Brief regering : Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Republiek Cyprus tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting; Washington, 23 april 2025
36 845 (R2214) Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Republiek Cyprus tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting; Washington, 23 april 2025
A/ Nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op
3 november 2025.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt
onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden
van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde
Minister van Curaçao te kennen worden gegeven uiterlijk op 3 december 2025.
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 oktober 2025
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en derde lid, en artikel 5, eerste
en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van
State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring
over te leggen het op 23 april 2025 te Washington tot stand gekomen Verdrag tussen
het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Republiek Cyprus tot
het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen
en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting (Trb. 2025, nr. 40).
Een toelichtende nota bij dit verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt voor Curaçao gevraagd.
Aan de Gouverneur van Curaçao is verzocht hogergenoemde stukken op 3 november 2025
over te leggen aan de Staten van Curaçao.
De Gevolmachtigde Minister van Curaçao is van deze overlegging in kennis gesteld.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Republiek
Cyprus tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar
het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting; Washington,
23 april 2025 (Trb. 2025, 40)
TOELICHTENDE NOTA
I. ALGEMEEN
I.0 Inleiding
Op 23 april 2025 is te Washington het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden,
ten behoeve van Curaçao, en de Republiek Cyprus tot het vermijden van dubbele belasting
met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken
en ontwijken van belasting, (hierna: «het Verdrag») tot stand gekomen. Het Verdrag
bevat regels die aanwijzen welke van de verdragsluitende staten bevoegd is om in overeenstemming
met zijn nationale wetgeving belasting te heffen over het inkomen van inwoners van
één of van beide verdragsluitende staten. Daarnaast is in het Verdrag, onder meer
met het oog op het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, een juridische
basis opgenomen voor onderling overleg, voor uitwisseling van gegevens en voor bijstand
bij de invordering van belastingschulden. Het Verdrag sluit aan bij het streven naar
een uitbreiding van het belastingverdragennetwerk van Curaçao om een duurzame economische
ontwikkeling te bevorderen.
De onderhandelingen voor dit Verdrag zijn gevoerd op basis van het Curaçaos Fiscaal
Verdragsbeleid 20231 (hierna: «CFV 2023»). De uitkomst past binnen de uitgangspunten van het CFV 2023.
Het Toetsschema Standaardcriteria Fiscaal Verdragsbeleid 2023 is in deze toelichtende
nota opgenomen. Er is gewerkt binnen de kaders van het OESO-modelverdrag zoals dat
luidt na de actualisering per 21 november 2017 (hierna: «het OESO-modelverdrag») en
op verzoek van Cyprus is deels gewerkt binnen de kaders van het OESO-modelverdrag
zoals dat luidt na actualisering per 2014. Onder II. artikelsgewijze toelichting zal worden aangegeven bij welke bepalingen is uitgegaan van het OESO-modelverdrag
van 2014.
Uitgangspunt van het CFV 2023 is om met landen waarmee Curaçao meer intensieve (handels-)
betrekkingen onderhoudt of wenst te onderhouden te voorzien in een verdrag ter voorkoming
van dubbele belasting, omdat aldus beter kan worden ingespeeld op de verhoudingen
tussen beide landen en de regelgeving van beide landen. Bovendien kan daardoor de
tegemoetkoming dubbele belasting beter worden verdeeld dan op basis van een eenzijdige
regeling ter voorkoming van dubbele belasting. Verdragen kunnen een belangrijke rol
spelen bij de bevordering van de economische relatie tussen beide landen. Meer specifiek
spreekt het CFV 2023 van een mogelijke uitbreiding van de rol van Curaçao als regionaal
platform voor investeringen in het Caribisch gebied en ook voor investeringen vanuit
en naar met name Zuid- en Midden-Amerika. Uitgangspunt is evenwel dat Curaçao in beginsel
open staat om met alle landen een belastingverdrag te sluiten, waarbij de mate van
intensiteit van de betrekkingen tussen de landen een rol van betekenis kan spelen.
De prioriteit wordt volgens het CFV 2023 gelegd bij het regionaal overeenkomen van
belastingverdragen. Maar daarnaast zal ook gekeken worden naar andere landen die een
belangrijke handelspartner zijn voor Curaçao of waarmee Curaçao economische relaties
wil aangaan en wederzijdse investeringen wil bevorderen. Bij de opzet van het CFV
2023 is een aantal politiek-beleidsmatige uitgangspunten geformuleerd.
1. Curaçao heeft zich in 2016 gecommitteerd aan de minimumstandaarden van het «Base Erosion and Profit Shifting» (hierna: BEPS) actieplan om grondslaguitholling en winstverschuiving tegen te gaan
en is toegetreden tot het Inclusive Framework van de OESO.
2. De uitvoerbaarheid van de Curaçaose wet- en regelgeving en het toenemende belang van
een effectieve geschilbeslechting acht Curaçao van groot belang.
3. Het bevorderen van economische activiteiten in Curaçao leidend tot onder andere een
betere werkgelegenheid en toenemende economische groei.
Volgens het CFV 2023 neemt Curaçao voor de verdragsonderhandelingen het OESO-modelverdrag
2017 als uitgangspunt. De reden hiervoor is dat dit modelverdrag voor veel landen
het uitgangspunt vormt en naar verwachting de voortgang van de onderhandelingen met
partnerlanden en het eindresultaat ten goede zal komen. In het geval van verdragsonderhandelingen
met ontwikkelingslanden zal Curaçao tevens rekening houden met de wensen van deze
landen en is het mogelijk dat het VN-modelverdrag geheel of gedeeltelijk wordt gevolgd.
De artikelen van het onderhavige Verdrag bevatten (met uitzondering van de artikelen
27, 28 en 29 van het Verdrag) naar het oordeel van de regering een ieder verbindende
bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, die aan rechtssubjecten
rechtstreeks rechten toekennen of plichten opleggen.
I.1 Aanleiding voor en verloop van de onderhandelingen
In het voorjaar van 2023 heeft Curaçao het initiatief genomen om met Cyprus de mogelijkheden
te verkennen voor het starten van onderhandelingen over een bilateraal belastingverdrag
met als doel het aangaan van de economische relatie en de versterking van de administratieve
samenwerking tussen de betrokken staten. Naar aanleiding van een ontmoeting in Washington
tijdens de IMF Meetings in april 2023 tussen de Curaçaose Minister van Financiën,
Javier Silvania, en de delegatie uit Cyprus is besloten om onderhandelingen te starten.
In het najaar van 2023 is het modelverdrag van beide landen met elkaar uitgewisseld.
Op verzoek van Cyprus is overeengekomen de onderhandelingen in 2024 te laten plaatsvinden.
De technische gesprekken over een verdrag tussen Curaçao en Cyprus werden in Nicosia
gehouden op 24, 25 en 26 september 2024. Dit heeft geleid tot het afronden van de
onderhandelingen en het op ambtelijk niveau paraferen van de overeengekomen tekst
door beide partijen op 26 september 2024 in Cyprus.
I.2 Inhoud van het Verdrag
De structuur, inhoud en bewoordingen van het Verdrag stemmen grotendeels overeen met
het OESO-modelverdrag.
De Curaçaose inzet bij de onderhandelingen was gebaseerd op het verdragsbeleid zoals
dat is neergelegd in het CFV 2023. De Curaçaose inzet werd verder uitdrukkelijk bepaald
door de wens oneigenlijk gebruik en misbruik van het Verdrag tegen te gaan.
De inzet van Cyprus was om een belastingverdrag met Curaçao af te sluiten en zo vorm
te geven aan de wens een economische relatie met Curaçao aan te gaan en de administratieve
samenwerking tussen Cyprus en Curaçao te versterken. Daarnaast werd ook de inzet van
Cyprus bepaald door de wens oneigenlijk gebruik en misbruik van het Verdrag tegen
te gaan.
Voor het instrumentarium is hoofdzakelijk aangeknoopt bij de bepalingen van het eerdergenoemde
OESO-modelverdrag, zoals dat luidt na de actualisering per 21 november 2017. Op verzoek
van Cyprus is in een aantal gevallen deels aangesloten bij het OESO-modelverdrag van
2014.
Ook is gekeken naar de afspraken die Cyprus heeft gemaakt in zijn belastingvedrag
met Nederland.
Het Verdrag bevat de maatregelen waarvan in de BEPS-rapporten is geconcludeerd dat
deze minimaal nodig zijn om verdragsmisbruik op een adequate manier te bestrijden
en geschillenbeslechting te verbeteren (de zogenoemde «minimumstandaard»). Dit betreft
de titel en de preambule van het Verdrag, het opnemen van een algemene antimisbruikbepaling
(artikel 26) en de toegang tot de onderlinge overlegprocedure (artikel 23). Voorts
is van belang te vermelden dat, conform het CFV 2023, onder meer een volledige woonstaatheffing
is overeengekomen voor dividend (artikel 10, eerste lid), voor interest (artikel 11,
eerste lid), voor royalty’s (artikel 12, eerste lid) en het niet opnemen van een bepaling
voor artiesten en sportbeoefenaars.
In het geheel weerspiegelt het Verdrag een resultaat dat in het licht van de over
en weer naar voren gebrachte wensen als evenwichtig kan worden beschouwd en waarin
op bevredigende wijze rekening is gehouden met de belangen van de Curaçaose burgers
en bedrijven. Voor het Curaçaose bedrijfsleven zal het Verdrag bij bestaande en nieuwe
activiteiten en investeringen in Cyprus positief uitwerken, omdat de grenzen van de
heffingsbevoegdheden van beide landen duidelijk zijn vastgelegd en zijn gebaseerd
op de actuele OESO-standaarden. Dit leidt tot meer rechtszekerheid. Voor het geval
dat toepassing van het Verdrag in bepaalde situaties toch tot dubbele heffing zou
leiden, voorziet het Verdrag in een procedure voor onderling overleg.
