kunnen we voor goede en inclusieve governance van AgoraEU zorgen, waarbij voldoende
flexibiliteit wordt ingebouwd om Europese waarden, democratische participatie, mediapluriformiteit,
onafhankelijke journalistiek en steun aan de culturele en creatieve sector toekomstbestendig
te maken?
– Hoe kunnen we het potentieel van toenemende synergieën binnen AgoraEU volledig benutten,
waarbij coherentie tussen de verschillende onderdelen bestaat en tegelijkertijd rekening
wordt gehouden met de waardevolle ervaringen opgebouwd in de huidige programma’s?
Inzet Nederland
Nederland steunt het samenvoegen van de huidige programma’s CERV en Creative Europe
binnen AgoraEU, wat mogelijkheden biedt voor synergie en het waarborgen van de EU-waarden.
Tegelijkertijd staat voor Nederland artistieke en redactionele vrijheid centraal in
het AgoraEU programma.
Sommige lidstaten hebben aangegeven zorgen te hebben over hun eigen rol bij het opstellen
van het AgoraEU werkprogramma en het behoud van nationale contactpunten. Wat betreft
de bestuurlijke vormgeving van AgoraEU zal Nederland dan ook pleiten voor het handhaven
van programmacomités om de betrokkenheid en expertise van lidstaten te benutten. Wat
betreft de implementatie van het programma pleit Nederland voor het behoud en het
zelf vormgeven van de nationale contactpunten.
Met betrekking tot het onderdeel Media+ is Nederland voorstander van een transparante
structuur waarbij de audiovisuele en media gerelateerde bedrijfssectoren worden bediend
met verschillende, geoormerkte instrumenten en budgetten. In het Media+ onderdeel
zitten immers verschillende branches met heel verschillende structuren.
Het voorstel van de Commissie mist een transparant en geoormerkt budget voor dwarsdoorsnijdende
of thematische activiteiten in AgoraEU (zie artikel 10). Nederland is daar voorstander
van en zal er op aandringen dat het cross-sectorale programma een eigen budget en
systematiek behoudt, met wellicht ook een eigen merknaam.
Indieners
-
Indiener
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.