I.3 Belastingstelsel Cyprus en Curaçao
Cyprus kent een fiscaal stelsel met een samenstel van directe en indirecte belastingen.
De voornaamste directe belastingen voor natuurlijke personen zijn de inkomstenbelasting
(Income Tax) met een progressief tarief met een maximum van 35% en de vermogenswinstbelasting
(Capital Gains Tax) op bepaalde voordelen met een tarief van 20%. De inkomstenbelasting
wordt geheven over het wereldinkomen van natuurlijke personen die inwoner zijn van
Cyprus. De vermogenswinstbelasting wordt van natuurlijke personen geheven over de
vermogenswinsten behaald met de verkoop van onroerende zaken gelegen in Cyprus dan
wel de verkoop van aandelen in zogenoemde onroerendezaaklichamen die beschikken over
in Cyprus gelegen onroerende zaken. Van niet-natuurlijke personen wordt een vennootschapsbelasting
(Corporate Income Tax) geheven tegen een tarief van 12,5%. Vermogenswinsten behaald
door niet-natuurlijke personen met de verkoop van onroerende zaken gelegen in Cyprus
dan wel met de verkoop van aandelen in lichamen die beschikken over in Cyprus gelegen
onroerende zaken (zogenoemde onroerendezaaklichamen) worden belast tegen hetzelfde
tarief als geldt voor de vermogenswinstbelasting geheven van natuurlijke personen.
Lichamen die zijn gevestigd in Cyprus zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting
voor hun wereldinkomen. Ter vermijding van dubbele belasting hanteert Cyprus een verrekeningsstelsel
waarbij de verrekening voor de buitenlandse belasting niet hoger kan uitvallen dan
de Cypriotische belasting die is toe te rekenen aan de desbetreffende buitenlandse
inkomsten. Cyprus kent verder een vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor
dividendinkomsten. Daarnaast kan de Cypriotische zeescheepvaartsector gebruikmaken
van het tonnageregime. Aan ondernemingen in de filmindustrie kan een gedeeltelijke
vrijstelling van de vennootschapsbelasting worden verleend. De belangrijkste bronbelastingen
die Cyprus kent, zijn de bronbelastingen op royalty’s (5% ter zake van filmroyalty’s
en 10% ter zake van overige royalty’s) en vergoedingen voor technische diensten (10%)
en inkomsten van sporters en artiesten (10%). Ten slotte wordt in Cyprus geen bronbelasting
geheven op dividend- en rentebetalingen aan niet-inwoners.
Curaçao kent voor de winstbelasting een territoriaal belastingstelsel: hetgeen buiten
Curaçao wordt verdiend, wordt niet in Curaçao belast. Het winstbelastingtarief van
15% is van toepassing over de eerste NAf 500.000 belastbare winst en 22% over de winst
boven NAf 500.000. Curaçao heft geen dividendbelasting en evenmin een vermogensbelasting.
Inkomstenbelasting wordt geheven over het wereldinkomen van natuurlijke personen.
Er geldt een progressief inkomstenbelastingtarief tussen 9,75% en 46,5%.
I.4 Budgettaire aspecten
De budgettaire gevolgen van het Verdrag zullen naar verwachting per saldo neutraal
zijn.
I.5 Koninkrijkspositie
Het Verdrag zal, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, gelden voor het land
Curaçao. Wel bepaalt artikel 27 van het Verdrag dat het Verdrag onder voorwaarden
kan worden uitgebreid tot Aruba en/of Sint Maarten. Zie verder de toelichting op artikel
27 hieronder. Indien tot uitbreiding wordt overgegaan, behoeft dit een wijziging van
het Verdrag of een afzonderlijk verdrag dat door het Koninkrijk met Cyprus wordt aangegaan
ten behoeve van het betreffende land van het Koninkrijk. De landen van het Koninkrijk,
die fiscaal autonoom zijn, kunnen overigens ook zelfstandig besluiten om in onderhandeling
te treden met Cyprus over een belastingverdrag.
1.6 Toetsschema Standaardcriteria Curaçao Fiscaal Verdragsbeleid 2023
In onderstaand schema met toetsingscriteria voor Curaçaose bilaterale belastingverdragen
zijn de voor dit Verdrag relevante toetsingscriteria opgenomen, zoals geformuleerd
en toegelicht in de CFV 2023. Dit schema wordt gevoegd bij elke toelichting bij nieuwe
of heronderhandelde Curaçaose belastingverdragen.
CFV 2023
toelichting
Ja
Nee
Deels
N.v.t
Toelichtende nota in
verdrag
I
Voorkoming dubbele heffing – bepalingen in afwijking of ter aanvulling op het OESO
MV volgens het Curaçaose verdragsbeleid
X
Toelichting bij art. 21.
Afwijkingen en aanvullingen OESO MV
§ 3.2. Vestigingsplaats tiebreaker
Opname van een bepaling waarmee het criterium voor inwonerschap ten aanzien van niet-natuurlijke
personen nader wordt ingevuld
X
Toelichting bij art. 4, leden 1, 2 en 3.
Artikel 7 Winst uit onderneming – in aftrek toegelaten kosten die ten behoeve van
de vaste inrichting zijn gemaakt.
X
Toelichting bij art. 7, lid 3.
§ 3.2. Beleggingsinstellingen
Opname van een bepaling om beleggingsinstellingen (i.d.z.v. artikel 24 van de National
Ordinance on the Supervision of Investment Institutions and Administrators) de mogelijkheid
te geven niet als inwoner voor verdragsdoeleinden te worden aangemerkt
X
Toelichting bij art. 1.
§3.3 Vaste inrichting
Opname vaste inrichtingsbegrip van het OESO-modelverdrag 2017.
X
Toelichting bij art. 5.
Vermogensinkomsten en -winsten
§ 3.4.2.
Opname uitsluitende woonstaatheffing.
X
Toelichting bij art. 10.
• Zo nee, het betreft het volgende percentage
§ 3.4.4.
• Zo nee, opname uitzondering pensioen-fondsen
§ 3.4.2.
Opname maximale bronstaatheffingstarief van 5% voor portfoliodividenden (dus <10%
kapitaalbelang)
X
Toelichting bij art. 10.
§ 3.4.3.
Opname uitsluitende woonstaatheffing voor interest
X
Toelichting bij art. 11.
• Zo nee, het betreft het volgende percentage
§ 3.4.1.
Opname uitsluitende woonstaatheffing voor royalty’s
X
Toelichting bij art. 12.
• Zo nee, het betreft het volgende percentage
§ 3.5
Opname van een aanmerkelijkbelang-voorbehoud in het vermogenswinstartikel en het dividendartikel
X
Toelichting bij art. 10 en art. 13.
§ 3.5
Opname van een bepaling waarin is vastgelegd dat inkomsten genoten bij de inkoop van
aandelen of bij liquidatie worden beheerst door het dividendartikel
X
Toelichting bij art. 10.
§ 3.7
Geen opname sporters-artiestenbepaling of bepaling met drempelbedrag.
X
Toelichting in § I.2
§ 3.8
Opname woonstaatheffing voor pensioeninkomsten
X
Toelichting bij art. 16.
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Titel en preambule
In de titel wordt tot uitdrukking gebracht dat het Verdrag ertoe strekt om dubbele
belasting op inkomen te vermijden en ontduiken en ontwijken van alle belastingen te
voorkomen. De preambule voegt daaraan toe dat dubbele belasting moet worden voorkomen
zonder daarmee mogelijkheden te creëren voor niet-heffing of verminderde heffing door
belastingontduiking of belastingontwijking. Daarbij wordt expliciet verwezen naar
het oneigenlijk gebruik van verdragen door middel van constructies gericht op de verkrijging
van voordelen uit het verdrag voor personen voor wie die voordelen niet bedoeld zijn
(in het Engels aangeduid als «treaty shopping»). Dit stemt overeen met de titel en de preambule van het OESO-modelverdrag.
Zoals uit de titel en de preambule blijkt, geldt dit Verdrag alleen voor belastingen
naar het inkomen en niet – zoals bij het OESO-modelverdrag wel het geval is – voor
belastingen naar het vermogen.
Personen op wie het Verdrag van toepassing is (artikel 1 van het Verdrag)
Artikel 1 beschrijft de personele werkingssfeer van het Verdrag. Het Verdrag geldt
volgens het eerste lid van dit artikel ten aanzien van personen die inwoner zijn van
een verdragsluitende staat of van beide verdragsluitende staten. De begrippen «verdragsluitende
staat» en «persoon» worden omschreven in artikel 3, eerste lid, respectievelijk onderdelen
c en d, en het begrip «inwoner» in artikel 4 van het Verdrag.
Het tweede lid heeft betrekking op entiteiten die in de ene verdragsluitende staat
volgens nationaal recht worden aangemerkt als een fiscaal zelfstandig lichaam, maar
die volgens het nationale recht van de andere staat als fiscaal transparant worden
beschouwd. Men spreekt in dit verband wel van hybride entiteiten. De andere verdragsluitende
staat ziet dan geen zelfstandig belastingplichtig lichaam, maar kijkt voor de belastingheffing
naar de achterliggende personen die in de desbetreffende entiteit deelnemen. Dat betekent
dat die andere staat de inkomsten fiscaal niet toerekent aan de entiteit, maar aan
de daarin deelnemende, achterliggende personen. Een dergelijk verschil in kwalificatie
van entiteiten leidt tot vragen over de verdragsgerechtigdheid van de entiteit of
van de daarin deelnemende personen, en kan leiden tot dubbele vrijstelling of dubbele
belasting van inkomen.
Artikel 1, tweede lid, geeft hier uitsluitsel. Een hybride entiteit die in de staat
waarin deze is opgericht of georganiseerd als fiscaal transparant wordt behandeld,
is geen inwoner van die staat als bedoeld in artikel 4 van het Verdrag; daarvoor is
onderworpenheid aan belasting namelijk een voorwaarde. Op betalingen die een bestanddeel
van het inkomen van een dergelijke entiteit vormen, zouden daarom de verdragsvoordelen
niet van toepassing zijn. Dat resultaat is ongewenst wanneer de inkomsten in de woonstaat
wel degelijk in de heffing worden betrokken, zij het bij de deelnemers in de entiteit.
Even ongewenst is de situatie dat de verdragsvoordelen worden toegepast op betalingen
aan een inwoner van de andere staat, wanneer die andere staat een ander als de belastingplichtige
met betrekking tot dat inkomen beschouwt. Als die ander geen inwoner is van die andere
staat zou dat kunnen leiden tot een dubbele vrijstelling.
Om die reden is in artikel 1, tweede lid, neergelegd dat op een betaling aan, of via,
een hybride entiteit toch, respectievelijk uitsluitend, de verdragsvoordelen van toepassing
zijn wanneer dat inkomen als het inkomen van een (andere) inwoner van die andere staat
wordt behandeld.
Deze bepaling is in lijn met de in het kader van het BEPS-project ontwikkelde bepaling,
zoals deze inmiddels is opgenomen in artikel 3, eerste lid, van het op 24 november
2016 in Parijs tot stand gekomen Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen
gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving
(MLI) (Trb. 2017, 86 en 194) en in artikel 1, tweede lid, van het OESO-modelverdrag. Het bepaalde in artikel
1, tweede lid, heeft niet tot gevolg dat een verdragsluitende staat wordt beperkt
in het belasten van eigen inwoners. Dit ziet bijvoorbeeld op de situatie dat de hybride
entiteit als inwoner belastingplichtig is in de verdragsluitende staat waar het inkomen
van die entiteit opkomt. Vanuit deze staat bezien is dan sprake van een zuiver binnenlandse
situatie. In dat geval hoeft de verdragsluitende staat waar het inkomen opkomt het
Verdrag niet toe te passen. Op deze manier wordt voorkomen dat de heffingsrechten
van een verdragsluitende staat beperkt zouden worden voor inkomen van een eigen inwoner
(niet-transparante entiteit), omdat de andere verdragsluitende staat deze entiteit
als transparant aanmerkt en inkomen bij de in deze entiteit deelnemende, achterliggende
personen in aanmerking neemt.
In afwijking van het CFV 2023 is op verzoek van Cyprus geen bepaling opgenomen voor
een collectief beleggingsvehikel. Dit verzoek is gehonoreerd vanwege het feit dat
Curaçao en Cyprus geen bronheffing op dividenden en interest kennen.
Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is (artikel 2 van het Verdrag)
In artikel 2 is neergelegd op welke belastingen het Verdrag ziet, waarmee de materiële
werkingssfeer van het Verdrag is vastgesteld. Het eerste, tweede en vierde lid van
dit artikel stemmen, afgezien van het ontbreken van een verwijzing naar de vermogensbelasting,
overeen met artikel 2, eerste, tweede en vierde lid, van het OESO-modelverdrag.
Artikel 2, derde lid, bevat een opsomming van de ten tijde van de ondertekening van
het Verdrag van kracht zijnde Curaçaose belastingen en de belastingen van Cyprus waarop
de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn. Voor Curaçao zijn dat de relevante
directe belastingen die worden geheven van natuurlijke personen en lichamen. In tegenstelling
tot het OESO-modelverdrag en het CFV 2023 is hierbij geen belasting op het vermogen
opgenomen. Curaçao kent geen vermogensbelasting en aangezien het niet in de lijn der
verwachting is dat in de toekomst een vermogensbelasting wordt geïntroduceerd, is
ervoor gekozen om belastingen op het vermogen niet op te nemen. Curaçao kent geen
dividendbelasting.
Voor Cyprus is het Verdrag van toepassing op de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting,
de bijzondere bijdrage voor de verdediging van Cyprus en de vermogenswinstbelasting.
Cyprus kent evenmin een dividendbelasting.
Artikel 2, vierde lid, bepaalt dat het Verdrag ook van toepassing is op alle gelijke
of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag
naast of in de plaats van de in artikel 2, eerste, tweede en derde lid, opgesomde
belastingen worden geheven. Ten slotte bepaalt genoemd vierde lid tevens dat de bevoegde
autoriteiten van de verdragsluitende staten zijn gehouden om elkaar in kennis te stellen
van alle wezenlijke wijzigingen in hun nationale belastingwetgeving.
Algemene begripsbepalingen (artikel 3 van het Verdrag)
Artikel 3 bevat definities voor begrippen die in het Verdrag voorkomen.
In het eerste lid, onderdelen a en b, worden de begrippen «Curaçao» en «Cyprus» gedefinieerd.
In samenhang daarmee wordt in het eerste lid, onderdeel c, bepaald dat onder de begrippen
«een verdragsluitende staat» en «de andere verdragsluitende staat» afhankelijk van
de context, het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, of Cyprus wordt
verstaan.
Voor de algemene begrippen van het eerste lid, onderdelen d tot en met k, is aangesloten
bij de overeenkomstige definities van het OESO-modelverdrag. In afwijking van het OESO-modelverdrag 2017, maar in overeenstemming met
de keuzes die door het commentaar bij het OESO-modelverdrag 2017 worden geboden, is in onderdeel l. opgenomen dat onder pensioenfonds
eveneens wordt begrepen een beleggingsinstelling die geheel of nagenoeg geheel ten
dienste staat van pensioenfondsen van verdragsluitende landen dan wel van landen waarmee
het bronland een belastingverdrag heeft gesloten dat voordelen biedt aan pensioenfondsen
gelijk aan of beter dan het verdrag tussen Curaçao en het bronland.
Artikel 3, tweede lid, bevat een algemene regel voor de uitleg van begrippen die niet
in het Verdrag zijn omschreven. Aan die begrippen wordt, tenzij de context van het
Verdrag anders vereist, de betekenis toegekend die zij hebben volgens de wetgeving
van de verdragsluitende staat die het Verdrag toepast, waarbij de betekenis in de
belastingwetgeving voorgaat op de betekenis in eventuele andere wetgeving. Deze bepaling
stemt overeen met artikel 3, tweede lid, van het OESO-modelverdrag.
In afwijking van het CFV 2023 is in het Verdrag geen bepaling opgenomen voor zogenaamde
«Collective Investment Vehicles» (CIV), omdat zowel Curaçao als Cyprus geen dividendbelasting
heffen, waardoor het opnemen van deze bepaling zinledig is.
Inwoner (artikel 4 van het Verdrag)
Artikel 4 bevat bepalingen ter invulling van het begrip «inwoner». Hiervoor is in
de basis aangesloten bij artikel 4 van het OESO-modelverdrag zoals dat luidde vóór 2017. In het OESO-modelverdrag is sinds 2017 voor situaties
waarin ten aanzien van niet natuurlijke personen sprake is van een dubbele vestigingsplaats
een onderling overlegbepaling opgenomen. Conform het CFV 2023 heeft Curaçao zich op
het standpunt gesteld dat de regeling waarbij in alle gevallen van dubbele vestigingsplaats
overleg plaats moet vinden over de verdragsvestigingsplaats in de praktijk niet goed
werkbaar is. In de meeste gevallen is een dergelijk overleg niet noodzakelijk, omdat
de gebruikelijke regel die bepaalt dat de staat waar de feitelijke vestigingsplaats
zich bevindt kan worden toegepast zonder overleg. Op voorstel van Curaçao is daarom
gekozen voor de tiebreaker zoals die was opgenomen in het OESO-modelverdrag zoals
dat luidde tot 2017. Cyprus heeft dit voorstel geaccepteerd. Dat betekent dat de verdragswoonplaats
ingevolge de tiebreaker de plaats is waar zich de feitelijke leiding ofwel het bestuur
zich bevindt dat de bestuursbeslissingen neemt. Alleen indien die regel niet tot een
eenduidige oplossing leidt, vindt onderling overleg plaats tussen de verdragslanden
(procedure voor onderling overleg).
In artikel 4, eerste lid, is omschreven wie voor de toepassing van het Verdrag geacht
wordt inwoner te zijn van een verdragsluitende staat. Een persoon is inwoner van een
verdragsluitende staat indien hij aldaar is onderworpen aan belastingheffing op grond
van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid.
Teneinde te bewerkstelligen dat de staat en onderdelen daarvan aanspraak kunnen maken
op de voordelen van het Verdrag, ondanks dat zij in beginsel niet zijn onderworpen
aan de belastingheffing zijn zij uitdrukkelijk aangemerkt als inwoner voor de toepassing
van het Verdrag.
Artikel 4, tweede lid, bevat regels om de woonstaat van een natuurlijk persoon voor
de toepassing van het Verdrag vast te stellen in het geval dat deze persoon volgens
de nationale wetgevingen van beide verdragsluitende staten wordt aangemerkt als inwoner.
Aangesloten wordt achtereenvolgens bij de beschikbaarheid van een duurzaam tehuis,
het middelpunt van de levensbelangen, het gewoonlijke verblijf of de nationaliteit.
Indien op grond van deze factoren de woonplaats niet kan worden vastgesteld, zullen
de bevoegde autoriteiten in onderling overleg bepalen van welke verdragsluitende staat
een persoon uitsluitend inwoner is voor de toepassing van het Verdrag.
Artikel 4, derde lid, bevat de zogenoemde «corporate tiebreaker» voor situaties waarin
een lichaam op grond van de bepalingen van artikel 4, eerste lid, als inwoner van
beide verdragsluitende staten wordt beschouwd. In dat geval zal de plaats waar de
werkelijke leiding is gelegen doorslaggevend zijn. Met deze bepaling wordt beoogd
het risico op onbedoelde verdragstoepassing door een lichaam dat als inwoner van beide
verdragsluitende staten wordt beschouwd te verkleinen.
Vaste inrichting (artikel 5 van het Verdrag)
Artikel 5 definieert het begrip «vaste inrichting». Dit begrip is primair van belang
voor de verdeling van heffingsrechten over ondernemingswinsten volgens artikel 7 van
het Verdrag. In afwijking van het CFV 2023 is voor artikel 5 niet het OESO-modelverdrag
2017, maar het OESO-modelverdrag 2014 op uitdrukkelijk verzoek van Cyprus als uitgangspunt
genomen. Curaçao heeft hiermee ingestemd in het kader van een totaalcompromis. In
artikel 19 is bovendien een specifieke bepaling opgenomen voor de offshore activiteiten.
Volgens artikel 5, eerste lid, betekent de uitdrukking «vaste inrichting» voor de
toepassing van het Verdrag een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden
van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
Artikel 5, tweede lid, bepaalt vervolgens dat de uitdrukking «vaste inrichting» in
het bijzonder omvat een plaats waar leiding wordt gegeven, een filiaal, een kantoor,
een fabriek, een werkplaats, een mijn, een olie- of gasbron, een groeve of enige andere
plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.
Ingevolge artikel 5, derde lid, vormt een plaats van uitvoering van een bouwwerk of
van constructie of installatiewerkzaamheden alleen dan een vaste inrichting als deze
werkzaamheden langer duren dan twaalf maanden.
Artikel 5, vierde lid, omschrijft een aantal situaties waarin geen vaste inrichting
aanwezig wordt geacht. Het gemeenschappelijke kenmerk van deze situaties is dat het
gaat om het aanhouden of gebruiken van een vaste bedrijfsinrichting voor uitsluitend
activiteiten van voorbereidende aard of met een ondersteunend karakter. Het voorbereidende
en ondersteunende karakter voor al deze activiteiten is als expliciete eis vastgelegd.
Artikel 5, vijfde lid, gaat om situaties waarin een persoon – die geen onafhankelijke
vertegenwoordiger is als bedoeld in artikel 5, zesde lid, – uit de aard van zijn werkzaamheden
de onderneming (principaal) in een bepaalde mate betrekt bij economische activiteiten
in de betreffende verdragsluitende staat. Als een persoon namens een onderneming optreedt
en een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit
recht gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming geacht in die staat een vaste inrichting
te hebben.
Artikel 5, zesde lid, geeft aan wanneer een persoon die handelt voor een onderneming
niet als vaste inrichting moet worden aangemerkt. Daarbij wordt meer duiding gegeven
aan het onafhankelijke karakter van de vertegenwoordiger die voor de onderneming handelt
in de normale uitoefening van zijn bedrijf.
In artikel 5, zevende lid, is bepaald dat de enkele omstandigheid dat een lichaam
dat inwoner is van een verdragsluitende staat een lichaam beheerst dat in de andere
verdragsluitende staat is gevestigd dan wel in die andere staat door middel van een
vaste inrichting of anderszins zakendoet, niet meebrengt dat een van deze lichamen
een vaste inrichting vormt van het andere lichaam.
Inkomen uit onroerende zaken (artikel 6 van het Verdrag)
Artikel 6 ziet op inkomen uit onroerende zaken. Deze bepaling stemt overeen met artikel
6 van het OESO-modelverdrag.
In artikel 6, eerste lid, is bepaald dat inkomsten die een inwoner van een verdragsluitende
staat krijgt uit onroerende zaken (inkomsten uit landbouw- of bosbedrijven daaronder
begrepen) gelegen in de andere verdragsluitende staat, in die andere staat mogen worden
belast.
Volgens artikel 6, tweede lid, heeft het begrip «onroerende zaken» de betekenis welke
dat begrip heeft ingevolge het recht van de verdragsluitende staat waar de onroerende
zaken zijn gelegen. Het tweede lid bepaalt verder dat het begrip in elk geval omvat
zaken die bij de onroerende zaken behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven,
rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende zaken en rechten op variabele
of vaste vergoedingen ter zake van de (concessie tot) exploitatie of het recht tot
de exploitatie van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen. Schepen
en luchtvaartuigen worden daarentegen uitdrukkelijk niet beschouwd als onroerende
zaken.
Op grond van artikel 6, derde lid, zijn de bepalingen van artikel 6, eerste lid, van
toepassing op inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, het verhuren of
verpachten, of de exploitatie in elke andere vorm van onroerende zaken.
Ingevolge artikel 6, vierde lid, zijn de bepalingen van artikel 6, eerste en derde
lid, ook van toepassing op inkomen uit onroerende zaken van een onderneming.
Winst uit onderneming (artikel 7 van het Verdrag)
Artikel 7 van het Verdrag betreft de verdeling van heffingsrechten over ondernemingswinsten.
Deze bepaling stemt overeen met artikel 7 van het OESO-modelverdrag.
Volgens artikel 7, eerste lid, zijn winsten van een onderneming van een verdragsluitende
staat slechts in die staat belastbaar, maar mag de andere verdragsluitende staat de
winsten van die onderneming ook belasten voor zover de winsten zijn toe te rekenen
aan een vaste inrichting in die staat.
In artikel 7, tweede lid, is bepaald dat de winst die aan de vaste inrichting wordt
toegerekend de winst is die een zelfstandig lichaam geacht zou worden te maken als
het onder vergelijkbare omstandigheden vergelijkbare activiteiten zou ontwikkelen
(de zogenoemde «functionally separate entity approach»).
In artikel 7, derde lid, is vastgelegd dat ingeval een van de verdragsluitende staten
– in overeenstemming met artikel 7, tweede lid, – een winstcorrectie aanbrengt ter
zake van aan een vaste inrichting toe te rekenen winst, de andere verdragsluitende
staat, ter vermijding van dubbele belasting, een passende correctie aanbrengt.
In artikel 7, vierde lid, is bepaald dat als winsten van een vaste inrichting ook
onder een andere bepaling van het Verdrag vallen, die andere bepaling voorgaat. Te
denken valt aan de toepassing van artikel 10 (dividenden) ter zake van dividenden
die een onderneming van een verdragsluitende staat verkrijgt uit de andere verdragsluitende
staat.
Internationale scheep- en luchtvaart (artikel 8 van het Verdrag)
Artikel 8 bevat bepalingen voor de verdeling van heffingsrechten over winsten uit
internationale lucht- en scheepvaartactiviteiten.
Artikel 8, eerste lid, bepaalt dat de winst behaald met de exploitatie van schepen
en luchtvaartuigen in internationaal verkeer ter belastingheffing is toegewezen aan
de verdragsluitende staat die de winst behaalt uit exploitatie van schepen of luchtvaartuigen.
Dit onderdeel sluit aan bij het OESO-modelverdrag 2017 waarin is bepaald dat het heffingsrecht
over winsten uit internationale scheep- en luchtvaartactiviteiten wordt toegekend
aan het land waarvan de onderneming die deze activiteiten ontplooit inwoner is.
Artikel 8, tweede lid, bepaalt dat de winst verkregen uit de exploitatie van schepen
en luchtvaartuigen in internationaal verkeer mede wordt begrepen winst verkregen uit
de verhuur van schepen en luchtvaartuigen met bemanning (tijd of reis) of zonder bemanning.
Artikel 8, derde lid, bepaalt dat winst verkregen uit het gebruik, het onderhoud of
de verhuur van containers (daaronder begrepen opleggers of aanhangwagens, schuiten
en daarmee verband houdende uitrusting voor het vervoer van containers) voor het vervoer
van goederen of handelswaar uitsluitend in die staat belastbaar is, behalve wanneer
deze containers uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van goederen of handelswaar
tussen plaatsen in die andere verdragsluitende staat.
In artikel 8, vierde lid, wordt in afwijking van het CFV 2023 en op uitdrukkelijk
verzoek van Cyprus interest («on funds») die rechtstreeks verband houdt met exploitatie
van schepen of luchtvaartuigen op grond van het OESO-modelverdrag 2014 tevens onder
toepassing van dit artikel gebracht.
Ingevolge artikel 8, vijfde lid, geldt het bepaalde in artikel 8, eerste lid, tevens
voor winst verkregen uit de exploitatie van schepen en luchtvaartuigen in internationaal
verkeer door middel van participatie in een poolovereenkomst en deelname in een gemeenschappelijk
bedrijf of internationaal opererend agentschap.
Gelieerde ondernemingen (artikel 9 van het Verdrag)
Artikel 9 bevat het zogenoemde «arm’s-length-beginsel» voor grensoverschrijdende transacties tussen gelieerde ondernemingen en
stemt overeen met artikel 9 van het OESO-modelverdrag. Het «arm’s-length-beginsel» houdt in dat transacties tussen gelieerde ondernemingen dienen te geschieden
tegen dezelfde voorwaarden als transacties die onder dezelfde omstandigheden zouden
zijn aangegaan tussen niet-gelieerde ondernemingen. Als de overeengekomen voorwaarden
van transacties daarvan afwijken, kan een correctie plaatsvinden. Bij de vaststelling
of sprake is van zakelijk correcte voorwaarden die ook zouden gelden tussen niet-gelieerde
partijen, gelden als leidraad de door de OESO opgestelde «Transfer pricing guidelines for multinational enterprises and tax administrations», alsmede de administratieve praktijken van de verdragsluitende staten.
Artikel 9, eerste lid, bevat de hoofdregel dat als tussen gelieerde ondernemingen
in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen
die afwijken van die welke tussen niet-gelieerde ondernemingen zouden worden overeengekomen
de winst die één van de gelieerde ondernemingen als gevolg van die afwijkende voorwaarden
niet heeft behaald, in de winst van die onderneming mag worden begrepen en dienovereenkomstig
mag worden belast.
Artikel 9, tweede lid, bepaalt dat indien een transactie tussen verbonden ondernemingen
in een verdragsluitende staat leidt tot een winstcorrectie en aanvullende belastingheffing,
de andere verdragsluitende staat op passende wijze de belastingheffing dient te herzien.
Wanneer nodig plegen de verdragsluitende staten met elkaar overleg om de hoogte van
de winstcorrectie vast te stellen.
Dividenden (artikel 10 van het Verdrag)
Artikel 10 betreft de verdeling van heffingsrechten over dividenden en is gebaseerd
op artikel 10 van het OESO-modelverdrag. Op een aantal onderdelen wijkt de onderhavige
bepaling daarvan af. Dit betreft in het bijzonder het eerste lid, dat ziet op een
uitsluitende woonstaatheffing. Dit is op verzoek van Cyprus overeengekomen en sluit
aan bij het CFV 2023 waarin Curaçao steeds een volledige woonstaatheffing wenselijk
acht. Zowel Cyprus als Curaçao kennen geen bronbelasting op dividenden.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, zijn dividenden die worden betaald door een lichaam
dat inwoner is van één van beide verdragsluitende staten aan een inwoner van de andere
staat, slechts in die andere staat belast (de «woonstaat»).
De in artikel 10, tweede lid, opgenomen definitie van de term «dividenden» komt overeen
met de definitie in het OESO-modelverdrag.
Op grond van artikel 10, derde lid, is artikel 10, eerste lid, niet van toepassing
op dividenden betaald op rechten die behoren tot het vermogen van een vaste inrichting
van de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, wanneer die vaste inrichting is
gelegen in de verdragsluitende staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt
inwoner is. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.
Artikel 10, vierde lid, bevat het zogenoemde verbod op extraterritoriale belastingheffing.
Dit verbod houdt in dat een verdragsluitende staat geen belasting mag heffen over
winsten uitgekeerd door een lichaam dat inwoner is van de andere verdragsluitende
staat, ook al bestaan deze winsten uit voordelen of inkomsten die uit de eerstbedoelde
staat afkomstig zijn, behoudens wanneer die dividenden zijn toe te rekenen aan een
vaste inrichting in die staat of worden ontvangen door inwoners van die staat.
In afwijking van het CFV 2023 is, op verzoek van Cyprus, geen opname van een aanmerkelijk
belang voorbehoud opgenomen. Een bepaling waarin is vastgelegd dat inkomsten genoten
bij de inkoop van aandelen of bij liquidatie worden beheerst door het dividendartikel
is op verzoek van Cyprus evenmin opgenomen.
Interest (artikel 11 van het Verdrag)
Artikel 11 betreft de verdeling van heffingsrechten over interest. Het artikel sluit
tekstueel aan bij artikel 11 van het OESO-modelverdrag, maar kent inhoudelijk een
verschil, omdat de verdragsluitende staten uitsluitende woonstaatheffing zijn overeengekomen.
Zowel Curaçao als Cyprus heffen geen bronbelasting over interest en streven in de
hoofdregel naar uitsluitende woonstaatheffing voor interest.
Uit artikel 11, eerste lid, volgt de uitsluitende woonstaatheffing.
Artikel 11, tweede lid, bevat de definitie van de uitdrukking «interest». Deze definitie
komt overeen met de definitie in het OESO-modelverdrag.
In artikel 11, derde lid, is bepaald dat niet de bepalingen van het artikel 11, eerste
lid, maar de bepalingen van artikel 7 van toepassing zijn met betrekking tot interest
die wordt betaald op schuldvorderingen die zijn toe te rekenen aan een vaste inrichting
waarover de uiteindelijke gerechtigde tot die interest beschikt in de verdragsluitende
staat van waaruit de interest afkomstig is.
Ten slotte bepaalt artikel 11, vierde lid, dat de bepalingen van artikel 11 slechts
van toepassing zijn voor zover de op een schuldvordering betaalde interest overeenkomt
met de interest die tussen onafhankelijke partijen overeengekomen zou zijn. Het eventueel
bovenmatige gedeelte van die interest is belastbaar overeenkomstig de nationale wetgeving
van elk van de verdragsluitende staten, zorgvuldig rekening houdend met de overige
bepalingen van het Verdrag.
Royalty’s (artikel 12 van het Verdrag)
Artikel 12 ziet op de verdeling van heffingsrechten over royalty’s. Het artikel stemt
overeen met artikel 12 van het OESO-modelverdrag. Curaçao heft geen bronbelasting
over royalty’s en streeft in de hoofdregel naar uitsluitende woonstaatheffing voor
royalty’s.
Uit artikel 12, eerste lid, volgt de uitsluitende woonstaatheffing.
Artikel 12, tweede lid, bevat een definitie van het begrip «royalty’s». Deze definitie
komt overeen met de definitie van het begrip «royalty’s» in het OESO-modelverdrag.
Ingevolge artikel 12, derde lid, zijn niet de bepalingen van artikel 12, eerste en
tweede lid, maar de bepalingen van artikel 7 van toepassing op royalty’s die worden
betaald voor rechten of zaken die behoren tot het vermogen van een vaste inrichting
van de uiteindelijke gerechtigde gelegen in de verdragsluitende staat waaruit de royalty’s
afkomstig zijn.
Ten slotte bepaalt artikel 12, vierde lid, dat is ontleend aan het OESO-modelverdrag,
dat de bepalingen van artikel 12 slechts van toepassing zijn voor zover de betaalde
royalty’s overeenkomen met de royalty’s die tussen onafhankelijke partijen overeengekomen
zouden zijn. Het eventueel bovenmatige gedeelte van de royalty’s is belastbaar overeenkomstig
de nationale wetgeving van elk van de verdragsluitende staten, zorgvuldig rekening
houdend met de overige bepalingen van het Verdrag.
Vermogenswinsten (artikel 13 van het Verdrag)
Artikel 13 heeft betrekking op de verdeling van heffingsrechten over vermogenswinsten.
Artikel 13, eerste lid, wijst het heffingsrecht over de voordelen die een inwoner
van een verdragsluitende staat behaalt met de vervreemding van een onroerende zaak
die is gelegen in de andere verdragsluitende staat, toe aan die andere staat. Voor
het begrip «onroerende zaak» is aangesloten bij de omschrijving daarvan in artikel
6.
In artikel 13, tweede lid, is, in aansluiting bij artikel 7, bepaald dat voordelen
die worden verkregen door een onderneming van een verdragsluitende staat uit de vervreemding
van bezittingen die behoren tot het vermogen van een vaste inrichting van die onderneming
in de andere verdragsluitende staat, mogen worden belast in de staat waarin de vaste
inrichting is gelegen.
Ingevolge artikel 13, derde lid, zijn, in lijn met artikel 8 (Internationale scheep-
en luchtvaart), de voordelen uit de vervreemding van luchtvaartuigen en schepen die
in het internationale verkeer worden gebruikt, en andere bezittingen die daarbij worden
gebruikt, slechts belastbaar in de verdragsluitende staat van de desbetreffende lucht-
of scheepvaartonderneming.
Artikel 13, vierde lid, bevat, op verzoek van Cyprus en in aansluiting op artikel
13, vierde lid, van het OESO-modelverdrag, een bronstaatheffing over vermogenswinsten
behaald met de vervreemding van aandelen of daarmee vergelijkbare belangen in zogenoemde
onroerendezaaklichamen (die beschikken over in een verdragsluitende staat gelegen
onroerende zaken – de «situsstaat»). In 2003 werd het huidige artikel 13, vierde lid,
van het OESO-modelverdrag opgenomen om te voorkomen dat de toewijzing van de heffingsrechten
over vermogenswinsten behaald met de vervreemding van een onroerende zaak aan de situsstaat
(het eerste lid) kon worden ontweken door onroerende zaken in te brengen in een lichaam
en in plaats van een onroerende zaak de aandelen in het lichaam te vervreemden. In
dat geval zou, conform artikel 13, vijfde lid, van het OESO-modelverdrag, de belastingheffing
toekomen aan de woonstaat van de vervreemder van de aandelen. Vermogenswinsten behaald
met vervreemding van aandelen in onroerendezaaklichamen zijn op grond van artikel
13, vierde lid, ter heffing toegewezen aan de situsstaat indien meer dan 50% van de
waarde van de aandelen in het lichaam, direct of indirect, is ontleend aan in de situsstaat
gelegen onroerende zaken. Daarbij zijn de vermogenswinsten echter uitsluitend belastbaar
in de woonstaat van de vervreemder indien de aandelen genoteerd zijn aan een erkende
effectenbeurs.
Op basis van artikel 13, vijfde lid, zijn alle overige vermogenswinsten ter heffing
toegewezen aan de verdragsluitende staat waarvan de vervreemder inwoner is.
In afwijking van het CFV 2023 is, op verzoek van Cyprus, geen opname van een aanmerkelijk
belang voorbehoud opgenomen.
Inkomen uit dienstbetrekking (artikel 14 van het Verdrag)
De verdeling van heffingsbevoegdheden met betrekking tot inkomen uit dienstbetrekking
(niet-zelfstandige arbeid) is in artikel 14 van het Verdrag geregeld overeenkomstig
de internationaal – en ook in het CFV 2023 gehanteerde – gebruikelijke uitgangspunten.
Deze bepaling komt overeen met artikel 15 van het OESO-modelverdrag.
Artikel 14, eerste lid, voorziet in een heffingsrecht over deze inkomsten voor de
verdragsluitende staat waar de niet-zelfstandige werkzaamheden worden verricht.
Artikel 14, tweede lid, voorziet daarentegen in een exclusief heffingsrecht voor de
woonstaat van de werknemer als wordt voldaan aan drie (cumulatieve) voorwaarden:
a) het verblijf van de werknemer in de werkstaat is in totaal niet langer dan 183 dagen
in een twaalfmaandsperiode die begint of eindigt in het betrokken belastingjaar;
b) de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner is van de
werkstaat; en
c) de beloning komt niet ten laste van een vaste inrichting van de werkgever in de werkstaat.
Als aan één of meer van deze drie voorwaarden niet wordt voldaan, mag de werkstaat
volgens de regels van artikel 14, eerste lid, belasting heffen over het daar verdiende
inkomen van de werknemer. Het doel van deze bepaling is om enerzijds de fiscale positie
van werknemers die voor een beperkte periode werkzaam zijn in een ander land dan het
woonland niet te veranderen en de werknemer en werkgever extra administratieve lasten
te besparen die zouden voortvloeien uit een belastingplicht in de werkstaat en anderzijds
een evenwicht te behouden tussen het belasten van het loon bij de werknemer en de
aftrekbaarheid van het loon op de winst van de werkgever.
Op grond van artikel 14, derde lid, is de beloning van werknemers die hun dienstbetrekking,
als lid van de reguliere bemanning van een schip of luchtvaartuig, uitoefenen aan
boord van een schip of een luchtvaartuig ingezet in het internationale verkeer uitsluitend
belastbaar in de verdragssluitende staat van de onderneming.
Bestuurdersbeloningen (artikel 15 van het Verdrag)
Artikel 15 inzake bestuurdersbeloningen komt overeen met artikel 16 van het OESO-modelverdrag.
Volgens de overeengekomen bepaling mogen de beloningen ontvangen door personen in
hun hoedanigheid van bestuurder van een lichaam worden belast in het land waarvan
het lichaam inwoner is.
Volgens artikel 15, tweede lid, dat op verzoek van Curaçao is opgenomen en dat afwijkt
van het OESO-modelverdrag, vallen onder de uitdrukking «lid van de raad van beheer»
personen die belast zijn met het dagelijkse bestuur van de onderneming en personen
die belast zijn met het toezicht daarop (zoals de leden van de raad van commissarissen).
Pensioenen (artikel 16 van het Verdrag)
Artikel 16 bepaalt dat pensioenen en andere soortgelijke beloningen, anders dan overheidspensioenen
zoals bepaald in artikel 17, ter heffing zijn toegewezen aan de woonstaat van de genieter
van dergelijk inkomen. Dit is in overeenstemming met het OESO-modelverdrag en het
CFV 2023.
Overheidsfuncties (artikel 17 van het Verdrag)
Artikel 17 regelt de toewijzing van heffingsrechten over beloningen die worden ontvangen
door een natuurlijk persoon vanwege werkzaamheden die voor de verdragsluitende staat,
of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan,
zijn verricht. Het artikel stemt overeen met artikel 19 van het OESO-modelverdrag.
Op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel a, mogen salarissen, lonen en andere
soortgelijke beloningen betaald door een verdragsluitende staat aan een natuurlijk
persoon voor diensten verleend aan die staat slechts in die staat worden belast.
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, maakt daarop een uitzondering. De staat waarin
de werkzaamheden worden verricht, heeft het uitsluitende heffingsrecht als de werknemer
inwoner is van de werkstaat en tevens de nationaliteit heeft van die staat, of niet
inwoner van die staat is geworden enkel om daar werk te verrichten voor de overheid
van de andere staat. Deze uitzondering strekt ertoe lokaal aangeworven medewerkers
van bijvoorbeeld een ambassade in hun woonland belastingplichtig te laten zijn in
plaats van in de staat bij wiens ambassade zij werkzaam zijn.
Ingevolge artikel 17, tweede lid, onderdeel a, mogen overheidspensioenen en andere
soortgelijke beloningen worden belast in de staat die het pensioen betaalt of het
fonds, waaruit het pensioen wordt betaald, in leven heeft geroepen. Volgens het tweede
lid, onderdeel b, komt het heffingsrecht over deze overheidspensioenen en andere soortgelijke
beloningen, echter uitsluitend toe aan de woonstaat van de pensioengenieter als hij
tevens de nationaliteit heeft van de woonstaat.
Volgens artikel 17, derde lid, geldt de in artikel 17, eerste en tweede lid, opgenomen
verdeling van heffingsrechten niet voor salaris, lonen en andere soortgelijke beloningen
– waaronder pensioenen – die worden ontvangen ter zake van werkzaamheden die zijn
of worden verricht voor een door de overheid gedreven onderneming. De artikelen 14,
15 en 16 zijn dan van toepassing.
Studenten (artikel 18 van het Verdrag)
Artikel 18 stemt overeen met artikel 20 van het OESO-modelverdrag. Artikel 18 ziet
op vergoedingen aan studenten en stagiairs (hierna: studenten) voor hun onderhoud,
studie of opleiding. Indien een student een opleiding volgt in de ene verdragsluitende
staat en inwoner is (of direct voor zijn vertrek naar de eerstgenoemde staat inwoner
was) van de andere verdragsluitende staat, dan mag de eerstgenoemde staat de vergoedingen
die de student ontvangt voor zijn onderhoud en studie of opleiding niet belasten als
deze vergoedingen afkomstig zijn uit bronnen buiten de staat.
Activiteiten voor de kust (artikel 19 van het Verdrag)
Artikel 19 bevat specifieke bepalingen, die op verzoek van Cyprus zijn opgenomen en
die betrekking hebben op werkzaamheden die verband houden met de opsporing en winning
van natuurlijke rijkdommen binnen de territoriale wateren en de exclusieve economische
zone (werkzaamheden buitengaats). Artikel 19 heeft betrekking op de ondernemingsactiviteiten,
werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en voordelen verkregen uit de vervreemding
van activa die verband houden met de exploratie en exploitatie van het continentale
plat van en de natuurlijke rijkdommen gelegen in die verdragsluitende staat, inclusief
werkzaamheden die verband houden met energiewinning uit water, getijdestromen, zon
en wind.
In artikel 19, eerste lid, is neergelegd dat de bepalingen van artikel 19 toepassing
vinden niettegenstaande enigerlei andere bepaling van het Verdrag. Wanneer sprake
is van werkzaamheden buitengaats, is dit artikel van toepassing ongeacht de overige
bepalingen van dit Verdrag.
In artikel 19, tweede lid, is bepaald dat de werkzaamheden buitengaats die een onderneming
van een verdragsluitende staat op het continentale plat van de andere verdragsluitende
staat verricht, geacht worden te geschieden met behulp van een in die andere staat
gelegen vaste inrichting, zodat de daarmee behaalde winst volgens de bepalingen van
artikel 7 aldaar mag worden belast.
Artikel 19, derde lid, bevat de definitie van de uitdrukking «werkzaamheden buitengaats».
Daaronder worden verstaan alle werkzaamheden die buitengaats worden verricht in verband
met de exploratie en exploitatie van het continentale plat waarover Cyprus, respectievelijk
Curaçao, jurisdictie heeft alsmede van hun natuurlijke rijkdommen.
In artikel 19, vierde lid, wordt op praktische gronden geen vaste inrichting aanwezig
geacht indien die werkzaamheden in een tijdvak van twaalf maanden al dan niet aansluitend
niet meer dan 30 dagen duren.
In artikel 19, vierde lid, onderdeel a, is opgenomen dat voor de vaststelling of is
voldaan aan de termijn voor het constateren van een vaste inrichting ingevolge artikel
19, tweede lid, de samenhangende activiteiten van verbonden ondernemingen bij elkaar
worden geteld. Met deze bepaling wordt beoogd te voorkomen dat de aanwezigheid van
een vaste inrichting kan worden ontgaan door activiteiten te verdelen over verschillende
verbonden ondernemingen. In paragraaf 52 van het commentaar op artikel 5 van het OESO-modelverdrag
is een dergelijke bepaling opgenomen voor de vaststelling van de aanwezigheid van
een vaste inrichting bij bouwwerk- of constructiewerkzaamheden in de zin van artikel
5, derde lid.
In artikel 19, vierde lid, onderdeel b, is voor de toepassing van het vierde lid op
verzoek van Cyprus een afzonderlijke definitie van verbonden ondernemingen opgenomen.
Van verbonden ondernemingen in de zin van artikel 19, vierde lid, onderdeel b, is
sprake indien: een onderneming direct of indirect deelneemt aan de leiding van of
het toezicht op, dan wel voor ten minste 25% in het kapitaal van de andere onderneming,
of eenzelfde persoon direct of indirect deelneemt aan de leiding van of het toezicht
op, dan wel voor ten minste 25% in het kapitaal van de andere onderneming.
Ingevolge artikel 19, vijfde lid, is artikel 19, tweede lid, niet van toepassing voor
het vervoer van voorraden en personeel door schepen of luchtvaartuigen in internationaal
verkeer.
Artikel 19, zesde lid, ziet op inkomsten uit dienstbetrekking in verband met werkzaamheden
buitengaats. Deze bepaling komt overeen met de voor inkomsten uit dienstbetrekking
geldende hoofdregel, zoals neergelegd in artikel 14, eerste lid, van het Verdrag.
De door een inwoner van de ene verdragsluitende staat verkregen inkomsten uit dienstbetrekking
uitgeoefend op het continentale plat van de andere verdragsluitende staat mogen, ingevolge
artikel 19, zesde lid, onderdeel a, in de laatstgenoemde verdragsluitende staat (de
werkstaat) worden belast. Artikel 19, zesde lid, onderdeel b, komt overeen met de
in artikel 14, tweede lid, van het Verdrag neergelegde uitzonderingsbepaling en voorziet
in een exclusief heffingsrecht voor de woonstaat van de werknemer als cumulatief wordt
voldaan aan de gestelde voorwaarden, met dien verstande dat in subonderdeel (i) van
genoemd onderdeel b, kort gezegd, wordt uitgegaan van 30 dagen in plaats van 183 dagen.
Inkomsten uit dienstbetrekking, uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig
dat wordt geëxploiteerd door een onderneming die inwoner is van een verdragsluitende
staat en waarvan de activiteiten bestaan uit het internationale vervoer van goederen
of personeel naar een plaats waar werkzaamheden buitengaats worden verricht of exploitatie
van sleepboten en bepaalde andere specifieke schepen die verband houden met zulke
activiteiten zijn ingevolge artikel 19, zesde lid, onderdeel c, uitsluitend belastbaar
in de verdragsluitende staat waarin de feitelijke leiding van de onderneming is gelegen.
Dit komt overeen met de hoofdregel die in het Verdrag ter zake van een aan boord van
een schip of luchtvaartuig uitgeoefende dienstbetrekking is neergelegd (artikel 14,
derde lid, van het Verdrag).
Op grond van artikel 19, zevende lid, mogen voordelen verkregen door een inwoner van
een van de verdragsluitende staten behaald met de vervreemding van: (a) rechten die
verband houden met de exploratie of exploitatie van de onder de jurisdictie van de
andere verdragsluitende staat vallende zeebodem, de ondergrond daarvan en hun natuurlijke
rijkdommen; of (b) roerende zaken die zich bevinden in die andere staat en die direct
worden gebruikt bij de werkzaamheden buitengaats, bedoeld in artikel 19, derde lid,;
of (c) aandelen die hun waarde direct of indirect ontlenen aan dergelijke rechten
of goederen of met dergelijke rechten en goederen gezamenlijk; in die andere staat
(situsstaat) worden belast.
Overig inkomen (artikel 20 van het Verdrag)
Artikel 20 verdeelt het heffingsrecht over inkomsten ter zake waarvan het heffingsrecht
niet in de voorgaande artikelen van het Verdrag is behandeld («overige inkomsten»).
In lijn met het OESO-modelverdrag bepaalt artikel 20, eerste lid, dat het heffingsrecht
over dit inkomen, ongeacht de herkomst ervan, exclusief toekomt aan de verdragsluitende
staat waar de ontvanger van die inkomsten woont.
Ingevolge artikel 20, tweede lid, is artikel 20, eerste lid, niet van toepassing op
inkomsten die toerekenbaar zijn aan een vaste inrichting gelegen in een verdragsluitende
staat. De verdeling van het heffingsrecht over die inkomsten volgt uit artikel 7 van
het Verdrag (Winst uit onderneming), tenzij het inkomsten betreft uit onroerende zaken
in de zin van artikel 6 (Inkomsten uit onroerende zaken). In dat geval is artikel
6 van toepassing.
Methoden voor het vermijden van dubbele belasting (artikel 21 van het Verdrag)
In artikel 21 is neergelegd op welke wijze de verdragsluitende staten dubbele belasting
vermijden.
Uit artikel 21, eerste lid, volgt dat als een inwoner van Cyprus inkomsten ontvangt
die volgens dit Verdrag (ook) mogen worden belast in Curaçao, Cyprus een vermindering
ter vermijding van dubbele belasting verleent volgens de verrekeningsmethode. Daarbij
staat Cyprus een aftrek toe van de in Curaçao betaalde belasting, maar tot ten hoogste
het bedrag van de Cypriotische belasting die toerekenbaar is aan het inkomen dat belast
mag worden door Curaçao.
Artikel 21, tweede lid, onderdeel a, bepaalt dat Curaçao het inkomen dat (ook) in
Cyprus mag worden belast of slechts in Cyprus belastbaar is in de grondslag mag betrekken
waarnaar de Curaçaose belasting wordt geheven. Daarmee wordt bevestigd dat Curaçao
de tariefprogressie die met name in de inkomstenbelasting gestalte krijgt ook met
betrekking tot inkomen uit Cyprus kan effectueren. Verder verduidelijkt het tweede
deel van artikel 21, tweede lid, onderdeel a, tweede zin, dat Curaçao niet gehouden
is om bij eigen inwoners een vermindering ter vermijding van dubbele belasting te
verlenen als sprake is van inkomen dat in Cyprus mag worden belast, enkel omdat dit
inkomen ook inkomen is dat is verkregen door een inwoner van Cyprus.
Artikel 21, tweede lid, onderdeel b, bepaalt vervolgens dat voor het daar genoemde
inkomen belastingvrijstelling wordt verleend door een vermindering toe te staan volgens
de evenredigheidsmethode ofwel met de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud;
dit stemt overeen met de in het OESO-modelverdrag opgenomen voorkomingsmethode. Het
gaat met name om inkomen uit de vervreemding van onroerende zaken, winst toerekenbaar
aan een vaste inrichting, winst uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen
in internationaal verkeer, inkomen uit dienstbetrekking, pensioenen, lijfrenten en
socialezekerheidsuitkeringen en inkomen uit overheidsdienst voor de andere verdragsluitende
staat.
Artikel 21, tweede lid, onderdeel c, bevat de mogelijkheid om de vrijstellingsmethode
zoals is bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, niet toe te passen indien
de andere staat – de bronstaat – over dergelijke inkomsten niet of beperkt heft.
In artikel 21, tweede lid, onderdeel d, wordt voor inkomsten ten aanzien waarvan de
andere staat – de bronstaat – volledig of beperkt heffingsbevoegd is door Curaҫao
de verrekeningsmethode toegepast ofwel de ordinary creditmethode. Deze methode is
overigens niet in het Verdrag uitgewerkt, maar is geregeld in de nationale regelgeving
van Curaçao en wel in het Landsbesluit voorkoming dubbele belasting.
Non-discriminatie (artikel 22 van het Verdrag)
Artikel 22 van het Verdrag is stemt overeen met de in artikel 24 van het OESO-modelverdrag
opgenomen non-discriminatiebepaling.
Artikel 22, eerste lid, bevat het verbod op fiscale discriminatie naar nationaliteit.
In artikel 22, tweede lid, is een bepaling opgenomen voor zogenoemde staatloze personen.
Uit artikel 22, derde lid, volgt dat een verdragsluitende staat een vaste inrichting
van een door een inwoner van de andere verdragsluitende staat gedreven onderneming
niet ongunstiger mag behandelen dan de ondernemingen van de «eigen» inwoners. Deze
staat is evenwel niet verplicht persoonlijke aftrekken en dergelijke te verlenen.
Het uitgangspunt is immers dat met name de woonstaat van een belastingplichtige rekening
moet houden met de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige.
In artikel 22, vierde lid, is vastgelegd dat voor de fiscale aftrekbaarheid van de
daarin bedoelde vergoedingen geen onderscheid gemaakt mag worden naar de woonplaats
van de crediteur.
Artikel 22, vijfde lid, verbiedt dat ondernemingen van een verdragsluitende staat,
waarvan het kapitaal geheel of ten dele onmiddellijk of middellijk in bezit is van
of wordt beheerst door één of meer inwoners van de andere verdragsluitende staat,
in de eerstbedoelde staat aan een andere of zwaardere belastingheffing of daarmee
verband houdende verplichting worden onderworpen dan waaraan andere soortgelijke ondernemingen
van de eerstbedoelde staat zijn of kunnen worden onderworpen.
Volgens artikel 22, zesde lid, is de toepassing van artikel 22 niet beperkt tot de
belastingen waar het Verdrag ingevolge artikel 2 op van toepassing is.
Procedure voor onderling overleg (artikel 23 van het Verdrag)
Artikel 23 bevat een procedure voor onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten
van de verdragsluitende staten (onderlinge overlegprocedure) en stemt overeen met
artikel 25 van het OESO-modelverdrag.
Artikel 23, eerste lid, bepaalt dat een belastingplichtige een verzoek kan indienen
voor onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten
indien volgens de belastingplichtige sprake is van een belastingheffing in strijd
met het Verdrag. De belastingplichtige kan dit verzoek indienen in beide verdragsluitende
staten. De ratio hierachter is dat de procedure voor onderling overleg zo goed mogelijk
toegankelijk moet zijn voor belastingplichtigen en dat de vraag of een procedure voor
onderling overleg moet worden opgestart door beide bevoegde autoriteiten moet kunnen
worden beoordeeld. Op grond van artikel 23, eerste lid, tweede zin, moet het verzoek
worden ingediend binnen drie jaar na de eerste kennisgeving aan de belastingplichtige
van de maatregel die mogelijk belastingheffing die niet in overeenstemming is met
het Verdrag tot gevolg heeft.
Artikel 23, tweede lid, bevat een inspanningsverplichting voor de bevoegde autoriteiten
om – indien een verzoek hen gegrond voorkomt – in onderling overleg eventuele belastingheffing
die niet in overeenstemming is met het Verdrag weg te nemen (zie de eerste zin). In
de tweede zin is de verplichting opgenomen voor de verdragsluitende staten om niettegenstaande
de termijnen in hun nationale wetgeving de uitkomst van een procedure voor onderling
overleg te implementeren.
Op grond van artikel 23, derde lid, trachten bevoegde autoriteiten in onderling overleg
moeilijkheden en twijfelpunten die ontstaan bij de interpretatie of toepassing van
het Verdrag weg te nemen. Uit de tweede zin volgt dat bevoegde autoriteiten ook in
overleg kunnen treden bij situaties van dubbele belastingheffing die niet in het Verdrag
zijn geregeld. Dit kan ook zonder dat daaraan een verzoek ten grondslag ligt.
Artikel 23, vierde lid, bepaalt dat de bevoegde autoriteiten direct met elkaar kunnen
communiceren om de in de voorgaande leden bedoelde overeenstemming te bereiken. De
bevoegde autoriteiten kunnen ook via een gezamenlijk comité met elkaar overleggen.
Uitwisseling van informatie (artikel 24 van het Verdrag en het Protocol)
Artikel 24 van het Verdrag legt de basis voor verdragsluitende staten om op verzoek,
automatisch of spontaan, informatie uit te wisselen. Het artikel komt overeen met
artikel 26 van het OESO-modelverdrag en is in lijn met de internationale standaard
zoals wordt gestimuleerd en gewaarborgd in het kader van het «Global Forum for Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes»2
.
Artikel 24, eerste lid, bepaalt welke informatie de verdragsluitende staten dienen
uit te wisselen. Met de verwijzing naar informatie die «voorzienbaar relevant» is voor de toepassing van de bepalingen uit het Verdrag of de administratie
of de handhaving van nationale wetgeving op het gebied van belasting van elke soort
of omschrijving, is beoogd de uitwisseling van informatie een zo ruim mogelijk bereik
te geven. Dit is ook zo verwoord in paragraaf 5 van het OESO-commentaar op artikel
26 van het OESO-modelverdrag. Voorts is in lijn met artikel 26 van het OESO-modelverdrag
de uitwisseling van informatie niet beperkt tot informatie ten aanzien van inwoners
van de verdragsluitende staten of tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing
is. In artikel 1.1 van het Protocol is bepaald welke informatie dient te worden verstrekt
bij een verzoek om informatie uit hoofde van artikel 24.
Artikel 24, tweede lid, regelt hoe de verdragsluitende staat dient om te gaan met
de informatie die hij ontvangt van de andere verdragsluitende staat. Deze bepaling
is in de eerste plaats bedoeld om waarborgen te bieden voor de vertrouwelijkheid van
de uitgewisselde informatie. Voor de ontvangen informatie geldt dezelfde geheimhoudingsplicht
als voor informatie die onder de nationale wetgeving van die ontvangende staat wordt
verkregen. Ook is bepaald dat de informatie alleen mag worden vrijgegeven aan bepaalde
personen of autoriteiten, belast met specifieke taken. Het tweede lid bepaalt verder
dat de informatie ook voor andere (niet fiscale) doeleinden mag worden gebruikt, mits
dat wettelijk is toegestaan in beide verdragsluitende staten en de bevoegde autoriteiten
van de verstrekkende staat dit toestaan.
Artikel 24, derde lid, geeft aan onder welke omstandigheden een verdragsluitende staat
geen informatie hoeft te verstrekken aan de andere verdragsluitende staat.
Artikel 24, vierde lid, brengt expliciet tot uitdrukking dat de aangezochte staat
de gevraagde informatie niet kan weigeren op grond van het feit dat die staat deze
informatie niet nodig heeft voor de eigen belastingheffing.
Tot slot bepaalt artikel 24, vijfde lid, dat het enkele feit dat informatie in het
bezit is van bijvoorbeeld een bank, een andere financiële instelling of een zaakwaarnemer,
of dat de informatie betrekking heeft op eigendomsverhoudingen, geen reden is voor
de aangezochte staat om de gevraagde informatie niet te verstrekken aan de verzoekende
staat.
Leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire (artikel 25 van het Verdrag)
Artikel 25 ziet op de toepassing van het Verdrag in relatie tot leden van een diplomatieke
of consulaire vertegenwoordiging. Het artikel bepaalt, conform artikel 28 van het
OESO-modelverdrag, dat fiscale voorrechten toegekend aan leden van een diplomatieke
of consulaire vertegenwoordiging op grond van internationaal recht of internationale
overeenkomsten, niet worden aangetast door het onderhavige Verdrag.
Recht op voordelen (artikel 26 van het Verdrag)
In artikel 26 is in aansluiting bij artikel 29, negende lid, van het OESO-modelverdrag een zogeheten «principal purpose test» opgenomen ter bestrijding van verdragsmisbruik.
Op grond van artikel 26 worden verdragsvoordelen niet toegekend voor een bestanddeel
van het inkomen indien het verkrijgen van dit verdragsvoordeel één van de voornaamste
redenen was voor een constructie of transactie die direct of indirect tot dat voordeel
heeft geleid.
Uitbreiding van de territoriale toepasselijkheid (artikel 27 van het Verdrag)
Artikel 27, eerste lid, bepaalt dat het Verdrag – mits aan bepaalde voorwaarden wordt
voldaan – kan worden uitgebreid tot Aruba en/of Sint Maarten. Voor die uitbreiding
zou een wijziging van het Verdrag nodig zijn, dan wel een separaat verdrag. Beide
behoeven de goedkeuring van de Staten-Generaal.
Curaçao streeft ernaar (zie CFV 2023), net zoals Nederland (zie Notitie Fiscaal Verdragsbeleid
20203), om in de belastingverdragen vast te leggen dat het betreffende belastingverdrag
kan worden uitgebreid tot de overige delen van het Koninkrijk. Aangezien de fiscale
systemen van de landen binnen het Koninkrijk aanzienlijk van elkaar afwijken, zal
een één-op-één uitbreiding van een Curaçaos belastingverdrag naar de andere landen
binnen het Koninkrijk niet vanzelfsprekend zijn. Dit betekent dat een uitbreidingsbepaling
in een belastingverdrag dat Curaçao met een partnerland heeft afgesloten voor dat
partnerland weliswaar een aanleiding kan zijn voor het starten van onderhandelingen
met een ander land binnen het Koninkrijk, maar dat het desbetreffende land zelf ten
aanzien van het eigen fiscale stelsel zal moeten onderhandelen met dat partnerland.
De landen van het Koninkrijk, die fiscaal autonoom zijn, kunnen overigens ook zelfstandig
besluiten om in onderhandeling te treden met Cyprus over een belastingverdrag.
Tussen Nederland (het Europese en het Caribische deel) en Cyprus is sinds 30 juni
2023 het op 1 juni 2021 te Nicosia totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Republiek Cyprus tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking
tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van
belasting (Trb. 2021, 80) van kracht. Een eventuele uitbreiding van het Verdrag zou daarom Aruba en/of Sint
Maarten betreffen. Artikel 27 maakt dan ook alleen uitbreiding naar die landen mogelijk.
Artikel 27, tweede lid, bepaalt dat als het Verdrag in overeenstemming met artikel
27, eerste lid, is uitgebreid, die uitbreiding niet automatisch wordt beëindigd als
het onderhavige Verdrag wordt beëindigd, tenzij anders wordt overeengekomen.
Inwerkingtreding (artikel 28 van het Verdrag)
Artikel 28 regelt de inwerkingtreding van het Verdrag. De verdragsluitende staten
stellen elkaar (via diplomatieke nota’s) ervan in kennis wanneer de in hun staat vereiste
wettelijke procedures voor de inwerkingtreding van het Verdrag zijn vervuld. Het Verdrag
treedt dan in werking op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarin de
laatste van de beide kennisgevingen is ontvangen.
Artikel 28, tweede lid, bepaalt wanneer de bepalingen van het Verdrag van toepassing
zijn. De bepalingen van dit Verdrag worden voor Curaçao van toepassing voor belastingjaren
en -tijdvakken die beginnen, en belastbare gebeurtenissen die zich voordoen, op of
na 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat waarin het Verdrag in werking is
getreden.
Beëindiging (artikel 29 van het Verdrag)
Artikel 29 regelt de beëindiging van het Verdrag. Het Verdrag kan na verloop van vijf
jaar na de datum van inwerkingtreding door elk van de verdragsluitende staten worden
beëindigd. Beëindiging dient langs diplomatieke weg te geschieden door een kennisgeving
van beëindiging op of vóór 30 juni van enig kalenderjaar dat aanvangt na afloop van
die periode van vijf jaar.
Voor Curaçao geldt dat bij een dergelijke kennisgeving het Verdrag ophoudt van toepassing
te zijn voor belastbare gebeurtenissen die zich voordoen en voor belastingjaren en
-tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het
kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan. Indien de kennisgeving
is gedaan in de laatste zes maanden van een kalenderjaar, houdt het Verdrag op van
toepassing te zijn voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen en belastbare
gebeurtenissen die plaatsvinden na het einde van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar
waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.